Abonneer Log in

Racitische uitlatingen: maatschappijkritiek of beledigingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 5 (mei), pagina 15 tot 19

Begin april 2008 raakte het nieuws bekend dat Minister van Justitie Jo Vandeurzen de voorzitter van het Europees parlement vroeg om de parlementaire onschendbaarheid van Europarlementslid Frank Vanhecke op te heffen, omdat het parket van Dendermonde het kopstuk van het Vlaams Belang wou vervolgen. Het Sint-Niklase stadsbestuur had immers klacht ingediend tegen Vanhecke, omdat hij als toenmalig partijvoorzitter de verantwoordelijke uitgever was van een lokaal partijkrantje dat enkele allochtonen onterecht van grafschennis beticht had.1 De discussie over de Antiracismewet is zo terug van nooit weggeweest2, zeker toen op het einde van de maand een neonazi-bijeenkomst in de buurt van Kortrijk ophef maakte. Organisaties als Blood and Honour beroepen zich meestal op het recht van vrije vergadering, zodat de lokale overheden hen laten betijen zolang de openbare orde niet in het gedrang komt.3

Na een voorzet van Minister van Binnenlandse Zaken Patrick Dewael verklaarde sp.a-fractieleider Peter Vanvelthoven een wetsvoorstel te zullen indienen om dergelijk organisaties als privémilities buiten de wet te stellen.4
De incidenten zijn de zoveelste voorbeelden van een bekend vraagstuk: het spanningsveld tussen de vrijheid van meningsuiting en de penalisering van racistische en xenofobe uitlatingen. Intellectuelen van allerlei pluimage hebben gedurende meer dan een kwarteeuw de problematiek van het racisme in al haar facetten onder de loep genomen, en velen hebben hun mening gegeven over de opportuniteit van het bestraffen van dergelijke uitlatingen. Het heeft geleid tot een geanimeerd debat, en getuige de niet aflatende stroom aan publicaties lijkt het pleit vooralsnog allerminst beslecht te zijn.

Vrijheid van pers en meningsuiting als politiek-institutioneel concept

In deze korte bijdrage wil ik de penalisering van racistische en xenofobe meningsuitingen toetsen aan wat indertijd de grondwetgevende vergadering - de Volksraad - ertoe aangezet heeft de vrijheid van pers en meningsuiting in de Belgische grondwet in te schrijven.5 Ik ben ervan overtuigd dat een herijking van de oorspronkelijke grondslagen geen vrijblijvende oefening is, maar wel degelijk pertinent kan zijn. Het is geen geheim dat de grondwetgever bijzonder was begaan met de bescherming van het vrije woord. Niet alleen voorzag de constitutie naast een algemene vrijheid van meningsuiting ook een afzonderlijke expliciete bescherming van de persvrijheid. Deze laatste werd ook met bijzondere garanties bedacht: een verbod van preventieve maatregelen, een getrapte verantwoordelijkheid en een volksjury voor de beoordeling van eventuele misbruiken.6 De beweegredenen voor deze opmerkelijke bescherming blijven tot op de dag van vandaag erg betekenisvol.
Een dergelijke historische benadering aangaande de grondslagen van de vrijheid van meningsuiting is natuurlijk niet nieuw, maar mijns inziens wordt dan al te vaak teruggegrepen naar de ideeën van coryfeeën als John Milton of Voltaire. Hun gedachtegoed heeft inderdaad een onuitwisbare indruk op de westerse constitutionele traditie nagelaten, maar toen in het najaar van 1830 de leden van de Volksraad samenkwamen, waren het niet hun geschriften die als richtsnoer golden. Zonder afbreuk te willen doen aan het belang van de vervolgingen van de zuidelijke oppositiepers ten tijde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, of van het belang van de vrijheid van meningsuiting in de toenmalige Kerk-Staatverhoudingen, is de grondwettelijke verankering van de vrijheid van pers en meningsuiting onlosmakelijk verbonden met de invloed van de liberale denkers van de Franse Restauratie (1815-1830). Figuren als Benjamin Constant, Charles de Rémusat, Pierre-Paul Royer-Collard en François-René de Chateaubriand zijn voor de vrijheid van pers- en meningsuiting zowat de founding fathers van de tweede generatie. Zij waren de lichtende voorbeelden voor de even jonge als ambitieuze generatie liberalen die aan de wieg stonden van de Belgische onafhankelijkheid.7
Natuurlijk was er ten tijde van de Belgische onafhankelijkheid nog geen sprake van een multiculturele samenleving. De groeipijnen van een samenleving die de diverse autochtone en allochtone achtergronden van haar burgers moet zien te verzoenen, konden toen nog geen aanleiding geven tot racisme of xenofobie. Toch lijken de ideeën van Constant en zijn epigonen nog steeds bijzonder pertinent te zijn om te bepalen wat al dan niet toelaatbaar is op het vlak van de vrijheid van pers- en meningsuiting. Voor een uitgebreid exposé ontbreekt het hier aan plaats, maar persvrijheid was voor hen boven alles een politiek-institutioneel concept. In de moderne, postrevolutionaire maatschappij was een vrije pers bovenal het noodzakelijke instrument om de overheid te controleren. Economische besognes weerhielden de meeste burgers er immers van zelf actief met het beleid van de samenleving bezig te zijn, zodat ze die taak aan parlementaire vertegenwoordigers moest toevertrouwen.
De geboorte van een politieke klasse was echter niet zonder gevaren. En met de uitwassen van de revolutionaire en napoleontische regimes zat de vrees voor machtsmisbruik of wanbeheer er bij de Franse liberalen goed in. Een scheiding der machten was noodzakelijk, maar niet voldoende opdat de instellingen goed zouden functioneren. Weliswaar gaf hun andere stokpaardje, de ministeriële verantwoordelijkheid, de parlementsleden de mogelijkheid om de regering te controleren, het bleef onontbeerlijk dat de publieke opinie zelf haar leiders te allen tijde kon bekritiseren en ter verantwoording roepen. Enkel een kritische en onafhankelijke politieke pers die buiten de instellingen om kon functioneren, bood voldoende garanties opdat de machthebbers niet zouden corrumperen en de belangen van de bevolking gediend zouden blijven. De waarborg van haar vrijheid en onafhankelijkheid was dan ook cruciaal voor het maatschappelijk debat.
Het politieke bestel van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden ontbeerde dit echter al te zeer. Willem I beschouwde zichzelf als een verlicht despoot wiens macht getemperd was door enkel grondwettelijke bepalingen, terwijl de liberalen uit het Zuiden droomden van een constitutionele parlementaire monarchie. Dit gebrek aan inspraak en politieke _accountability _ is zonder twijfel de belangrijkste reden geweest voor de toenmalige scheuring tussen Noord en Zuid. Het mag dan ook niet verbazen dat de Belgische Grondwetgever de vrijheid van pers- en meninguiting als één van de speerpunten van de organisatie van de Belgische instellingen beschouwde.

Racistische en xenofobe uitlatingen als beleidskritiek

Het is precies deze beleidskritische functie die aan het vrije woord werd toegekend die mijns inziens een interessant criterium is in het licht van het actuele debat over de penalisering van racistische en xenofobe uitlatingen. Want net zozeer als men ten tijde van de Restauratie op zoek was naar een samenlevingsmodel dat de structuren van het Ancien Régime kon vervangen, zo zoekt men vandaag de dag hoe men burgers met autochtone en allochtone achtergronden zo goed mogelijk kan laten samenleven. Dit betekent niet alleen dat er weloverwogen beleidskeuzes gemaakt moeten worden, maar ook dat deze ingrijpende evolutie niet louter aan de beleidsmakers overgelaten kan worden. Een breed maatschappelijk debat over deze kwestie is echter enkel mogelijk wanneer alle maatschappelijke stemmen gehoord kunnen worden. Een pleidooi voor herijking van de vrijheid van pers- en meningsuiting impliceert daarom dat elke uitlating die redelijkerwijs als een kritiek op het overheidsbeleid opgevat kan worden als legitiem beschouwd kan worden.
Dit betekent niet alleen dat het te betreuren is dat er vooralsnog te weinig politieke moed geweest is om het migrantenstemrecht op nationaal niveau in te voeren. Ook de penalisering van racistische of xenofobe uitlatingen stemt tot nadenken, net als het verbieden van elke vorm van medewerking aan of lidmaatschap van racistische verenigingen, waarvan de veroordeling van de drie aan het Vlaams Blok verbonden vzw’s het bekendste voorbeeld is.8 Racistische of xenofobe uitlatingen en de verenigingen die ze voorstaan, zijn - hoeft het gezegd te worden? - zonder twijfel moreel verwerpelijk, maar het is weinig waarschijnlijk dat repressie een pertinent antwoord op hun boodschap is. Dergelijke maatregelen impliceren immers dat een gesprekspartner niet tot het maatschappelijk debat toegelaten wordt. Het leidt tot een verschraling of zelfs volledig ontwijken van dit debat, terwijl debatteren over hoe het verder moet met de multiculturele samenleving net broodnodig is.
De erkenning van de pluraliteit aan maatschappelijke stemmen, ook al zijn er een aantal onder hen van twijfelachtig ethisch allooi, is cruciaal om geloofwaardige resultaten te boeken. In de geest van het vroeg negentiende-eeuwse Franse liberalisme is persvrijheid immers niet zomaar het toelaten van de meest uiteenlopende opinies. Het is een constructief politiek gegeven, een dialectisch proces waarbij een samenleving haar eigen Selbstverständnis kan construeren, expliciteren en evalueren. Dit is meer dan de vrije ideeënmarkt van het klassieke liberalisme, waar door een dialectisch proces van woord en wederwoord uiteindelijk de waarheid aan het licht wordt gebracht. Het is de constitutieve voorwaarde voor een sociaal proces, namelijk de maatschappelijk overlegde transitie van de ene samenlevingsvorm naar een andere. Een repressieve aanpak fnuikt dan ook de dynamiek van dit proces, en men kan zich de vraag stellen of deze remedie niet even funest is voor de samenleving als de racistische kwaal.
Bovendien hebben de liberalen van de Restauratie ook meermaals beklemtoond dat de vrije pers de politieke klasse niet alleen moest controleren, maar ook informeren. Zo bleven de beleidsmakers te allen tijde op de hoogte van de noden, problemen en verzuchtingen die de samenleving beroerden. Racistische uitspraken penaliseren betekent dat men a priori weigert met dergelijk input rekening te houden. Dat is wellicht geen goede zaak, want de overheid kan in dat opzicht beter ten volle op de hoogte zijn van de oorzaken en de grootte van de onvrede, wat uiteraard allerminst hoeft te betekenen dat de machtsdragers slaafs gevolg moeten geven aan de kritieken.

Racistische uitlatingen als beledigingen

Wie echter al eens een voetbalmatch bijwoont, op café een pint gaat drinken of gewoon op straat zijn oren openhoudt, merkt al snel dat de meeste racistische en xenofobe uitlatingen bezwaarlijk als een constructieve bijdrage aan het debat over de multiculturele samenleving beschouwd kunnen worden. Dat blijkt ook uit de rechtspraak, waar heel wat veroordelingen wegens racisme gevallen zijn waarin mensen zich te buiten zijn gegaan aan ordinaire scheldpartijen ten overstaan van allochtonen. Het gaat om platvloerse beledigingen zoals bougnoul, raton, makak, vuile arabier of bruine aap, om maar enkele voorbeelden uit de jurisprudentie te citeren.9 Ook de valse beschuldigingen over allochtone grafschenners in het geval-Vanhecke of de antisemitische propaganda op de neonazibijeenkomsten zijn duidelijk geen voorbeelden van fundamentele beleidskritiek.
Ook wat deze louter beledigende uitlatingen betreft kunnen de beginselen van het vroeg negentiende-eeuwse liberalisme een interessante leidraad zijn. Benjamin Constant en zijn epigonen beschouwden goede interindividuele relaties immers als de belangrijkste bouwstenen van de samenleving. Een geatomiseerde samenleving, waarin sociale cohesie ontbreekt, was in hun ogen de ideale voedingsbodem voor een despotisch bewind. Een bepaalde vorm van maatschappelijke etiquette is noodzakelijk, en ook bij het voeren van een maatschappelijk debat moeten bepaalde spelregels gerespecteerd worden. De inhoud van het maatschappelijk debat over de multiculturele samenleving is dan ook in de eerste plaats met een goede vorm gediend. Ordinaire scheldwoorden hebben geen enkele toegevoegde waarde voor het maatschappelijk debat. Ze getuigen integendeel van een fundamenteel gebrek aan respect voor de gesprekspartner in dit debat.
In het licht van de vroeg negentiende-eeuwse liberale grondslagen van de pers- en meningsvrijheid is het penaliseren van racistische beledigingen en xenofobe scheldpartijen bijgevolg evenzeer legitiem. Ze zijn dat niet zozeer omdat ze een mening vertolken die in een democratische rechtsstaat niet getolereerd kan of mag worden, maar omdat ze de grondslag van deze democratische rechtsstaat, het vrije debat tussen de leden van de samenleving, ondermijnen. In die zin belangen zij wel de openbare orde aan, want het debat gaat over wie de beste argumenten heeft, niet wie het hardst of het gemeenst kan blaffen. Overigens kan daaraan toegevoegd worden dat zij die het racisme en de xenofobie bestrijden soms ook debet zijn aan dergelijke praatjes. Opmerkingen over ‘mestkevers’ of ‘zeikstemmers’ zijn evenmin erg constructief, en versterken alleen maar de polarisatie tussen de voor- en tegenstanders van de multiculturele samenleving.10
Gelet op het bovenstaande kan men zich de vraag stellen of er voor dergelijke scheldpartijen en beledigingen überhaupt nog wel een afzonderlijke antiracismewetgeving nodig zou zijn. De Antiracismewet beoogt immers in beginsel niet het beledigen zelf, maar wel het aanzetten tot racisme of discriminatie, en de gemeenrechtelijke regels die de burger moeten beschermen tegen aanvallen op zijn goede naam en eer, bieden afdoende juridische bescherming.11 Het recht heeft echter niet alleen een instrumentele functie. Gezien het belang van het debat over de multiculturele samenleving is het niet onzinnig dat de wetgever expliciet aangeeft dat ook laster, eerroof en beledigingen ingegeven door racisme of xenofobie strafbaar zijn. Door uitdrukkelijk aan te geven dat het publieke debat niet gediend is met racistische en xenofobe scheldpartijen kan de wetgever het belang van dit debat onderstrepen. Expliciteren dat opmerkingen die de discussie over de multiculturele samenleving ondergraven niet getolereerd worden, expliciteert tegelijkertijd de symbolische waarde van deze discussie. Dit mag uiteraard niet betekenen dat bepaalde politieke preferenties a priori naar voor geschoven worden. Het zijn niet de eigenlijke beleidslijnen, maar de thema’s die de aandacht van deze beleidslijnen verdienen die zo extra onder de aandacht gebracht kunnen worden.

Besluit

Blijkens het bovenstaande kan mijns inziens gesteld worden dat de toets van de penalisering van racistische en xenofobe uitlatingen aan de ideologische grondslagen van de grondwetgever een eigen relevantie heeft. De erfenis van 1831 laat immers toe een onderscheid te maken tussen beleidskritische commentaren die het maatschappelijk debat voeden en beledigingen die dit debat fnuiken. Dit criterium lijkt niet alleen voldoende genuanceerd te zijn, het maakt meteen ook duidelijk dat ook volgens de ideologische grondslagen van weleer gratuite beweringen over allochtone grafschenners of antisemitische hate speech niet getolereerd hoeven te worden.

Bram Delbecke
Assistent aan de KU Leuven, Campus Kortrijk

Noten
1/ De Standaard, 10 en 11 april 2008. Aangezien de auteur van het stuk bekend is en in België woont, maar er lichte verschillen zouden zijn tussen de ingezonden en de gedrukte tekst, is er nog onduidelijkheid over de mate waarin de getrapte verantwoordelijkheid bij persmisdrijven van toepassing is.
2/ Wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden.
3/ De Standaard, 20 april 2008.
4/ De Standaard, 24 april 2008. Minister van Binnenlandse Zaken Dewael had tot dit voorstel opgeroepen, omdat hij oordeelde dat een parlementair initiatief breder gedragen zou zijn. In de vorige legislatuur hadden Koen T’Sijen en Claude Marinower een gelijkaardig wetsvoorstel ingediend na een soortgelijke voorzet van Dewael, maar dit is na felle kritiek een stille dood gestorven.
5/ ‘Volksraad’ is de administratieve Nederlandse benaming die men in 1830 al aan de grondwetgevende vergadering gaf, en dat dus als de authentieke vertaling van het Franse Congrès national beschouwd mag worden. Na de doorbraak van het Nederlands als rechtstaal heeft men echter vooral de benaming ‘Nationaal Congres’ gebruikt, wat evenwel slechts een vertaling uit het Frans is.
6/ Art. 14, 18, 96 en 98 GW, of de respectieve huidige artikels 19, 25, 148 en 150.
7/ De invloed blijkt vooral uit de talrijke citaten die terug te vinden zijn in de liberale Zuidelijke oppositiebladen waarin de latere coryfeeën van het Belgisch liberalisme eind de jaren 1820 schreven. Constants impact op de Belgische Grondwet is welbekend, maar in de bestaande literatuur weinig uitgewerkt. Voor een introductie op zijn denken en wat de invloed van Constant op het denken over ministeriële verantwoordelijkheid betreft, kan verwezen worden naar: P. Van Velzen, De ongekende ministeriële verantwoordelijkheid. Theorie en praktijk, 1813-1840, Nijmegen, Wolf Legal Publishers, 2005, p. 79-97. Daar wordt ook de belangrijkste literatuur over Constant en liberalisme van de Restauratie geciteerd.
8/ Gent 21 april 2004, www.diversiteit.be..
9/ Het meest toegankelijke overzicht van rechtspraak is te vinden op de website van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding: www.diversiteit.be.
10/ Deze opvatting kwam zopas ook naar voor in het wekelijkse opiniestuk ‘Op het tweede gezicht’ van Joël De Ceulaer in Knack (30 april 2008).
11/ Art. 443-453bis Sw.

racisme - rechtspraak - vrije meningsuiting

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 5 (mei), pagina 15 tot 19