Log in

Een federale kieskring voor een gezonde federatie

Op 14 februari 2007 presenteerde de Paviagroep een voorstel voor een federale kieskring voor een aantal zetels van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Sindsdien werd het voorstel door velen verdedigd of bestreden. Dat leverde een bijzonder boeiend debat op, met goede (en af en toe ook minder goede) argumenten pro en contra. In dit artikel leggen we nog eens duidelijk uit wat ons voorstel inhoudt en waarom we geloven dat de hervorming die we suggereren een noodzakelijke institutionele vernieuwing is. We pogen ook een aantal misverstanden uit de weg te ruimen door de meest gestelde vragen te beantwoorden en de ernstigste bezwaren te bespreken. Deze bijdrage steunt op het gedachtegoed van de hele groep maar wordt onder de verantwoordelijkheid van zijn twee woordvoerders gepubliceerd. Uitgebreidere toelichting van ons voorstel en van onze argumenten staat op www.paviagroup.be, waar de voornaamste kritische bijdragen tot het debat ook opgenomen zijn.

1. Voor een legitieme en efficiënte federale democratie

Een democratisch bestel veronderstelt een dialoog tussen de bevolking en de verkozen politici die in naam van de bevolking beslissingen nemen. In een federale staat is die dialoog altijd een stuk complexer. Er zijn immers verschillende regeringsniveaus die met verschillende bevolkingen verbonden moeten worden. De regering van de deelstaten wordt gelegitimeerd door de bevolking van elk van de deelstaten en de federale regering wordt gelegitimeerd door de bevolking van het hele federale land.
Een federale staat heeft dus instellingen nodig die deze dubbele dialoog mogelijk maken. In de meeste federale landen gebeurt dat door federale politieke partijen die bij verkiezingen kandidaten presenteren over het gehele grondgebied van de federatie, of soms ook door een verkozen federale president. In de Belgische federatie zijn die instellingen er niet, en is de kans ook bijzonder klein dat die op korte termijn het licht zouden zien. Dat heeft tot gevolg dat de bevolking van de federatie niet democratisch verbonden is met het bestuur van de federatie. In België is het bijvoorbeeld altijd voor een groot aantal kiezers onmogelijk om de helft van de leden van de federale regering of hun partijen electoraal te beoordelen. Uiteraard kunnen alle parlementsleden altijd de federale regering interpelleren en controleren, maar zij leggen uiteindelijk slechts verantwoording af aan een deel van de bevolking.
De verdeling van de publieke opinie én van de electorale ruimte langs de grenzen van de taalgemeenschappen zet kandidaat-politici - ook wanneer ze federale ambities hebben - bovendien ook heel makkelijk aan om binnen de eigen taalgroep tegen elkaar op te bieden. Het institutionele compromis, dat in de federale Belgische instellingen op het einde van de rit altijd nodig is, wordt dan onnodig moeilijker gemaakt en is van minder goede kwaliteit. Niet alleen de legitimiteit, maar ook de efficiëntie van de besluitvorming lijdt dus onder de huidige organisatie van de federale staat.

2. Het voorstel van de Paviagroep

De Paviagroep stelt voor om de democratische legitimiteit en de efficiëntie van de federatie te versterken door de verkiezing van een aantal kamerleden als volgt te wijzigen.
1. Een federale kieskring. 15 van de 150 kamerzetels worden op de gebruikelijke wijze (systeem D’Hondt) proportioneel verdeeld in een kieskring die het volledige territorium van de federale staat omvat. De 135 andere kamerleden worden verkozen volgens de huidige formule in de 11 kieskringen die wij hier - om kort en bondig te zijn - ‘provinciale’ kieskringen zullen noemen.
2. Een dubbele stem. De kiezers beschikken over twee stemmen. Een eerste stem is voor de lijsten of kandidaten in de ‘provinciale’ kieskringen. Een tweede stem is voor de lijsten of kandidaten van de federale kieskring. Deze lijsten zijn dus overal in het land dezelfde.
3. Dubbele kandidatuur. Wie kandidaat is op een lijst voor de federale kieskring, kan ook kandidaat zijn in een ‘provinciale’ kieskring. Het gaat immers in beide gevallen om lijsten voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Wie op beide lijsten in aanmerking komt voor een zetel, kan zelf bepalen welke van de twee zetels hij of zij inneemt. De andere zetel wordt bekleed door de eerste opvolger. Indien de opvolging gebeurt voor de zetel van de federale kieskring, gaat de zetel naar de eerste opvolger die behoort tot dezelfde taalgroep.
4. Taalgroepen. Een kandidaat op een federale lijst moet aankondigen tot welke taalgroep in de Kamer hij of zij wenst te behoren voor de volgende legislatuur. Die keuze moet worden aanvaard door ofwel drie Kamerleden van de betrokken taalgroep in de uittredende federale Kamer, ofwel door 0,1% van de ingeschreven kiezers in vier van de zes ‘provinciale’ kieskringen waarvan één van de officiële talen die van de betrokken taalgroep is.
5. Gegarandeerde vertegenwoordiging. Bij de verdeling van de zetels moet er over gewaakt worden dat er 9 leden verkozen worden die te kennen gegeven hebben dat zij tot de Nederlandse taalgroep wensen te behoren en 6 leden die de wens hebben uitgesproken tot de Franse taalgroep te behoren.
6. Aantal kandidaten per lijst. De lijsten die opkomen in de federale kieskring mogen nooit meer kandidaten voor een bepaalde taalgroep tellen dan het aantal te verkiezen leden van die taalgroep. Dat geldt ook voor de lijst van de opvolgers.
7. Lijstverbindingen. Lijsten kunnen zich onderling met elkaar verbinden, zolang het totaal aantal kandidaten die zij dan samen aanbieden voor één taalgroep niet hoger is dan het aantal te verkiezen zetels voor die taalgroep. Bij de verdeling van de zetels worden verbonden lijsten eerst als één enkele lijst beschouwd. In een tweede stap worden de zetels van de verbonden lijsten verder proportioneel verdeeld.
8. Verdeling van de zetels tussen de kandidaten. Een zetel voor een lijst gaat naar de nog niet verkozen kandidaat met het hoogste verkiesbaarheidcijfer (te berekenen op dezelfde wijze als voor de andere zetels in de Kamer). Indien de kandidaat met het hoogste verkiesbaarheidcijfer behoort tot een taalgroep waarvoor het quotum al vervuld is (zie punt 5), gaat de zetel naar de eerstvolgende kandidaat van de lijst of - als dat niet meer mogelijk is - naar de eerstvolgende kandidaat van een verbonden lijst die behoort tot de taalgroep waarvoor nog zetels vacant zijn. Indien een lijst of de ermee verbonden lijst geen kandidaten meer heeft die voldoen aan de vereiste van de quota, gaat de zetel naar de eerstvolgende lijst die in aanmerking komt voor een zetel en die beschikt over kandidaten die behoren tot de vereiste taalgroep.

Voor de realisatie van ons voorstel is de wijziging van een artikel van de grondwet absoluut noodzakelijk, en de wijziging van een ander wenselijk. Artikel 63.2 bepaalt nu dat het aantal zetels per kieskring voor de Kamer een fractie moet zijn van 150, in functie van de bevolking van elke kieskring. Om plaats te maken voor punten 1 en 5 van ons voorstel moet het als volgt gewijzigd worden: De federale kieskring telt 15 zetels, waarvan er negen toekomen aan Nederlandstalige kandidaten en zes aan Franstalige kandidaten. De wet bepaalt de criteria van taalaanhorigheid en het stelsel van zetelverdeling. Elke andere kieskring telt zoveel keren een zetel als de federale deler in het cijfer van de bevolking van de kieskring begrepen is. De federale deler wordt verkregen door het bevolkingscijfer van het Rijk te delen door honderd­vijf­en­dertig. Dit artikel kan door het huidige parlement gewijzigd worden.
Artikel 61 (tweede lid) bepaalt dat iedere kiezer recht heeft op slechts één stem. Om plaats te maken voor punt 2 van ons voorstel zou het idealiter als volgt gewijzigd moeten worden: Iedere kiezer heeft recht op twee stemmen, één die hij of zij uitbrengt in een kieskring die alle inwoners van het Rijk omvat en één in de andere kieskring waarin hij of zij is ingeschreven. Dit artikel is niet vatbaar voor herziening tijdens de huidige legislatuur. Maar misschien is dat ook niet nodig. Het kwam in de Grondwet terecht om te vermijden dat een kiesstelsel sommige kiezers meer dan één stem zou geven, zoals dat tussen 1893 en 1919 het geval was met het toenmalige meervoudige ‘algemene’ stemrecht voor mannen. Het heeft ook niet de bedoeling om te vermijden dat kiezers meer dan één voorkeurstem op een zelfde lijst zouden uitbrengen. In ons voorstel zouden de kiezers tweemaal een stem uitbrengen voor telkens een ander deel van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Daarom menen grondwetspecialisten dat het geen probleem zou moeten zijn om artikel 63.2 te wijzigen en artikel 61 ongemoeid te laten. Alle andere punten van ons voorstel kunnen gewoon in de kieswet ingeschreven worden.

3. Zin en onzin

Sinds wij ruim een jaar geleden dit voorstel lanceerden, werd er bijzonder veel over gepraat. Dat verheugt ons natuurlijk. Toch ging het debat over de federale kieskring iets vaker dan ons lief was over de (al dan niet verborgen) intenties die aan de grondslag van het voorstel zouden liggen. Onze doelstellingen zijn echter eenvoudig en duidelijk: de werking van de federale Belgische staat verbeteren en de democratische legitimiteit ervan versterken. Omdat sommigen ons ervan verdenken ook andere doelstellingen na te streven, gaan we hieronder in op een aantal van die veronderstellingen. Het is natuurlijk ook mogelijk dat het voorstel zoals het nu voorligt perverse gevolgen heeft, en tot effecten leidt die we misschien niet bewust wensen maar die wel onvermijdelijk zijn. Ook op die bedenkingen zullen we ingaan.

Misverstand 1: Een federale kieskring maakt de Belgische staat sterker en belet de verdere autonomie van de deelstaten.

Dat is waarschijnlijk het hardnekkigste misverstand. Een federale kieskring heeft betrekking op (een aspect van) de manier waarop de verkiezingen voor het federale parlement georganiseerd worden. Dat heeft niets te maken met de verdeling van de bevoegdheden tussen de federatie en de deelstaten. Een federale kieskring zou daarentegen wel toelaten om een duidelijk onderscheid te maken tussen federale en regionale verkiezingen, waardoor zowel de federale staat als de deelstaten een eigen en aparte dynamiek kunnen ontwikkelen.
Wij weten uiteraard dat er verschillende meningen bestaan over de aard en het aantal bevoegdheden die op het federale niveau thuishoren. Wij spreken ons daar niet over uit. Wij zijn er wel van overtuigd dat die verdeling op een meer coherente en doordachte manier tot stand zou kunnen komen indien het federale niveau naar behoren functioneert. De lopende formatie heeft uitentreuren aangetoond dat met politici die alleen maar aan hun kant van de taalgrens verantwoording moeten afleggen een dergelijke wijze hervorming erg ver weg blijft.
Johan Vande Lanotte zei in een eerste reactie op ons voorstel (Terzake, 14 februari 2007) dat wij met ons voorstel wilden proberen een Belgisch gevoel op te wekken, en dat wij daar niet zouden in slagen. Dat idee staat echter nergens in ons voorstel en wij hebben nooit beweerd dat een federale kieskring een dergelijk effect zou sorteren of dat een dergelijk effect wenselijk zou zijn. Een federale kieskring wil niets anders dan de federale overheid effectiever en democratischer maken. Op die manier kan ook de verontwaardiging en de frustratie verminderd worden die nu ingebakken zit in een kiessysteem dat op structurele wijze het communautaire opbod aanwakkert, het bereiken van federale akkoorden bemoeilijkt en de electorale verantwoordelijkheid van de federale ministers beperkt. Een federale kieskring kan bijgevolg het anti-politieke cynisme verminderen dat door de huidige structuren versterkt wordt. Maar daarom hoeft elke kiezer niet plots een Belgische patriot te worden.

Misverstand 2: Een federale kieskring wil de nationale politieke partijen weer in het leven roepen. Het is een stap achteruit.

Ons voorstel mikt op de creatie van een echte federale dynamiek. Het wil zeker mogelijkheden scheppen voor een grotere coherentie en solidariteit tussen de partijen van een zelfde politieke familie, zoals die ook op het Europese niveau mogelijk is. Het moedigt lijstverbindingen aan tussen partijen van verschillende gemeenschappen die een zelfde programma hebben voor het federale beleid. Maar het is ook perfect compatibel met het behoud van aparte organisaties die beantwoorden aan de eigenheden van elk van de gemeenschappen en gewesten.
Sommigen beweren dat een federale kieskring een absurd en wereldvreemd voorstel is omdat er geen nationale partijen meer zijn. Dat is een vreemd argument. Indien er nationale partijen waren, zou het immers helemaal niet nodig zijn om op zoek te gaan naar een manier om de bevolking van de federatie met de politieke besluitvorming op dat niveau te verbinden. Een federale kieskring is precies nodig omdat er geen nationale partijen zijn. Een federale kieskring zal ze bovendien ook niet uit hun graf doen opstaan en heeft ze niet nodig. Het federale België heeft gewoon nood aan instellingen die aangepast zijn aan de onomkeerbare maatschappelijke realiteit van een land met twee grote taalgemeenschappen en met twee publieke opinies. Een federale kieskring is een antwoord op die nood.

Misverstand 3: Een federale kieskring is een groot BHV. Het territorialiteitsprincipe wordt erdoor geschonden.

Een federale kieskring overschrijdt inderdaad zoals BHV de grenzen van de gewesten en dus ook de taalgrens. Maar dat maakt van de federale kieskring nog geen ‘super BHV’. De problemen en spanningen rond BHV hebben te maken met het feit dat beide gemeenschappen ze duiden als een betwisting van de grenzen tussen het tweetalige Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het eentalige Vlaamse Gewest. Een federale kieskring houdt op dat punt geen enkele bedreiging in. Hij heeft noch direct noch indirect gevolgen voor de taalwetgeving. De federale kieskring heeft niet tot doel om de Franstaligen in Vlaanderen voor Franstaligen te laten stemmen of om de Nederlandstaligen in Wallonië voor Nederlandstaligen te laten stemmen. Hij heeft alleen de bedoeling alle inwoners van het land de mogelijkheid te geven om te stemmen voor de politici die de ambitie hebben om in hun naam te besturen.
Een federale kieskring is ook geen politieke pasmunt voor de splitsing van BHV. Ons voorstel pakt zoals gezegd een veel fundamenteler probleem aan: de uitdaging om de democratie op een legitieme en efficiënte wijze te laten functioneren in een context waarin de taalkundige diversiteit gerespecteerd moet worden. De crisis rond BHV heeft ongetwijfeld geleid tot een beter begrip van de aard van het probleem en van het belang van ons voorstel, maar ons voorstel beperkt zich hoegenaamd niet tot een oplossing van het probleem BHV ‘langs boven’. Het voorstel behoudt zijn kracht en betekenis, welke ook het lot wordt van BHV.

Misverstand 4: Het bestaat in geen andere federale staat en kan dus bij ons ook niet.

Sommige landen zoals Israël of Nederland verdelen de zetels van het parlement in één enkele kieskring. Maar dat zijn geen federale staten. Het klopt dat geen enkele andere federale staat een systeem heeft zoals wij dat voorstellen. Maar zij hebben dat ook niet nodig, omdat er partijen zijn die op het federale niveau actief zijn en die de bevolkingen van de diverse deelstaten vertegenwoordigen. Dat leidt tot een efficiëntere en meer legitieme federale vertegenwoordiging: de programma’s die zij aan de kiezers voorleggen houden rekening met de wensen en verwachtingen van de diverse territoriaal verspreide groepen.
België heeft dus nood aan instellingen die aangepast zijn aan de eigenheid van het land: verdeeld langs een taalgrens en geen statewide politieke partijen. Een federale kieskring zou dan uniek zijn voor België. Maar aparte en unieke instellingen zijn precies heel typisch voor federale staten. Zij hebben instellingen die veel meer en à la carte aangepast zijn aan de omstandigheden waarin ze moeten functioneren. Zo is de Duitse Bundesrat - een tweede kamer waarin de regeringen van de deelstaten vertegenwoordigd zijn - een unieke Duitse instelling. De wijze waarop Schotland, Wales en Noord-Ierland in het Verenigd Koninkrijk elk hun autonomie op maat hebben gekregen, is uniek. De wijze waarop Spanje de Autonome Gemeenschappen in het leven geroepen heeft en een autonomiestatuut gegeven heeft, is uniek. En België heeft zelf trouwens nog een andere unieke instelling: het onderscheid tussen gewesten en gemeenschappen.
De Europese Unie heeft een aantal heel bijzondere instellingen, die sterk verschillen van die van de nationale staten. En ook op het Europese niveau stelt zich de vraag hoe er bestuurd kan worden in naam van een Europese bevolking die bestaat uit verschillende publieke opinies, uit verschillende taalgroepen en uit verschillende nationale identiteiten. Ook daar rijst de vraag naar mechanismen die de besluitvorming kunnen verbinden met de Europese bevolking, vooral omdat ook in Europa die rol niet door Europese politieke partijen gespeeld wordt. Ook in Europa wordt derhalve gezocht naar goede manieren om dat te doen. De Commissie voor Institutionele Zaken van het Europees Parlement heeft op 26 mei 1998 met een ruime meerderheid een resolutie goedgekeurd die vraagt om 10% van de zetels van het Europees Parlement toe te wijzen in een kieskring die het gehele territorium van de Unie omvat. Ook al is een formule die geschikt is voor het Europees Parlement niet noodzakelijk deze die ook de beste is voor het Belgische federale parlement, de succesvolle invoering van een federale kieskring in België zou zeker de kansen verhogen om ook in Europa deze vernieuwende formule te gebruiken.
In 1899 was België het eerste land dat een proportionele vertegenwoordiging invoerde, en vandaag is dat het meest verspreide kiessysteem in stabiele democratieën. Het belang van een institutionele vernieuwing die goed is voor België is niet beperkt tot dit ene landje.

Misverstand 5: Een federale kieskring is in het voordeel van belgicistische partijen. Het voorstel wordt dan ook vooral aan Franstalige kant gesteund.

Alle partijen kunnen kandidaten presenteren in de federale kieskring. Niemand is verplicht dat te doen. Ons voorstel voorziet de mogelijkheid van tweetalige lijsten, maar ook van eentalige lijsten, al dan niet verbonden met een lijst van de andere taalgroep. De winnaar is de kiezer, waar die ook woont, omdat die daardoor in het hele land een ruimer politiek aanbod krijgt, ook inzake het debat tussen meer of minder België. En dankzij de vaste quota zullen ook de partijen van geen van de twee taalgroepen systematisch benadeeld of bevoordeeld worden.
Er zijn overigens voor- en tegenstanders aan beide kanten van de taalgrens. Beide liberale partijen - Open Vld, gevolgd door MR - en beide groene partijen - Ecolo, gevolgd door Groen! - verdedigen nu al maanden het voorstel op een officiële en consistente wijze. In beide socialistische partijen is er wat aarzeling. Sommige prominenten zoals minister Pascal Smet en minister-president Rudy Demotte zijn er reeds lang uitgesproken voorstanders van. Tijdens hun debat in de KVS vonden Caroline Gennez en Elio Di Rupo beiden het idee ‘interessant’ (Le Soir, 29/01/08). Maar anderen zijn minder enthousiast. In recente uitspraken zei Johan Vande Lanotte dat hij ‘eerder tegen was’, ‘maar alleen om praktische redenen’ (La Libre Belgique, 29/01/08) en Laurette Onkelinx dat er ‘du pour et du contre’ was (La Libre Belgique, 29/01/08). Bij de christendemocraten vindt men uitgesproken voorstanders zowel tussen de oudere ‘wijzen’ (Herman Van Rompuy of Philippe Maystadt) als tussen de rijzende sterren (minister Steven Vanackere of fractieleider Melchior Wathelet). Maar uitgesproken tegenstanders zijn niet moeilijker te vinden, van oud-minister-president Luc Van den Brande tot oud-voorzitter Charles-Ferdinand Nothomb. En de twee huidige voorzitters spreken zich voorzichtig uit: Joëlle Milquet dacht eerder aan een kieskring voor de Senaat (La Libre Belgique, 31/08/07), en Etienne Schouppe begrijpt (nog) niet wat nut een federaal kieskring zou kunnen hebben met vaste quota voor de twee taalgroepen (La Libre Belgique, 18/01/08).
Wat overduidelijk is, is dat de N-VA tegen is. Oorspronkelijk zei Bart De Wever dat hij er niet bang voor was (Knack, 14/02/07). Maar nu blijkt hij het als een gevaarlijk ‘Belgisch creationisme’ te beschouwen (Belga, 2/02/08). Aan Franstalige kant heeft de N-VA trouwens nu ook haar tegenhangers bij de Waalse regionalisten. Oud-minister-president Robert Collignon vond een tijdje geleden dat een federale kieskring un leurre zou zijn (Le Soir, 6/09/07) en zijn zoon, senator Christophe Collignon, vindt dat hij in het voordeel van de Vlamingen zou werken (Le Soir, 29/02/08).
Het algemeen beeld is dus zeker niet dat het voorstel door één van de twee gemeenschappen toegejuicht wordt en door de andere verworpen. Aan beide kanten zijn er voor- en tegenstanders, en aan beide kanten is er discussie. Zo hoort het ook. Wat wij met ons initiatief beogen, is een verstandig debat over dit cruciaal aspect van de toekomstige instellingen van ons land aan te moedigen. Door argumenten pro en contra via onze website te verspreiden willen we niemand overtuigen, maar wel de geïnteresseerde burgers middelen geven zelf tot een overtuiging te komen.

4. Andere modaliteiten?

Ons voorstel suggereert een aantal heel concrete modaliteiten, zoals een beperkt aantal zetels in de Kamer en het gebruik van quota per taalgroep. Ook over die modaliteiten is discussie mogelijk. We lichten hieronder onze keuzes toe.

4.1. Waarom niet in de Senaat?

Het is in de Kamer dat de regering over een meerderheid moet beschikken. Daar is de kern van de wetgevende macht en daar wensen de belangrijke politici een rol te spelen. Een federale kieskring introduceren voor de Senaat zou in de eerste plaats de samenstelling ervan nog complexer maken dan die nu is. Het zou de huidige rol van de Senaat als reflectiekamer of als de kamer die de samenstellende delen van de federatie vertegenwoordigt ook veranderen. En vooral zou een federale kieskring voor de Senaat de federale dynamiek niet echt veranderen wanneer de politieke tenoren toch zouden kiezen om in de Kamer te zetelen en zich dus slechts ten opzichte van één van de taalgemeenschappen te profileren.

4.2. Waarom niet meer dan 15 zetels?

In eerste instantie is de geografische verankering van een voldoende aantal volksvertegenwoordigers belangrijk. Het behoud van kamerleden die in relatief kleine kieskringen verkozen zijn, is dus gewenst. In de tweede plaats zet een federale kieskring met weinig zetels makkelijker aan tot het vormen van allianties. Een klein aantal zetels kan ook volstaan om een federale dynamiek te creëren. De leiders van alle partijen zullen allicht op de federale lijsten staan en proberen er een mooie score te behalen aan beide kanten van de taalgrens, zeker indien ze de ambitie hebben om de federale regering te leiden. De mogelijkheid om zowel kandidaat te zijn in een provinciale kieskring en in de federale kieskring zorgt ervoor dat ook kandidaten met een beperktere ambitie een plaats op de federale lijst zullen innemen, ook al is hun kans op verkiezing groter in de provinciale kieskring. Het kan dus best dat de meeste verkozen volksvertegenwoordigers campagne gevoerd hebben in de federale kieskring, ook al zijn er slechts 15 van hen effectief verkozen in die kieskring.
Het aantal zetels voor de federale kieskring vergroten is zeker een optie, maar er rijst dan wel een belangrijk probleem. Naarmate het aantal zetels van de federale kieskring groter wordt, daalt - wanneer het totaal aantal zetels 150 blijft - het aantal zetels dat in de provinciale kieskringen kan worden verdeeld. Dan wordt de verdeling van die zetels minder proportioneel en wordt de effectieve kiesdrempel verhoogd, wat nadelig is voor de kleinere partijen. Daarom willen we niet te ver gaan. Eén tiende van de zetels (15) komt ook symbolisch overeen met het aantal ministers van de federale regering. Indien de Senaat hervormd wordt, bijvoorbeeld door de beperking ervan tot de gemeenschapssenatoren en de gecoöpteerde senatoren, en dus door de afschaffing van de 40 rechtsreeks verkozen senatoren, zou het aantal kamerleden kunnen worden verhoogd en zouden dan de extra zetels aan de federale kieskring kunnen worden toegevoegd. Een dergelijke parallelle hervorming van Kamer en Senaat zou keurig passen bij ons voorstel, maar is niet onontbeerlijk. Indien de hervormingsplannen voor de Senaat niet rijp zijn, belet niets om toch die 15 zetels van de Kamer in een federale kieskring toe te wijzen, en later dat aantal eventueel te verhogen.

4.3. Gaat een gegarandeerde vertegenwoordiging van de twee taalgroepen niet in tegen de geest van ons voorstel?

Wij stellen voor om 9 van de 15 zetels in de federale kieskring voor te behouden voor Nederlandstaligen en 6 voor Franstaligen. En algemener, welk het aantal ‘federale’ zetels ook is, die zetels op voorhand te verdelen tussen Nederlandstaligen en Franstaligen in proportie van de verdeling tussen de twee taalgroepen in de uittredende Kamer. Gaat een indeling van de federale verkozenen in Nederlandstaligen en Franstaligen dan niet in tegen de geest van ons voorstel? En belet die vooraf vastgelegde verhouding niet het aantrekken van stemmen uit de andere gemeenschap zoals wij wensen aan te moedigen? Het tegendeel is waar: een gegarandeerde vertegenwoordiging is essentieel om ons doel te bereiken. Indien alle partijen afzonderlijke lijsten zouden indienen, zouden de Nederlandstalige lijsten - omdat er meer Nederlandstalige kiezers zijn (60% van het totaal) - meer kans hebben om bij het gebruik van het systeem D’Hondt (dat de grotere partijen licht bevoordeelt) extra zetels te halen. Natuurlijk is het belangrijk de electorale dynamiek te veranderen en partijen ertoe aan te zetten om kiezers van de andere gemeenschap aan te trekken. Maar of er nu gemeenschappelijke lijsten zijn of niet, indien de verdeling van de zetels per taalgroep niet vastligt, betekent het uitbrengen van een stem voor een kandidaat van de andere taalgroep of het aantrekken van een dergelijke stem een mogelijk verlies van het aantal zetels voor de eigen taalgroep. De verkiezing in de federale kieskring wordt dan een strijd om het grootste aantal zetels tussen de taalgroepen, en dan heeft die niet het gewenste maar precies het tegenovergestelde effect. Dit punt was niet meteen evident voor ons, en het belang ervan lijkt nog niet bij alle deelnemers in het debat doorgedrongen. Wij hebben er uitvoerig over nagedacht en kwamen tot de conclusie dat het van cruciaal belang is (voor een gedetailleerde toelichting, zie de technische nota Pourquoi des quotas? op onze website).
De door ons voorgestelde gegarandeerde vertegenwoordigingen maakt het ook nodig om een criterium vast te leggen waarmee kandidaten als Franstaligen of Nederlandstaligen kunnen worden geïdentificeerd. Dat wil niet zeggen dat die taalaangehorigheid van een kandidaat meteen ook het essentiële kenmerk van haar of zijn identiteit moet zijn. Het is gewoon een eenvoudige manier om de nodige evenwichten te bewaren in een institutionele context waar het behoren tot een taalgroep een manier is om minderheden te beschermen (op het federale niveau en in Brussel). Andere landen die gebruik maken van gegarandeerde vertegenwoordiging of van quota maken soms gebruik van heel rigide criteria (zoals afkomst) of administratief erg zware procedures (zoals de steun van representatieve organisaties). Wij stellen een lichte maar afdoende procedure voor. Om als een Nederlandstalige of Franstalige kandidaat erkend te worden - dat wil zeggen: als kandidaat om als lid van die taalgroep te zetelen - volstaat een verklaring die moet worden bevestigd door drie leden van de overeenkomstige taalgroep in de Kamer of door 0,1% van de kiezers in vier van de zes kieskringen die tot het betrokken taalgebied of tot een taalgemengd gebied behoren. Die laatste regel moet het ook voor nieuwe partijen mogelijk maken om deel te nemen aan de verkiezingen in de federale kieskring.

4.4. Had men niet beter een voorstel gemaakt voor de regering en de partijen, waar de echte macht zit, eerder dan voor het parlement?

Het klopt dat in de hedendaagse parlementaire democratieën de regeringen en hun partijen veel meer macht hebben dan de parlementen, waarvan de taak vaak herleid wordt tot het goedkeuren - meerderheid tegen oppositie - van wat de regeringen hebben beslist. Maar verkiezingen voor het parlement zijn en blijven belangrijke momenten van mobilisatie en van machtsverwerving voor de politieke partijen. Verkiezingen zijn ook momenten waarop partijen en hun kandidaten hun beleidsvoorstellen met elkaar confronteren en dat heeft gevolgen voor het beleid dat zal worden gevoerd. Een wijziging van de manier waarop leden van het parlement verkozen worden, is dus helemaal niet onbeduidend.

5. Politiek haalbaar?

Het is elke dag een beetje meer onze overtuiging dat een federale kieskring een goed idee is. Wij beseffen ook dat wie geen toekomst ziet in de Belgische federatie dit geen goed idee vindt. Zolang de Belgische federatie bestaat, lijkt het ons echter wel nodig en zinvol om die op een democratische en efficiënte wijze te laten functioneren. Dat vereist creativiteit. België is inderdaad een diep verdeeld land, met twee publieke opinies en met gescheiden partijen. Een mogelijk antwoord daarop is de stelling dat een land alleen maar kan functioneren als het één enkele cultuur heeft. Dat is de visie van het separatisme, en dat is een visie die uiteraard niet moet nadenken over instellingen die het mogelijk maken om met maatschappelijke diversiteit om te gaan. Wie een federale kieskring afwijst en tegelijk beweert dat de Belgische federatie op een correcte manier moet (blijven) functioneren, moet de eerlijkheid hebben om alternatieven te formuleren die dezelfde doelstellingen kunnen halen. We hoorden die tot nu toe nog niet.
Wie kan geloven dat we voort kunnen met ministers die maar door een deel van de bevolking waarvoor ze beslissingen nemen electoraal beloond of gestraft kunnen worden? Wie kan geloven dat we voort kunnen met een kiessysteem dat de partijen tot een opbod dwingt dat pijnlijk gezichtverlies en oneindige formatieonderhandelingen als gevolg heeft? Alleen wie gelooft dat we federaal niet zeer lang meer voort moeten, kan daar tevreden mee zijn. Al de anderen moeten nu hebben ingezien dat een wijziging van het kiessysteem in de richting die we voorstellen niet voldoende is, maar wel absoluut noodzakelijk en dringend om onze federale democratie gezonder te laten functioneren. De nota van premier Guy Verhofstadt heeft duidelijk gemaakt dat hij dat ingezien had. Volgens verschillende bronnen stond het voorstel ook in de laatste formatienota van toekomstig premier Yves Leterme. Vlaamse, Waalse en Brusselse separatisten zullen er allicht tegen blijven. Maar een geloofwaardige federale premier kan zich toch moeilijk veroorloven het idee of een volwaardig alternatief ervoor af te wijzen. Hij zal worden gevolgd door al wie beweert geen separatisme te wensen en misschien zelfs door diegenen die pogen te streven naar goed bestuur.
Laten we het debat hierover rustig en sereen voeren. En laten we duidelijk zijn: het unitaire België is dood en voorgoed dood. Het kan geenszins de bedoeling zijn ernaar terug te keren. Het functioneerde niet. Ons doel is niet achteruit te gaan of te kijken, maar het federale België van vandaag en morgen beter te laten functioneren. Het moet makkelijker beslissingen kunnen nemen die in het belang zijn van alle samenstellende delen van de federatie. Dat is een erg boeiende uitdaging. Dit is een zoektocht naar instellingen en procedures die democratie op een duurzame wijze verzoenbaar moet maken met (taal)diversiteit.

Kris Deschouwer en Philippe Van Parijs
Woordvoerders Paviagroep

|

De Paviagroep bestaat uit: Marnix Beyen (UA), Rik Coolsaet (UGent), Kris Deschouwer (VUB), Carl Devos (UGent), Lieven De Winter (UCL & KUB), Marc Hooghe (KUL), Paul Magnette (ULB), Marco Martiniello (ULg), Petra Meier (UA), Olivier Paye (FUSL), Koen Raes (UGent), Benoit Rihoux (UCL), Gérard Roland (Berkeley & ULB), Dave Sinardet (UA & FUSL), Antoon Vandevelde (KUL), Philippe Van Parijs (UCL & Harvard), Yannick Vanderborght (FUSL & UCL), Caroline Van Wynsberghe (UCL), Pierre Verjans (ULg) en Stefaan Walgrave (UA).

|

staatshervorming - federale kieskring - Pavia - kieswetgeving

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 3 (maart), pagina 43 tot 52