Abonneer Log in

Naar een ziekenhuis women only?

Het belang of impact van cultuur en religie op gezondheidszorg

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 10 (december), pagina 39 tot 44

Het einde van de wereld?

Eén zwaluw maakt zelden de zomer. Eén moslim die zijn zwangere vrouw weigert te laten bijstaan door een mannelijke gynaecoloog luidt daarom niet meteen het begin in van een islamitische revolutie. Andersom is het weinig zinvol om het voorval toe te dekken met de mantel van nuanceringen en vergoelijkingen. Genre: de laatste maal dat in mijn praktijk of ziekenhuis zich zo’n situatie voordeed, was met een blanke niet-moslim. En daarmee wordt dan bedoeld: onaanvaardbaar gedrag is niet exclusief toe te bedelen aan een groep. Een waarheid als een koe, maar toch kunnen we dergelijke nuanceringen beter achterwege laten. Waarom? Vooreerst omdat iedereen wel weet dat alle samenlevingen individuen of subgroepen telt die er extreme(re) ideeën op nahouden. Maar ook, en misschien vooral hierom, omdat onder moslims groepsgedrag vaak de norm is. Of duidelijker: terwijl blanke autochtonen de verikking als uitgangspunt van elk handelen nemen, zal de moslim, veralgemeend, zijn handelen vaak afstemmen op wat zijn religiegenoten belangrijk vinden. En status kan dan gehaald worden uit vele zaken. Uit het feit dat vrouwlief op straat mooi achter de man blijft lopen bijvoorbeeld, of dat de dochter zedig gekleed is in een djellaba én een kuise hoofddoek draagt. Of met het eeltplekje op het voorhoofd dat getuige is van veelvuldig bidden.

En vanaf nu dus ook met een doctrinaire houding in het dokterskabinet. Daarom is het zo spijtig dat dergelijke voorvallen meteen in de pers komen. Soms is spreken zilver en zwijgen goud, en dit is daar zo’n mooi voorbeeld van. Het is immers niet toevallig dat in Nederland eind juli 2007 soortgelijke verhalen de media haalden nadat hiervan melding was gedaan in het Nederlandse artsenorgaan Medisch Contact: ‘Het loopt zo langzamerhand de spuigaten uit. Gesluierde moslimdames die binnenkomen voor allerlei onderzoek, begeleid door mannelijke cipiers (echtgenoten, broers, vaders, zoons) die op hoge toon eisen dat hun vrouwelijk familielid door een vrouwelijk personeelslid zal worden onderzocht’.1 Heisa die al gauw ook doorklonk tot in de Tweede Kamer van de Staten-Generaal, zeg maar onze Kamer van Volksvertegenwoordigers. Naast Geert Wilders, die telkenmale dat in media over moslims wordt bericht daarover meteen een vraag indient, heeft ook PvdA’er Khadija Arib aan de Minister van Volksgezondheid een vraag gesteld.2 Daarover straks meer.

Selectieve verontwaardiging?

Tussen de Nederlandse berichtgeving en het recente voorval in het Geelse AZ Sint-Dimpna zitten net geen twee maanden.3 Voor het overige verschilt er weinig. In Nederland reageerde de goegemeente ontzet, en de medische wereld nog meer. In Vlaanderen was dat niet anders. Maar hoe terecht is deze ontzetting? Wordt andermaal niet verkrampt gereageerd op een situatie die veelvuldig voorvalt - met dien verstande dat dan de hoofdrolspelers geen moslims zijn -, met name de impact van cultuur en religie op iemands handelen? Ik denk van wel. En daarom is het tijd voor enig perspectief. Want wat blijkt? Onze verontwaardiging is wel erg selectief. Ik bedoel: terwijl wij een heel juridisch systeem hebben uitgebouwd waardoor zorgverleners kunnen weigeren mee te werken aan bijvoorbeeld abortus of euthanasie, is het kennelijk bijzonder vreemd dat ook anderen op religieuze gronden bepaalde eisen gaan stellen. Zo schreef KUL-professor medisch recht Herman Nys in zijn column in De Huisarts dat de oprichting van een ‘halal-ziekenhuis’ in Nederland - tot op heden overigens niet meer dan een idee - niet de beste wijze is om tot integratie te komen.4 Terecht uiteraard, maar de onderliggende genuanceerde afwijzing is wel bijzonder als men even stilstaat bij de werkplek van de columnist - ook als die nu nadenken over de toekomst van de ‘K’ in hun benaming.5 Met andere woorden: in feite moeten wij niet raar staan kijken als mensen op grond van ‘hogere’ overwegingen bepaalde eisen stellen als de samenleving in andere omstandigheden dergelijk systeem tot norm heeft verheven.

Nog niet overtuigd? Lees dan even artikel 28 van de Code van de Geneeskundige Plichtenleer: ‘Behalve in geval van hoogdringendheid of wanneer hij in zijn menslievende plichten tekort zou schieten, staat het de geneesheer steeds vrij om persoonlijke of beroepsredenen de behandeling van een zieke te weigeren. De geneesheer mag eveneens van zijn opdracht afzien op voorwaarde dat hij de patiënt of de naastbestaanden ervan in kennis stelt, de continuïteit van de verzorging verzekert en aan de geneesheer die zijn taak overneemt, alle nuttige inlichtingen verstrekt’.6

Het begin van het einde?

Op dit ogenblik laten moslims zich in dit debat overigens vooral van zich horen als … patiënt, hoewel er ook wel een aantal voorbeelden te geven zijn uit de professionele medische wereld. Zo was er in diezelfde periode bijvoorbeeld, in Engeland, een islamitische tandarts die een patiënte weigerde omdat zij geen hoofddoek droeg.7 Op de keper beschouwd zijn het aantal voorbeelden te beperkt om echt te kunnen spreken van een (r)evolutie in de gezondheidszorg, en bovendien is handelen op basis van religie hoegenaamd niet een exclusief van moslims. Dat bewijst alvast de lectuur van Amerikaanse literatuur rond, wat men daar noemt, cultural, religious and spiritual claims in the clinical context, of ook the right of conscience in health care. Zo schreef Rob Stein in The Washington Post van 16 juli 2006 over dit bitter debate over religious freedom vs. patients rights en geeft hij een aantal voorbeelden waarbij het verlenen van gezondheidszorg wordt gekoppeld aan de persoonlijke overtuiging van de verstrekker. In Chicago weigerde een ambulancier zo een dame te vervoeren naar een abortuskliniek. In Californië wensten fertiliteitsspecialisten geen behandeling te geven aan een lesbische vrouw. En in Texas wees een apotheker een verkrachte vrouw, die een morning-after pil wenste, de deur.8 En we hoeven het niet meer zo ver te zoeken: onlangs was er ook een Belgische apotheker die weigerde anticonceptiva of euthanasiekits te verkopen omdat hij dit strijdig oordeelde met zijn christelijk geloof.9 Opmerkelijk is dat dit bericht wel de krant haalt maar dat er, in tegenstelling tot de berichtgeving over moslims in de gezondheidszorg, hier geen commotie over ontstaat.

Met wat pech is er in feite sprake van een algemene tendens, waarbij én patiënten en gezondheidsverstrekkers zich exclusief zullen laten voorstaan op hun persoonlijke overtuiging.10

Bij Toutatis, rare jongens die …

Is daarmee alles gezegd? Neen, helemaal niet. Vorige alinea was enkel een kanttekening, een koekje van eigen deeg als het ware. Om te vermijden dat alweer te gauw alleen met de vinger zou worden gewezen naar de moslimgemeenschap en dat men, Obelix parafraserend, daarbij hoofdschuddend zou denken: ‘Bij Toutatis, rare jongens die moslims.’ Los daarvan kunnen er uiteraard wel bedenkingen geformuleerd worden in het ‘gynaecologendossier’. Bijvoorbeeld dat het niet de vrouw zelf is geweest die de dokter heeft geweigerd, maar wel haar echtgenoot. En hoewel de Wet betreffende de patiëntenrechten (Belgisch Staatsblad 26/09/2002) in de mogelijkheid voorziet dat een patiënt zich tot de zorgverstrekker richt via een woordvoerder11, is het allicht niet om deze reden dat de wetgever deze werkwijze heeft ingeschreven. En dus blijven we nog steeds zonder duidelijke oplossing. Hoe moet een gezondheidsverstrekker reageren in situaties zoals in het Geelse AZ Sint-Dimpna?

Het advies van het Bio-Ethisch

Comité

In feite doen we er goed aan in dezen even te kijken naar het advies van het Raadgevend Comité voor Bio-Ethiek dat het heeft aangenomen naar aanleiding van de weigeringen van Jehova’s getuigen tot het ontvangen van een bloedtransfusie.12 Zonder in detail te treden kunnen we aan de hand van dit advies enkele situaties samenvatten:
a) Een vrouw weigert de hulp van een mannelijke gezondheidsverstrekker. Als dit geen gezondheidsrisico inhoudt dan behoort doorverwijzing naar een vrouwelijke dokter tot de mogelijkheid. Behoudens, eventueel, vanuit maatschappelijk oogpunt is er weinig reden tot kritiek.
b) De echtgenoot van een vrouw weigert dat zij door een mannelijke gezondheidsverstrekker wordt geholpen. Indien doorverwijzing mogelijk is, dan is daarmee al een probleem van de baan. Maar is het gedrag van de man aanvaardbaar?
c) Een zwangere vrouw weigert bij de bevalling, of bij een ander zwangerschapsgerelateerd feit, de hulp van een mannelijke gezondheidsverstrekker.
d) De echtgenoot van c) weigert.

In de gevallen c) en d) is één zaak duidelijk. Met de weigering moet in gevallen van medische hoogdringendheid geen rekening worden gehouden. Wat op dat ogenblik telt, is immers de bescherming van het ongeboren kind. De redenering is in deze gevallen dus analoog aan wat geldt bij wilsonbekwame minderjarige Jehova’s: bij urgentiegevallen primeert het levensbelang van het kind op de religieuze wensen van moeder of ouders. In andere gevallen, in feite te vergelijken met de situaties onder a) en b) beschreven, tracht men best met de ouders tot een vergelijk te komen, en zorgt men voor doorverwijzing naar een andere, lees vrouwelijke gezondheidsverstrekker.

En wat doen we verder met de recalcitrante echtgenoot van wie sprake in de geschetste situaties b) en d)? Het is klip en klaar dat manlief in zijn (ont)houding twee bruggen te ver gaat. Maar het moet je maar overkomen, tijdens je nachtdienst geconfronteerd worden met een woedend, maar uiteraard immer vroom, heerschap dat bereid is je te lijf te gaan als je zijn vrouw in barensnood zou helpen. Het kan alvast een reden zijn waarom ziekenhuizen er goed aan doen om ’s nachts altijd enkele veiligheidsagenten in stock te hebben. Kwestie van tengere gynaecologen en dito vroedvrouwen te beschermen tegen woede en geweld. Want je kan uiteraard altijd wel zeggen dat het operatiekwartier verboden is voor onbevoegden, het probleem is uiteraard dat mensen geïnspireerd door het hogere zich zelden onbevoegd achten om zo’n verbod naast zich neer te leggen.

Het gebruikelijk strafrechtelijk arsenaal moet volstaan …

Los daarvan moet ook gekeken worden of zo’n man zich schuldig maakt aan een misdrijf wanneer hij zich niet louter verbaal maar ook fysiek zou verzetten tegen een interventie van een mannelijke arts. Op het eerste gezicht zijn er wel enkele bepalingen uit het strafrecht waarop men zich zou kunnen beroepen om zo’n man voor een korte of lange tijd op te sluiten. En als dat toch niet het geval zou zijn, dan moet de Belgische wetgever maar nadenken om het Nederlandse voorstel van Tweede-Kamerlid Khadija Arib over te nemen. Zij benoemde het gedrag van dit slag mannen onomwonden en terecht als strafbaar waarvoor, indien noodzakelijk, een specifiek misdrijf in het leven moet worden geroepen. En dat lijkt mij de juiste insteek. Overigens niet alleen in situatie d), maar ook in geval c). Ook in urgentiegevallen waarin de zwangere vrouw zich verzet tegen de hulp van een mannelijke zorgverstrekker is er immers sprake van eenzelfde strafbaar feit. De dader is dan niet de man, maar wel de vrouw zelve - hoewel er uiteraard altijd sprake kan zijn van dwang.

Voor de volledigheid: Arib kreeg op dit onderdeel van haar vragen het volgende antwoord: ‘De vraag of het handelen van mannen die hun vrouwen in acute situaties hulp ontzeggen als strafbaar feit is te kwalificeren, hangt zeer sterk af van de concrete omstandigheden van het geval. Wanneer er daadwerkelijk sprake is van het plegen van een strafbaar feit staat het gebruikelijk strafrechtelijk arsenaal ter beschikking om daarop te reageren.’ Een juist antwoord, ook om te vermijden dat er voor elke nieuwe situatie een straf ‘op maat’ zou worden ontwikkeld.

Tot slot is het zinvol om nog kort even stil te staan bij de al snel ingeroepen rechtsregel dat de betrokken dokter zou zijn gediscrimineerd. Hem is immers de uitoefening van zijn beroep ontzegd op basis van zijn geslacht, al dan in combinatie met zijn religie. Hier is ontegenzeglijk een spanning aanwezig tussen enerzijds de wettelijk geregelde vrijheid van een patiënt om vrij zijn dokter te kiezen (zie de al genoemde Wet betreffende de rechten van de patiënt) en anderzijds het discriminatie- en racismeverbod. Toch wordt in de rechtsleer op dit ogenblik voorrang gegeven aan het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt. Nochtans gaat de enige gekende en betwiste rechtspraak de andere richting uit, namelijk de veroordeling van een patiënt die, gelegen op de spoedafdeling, weigerde zich te laten behandelen door een Zwart-Afrikaanse arts (Corr. Brussel 30 juni 1997). De vrije keuze van een patiënt is met andere woorden slechts gewaarborgd indien deze keuze niet-discriminatoir zou zijn. Nogmaals, het is een visie die in de beperkte rechtsleer wordt betwist. Want daar wordt meer uitgegaan van een doorslaggevende keuzevrijheid, in die zin dat doorgaans wordt aangenomen dat antidiscriminatiewetgeving niet van toepassing is op de keuzes die een consument maakt.13

Is het einde van de wereld nu nabij?

Is het einde van de wereld nabij? Tja, wellicht wel, maar het is niet deze gebeurtenis die dat einde inluidt. Andersom moeten we er ook niet zorgeloos met omspringen. Er was een tijd dat één hoofddoek evenmin de zomer maakte. En zonder over deze evolutie een moreel of juridisch oordeel te vellen, vandaag zien we dat kledingstuk wel steeds vaker opduiken, en ook bij steeds jongere meisjes. Om maar te zeggen, het kan nooit kwaad om, snel na de eerste vastgestelde feiten, met beleidsontwikkeling te starten. Op voorwaarde dat dit niet alleen gebeurt tijdens de hype, maar ook nadien. Want de aanhouder, die wint.

Een goede start daarbij is alvast de weg van de onmiddellijke en permanente dialoog. Dat is ook de goede raad van Dominique Luton, secretaris-generaal van het Collège national des Gynécologues et Obstétriciens français, in zijn referaat over Médecine et Laïcité dat hij op 8 maart 2007 in de Senaat uitsprak ter gelegenheid van de internationale dag van de vrouw. ‘De dialoog is heel belangrijk. We moeten met de patiënten discussiëren en anticiperen op conflicten. De arts mag niet aarzelen om bij het begin van de zwangerschap aan een patiënte die ervoor terugschrikt om zich in het bijzijn van haar echtgenoot te laten onderzoeken, uit te leggen dat in een neutraal ziekenhuis niet kan worden gegarandeerd dat ze systematisch door een vrouw wordt onderzocht. Wij kunnen in de mate van onze mogelijkheden op haar verzoek ingaan, maar ze moet weten dat als het dringend is, ook een beroep kan worden gedaan op een man.’14

Tenzij er uiteraard ziekenhuizen komen van vrouwen, voor vrouwen…

Bob Van den Broeck 15
Redactielid

Noten
1/ Zie Floris Sanders, Noten op de allochtone zang, Medisch Contact, 20 juli 2007. De column krijgt al snel de aandacht in de algemene pers met artikels in alle kranten als gevolg.
2/ Het betreft de vragen (27 juli 2007) van de leden Geert Wilders en Fleur Agema (beiden PVV) aan de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Justitie over discriminatie van medisch specialisten met antwoord van Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Ab Klink (mede namens de Minister van Justitie), Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer, nr. 2419, vergaderjaar 2006-2007 en de vragen (30 juli 2007) van Khadija Arib (PvdA) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het weigeren van mannelijke artsen door gesluierde vrouwen het antwoord van deze laatste, Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer, nr. 2420, vergaderjaar 2006-2007. Na te lezen via http://www.tweedekamer.nl.
3/ Pascal Selleslagh, Mannelijke gynaecoloog bij bevalling geweerd, Artsenkrant 1856, 11 september 2007. In hetzelfde nummer doet de gynaecoloog zijn persoonlijk relaas ‘Discriminatie: een zware bevalling’.
4/ Herman Nys, Vrije keuze van arts, De Huisarts 846, 4 oktober 2007.
5/ Een analoog voorbeeld vond kort daarvoor in Antwerpen plaats waar er uit politieke hoek veel kritiek kwam op de vaststelling dat een aantal handelaars op grond van hun islamitisch geloof geen alcohol meer verkochten. In de mate dat echter niet kan worden aangetoond dat deze middenstanders de verkoop hebben stilgelegd na (verbale of fysieke) intimidatie - te onderscheiden van een gewone consumentendruk - is er feitelijk geen probleem. De verkoop van alcohol is geen kruideniersplicht, en het is niet verboden om ook tijdens het zakendoen, de koopmansgeest ondergeschikt te houden aan de overtuiging.
6/ De Code Geneeskundige Plichtenleer is onder andere te lezen op http://www.hospitals.be
7/ Russel Jenkins, Muslim dentist ‘made patient cover her head’, The Times, 25 september 2007.
8/ Rob Stein, A medical crisis of conscience. Faith drives some to refuse patients medication or care, The Washington Post, 16 juli 2006.
9/ Thea Swierstra, Apotheker weert anticonceptiva en euthanasiekits, De Morgen, 3 november 2007.
10/ Hoewel ook de andere zijde, die van een absoluut neutrale arts en dito gelaïciseerde patiënt, zijn aanhangers heeft. Zo verklaarde Dominique Luton, secretaris-generaal van het Collège national des Gynécologues et Obstétriciens français, in zijn referaat over Médecine et Laïcité: ‘Het is de rol van de arts om zorg te verstrekken, niet om maatschappelijke problemen op te lossen. De arts moet zijn persoonlijke overtuiging terzijde schuiven en een strikte neutraliteit bewaren. Hij mag dat ook van zijn patiënten te verwachten.’ Zie de Handelingen van de Senaat van 8 maart 2007 over de ‘gezondheid van vrouwen in een ziekenhuisomgeving’. Te raadplegen via http://www.senate.be
11/ Artikel 14 van de Wet betreffende de patiëntenrechten voorziet in de mogelijkheid dat een patiënt zich kan laten vertegenwoordigen zolang deze niet in staat is zijn rechten zelf uit te oefenen. De persoon die deze taak opneemt moet in beginsel op voorhand zijn aangewezen, maar indien dit niet gebeurd is, wordt eerst gekeken naar de echtgenoot of partner.
12/ Advies nr. 16 van 25 maart 2002 van het Raadgevend Comité voor Bio-Ethiek betreffende het weigeren van bloedtransfusies door de Getuigen van Jehova. Het advies is online consulteerbaar op http://www.health.fgov.be/bioeth
13/ Zie hierover Caroline Cauffmann, Discriminatie bij bijzondere overeenkomsten, Rechtskundig Weekblad, 14 oktober 2006, p. 288 en pp. 308-309.
14/ Voor de bron zie voetnoot 10.
15/ Bob Van den Broeck is stafmedewerker visie en communicatie van de dienst ‘Samenleven in diversiteit’ van de stad Antwerpen. Daarnaast publiceert hij geregeld en geeft hij les over integratie- en diversiteitsvraagstukken. Deze bijdrage is een persoonlijke visie en verbindt zijn werkgever niet.

cultuur - religie - gezondheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 10 (december), pagina 39 tot 44