Abonneer Log in

Regionalisering van het arbeidsmarktbeleid: quo vadis? - reactie (1)

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 3 (maart), pagina 18 tot 20

Voor al wie solidariteit hoog in het vaandel voert, is verdere regionalisering een gevoelig onderwerp. De federalisering is immers al ver gevorderd en verdere stappen dreigen nu ook de federale solidariteitsmechanismen aan te tasten. In deze context is de beweging Red De Solidariteit gegroeid, als één van de uitingen van een bezorgdheid bij vakbondsmensen en bij brede lagen van de bevolking over de sociale toekomst van dit land. In beleidstermen gaat het om federale stelsels als de sociale zekerheid, het arbeidsrecht en de centrale loonafspraken, met andere woorden om sociale grondrechten die op dit ogenblik verzekerd zijn voor alle werknemers in dit land.

Het arbeidsmarktbeleid is innig verstrengeld met stelsels als het arbeidsrecht en de sociale zekerheid. En daarom is het één van die gevoelige dossiers binnen het staatshervormingdebat. Het is mijn overtuiging dat er geen spectaculaire bevoegdheidsverschuivingen binnen het arbeidsmarktbeleid mogelijk en wenselijk zijn, willen we het federaal karakter van de sociale zekerheid en het arbeidsrecht in stand houden. Dit hoeft geen onoverkomelijke handicap te zijn als je ziet welke mogelijkheden de regio’s nu al hebben om een eigen arbeidsmarktbeleid te voeren, met eigen accenten en inspelend op de specificiteit van de regionale arbeidsmarkten.
Waarmee ik helemaal niet gezegd wil hebben dat de bevoegdheidsverdeling zoals ze er vandaag uitziet, af zou zijn. Maar als je de sociale kaders wil respecteren, dan zal je hier niet ‘de vette vis’ vinden die sommigen zo graag op het regionale bord willen krijgen. Om het arbeidsmarktbeleid efficiënter en effectiever te maken moet je de bevoegdheidsverdeling wel verfijnen, procedures opzetten om de neuzen in dezelfde richting te zetten en vooral meer samenwerken.

Homogene bevoegdheid arbeidsmarktbeleid blijft een illusie

In zijn bijdrage stelt Fons Leroydat bij deze ronde in de staatshervorming ook de bevoegdheden van de federale overheid eens en voor goed moeten worden vastgelegd, zoals de werkloosheidsverzekering en het arbeidsrecht. Maar voor het overige moet er sprake zijn van een homogenisering van de bevoegdheden inzake arbeidsmarktbeleid, op het regionale niveau wel te verstaan. Met inbegrip van de arbeidsmarktbeleidaspecten die nu nog in de werkloosheidsverzekering en het arbeidsrecht zitten.
De voorstellen van Fons Leroy hebben als verdienste dat ook hier wordt uitgegaan van het solidariteitsprincipe. We stellen overigens vast dat deze idee veld wint en bijvoorbeeld ook is opgenomen in het ontwerp van bijzondere wet dat recent werd goedgekeurd wanneer er sprake is over de thema’s die aan bod zullen komen in het tweede pakket van bevoegdheidsoverdrachten, waaronder het arbeidsmarktbeleid.

De vraag is alleen of zijn betoog op dit vlak wel zo consistent is. Wat we durven betwijfelen. Van een echte homogenisering van het arbeidsmarktbeleid kan geen sprake zijn zonder te raken aan de belendende federale bevoegdheden. Indien je zoals Fons Leroy arbeidsmarktbeleid tot een ‘ koepelbevoegdheid’ van de regio’s verheft, dan kan je daar alles onder stoppen wat maar enigszins gericht is op het optimaal functioneren van de arbeidsmarkt of met andere woorden op een optimale afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt: fiscale maatregelen, parafiscale stimuli, collectieve arbeidsregelingen. Het vastleggen van minimumlonen, of de hoogte van de uitkeringen, of van werkgeversbijdragen inzake opleiding… hebben allen iets te maken met arbeidsmarktbeleid.
Zeker wanneer je een activerend discours hanteert dat erop neerkomt dat het arbeidsrecht en uitkeringsstelsels meer en meer vanuit een arbeidsmarktperspectief moeten worden bekeken.
Nog los van de sociale wenselijkheid van een activerend beleid op zich, leidt deze benadering tot ontrafeling van die federale stelsels. Wat de auteur ook aangeeft wanneer hij voorstelt om de elementen die met arbeidsmarktbeleid te maken hebben uit deze stelsels te lichten. En zo komt hij er toe om outplacement als een integrale gewestbevoegdheid te kwalificeren, ook al zijn er ontegensprekelijk arbeidsrechtelijke kanten aan - zoals het bepalen van het recht op of de plicht tot ontslagbegeleiding of het vaststellen van de outplacementvergoeding. Zo wordt de bevoegdheid om uitzendarbeid al dan niet toe te laten als selectie-instrument (het zogenaamde 4de motief, naast uitzonderlijk werk, buitengewone vermeerdering van werk en vervanging van een werknemer bij ziekte) aan het gewest toegekend, wat meteen betekent dat je een arbeidsrecht krijgt met verschillende laagjes: een federale sokkel, aan te vullen door de gewesten die dat wensen. Ook de bevoegdheid om te bepalen wat onder beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt moet worden begrepen, komt in handen van de regio’s en meteen wordt ook de sanctiebevoegdheid op de toonbank gelegd. Is de volgende stap dan niet de bevoegdheid inzake duur en hoogte van de uitkeringen?
Dit regionaliseringdiscours is daarom om twee redenen niet consistent. Vooreerst blijven werkloosheidsverzekering en arbeidsrecht niet buiten schot, maar onderhevig aan een sluipend proces van regionalisering. En daarmee valt ook de ijdele hoop van de auteur aan duigen dat deze fase meteen ook de definitieve bevoegdheidsherschikking inzake arbeidsmarktbeleid inhoudt.

Maar de auteur heeft wel een punt dat het zwaartepunt inzake arbeidsmarktbeleid naar de regio’s moet opschuiven en dat een aantal aangelegenheden zoals bemiddeling (Plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen - PWA’s - bijvoorbeeld) ondubbelzinnig bij de gewesten moeten worden gesitueerd. En hij wijst terecht op de noodzaak om offensief gebruik te maken van samenwerkingsakkoorden om afstemming te krijgen tussen federale hefbomen (sociale zekerheid, arbeidsrecht) en deelstatelijke hefbomen (bemiddeling, opleiding). Dat je op die manier tot efficiënt beleid kunt komen met de nodige regionale beleidsdifferentiatie bewijzen de aanpak inzake vrij verkeer van werknemers en het samenwerkingsakkoord inzake begeleiding van werkzoekenden. In het eerste geval werd de toegang van werknemers uit de nieuwe lidstaten versoepeld voor knelpuntberoepen, opgelijst door de regio’s. In het tweede geval werd een gemeenschappelijk kader uitgewerkt voor opvolging van het zoekgedrag van werkzoekenden waarbij de VDAB een begeleidingsaanbod verzekert vooraleer werkzoekenden door de RVA worden opgeroepen. Samenwerkingsakkoorden hoeven met andere woorden geen second best oplossing te zijn. En veel van de hoger beschreven knelpunten kunnen op die manier aangepakt worden, zonder dat je de truc moet toepassen om arbeidsmarktelementen uit de federale stelsels te lichten.
De auteur breekt een lans voor een sterke betrokkenheid van de sociale partners bij het (geregionaliseerde) arbeidsmarktbeleid. Niet alleen vanuit participatiemotieven maar ook met het oog op beleidsefficiëntie is dit een terechte keuze. Er dreigt bovendien een democratisch deficit als sociale bevoegdheden van de deelstaten en sociaal overleg niet goed op elkaar zijn afgestemd. Enkel via sociale dialoog kan een voldoende draagvlak opgebouwd worden voor pakweg meer diversiteit op de werkvloer en meer aandacht voor opleiding en competentieontwikkeling. Het komt er dan ook op aan dat de sociale partners op federaal, sectoraal en bedrijfsvlak inspelen op het regionale feit, door arbeidsmarktafspraken effectief mee te nemen in de CAO-praktijk. Daar heb je geen aanpassing van het juridisch instrumentarium voor nodig maar vooral de ‘politieke’ wil om deze thema’s op de overlegagenda te plaatsen en voldoende ruimte te laten voor regionale differentiëring.
De betrokkenheid van de regio’s bij het algemeen bindend verklaren van CAO-bepalingen die betrekking hebben op hun bevoegdheden zou trouwens enkel een symbolische waarde hebben. Want dit laat in de feiten geen sturing toe van CAO’s, wat men best zo laat aangezien het hier om tweeledig overleg gaat. Overheidssturing van overleg kan dan weer het best via het bestaande drieledig overleg in het Vlaams Economisch en Sociaal Overlegcomité en via sectorconvenants. Ook de regionale inkleuring van het bedrijfsoverleg kan op vandaag al, zoals de toegang van werknemersvertegenwoordigers tot milieu-informatie via het decreet rationeel energiegebruik illustreert. Maar daar zou inderdaad wat meer gebruik van moeten worden gemaakt, bijvoorbeeld om van het opleidings(steun)beleid nog meer een zaak van sociale dialoog op bedrijfsniveau te maken.
Bij de overdracht van bevoegdheden moet overigens vermeden worden dat dit gepaard gaat met verlies aan financiële verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven, zoals het voorbeeld van de geplande overdracht van het Fonds Collectieve Uitrustingen en Diensten aantoont: de werkgeversbijdrage verhuist niet mee zodat kinderopvang voortaan enkel uit algemene middelen zal worden gefinancierd, al is het bedrijfsleven wel mede verantwoordelijk voor (flexibele) kinderopvang.
Over financiële responsabilisering gesproken, maar nu van de gewesten ten opzichte van de federale overheid: Fons Leroy pleit voor een grotere financiële responsabilisering van het arbeidsmarktbeleid van de deelstaten, via de techniek van de ‘inschakelingsbonus’. De gewesten zijn mede verantwoordelijk voor een zo hoog mogelijke werkzaamheidsgraad en dus moet excellent arbeidsmarktbeleid worden gestimuleerd en beloond.
De fundering van die noodzakelijke responsabilisering vind ik aan de zwakke kant. Waarom moet je zo nodig het regionaal arbeidsmarktbeleid responsabiliseren en niet het onderwijs of het innovatiebeleid? Excellent onderwijs en excellent innovatiebeleid zouden toch ook heel wat meerwaarden voor de federale staat(skas) opleveren? Bekijk je financiële responsabilisering niet het best via de - eventueel bij te sturen -financieringswet die de middelenverdeling regelt over de overheidsniveaus?
Er zijn overigens andere sturingstechnieken, zoals we die op Europees niveau kennen ten opzichte van de lidstaten: convergentiecriteria, open coördinatiemethode, name and shame
Ik geloof overigens niet in een bonussysteem waarbij je het ene gewest wel beloont en het andere niet, en dan nog op basis van arbeidsmarktresultaten die maar (zeer) gedeeltelijk aanstuurbaar zijn. Een enveloppe-systeem waarbij je de activering van RSZ-middelen (activering werkloosheidsuitkeringen en doelgroepgerichte kortingen) toelaat tot op een afgesproken niveau en mits het respecteren van overeengekomen criteria, biedt wellicht meer perspectieven… in het kader van een samenwerkingsovereenkomst.

Jean-Marie De Baene
Redactielid en Hoofd studiedienst Vlaams ABVV

staatshervorming - arbeidsmarkt - regionalisering

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 3 (maart), pagina 18 tot 20