Abonneer Log in

Het verontrustende proces tegen Abou Jahjah

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 12

Eind januari werd oud-politiecommissaris Bart Debie, parlementair medewerker van Filip Dewinter en gemeenteraadslid voor het Vlaams Belang in de Antwerpse gemeenteraad, in beroep veroordeeld tot vier jaar cel waarvan één jaar effectief. Bovenop de effectieve celstraf wordt Debie ook vijf jaar uit zijn burgerrechten gezet, waardoor hij zowel ontslag moet nemen als gemeenteraadslid en als parlementair medewerker. Debie gaat nu in cassatie tegen dit arrest, waardoor het vonnis wordt opgeschort.

Op 21 december 2007 veroordeelde de strafrechtbank van Antwerpen Dyab Abou Jahjah en Ahmed Azzuz tot zware straffen: 1 jaar effectieve opsluiting en het betalen van een schadevergoeding van meer dan 5000 euro. Beide mannen zijn veroordeeld voor hun vermeend aandeel in feiten die zich voordeden toen ze nog de Arabisch-Europese Liga (AEL) leidden: de rellen die op 26 en 27 november 2002 in Antwerpen uitbraken na de dood van islamleerkracht Mohamed Achrak. De veroordeling komt er pas volle vijf jaar na de vermeende feiten, op basis van een bewijslast die op tal van punten grote vragen oproept. Wie het verloop van het onderzoek en de procesgang heeft gevolgd, kan zich niet van de indruk ontdoen dat het vonnis de zoveelste slag is in een jarenlange oorlog van het Antwerpse en Belgische establishment om de AEL als onafhankelijke stem uit de moslimgemeenschappen te vernietigen.

Het is evenwel twijfelachtig of dit de laatste veldslag is. Als de rechters ervan uitgaan dat dit vonnis Abou Jahjah, die inmiddels in zijn geboorteland Libanon leeft en werkt, ervan zou weerhouden ooit nog een voet op Belgische bodem te zetten, dan vergissen ze zich. De man heeft luid en duidelijk aangekondigd dat hij in hoger beroep gaat tegen de uitspraak, voor het proces naar België komt en desnoods zich ‘als politiek gevangene’ in de ijzers zal laten klinken. En het moet gezegd: de voorgeschiedenis en de context van deze zaak, het onderzoek en het vonnis zelf bevatten voldoende grond om te voorspellen dat het proces zich wel eens als een boemerang tegen de klagers zou kunnen keren. Er is verder nog een belangrijke reden om deze zaak met argusogen te volgen: als het Hof van Beroep de uitspraak van de Rechtbank van Eerste aanleg bevestigt, dan komen zelfs enkele fundamenten van de rechtstaat op losse schroeven te staan. Stof genoeg dus om een blik te werpen in een dossier dat binnenkort opnieuw in de publieke belangstelling komt en uiteindelijk misschien wel voor het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg zal worden beslecht.

Demoniseren en criminaliseren

Of men nu van Abou Jahjah houdt of niet, men kan moeilijk om de vaststelling heen dat de man het voorwerp was van een eendrachtig uitgevoerde campagne van media, politiek, gerecht en politie- en inlichtingendiensten om de man en zijn organisatie in diskrediet te brengen. Weinig politici zijn in de geschiedenis van dit land met evenveel heftigheid aangevallen als de voorman van de AEL. Enkele voorbeelden. Een door de Staatsveiligheid ineengeknutseld dossier dat Abou Jahjah moest demoniseren werd gretig door Het Volk en De Morgen verspreid. Het Laatste Nieuws, dat wou ‘bewijzen’ dat de AEL een privémilitie van geüniformeerde mensen is, drukte een Belga-foto af van enkele in het zwart geklede AEL’ers waarvan een AEL-lid met een wit hemd was afgeknipt. Brice De Ruyver, de veiligheidsadviseur van de premier, riep dat de AEL-chef ‘eruit moet’. De politieke climax was een lange zitting van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, kort na de rellen in Borgerhout waarvoor Abou Jahjah en Azzuz vandaag terechtstaan. In het parlement dichtte premier Guy Verhofstadt de AEL maffieuze oogmerken toe: de politie uit de wijken verjagen om in no go-zones een vrijgeleide te geven aan criminele benden. De premier kondigde vlakaf de arrestatie van Abou Jahjah aan.

Niemand van de politieke klasse nam Verhofstadt die ondermijning van het principe van de scheiding der machten kwalijk. Integendeel: CD&V’er Marc Van Peel stelde zelfs voor om met een uitzonderingswet de AEL onmiddellijk buiten de wet te stellen, en Minister van Binnenlandse Zaken Antoine Duquesne (PRL) sprong hem bij. Toenmalig sp.a-voorzitter Patrick Janssens zei op tv: ‘Abou Jahjah moet met alle mogelijke middelen gestopt worden’. Later verduidelijkte Janssens wel dat hij geenszins de indruk wou wekken dat alle middelen geoorloofd waren, zoals hem levenslang opsluiten of laten vermoorden: ‘ik bedoelde dat hij gestopt moest worden met ‘democratische’ middelen. Anders zet je de democratie nog meer op het spel dan Abou Jahjah zelf.’ Eens Abou Jahjah in de gevangenis zat, verklaarde Van Peel dat hij hoopte dat het juridische dossier sterk genoeg was om hem vast te houden. Achteraf bekritiseerde Van Peel de rechter: ‘de beslissing van de rechtbank om Dyab Abou Jahjah vrij te laten, doet me denken aan het spaghetti-arrest (...) Jahjah werd gerechtelijk aangehouden. Dan kan je er normalerwijs toch van uitgaan dat er een voldoende sterk dossier was om de raadkamer te passeren? Nu krijgen we een uitvergroot handtassenafrukverhaal waarbij de dief na twee uur het politiekantoor mag verlaten’. Voor de CD&V’er deed het er dus niet toe of Abou Jahjah schuldig was of niet, ten behoeve van de publieke opinie die hem schuldig achtte, moest hij aangehouden blijven…

In die periode werd het gerecht door de politieke wereld en de media opgejaagd om de AEL te kraken. De Antwerpse procureur des Konings Bart van Lijsebeth sprak in De Financieel-Economische Tijd (07/12/2002) over een ‘collectief delirium’ bij een deel van de bevolking en de pers, en hij erkende voorts dat een vraag van Minister van Justitie Verwilghen aan de basis van het onderzoek tegen Abou Jahjah lag. De publieke opinie, platgeslagen door de overspannen reacties van politici en de steeds herhaalde tv-beelden van de scherpe discussie tussen Abou Jahjah en politiechef Luc Lamine, kreeg de indruk dat Antwerpen in brand stond. Het volk wou bloed zien. En het gerecht, het moet gezegd, deed zijn best om aan de verwachtingen te beantwoorden. In die periode lekte het parket alle mogelijke beschuldigingen en pistes die zijn onderzocht om de AEL met juridisch middelen te gronde te richten. Ze zijn als vaststaande feiten, dikwijls aangedikt, in de media gebracht: tegenwerking van het politiewerk, het ‘kopen’ van jongeren met gsm’s, antisemitische agitatie, illegaal wapenbezit, financiering met bloeddiamanten, bezit van kinderporno, het oprichten van een privémilitie, ... Geen enkele aantijging kon worden hardgemaakt. Het onderzoek over alle feiten onderzocht in de periode tussen 21 februari 2000 en 8 september 2004 werd uit het strafonderzoek gelicht. Na vijf jaar hardnekkig speurwerk werd uiteindelijk maar één klacht weerhouden: het aanzetten tot rellen en weerspannigheid tegen de politie op 26 en 27 november 2002, in de nasleep van de dood van Mohamed Achrak.

Een verontrustend vonnis

Het vonnis van 21 december 2007 is de vrucht van die jarenlange demoniseringscampagne. Het draagt er dan ook alle kenmerken van: onevenwichtig, oneerlijk, onrechtvaardig en met potentieel zwaarwegende consequenties. We zetten enkele aspecten op een rij.

Twijfelachtige kroongetuige

De kroongetuige waarop de rechter zich beroept voor zijn interpretatie van Abou Jahjahs opruiend gedrag is een Marokkaans-Belgische politieagent die Abou Jahjah in het Arabisch zou hebben horen oproepen tot verzet. In het vonnis staat er: ‘X, lid van het Bravo peloton bij de ordedienst en de Arabische taal machtig, had de opruiende taal van Abou Jahjah verstaan. Deze riep: ‘Laat u niet doen door de politie, er is maar één God Allah genaamd. Blijf samen, samen zijn wij sterk tegen de politie. Al wie ons niet volgt, is een schijnheilige, zij (de politie) zijn de oorzaak van de dood van onze broeder, vecht terug!’ Abou Jahjah voerde met zijn groep vervolgens een charge uit op het cordon van de politie. Op dat ogenblik werd de collectieve pepperspray ingezet.’ In het vonnis staat er ook: ‘Er is geen reden om aan de verklaring van inspecteur X, die zeer formeel is over hetgeen hij hoorde, te twijfelen’. In AEL-kringen, maar ook daarbuiten, wordt echter gezegd dat deze agent een valse verklaring heeft afgelegd om de moslimorganisatie erin te luizen. Dat lijkt niet onmogelijk als men de indrukwekkende lijst van leugens en loze verdachtmakingen bekijkt die in die dagen op de AEL werden afgevuurd.

Een onafhankelijk onderzoek over de rol van de AEL en de politie in de gebeurtenissen van die dagen is alleszins vakkundig onderuit gehaald, want kort na de gebeurtenissen blokte het Comité P, dat de politiediensten moet controleren, verder onderzoek af met de publicatie van een nietszeggend rapport dat de politie van elke schuld vrijpleitte. Toenmalig parlementslid Karel Van Hoorebeke (N-VA) had het over ‘een heel vaag rapport over de ordehandhaving in Antwerpen bij de betogingen van de AEL in 2002 (...) Op televisie zag je inspecteurs met de spuitbus op oogniveau naar de betogers traangas of pepperspray spuiten. En in het verslag van het Comité P staat dat de politie niet provoceerde. Als men op dergelijke manifeste incidenten niet ingaat, dan maakt men zijn eigen rapport waardeloos.’ (Gazet van Antwerpen, 13/01/2003)

De kroongetuige is niet aan een kruisverhoor onderworpen of geconfronteerd met andere getuigen. Op het argument van de verdediging dat de jongeren geen Arabisch verstaan, alleen Nederlands of Berbers, antwoordt de rechtbank niet. Er zijn nochtans goede redenen om die agent te ondervragen. Kort na de rellen is Abou Jahjah aangehouden, maar tegen de zin van het parket in besliste de raadkamer hem enkele dagen later vrij te laten omdat de belastende verklaring van die ene agent… niet betrouwbaar genoeg was. In zijn verklaring zegt de agent immers ‘dat hij had menen te begrijpen’ dat de AEL-leider die opruiende woorden had gesproken, en niet ‘dat hij er zeker van was’. De voorzitter van de raadkamer, aldus Abou Jahjahs advocaat, vond ook dat de woorden die Abou Jahjah zou hebben gesproken niet specifiek genoeg zijn om te kunnen spreken van opruiende taal: ‘Volgens de rechter had Abou Jahjah de migranten dan echt moeten aansporen tot concrete daden van geweld, zoals met stenen gooien’.1 Het is een oordeel waar de rechtbank geen oren naar had.

Verklaringen korpschef Luc Lamine

Ondertussen rezen er nog meer ernstige twijfels over de bezwarende verklaring van de allochtone agent. In oktober 2006 blikte Luc Lamine in Humo (31/10/2006) terug op de gebeurtenissen. Lamine was in die dagen de korpschef van de Antwerpse politie, en dus de baas van kroongetuige X. Dit is wat Lamine over de rol van Abou Jahjah in de rellen zei:
HUMO: U hebt met Abou Jahjah op straat, voor het oog van de camera, gediscussieerd.
LUC LAMINE: Ik heb stoïcijns geluisterd - geen woord heb ik gezegd. In een regen van stenen en andere projectielen gaf ik een signaal van rust aan mijn agenten, en aan de hele stad. Als enige, omsingeld door de lijfwachten van Jahjah, aanhoorde ik zijn tirade. (...) Na de tirade van Jahjah, toen de camera’s wegdraaiden, heb ik gezegd: ‘Abou, alstublieft, dit hebben we binnenkort niet meer onder controle. Leid de betoging af naar een moskee of er komen vodden van.’ Hij hééft dat gedaan. Jahjah was voor rede vatbaar.
Ik heb met procureur des Konings Bart Van Lijsebeth ambras over Jahjah gemaakt. De avond dat men bij Jahjah een huiszoeking ging verrichten, heb ik de procureur gezegd: ‘Ik ga met de onderzoeksrechter mee naar binnen: Jahjah is volgens mij geen witteboordencrimineel.’ (…)
Als ik zie met wat voor ijver het parket Jahjah opjaagde, heb ik mijn bedenkingen.Ze vorderden honderdvijftig agenten op om hem te arresteren, op het moment dat de stad in vuur en vlam stond. Ik vond die aanhouding onnodig, nutteloos en risicovol, maar het parket wou laten zien wie er de baas was in de stad. Ik heb daarover woorden gehad met het parket, jazeker. (...) Ze verdachten Jahjah van een resem criminele activiteiten. Ik: ‘Welke dan? Het belemmeren van het verkeer op de Turnhoutsebaan? Gaan jullie hem daarvoor vervolgen, misschien?’

Een allochtone agent beschuldigt Abou Jahjah dus van opruiend gedrag, maar zijn chef, die zijn verklaring in handen heeft gekregen, zegt dat Abou Jahjah oren had naar zijn suggestie en de toestand onder controle bracht door de woedende jongeren naar een moskee te leiden. Volgens de agent riep Abou Jahjah op tot verzet; volgens zijn chef was de AEL-leider ‘voor rede vatbaar’. De vraag van de verdediging dat oud-commissaris Lamine zou worden ondervraagd over zijn verklaring in Humo ten ontlaste van Abou Jahjah was dus logisch, maar ze werd wel afgewezen. In het vonnis wordt dit zo gemotiveerd: ‘De rechtbank acht het horen van deze getuige [Lamine] niet opportuun aangezien hij in het dossier reeds een uitgebreide verklaring aflegde. Bovendien acht de rechtbank de waarde van een getuigenis opgenomen in een proces-verbaal hoger dan de weergave van een interview in een weekblad.’ Nou, dat is echt een heel vreemde redenering. Stel dat iemand in een pv ontkent een moord te hebben gepleegd, maar nadien in een weekblad toegeeft toch de dader te zijn, zou de rechter dan dezelfde argumentatie gebruiken? John De Wit, de justitiespecialist van Gazet van Antwerpen, voegt daaraan toe: ‘Overigens bleek uit niets op de rechtszitting of het vonnis dat getuigen zoals journalist Jef Lambrecht, die toen op de radio verklaarde dat de beklaagden de gemoederen juist wilden bedaren, werden gehoord.’ Lambrecht, het mag gezegd, is een geloofwaardige bron, want hij is niet bepaald een fan van Abou Jahjah en heeft naar eigen zeggen de AEL-voorman de ganse avond gevolgd.

Moreel gezag van Abou Jahjah?

De rechter erkent dat de beklaagden pas meer dan 3 uur na het begin van de ongeregeldheden ter plaatse kwamen. Zo lezen we in het vonnis: ‘Op 26 november 2002 wordt Mohamed Achrak neergeschoten in de Schapensraat te Borgerhout omstreeks 16.30 uur. Om 16.57 uur krijgt de politie melding dat een grote groep allochtonen samengekomen is op de plaats van de schietpartij en dat de gemoederen danig zijn opgehitst zodat de situatie mogelijk uit de hand kan lopen. (...) Omstreeks 20.13 uur komt Abou Jahjah ter plaatse en sluit zich aan bij een groep jongeren op de Turnhoutsebaan ter hoogte van de Eliaertsstraat.’
Toch worden Jahjah en Azzuz persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de rellen en de toegebrachte schade, want zij zouden hun ‘morele gezag’ bij de jongeren niet aangewend hebben om de gemoederen te bedaren. De wettelijke basis voor dat argument is artikel 66, 5e lid van het Strafwetboek. Het artikel dateert uit … 1891. Het kwam er na de grote, grotendeels spontane arbeidersstakingen van 1886 en was bedoeld om leiders van vakbonden aan te pakken door ze te vervolgen voor standpunten in woord en geschrift die rellen zouden uitlokken. In die jaren maakte de pas opgerichte Belgische Werkliedenpartij zich op voor een harde strijd om het algemeen stemrecht af te dwingen. Het cijnskiesrecht was nog in voege en zorgde ervoor dat 30.000 bourgeois - minder dan 1% van de volwassen bevolking - beslisten wie het parlement bevolkte. De vertegenwoordigers van de burgerij wilden dat zo houden en reageerden met harde repressie tegen stakingen en betogingen, met een schoolwet die godsdienstonderwijs verplicht maakte tenzij de ouders expliciet om vrijstelling verzochten, met een nieuwe gemeentelijke kieswet die het voor de BWP nog moeilijker maakte om in de gemeenteraden te geraken en met het al genoemde artikel 66.

Juristen plaatsen ernstige vraagtekens bij het 19de eeuwse artikel 66, dat door een kleine elite is ingevoerd om de invoering van de politieke democratie te verhinderen, en door de indieners zelf werd beschouwd als een instrument dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden kon worden gebruikt (de vrijheid van vereniging van de burgerij zelf mocht natuurlijk niet ter discussie staan!). Het is zonneklaar dat dit artikel indruist tegen het recht op vrije meningsuiting en dus tegen het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Op basis van een gelijkaardige Franse wet werd in 1873 de schilder Gustave Courbet veroordeeld tot de schadeloosstelling van de Franse staat voor de vernietiging van de zuil op de Place Vendôme in Parijs, omdat hij eerder in een petitie had opgeroepen de zuil uit de stad weg te halen gezien ze de Napoleontische oorlogen verheerlijkte. Als de argumentatie van de rechters die de AEL aanpakken in de rechtspraak ingang vindt, kunnen bijvoorbeeld vakbondsleiders die bij een staking niet aanzetten tot werkhervatting voor de strafrechter worden gedaagd. En organisatoren van manifestaties kunnen worden veroordeeld voor eventuele rellen of vernielingen.

Artikel 66, 5e lid Strafwetboek

De strafbaarstelling op grond van art. 66, 5e lid Strafwetboek - hoezeer ook voor kritiek vatbaar - zou dan op zijn minst correct toegepast moeten worden, met inachtneming van de wettelijke motiveringsplicht en de rechten van verdediging (art. 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens).

Deze strafbaarstelling vereist dat er sprake is van ‘hetzij woorden, hetzij enigerlei geschrift, drukwerk, prent of zinnebeeld’ die ‘misdaden of wanbedrijven rechtstreeks hebben uitgelokt’. Maar wat lezen we in het vonnis? De rechtbank verwijst naar het ‘groot moreel gezag’ van Abou Jahjah en diens ‘mogelijkheid om de gemoederen te bedaren’. De rechtbank schrijft in het vonnis ook expliciet dat de ‘aankomst’ van Abou Jahjah er reeds toe geleid heeft dat ‘de groep zich feller gingen afzetten tegenover de aanwezige politie’ en dat ‘zijn aanwezigheid’ ‘een duidelijk opzwepend effect had naar de aanwezige massa.’ Dit alles volstaat op geen enkele wijze om te voldoen aan de voorwaarde dat er sprake is van ‘woorden of geschriften’ die de ‘misdaden of wanbedrijven’ ‘rechtstreeks’ uitlokken. Een moreel gezag kan op geen enkele wijze als ‘rechtstreeks’ uitlokken van misdrijven beschouwd worden.

De rechtbank wijst er ook op dat Abou Jahjah verbaal agressief is geweest tegen Luc Lamine. Agressief verbaal gedrag vanwege Abou Jahjah op een welbepaald uur en op een welbepaalde plaats kan evenmin ‘rechtstreeks’ de rellen van die omvang uitgelokt hebben. Van de personen die op dat welbepaalde uur en op die welbepaalde plaats aanwezig waren, kunnen slechts een beperkt aantal omstaanders gehoord hebben wat Abou Jahjah zei. Bepaalde uitlatingen van Abou Jahjah waarnaar de rechtbank verwijst, kunnen bezwaarlijk als ‘uitlokken van strafbare feiten’ worden beschouwd. Abou Jahjah zou verwijten geslingerd hebben naar de politie en gedreigd hebben met een onaangekondigde betoging van 10.000 personen. Zijn dit bewoordingen die aanzetten tot het plegen van strafbare feiten? Bovendien vermeldt het vonnis dat de gemoederen reeds opgehitst waren om 16.57 uur, terwijl Abou Jahjah pas omstreeks 20.13 uur aankwam. Was er hier dan sprake van het ‘rechtstreeks uitlokken’ met terugwerkende kracht of het ‘rechtstreeks uitlokken’ van op afstand? Verder is er ook nog de kwestie dat de vermeende Arabische uitlatingen van Abou Jahjah, die op zich reeds in verschillende richtingen interpreteerbaar zijn, niet begrepen konden worden door jongeren die alleen Berbers en Nederlands begrijpen. Vanuit de optiek dat de strafbaarstelling een rechtstreekse uitlokking van misdrijven vereist, is het onbegrijpelijk dat de rechtbank niet eens ingaat op dit belangrijk argument van verweer.

Een loutere aanwezigheid of een (vermeend) groot moreel gezag is trouwens zelfs geen daad die onder de strafbaarstelling van art. 66, 5e lid Strafwetboek valt: deze strafbaarstelling vereist dat er sprake is van ‘woorden’ of van een ’geschrift, drukwerk, prent of zinnebeeld’. In het eerste deel van het vonnis wijst de rechtbank er dan ook op dat de beklaagden vervolgd worden voor het uitlokken van misdrijven ‘door hun woorden’. Verder in het vonnis haalt de rechtbank echter allerlei eigenschappen (groot moreel gezag) en gedragingen (aanwezigheid die op zich reeds de menigte ophitste) aan die geen ‘woorden’ zijn. De rechtbank neemt het Abou Jahjah blijkbaar ook kwalijk dat hij verklaard heeft dat het niet zijn taak was om de mensen te overtuigen om rustig te zijn. Ook dit is niet strafbaar op grond van art. 66, 5e lid Strafwetboek: deze strafbaarstelling vereist expliciet een rechtstreeks verband tussen woorden/geschriften en strafbare feiten (actieve gedragingen dus); de onthouding om een opgehitste menigte te kalmeren volstaat niet.

Samenvattend: de voorzitter van de raadkamer oordeelde dus meer dan terecht dat een strafbaarstelling vereiste dat ‘Abou Jahjah de migranten dan echt [had] moeten aansporen tot concrete daden van geweld, zoals met stenen gooien.’ (zie hoger, citaat uit De Standaard, 4/12/2002). De overwegingen van de rechtbank inzake de (mogelijke) invloed van Abou Jahjahs moreel gezag, de invloed van diens aanwezigheid of diens discussie met Luc Lamine kunnen moeilijk een bestraffing op grond van art. 66, 5e lid Strafwetboek rechtvaardigen.

De rechtbank motiveert de bestraffing op grond van art.66, 5e lid Strafwetboek vreemd genoeg niet alleen op grond van uitlatingen/gedragingen/onthoudingen die niet onder deze strafbaarstelling vallen, doch een belangrijk basisprincipe uit het strafrecht wordt tevens met de voeten getreden. Art. 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens garandeert namelijk aan eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, onder meer het recht om de getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het recht om de oproeping en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met getuigen à charge.

In dit geval weigerde de rechtbank om de kroongetuige en commissaris Lamine te ondervragen (zie hoger). Niettemin heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het belang van het recht om getuigen te laten ondervragen reeds herhaaldelijk beklemtoond, zie bijvoorbeeld:

  • ‘De verklaringen van de kinderen zelf waren het enige directe bewijs tegen klager en dus cruciaal voor de beoordeling van zijn schuld. Klager heeft op geen enkele wijze kennis kunnen nemen van de wijze waarop de kinderen zijn gehoord, noch was hij in de gelegenheid hen te laten ondervragen. Bij gebrek aan videobanden konden klager noch de rechters bepalen hoe de kinderen zich tijdens de ondervraging gedroegen en of hun verklaringen betrouwbaar moeten worden geacht. Het belang om de kinderen niet nogmaals met verdachte te confronteren, dat voor de nationale rechters doorslaggevend was om klager hen niet te laten horen, werd niet ondersteund door enig concreet bewijs (zoals een deskundigenverklaring). Daarmee was de weigering van klagers verzoek om de kinderen te horen onvoldoende gestaafd en dus, tot op zekere hoogte, speculatief. Zodoende is art. 6.1 EVRM, in samenhang met art. 6.3, sub d EVRM, geschonden.’ (Hof Mensenrechten nr. 54789/00, 10 november 2005, Bocos-Cuesta / Nederland).

-‘In casu was de veroordeling van de belanghebbende niet gegrond op de verklaringen van anonieme getuigen maar o.m. op de geschreven verklaringen van een beëdigd politieofficier met een opdracht waarvan de onderzoeksrechter op de hoogte was. Door de weigering van de magistraat en van de rechterlijke instanties die uitspraak moest doen om de geïnfiltreerde agent te horen, konden de verzoeker of zijn raadsman op geen enkel ogenblik tijdens de procedure de agent ondervragen of diens geloofwaardigheid in twijfel trekken. Het was nochtans mogelijk om de geïnfiltreerde agent te ondervragen en tezelfdertijd rekening te houden met het wettig belang van de politieoverheid om de anonimiteit van hun agenten te vrijwaren. De rechten van de verdediging werden in casu zodanig beknot, dat de ingeroepen artikelen werden geschonden.’ (Hof Mensenrechten, 15 juni 1992, Lüdi / Zwitserland).

Ook het Hof van Cassatie heeft reeds geoordeeld dat de ondervraging van getuigen een belangrijk recht is in het kader van de rechten van verdediging: ‘Overwegende dat de behandeling van een zaak niet meer eerlijk is in de zin van artikel 6 EVRM, inzonderheid wanneer de rechter de schuldigverklaring van een beklaagde uitsluitend op beslissende wijze laat steunen op de verklaringen van een getuige die buiten de aanwezigheid van de beklaagde of diens raadsman werd ondervraagd, en die zij op geen enkel ogenblik zelf hebben kunnen ondervragen om de geloofwaardigheid van diens verklaring te controleren of twijfel eraan te doen gelden.’ (Hof van Cassatie, 12 januari 1999, rolnummer P981204N).

Dat de rechtbank in casu niet alleen de draagwijdte van de strafbaarstelling op grond van art. 66, 5e lid Strafwetboek heel creatief invult, doch ook een loopje neemt met de rechten van verdediging, is een bijzonder gevaarlijke evolutie, temeer daar het op zich reeds een strafbaarstelling betreft die de wenkbrauwen doet fronsen!

Context rellen

Op geen enkel ogenblik is rekening gehouden met de context waarbinnen de ongeregeldheden plaatsvonden: de opkomst van een contestatiebeweging bij allochtone jongeren, op Europees, Belgisch en met name ook Antwerps niveau, en de verkrampte reactie daarop vanwege politici en ordehandhavers; ook de hevige verontwaardiging bij de Antwerpse jongeren om de dood van Mohamed Achrak en de wijze waarop de politie de ongeregeldheden heeft trachten in te dijken, én de inspanningen vanuit de allochtone gemeenschap om de gemoederen te bedaren. De juridische expert van Gazet van Antwerpen besluit: ‘Wanneer de AEL-zaak gecontextualiseerd wordt, krijgt men een ander beeld en die contextualisering is nuttig om - bij veroordeling - de strafmaat te individualiseren. De rechtbank doet niets van dit alles’.2

Dendert de demoniseringstrein voort?

De rechters die in december het vonnis velden, hebben de voortdenderende demoniseringstrein niet tot stilstand gebracht - of kunnen brengen. Want het moet gezegd: na de publieke oproepen van de Antwerpse burgemeester, parlementsleden en ministers (tot de premier toe) om met de AEL komaf te maken, de virulente hetze in de media en het hardnekkige onderzoek van het parket, zal het voor een rechter niet gemakkelijk zijn om de AEL’ers vrij te spreken en indirect dus onderzoekers, politici en perslui te blameren. Anderzijds moet het gerecht rekening houden met een tegenbeweging van verontruste burgers die stilaan op gang komt. Een gedemoniseerde AEL kan op niet veel sympathie rekenen. Maar de inzet van dit proces reikt verder dan de verdediging van een organisatie die uiteindelijk alleen maar een zelforganisatie in de volle betekenis van het woord wou zijn: onafhankelijk, zelfzeker en compromisloos opkomen voor gelijke rechten van moslims. De elite pikte dat niet en voerde een genadeloze oorlog tegen de organisatie: moslims horen gedwee te zijn en hun politieke activiteiten te beperken tot een stem voor deze of gene ‘brave’ allochtoon op een van de kandidatenlijsten van de traditionele politieke partijen. De elite gaf met dat doel vrij spel aan extreemrechtse elementen binnen en buiten de inlichtingen- en ordediensten die ongestraft lekken en provocaties organiseerden. Opiniemakers kregen de ruimte om een fikse dosis xenofobie in de samenleving te verspreiden. Het gerecht werd aangespoord zijn duit in het zakje te doen.

Het proces is een nieuwe fase in dit gevecht. Het vormt een gevaarlijke bedreiging voor één van de meest elementaire basisrechten van onze democratie: het recht op politieke mobilisatie en emancipatie, ook vanwege minderheidsgroepen. Het parket van Nijvel heeft enkele jaren geleden het infame, 19de eeuwse artikel 66 van het Strafwetboek vanonder het stof gehaald om de syndicale leiders Roberto D’Orazio en Silvio Marat van Forges de Clabecq te laten opdraaien voor schermutselingen tussen de arbeiders van het bedrijf en de rijkswacht: de vakbondsmannen zouden de arbeiders opgehitst hebben. Het Hof van Beroep van Brussel verwierp echter de redenering van het parket en sprak ze vrij. Het is echter een open vraag of zijn Antwerpse tegenhanger evenveel wijsheid aan de dag zal leggen, gezien de aversie van de lokale politie, gerecht en politiek tegen de AEL-leiders, en de vurige wil van de nationale en Antwerpse elite om een blijvend voorbeeld te stellen voor elke allochtone zelforganisatie die compromisloos voor de rechten van nationale minderheden wil opkomen.

Ludo De Witte 3
Mede-initiatiefnemer van de oproep ‘Waakzaamheid is geboden’
Mohamed El Omari 4
Voorzitter Divers & Actief

Noten
1/ ‘Raadkamer vindt dat strafdossier tegen AEL-voorman niet zwaar genoeg weegt’, De Standaard, 4/12/2002
2/ John De Wit, website Gazet van Antwerpen, 07/01/2008
3/ Ludo De Witte is auteur van De moord op Lumumba (1999) en Wie is bang voor moslims? Aantekeningen over Abou Jahjah, etnocentrisme en islamofobie (2004); mede-initiatiefnemer van de oproep ‘Waakzaamheid is geboden’ (De Standaard, 26/1/2008) waarin tientallen mensen uit de academische, culturele en literaire wereld protesteren tegen de criminalisering van Abou Jahjah. (Link: http://www.flwi.ugent.be/cie/CIE2/waakzaamheid260108.htm)
4/ Mohamed El Omari is jurist, voorzitter van Divers & Actief en lid van de Raad van Bestuur van de Liga voor Mensenrechten

Abou Jahjah - rechtspraak - allochtonen

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 12