Abonneer Log in

Een progressieve gemeenschap heeft meerdere grenzen

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 4 (april), pagina 48 tot 54

Uitgangspunt: globalisering en de hertekening van de solidariteitsmechanismen

De aanslepende nieuwe staatshervorming heropent het debat over de plaats van de Vlaamse eisen in een progressieve strategie. In een reactie op het manifest van de Gravensteengroep (De Standaard, 22/02/2008) plaatsten we het Vlaams regionalisme in de context van de neoliberale globalisering (De Standaard, 28/02/2008). Onze achterliggende bedoeling was het Vlaams regionalisme uit zijn puur Belgische context te lichten. Het houdt verband met een aantal politieke en economische processen die ver voorbij het Vlaamse en Belgische grondgebied liggen, ver voorbij argumenten van Vlamingen zus en Franstaligen zo, ver voorbij argumenten over typisch Belgische ziektes en vermeende Vlaamse eigenheden. Ons argument hoort minder thuis in de vertrouwde Belgische communautaire schema’s dan in de context van de hedendaagse wereldwijde politieke en economische verschuivingen die we globalisering zijn gaan noemen. Het vraagstuk van ‘de politieke gemeenschap’ en haar territoriale verankering is geen louter Belgisch probleem, maar deel van een wereldwijde zoektocht naar een nieuwe ruimtelijke en institutionele architectuur voor de geglobaliseerde solidariteits- en herverdelingsmechanismen van de 21ste eeuw.

Solidariteit is voor ons meer dan een waardenkeuze die men al dan niet kan delen. Het is een sociale noodzaak in een kapitalistische markteconomie. Solidariteit dringt zich op vanuit de sociale effecten van de marktwerking. Marktcompetitie kent onvermijdelijk winnaars en verliezers. Bovendien leidt de vermarkting van arbeidscapaciteit, land (natuur), geld en kennis tot de ontbinding van sociale verbanden tussen mensen onderling en tussen mensen en hun leefomgeving. De markt zelf maakt geen samenleving, maar moet stevig ingebed zitten in een samenleving om die laatste niet finaal te ondergraven. Minder solidariteit en meer markt, zoals de neoliberale globalisering vandaag voorschrijft, versnelt de sociale ontbinding en is dus een gevaarlijke utopie.

De decentralisering van de Belgische staat als globaliseringsverhaal

De neoliberale globalisering ondermijnt ook de nationale territoria en institutionele architectuur waarbinnen zich decennialang de politieke en economische strijd afspeelde en waarop zich solidariteits- en herverdelingsmechanismen entten. Globalisering creëert ook nieuwe grenzen en territoria (zie bijvoorbeeld de Europese Unie) maar ook nieuwe in- en uitgeslotenen. De Belgische staatshervorming is uiteraard geen rechtstreeks gevolg van globalisering. De territorialisering van de taalstrijd en de strijd voor homogene taalgebieden ontstonden als reactie op de defensieve houding van de toenmalige Franstalige elite tegenover legitieme Vlaamse taaleisen.1 Maar de taalstrijd speelde zich wel af in de context van een sterk ongelijke economische ontwikkelingsdynamiek tussen de Belgische regio’s. Op die ondergrond van regionaal ongelijke economische ontwikkeling groeiden sterk verschillende sociaal-politieke configuraties.2 Men kan de transformatie van de Vlaamse taalstrijd in een politiek regionalisme en de communautaire kwestie niet begrijpen zonder aandacht te besteden aan die economische context. De nieuwe regionale territoria die zich over de tijd heen uit de brokstukken van de vaderlandse geschiedenis omhoog worstelden, vinden hun oorsprong in twee erg verschillende globaliseringsgolven: het huidige Wallonië in het prille begin van de industriële revolutie van kolen en staal en het huidige Vlaanderen na de Tweede Wereldoorlog tijdens de door Amerikaans en ander buitenlands kapitaal gedragen industriële revolutie van consumptiegoederen, petrochemie, auto-assemblage. Sociaal-politiek is Wallonië dan ook getekend door de dominantie van een militante arbeidersklasse, Brussel door een conservatieve Franstalige bourgeoisie en Vlaanderen door het samengaan van een overwegend christendemocratische arbeidersbeweging en een burgerij die sterk afhankelijk is van buitenlands multinationaal investeringskapitaal.

De transformatie van de Vlaamse taal- en cultuurstrijd tot een politiek en economisch regionaliseringsproject heeft zijn wortels in de eerste helft van de 20ste eeuw. Lodewijk de Raet en het net opgerichte Vlaams Economisch Verbond (VEV) bekeken de economische onderontwikkeling van Vlaanderen door een taallens. De Vlaamse demografische meerderheid (die zich via de invoering van het algemeen stemrecht politiek kon laten gelden) en de geleidelijke economische opgang van Vlaanderen vertaalden zich in toenemende politieke macht van de Vlaamse politici binnen de centrale staat. Het reduceren van essentieel politiek-ideologische conflicten zoals de Koningskwestie, de tweede Schoolstrijd en de algemene staking tegen de Eenheidswet tot regionaal-culturele tegenstellingen leidde tot het samensmelten van de taal-culturele en politiek-ideologische breuklijn in de communautaire kwestie (die decennia later zou leiden tot de federalisering van de Belgische staat). De industrialisering van Vlaanderen werd geleid door wat in de volksmond de ‘CVP-Staat’ genoemd werd, die aan het Vlaamse project een eerder populistische3 invulling gaf. Het dominante (christendemocratische) deel van de Vlaamse arbeidersbeweging schaarde zich in haar queeste voor jobs en economische ontwikkeling in de eigen regio achter het leiderschap van de Vlaamse burgerij en haar multinationale broodheren. De ruimtelijke en maatschappelijke ordening van Vlaanderen is de uitdrukking van de weerstand tegen de sociale strijd die industrialisering met zich meebrengt. Dit Vlaamse populistische blok, waarin corporatisme en volksnationalisme goed gedijden, profileerde zich als tegengewicht voor de tanende macht van de in Brusselse salons residerende Franstalige holdingburgerij en haar unitair Belgisch natievormingproject. Het is in deze dynamiek dat het politieke veld in Vlaanderen vaste vorm kreeg en dat tekende, naast de inschakeling van de socialistische arbeidersbeweging in een technocratische nationale beheerslogica, de zwakke Vlaamse linkerzijde.

Volgens de herauten van de derde industriële revolutie en het neoliberalisme, de meest recente golf van globalisering, zijn de nationale staten overbodig geworden en is de toekomst aan de regio’s. De nationale staat zit gewrongen tussen een opwaartse en neerwaartse herschaling van politieke besluitvorming en regulatie.4 Het Europa van de regio’s is de meest sloganeske uiting van een dergelijk glokaliseringsproces (sloganesk vanwege het bijzonder ongelijke karakter en zelfbewustzijn van de Europese regio’s). Deze herschaling van politieke en economische entiteiten verbergt een duidelijke strategie om de inter-regionale concurrentie voor investeringen, grijze materie, belastingbetalers en toeristen op te drijven. Deze concurrentiestrijd wordt gevoerd met openbare investeringen in transport en communicatie, stedelijke herstructureringen, belastingsvoordelen en lage sociale lasten, het socialiseren van milieukosten en de vermarkting van cultuur en identiteit in stads- of regiomarketing. Via deze neoliberale herschalingsstrategie worden de herverdelings- en marktregulerende mechanismen, die op nationale schaal ingebed zitten, ondermijnd. Elke regio wordt verplicht om zoveel als mogelijk dit spel mee te spelen, maar alleen de winnaars zullen van de resultaten kunnen genieten. Deze geografische concurrentie maakt de rijken rijker (en niet alleen dezen van eigen streek of stad) en de rest relatief armer en kwetsbaarder. In dit neoliberale proces, waar niet alleen bedrijven, maar ook individuen en zelfs steden en regio’s met elkaar moeten concurreren, is de staat niet het slachtoffer van de neoliberale globalisering, maar ondersteunt ze die zelf actief door institutionele hervormingen, staatshervormingen als het ware, die moeten resulteren in een gedecentraliseerde competitie-staat. Maar regio’s en steden zijn geen bedrijven. Als ze verliezen kunnen ze niet failliet gaan, de inboedel verkopen en verdwijnen. Het principe van ‘creatieve destructie’ is niet toepasbaar op territoria. Een verliezend territorium blijft met onbenutte investeringen, een emigratiestroom en armoede over. Winnende territoria staan opvallend gemakkelijk achter deze geografische concurrentie en vergeten zowel de negatieve gevolgen als het feit dat hun winst dikwijls meer te maken heeft met de effecten van de globale economie op hun ruimtelijke structuur (die zelf de erfenis is van voorbije investeringsrondes), dan met de kwaliteit van hun beleid.

Het Vlaams regionalisme schakelt zich al sinds de late jaren 1970 in dit neoliberale herschalingsproject in. De eerste Vlaamse regering, geleid door Gaston Geens en in nauwe samenwerking met de patronale voorhoede van het VEV, bedacht de Derde Industriële Revolutie in Vlaanderen (DIRV). Dit was een zuiver economisch verhaal gericht op het competitiever maken van de Vlaamse economie via een Schumpeteriaans economisch beleid.5 De DIRV-actie werd gedragen door een alliantie van Flandrocraten, een samengaan van economische technocraten en Vlaams regionalisten die de Vlaamse identiteit mobiliseerden en inpasten in een economisch competitiviteitsverhaal. Die alliantie verwees met nauwelijks verholen trots naar een land op twee snelheden. De Vlaamse verankeringsstrategie, die ontstond uit de doodstrijd van de Generale Maatschappij en de francofone Belgische bourgeoisie in 1989, was een nog duidelijkere poging om een Vlaamse economische elite te creëren die de vrijgekomen plaats van de Franstalige holdingsburgerij kon innemen. De offensieven voor meer regionale decentralisatie die elkaar sindsdien met de regelmaat van de klok opvolgen zijn evenmin klassenneutraal. Zo dient de regionale fiscale autonomie vooral om sneller een verlaging van de vennootschapsbelasting te realiseren, meer middelen en kansen te scheppen voor het privé-initiatief en een kapitaalsvriendelijker ondernemingsklimaat te creëren. Het argument om delen van de werkloosheidsverzekering en het arbeidsrecht te regionaliseren omwille van hun relevantie voor het arbeidsmarktbeleid sluit hierbij aan. Het maakt deel uit van de overgang van een herverdelende welvaartstaat naar een activerende workfare staat, waarin het sociaal beleid ondergeschikt wordt gemaakt aan een economisch competitiviteitsbeleid. Tegenover werklozen en andere sociaal zwakkeren wordt steeds sterker ‘activerend’ en bestraffend opgetreden. Het argument van homogene bevoegdheidspakketten snijdt af en toe hout, bijvoorbeeld in de huurwetgeving, maar deze ‘goed bestuur’ kwestie is absoluut niet afdoende om het Vlaams regionaliseringsproject in zijn geheel mee te legitimeren. Op welk schaalniveau wat gereguleerd wordt, hangt immers meestal af van bepaalde politieke en ideologische voorkeuren en is dus steeds de uitkomst van een politieke strijd waarin verschillende sociale groepen, die doorgaans niet te vatten zijn in taal- of cultuurgroepen, tegengestelde belangen en wensen hebben. De bovenstaande voorbeelden tonen aan dat ‘regionalisering’ en ‘neoliberalisering’ in Vlaanderen dikwijls hand in hand gaan.

‘Wij, Vlamingen’ en solidaire politieke gemeenschapsvorming

Het is tegen deze achtergrond dat het vraagstuk van de politieke gemeenschap en haar territoriale verankering aangepakt moet worden. De Gravensteengroep schuift ‘territorialiteit’ naar voor als enig sociaal-ruimtelijk principe voor een solidaire gemeenschap. Het voordeel daarvan is dat het, in vergelijking met een louter etnisch-culturele invulling van politieke gemeenschap, iedereen insluit en rechten geeft die zich op een bepaald moment op een bepaald territorium bevindt. Voor ons gaat het echter niet om het definiëren en verwezenlijken van een algemeen belang op een vooraf bepaald territoriaal geheel. Het Vlaams regionalisme gaat volgens ons al te dikwijls onkritisch uit van ‘wij, Vlamingen’. Maar wie zijn die ‘wij’? Wie voert het hoge woord in die groep? Wie zijn hier de politieke en economische machtshebbers? En willen we ons allemaal wel vereenzelvigen met die Vlaamse politieke en economische elite? ‘Wij, Vlamingen’ duidt op een territoriale groep, drager van een algemeen, gemeenschappelijk belang. Maar zoals achter elk ‘algemeen belang’ schuilen hierachter tegengestelde belangen. De vraag stelt zich dus met wiens belang dé Vlaamse zaak samenvalt? En is het progressief? Brengt het meer rechtvaardigheid mee?

Het gaat er ons dus om de verschillende en/of tegengestelde belangen binnen een politieke gemeenschap te erkennen, hun politieke uitdrukking te structureren en de juiste instellingen te creëren waarbinnen ze met elkaar geconfronteerd kunnen worden, onderhandelingen plaatsvinden en compromissen gesloten worden. Het gaat erom de juiste tafel te maken waarrond de diverse geledingen van de samenleving kunnen plaatsnemen en met de beste kansen rechtvaardige akkoorden opstellen. Dat soort Vlaamse onderhandelingstafel bestaat niet en er zijn geen plannen om ze in elkaar te timmeren. De Belgische onderhandelingstafel is dankzij de arbeidersbeweging al meer dan 100 jaar oud. En het is natuurlijk een zeer slecht argument om de tafel te vernietigen omdat wederzijdse blokkages en het huidige gebrek aan democratische collectieve wilsvorming vandaag de onderhandelingen blokkeren. Het minste wat men kan verwachten van progressieve Vlaamse manifesten is dat ze concreet aangeven hoe de Vlaamse autonomie, vooral die geleid door een rechtse meerderheid, zal zorgen voor een betere onderhandelingspositie van de linkerzijde en een stevig uitgebouwd sociaal overleg. De Belgische onderhandelingstafel heeft nog andere voordelen. De culturele uitholling van de Belgische staat heeft tenminste dat opgebracht dat er geen plaats meer is voor Belgisch nationalisme en dat die staatsstructuur minder dan de deelstaten een culturele romantiek moet opbouwen en meer dan de deelstaten bezig moet zijn met het overbruggen van ongelijkheden. De verplichting om Vlaanderen voortdurend in te passen in een Belgische en Europese context is misschien een dam tegen een etnocentrische zelfgenoegzaamheid, die uiteindelijk zelfvernietigend dreigt te worden.

Solidariteit moet ook op meerdere schaalniveaus tegelijkertijd verdedigd worden. Deze ‘meerschalige’ strategie is nodig om de uitsluitende effecten van grenzen, die noodzakelijkerwijs samenhangen met het territoriaal definiëren van politieke gemeenschappen, te compenseren. Niet alleen de Gravensteengroep, maar de hele Vlaamse beweging redeneert defensief vanuit het vrijwaren van het Vlaamse territorium, cultuur- en taalkundig gedefinieerd en voor eens en altijd vastgelegd. Ze gaan volledig voorbij aan de sociale definitie van een territorium, waarin ook overwegingen over socio-economische (klassen)verwantschappen en allianties een rol spelen. En ze miskennen de noodzaak om op verschillende schaalniveaus te strijden voor solidariteit. De stelling dat men vanuit een Vlaamse autonome regio dan wel solidair zal zijn met Wallonië, vervangt een interpersoonlijke solidariteit door een onderhandelde solidariteit tussen regeringen. Een solidariteit die onvermijdelijk al snel voorwaardelijk en ondergeschikt aan de eigen regionale belangen zal worden. Het is dus nogal vrijblijvend om tegelijkertijd elke mogelijkheid van een Belgische politieke gemeenschap en haar institutionele uitwerking in een Belgische staat te verwerpen.

De nadruk op de homogeniserende werking van het territorium verhult dus de interne Vlaamse sociale, politieke, culturele en economische tegenstellingen. De slagzin ‘wat we zelf doen, doen we beter’, gelardeerd met bestuurstechnische en ‘neutrale’ noties als subsidiariteit en goed bestuur, overheerst. Het decentraliserend effect van de subsidiariteit ondergraaft positieve herverdelingsmechanismen en vormt een structurele voorwaarde om de geografische concurrentie op de betrokken schaal te ontketenen. Goed bestuur is even denkbeeldig als algemeen belang. Iedere bestuurskundige weet bijvoorbeeld dat efficiëntie en rechtvaardigheid in de meeste bestuursproblemen niet samenvallen. Wat is dan de bedoeling van ‘wat we zelf doen, doen we beter’? De uitkomst van regionale decentralisatie moet een bestuur zijn dichtbij dé mensen, gedragen door een homogene cultuurgemeenschap wiens politieke en economische belangen volledig gelijkvallen. Bij gebrek aan tegenstellingen en conflict wordt politiek in Vlaanderen zo goed als overbodig (vandaar dat er niet aan de tafel getimmerd wordt?).

Ook langs Franstalige kant speelt het louter taalkundig en cultureel definiëren van de politieke gemeenschap een nefaste homogeniserende en depolitiserende rol. De discussie over de uitbreiding van Brussel wordt er gevoerd in functie van de Franstaligen in de rand. Maar dit lost de sociale en economische problemen van Brussel helemaal niet op. Dit gaat niet over de vraag naar een stadsgewestelijke planning. De vraag is immers of deze uitbreiding bedoeld is om de perifere gebruikers van de stad de investeringen in onderwijs, tewerkstelling en huisvesting waar de binnenstad om schreeuwt mee te laten financieren? Of wordt er aangestuurd op het verkopen van de stad aan haar periferie en dus aan de rechterzijde van het politiek spectrum en een voorstedelijke politieke agenda met een nadruk op mobiliteit en veiligheid? De Franstalige politieke elite vindt de Vlaamse politieke elite wel in het negeren van het kosmopolitisch potentieel van Brussel voor België, wat onder meer duidelijk is in de faciliteitenperikelen. Voor ons moet de bi-communautaire politieke structuur van de stad doorbroken worden om te komen tot een kosmopolitische stad.

Conclusie: het heruitvinden van het echte politieke meningsverschil

Ons argument is niet gericht tegen het territorialiteitsprincipe op zich, maar tegen specifieke vormen van territorialisering en politieke gemeenschapsvorming. Globalisering, als het heruittekenen van territoria, is er in zijn neoliberale vorm op gericht territoria zo aan te passen dat de solidariteit tussen arme en rijke gebieden doorbroken wordt, met als gevolg ook een verschroeiende competitie tussen deze regionale territoria. Vlaamse autonomie kan geen surrogaat zijn voor sociale strijd. Op elke schaal zullen we tegenstanders van een progressief project tegenkomen, ook op het Vlaamse niveau. Met dat verschil dat we als autonome Vlaamse regio nog verder meegezogen zullen worden in een geografische competitiespiraal met andere regio’s, die de ruimte voor echt democratische politieke keuzes nog zal verkleinen. Deze interregionale competitie kunnen we enkel vermijden door als progressieven strijd te leveren voor een links maatschappelijk project op alle mogelijke schalen, van de globale over de Europese tot de Vlaamse, de Brusselse en gemeentelijke schaal. En zeker ook aan de sterk uitgebouwde Belgische onderhandelingstafel. Een meerschalige strategie is echter iets helemaal anders dan een simpele politiek in verdiepingen. Dat betekent dat het progressieve project zelf moet worden uitgetekend op verschillende schaalniveaus. Die verschillende niveaus staan niet noodzakelijk in een hiërarchische verhouding en zijn naargelang van thema en bereik verschillend met elkaar verbonden. De samenhang wordt gemaakt door een duidelijke politieke visie en project en door een duidelijke positiebepaling tegenover het dominante neoliberale vertoog. Opnieuw het echte politieke meningsverschil invoeren is de meest prangende uitdaging voor de linkerzijde, die zich via de mal van de staatsstructuren al te zeer heeft vereenzelvigd met het communautair discours. De nieuwe regeringsvorming, die bij gebrek aan ieder maatschappelijk project vooral gedreven wordt door de wens de staatsstructuren te bezetten, toont alvast aan dat het communautaire vertoog er niet in slaagt een echt politiek project voort te brengen.

Stijn Oosterlynck, Pascal Debruyne en Karim Zahidi
Woordvoerders van de Vooruitgroep

|

De Vooruitgroep

Stijn Oosterlynck (KUL), Pascal Debruyne (UGent), Karim Zahidi (UA/UGent), Eric Corijn (VUB), Chris Kesteloot (KUL), Francine Mestrum (ULB), Piet Saey (UGent), Rik Pinxten (UGent), Pascal De Decker (Hogeschool Gent/ St. Lucas), Monika Triest, Eric Goeman (woordvoerder Attac Vlaanderen, voorzitter Democratie 2000), Ronald Commers (UGent), Peter Reynaert (UA), Sami Zemni (UGent), Stefan De Corte (VUB), Jan Teurlings (Universiteit van Amsterdam), Erik Swyngedouw (University of Manchester), Maarten Loopmans (Erasmus Hogeschool Brussel), Jan Dumolyn (UGent), Herman De Ley (UGent).

|

cartoon: © Arnout Fierens

Noten
1/ De idee van eentalige regio’s werd trouwens al vroeg verdedigd door de Waalse beweging, die vreesde voor een veralgemeende tweetaligheid.
2/ Die ongelijke economische ontwikkeling kan onmogelijk herleid worden tot een tegenstelling tussen economisch homogene gewesten.
3/ Populisme verwijst hier naar het ondergeschikt maken van de belangentegenstelling tussen arbeid en kapitaal aan een gemeenschappelijk project, gericht tegen een externe tegenstander zoals de Franstalige Belgische burgerij of de socialistische Waalse arbeidersbeweging.
4/ Regulatie verwijst naar alle institutionele mechanismen (niet alleen juridische) die interveniëren in de sociale conflicten die ingebakken zitten in geavanceerde markteconomieën, teneinde de politieke en sociale stabiliteit te garanderen die noodzakelijk is voor economische groei.
5/ Een Schumpeteriaans economisch beleid richt zich op het creëren van de juiste omgevingscondities om bepaalde stedelijke of regionale locaties competitief te maken (vandaar aanbodzijdegericht). Het staat tegenover een Keynesiaans economisch beleid dat economische cycli uitvlakt via het beheren van de macro-economische vraag en het gelijk verspreiden van de economische ontwikkeling over het nationale territorium.

federalisering - staatshervorming - Vooruitgroep

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 4 (april), pagina 48 tot 54