Abonneer Log in

Belgische ontwikkelingssamenwering toe aan een inhaaloperatie

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 6 (juni), pagina 37 tot 45

Inleiding

In september van dit jaar ontmoeten regeringen en multilaterale donoren van over de hele wereld elkaar in Accra (Ghana) waar zij de uitvoering van de Verklaring van Parijs zullen evalueren. Het onderliggende credo van de Verklaring van Parijs is: om de doeltreffendheid van hulp te verbeteren moet vooral het hulpbeheer verbeteren. Dit thema beheerst momenteel quasi elk debat over de kwaliteit van ontwikkelingshulp. De Verklaring van Parijs is inderdaad een nuttig instrument wanneer het gaat over het beheer van middelen. Maar daar ligt ook net haar beperking. Het gevaar is dat ze als enig instrument voor het verbeteren van de kwaliteit van hulp naar voren geschoven wordt, waarop alle donoren zich in 2008 focussen. Dit terwijl een efficiënt beheer van de hulpmiddelen op zich niet de beoogde ontwikkelingsdoelen zal realiseren. Het bereiken van deze doelen wordt vooral ondermijnd door te hoge voedselprijzen, de financiële crisis, het gevoerde schuldenbeleid, een oneerlijk handelsbeleid, etc. Met andere woorden: door beleidsbeslissingen die genomen worden in andere beleidsdomeinen dan het ontwikkelingsbeleid. Om de vooropgestelde ontwikkelingsdoelen te behalen, is er dus vooral een coherent ontwikkelingsbeleid nodig.
Ondanks deze vaststelling, besloot 11.11.11 zich in haar jaarrapport1 toch te richten op de Verklaring van Parijs en een analyse te maken van de mate waarin de Belgische overheid haar engagementen nakomt. Doordat we de meetlat gebruiken die de donoren en ontvangende overheden door de ondertekening van de Verklaring van Parijs voor zichzelf opleggen, heeft 11.11.11 een goed zicht op wat er voor een donor als België op de agenda staat in Accra.

In dit artikel bespreken we slechts enkele aspecten uit de Verklaring van Parijs. Voor meer info verwijzen we u door naar het jaarrapport van 11.11.11.2 Maar vooraleer in te gaan op dit kwalitatieve aspect van het Belgische Ontwikkelingsbeleid, verwijzen we eerst kort naar de teleurstellende prestaties van de Belgische overheid op vlak van het ontwikkelingsbudget.

Belgische Ontwikkelingssamenwerking maakt steile val

De Belgische Ontwikkelingssamenwerking (ODA, Official Development Assistance) maakte in 2007 een schandalige val naar 0,43% van het BNI, na 0,5% te hebben gehaald in 2006. Dat was precies evenveel als in 2002, het jaar waarin België zijn engagement bij wet vastlegde om 0,7% van het BNI te besteden aan Ontwikkelingssamenwerking tegen 2010.
De nieuwe Minister voor Ontwikkelingssamenwerking Charles Michel mikt voor 2008 opnieuw op 0,5%. In 2009 wil hij 0,6% bereiken, om dan in 2010 uit te komen op de reeds 40 jaar beloofde 0,7% van het BNI. Het valt af te wachten of deze budgetten allemaal zullen worden besteed. We zullen in elk geval supporteren om Charles Michel over de lat te helpen.

België heeft een plan

De Verklaring van Parijs is een soort ‘contract’ tussen bilaterale en multilaterale donoren aan de ene kant en ontvangende partneroverheden aan de andere kant. Het eigenaarschap van het ontwikkelingsbeleid wordt bij de ontvangende overheid gelegd, door hen verantwoordelijk te maken voor het opstellen van ontwikkelingsstrategieën en voor procedures om deze uit te voeren. De donoren moeten zich hierop afstemmen, op een onder elkaar gecoördineerde manier.
In juni 2007 keurde de toenmalige Minister voor Ontwikkelingssamenwerking het Plan voor Harmonisering en Afstemming (H&A Plan) goed. Dit plan beschrijft de intenties van de Belgische overheid om de Verklaring van Parijs uit te voeren. Het gaat over de directe bilaterale samenwerking.3 Ook heeft de Belgische coöperatie een werkgroep opgericht - met medewerkers van de Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking (DGOS) en de Belgische Technische Coöperatie (BTC) - om op de uitvoering van dit Plan toe te zien. Omdat er sinds de verkiezingen in juni 2007 geen regering was, zijn er in de tweede helft van 2007 geen beleidsbeslissingen terzake genomen. Sinds Charles Michel het ministerambt heeft opgenomen, zien we strategische keuzes die zeer duidelijk geënt zijn op de Verklaring van Parijs.4 Op het vlak van politieke intenties en beleidsbeslissingen zijn er de afgelopen maanden dus grote stappen vooruit gezet. Maar zoals we verder zullen zien, liggen er nog zeer grote uitdagingen bij de operationalisering hiervan.

Minder projecten

Eén van de manieren om te kijken of donoren zich afstemmen op de door de ontvangende landen voorgestelde strategieën is het percentage van de hulp dat daadwerkelijk in de begroting van het partnerland terug te vinden is. Dit impliceert dat alle uitgaven ingeschreven moeten zijn in de begroting, zowel de posten die het partnerland zelf financiert als de financiering door de donoren. Volgens de OESO was in 2005 ongeveer 44% van de Belgische hulp in de begrotingen van de partnerlanden terug te vinden. België heeft zich geëngageerd om dit te verdubbelen tegen 2010. Zo wordt begrotingshulp - die automatisch in de begroting van een partnerland wordt ingeschreven - belangrijker in de Belgische Ontwikkelingssamenwerking. Daarnaast is het de bedoeling om projecten en programma’s - die niet gefinancierd worden via begrotingshulp - ook meer in de begroting van het partnerland te laten opnemen. Maar dat blijkt volgens DGOS- en BTC-vertegenwoordigers een zeer ambitieus plan. Dit omdat België traditioneel vooral projecthulp verleent, met een beperkte lijst van strakke uitvoeringsmodaliteiten. Volgens de Commitment to Development Index (CDI) is één van de zwakke punten van de Belgische hulp de verspreiding en kleine gemiddelde omvang van haar projecten.5 Een andere reden waarom het voor België niet evident is om haar hulp in de begroting terug te vinden, is het feit dat een zeer groot deel van de Belgische middelen naar fragiele staten, zoals DR Congo en Rwanda, gaat. In deze landen is het opstellen van een eigen begroting en bijhorende beheerssystemen geen evidentie.

Maar België wil meer en meer evolueren naar een portefeuillebenadering. Hierbij wordt een flexibele mix van hulpmodaliteiten gebruikt, waaronder begrotingshulp, programma’s én projecten. DGOS spreekt hier dan over projecten van het ‘nieuwe type’ volgens de principes van de Verklaring van Parijs: afgestemd op het sectorale beleid en de systemen van het land, geharmoniseerd met andere donoren.6 Ook wil België meer investeren via Sector Wide Approaches (SWAP’s). Dit zijn programma’s gericht op één bepaalde sector, waarbij de verschillende hulpmodaliteiten gebruikt worden.7 Deze portefeuillebenadering heeft vele voordelen. Zo is het makkelijker een project goed op te volgen als je als donor ook betrokken bent bij de politieke beleidsdialoog in dat land. Zoals het ook interessanter is om de politieke dialoog te voeren als je ook voeling hebt met het terrein. Werken met een portefeuillebenadering betekent ook het risico spreiden, door niet alle eieren in één mand te leggen. Maar een nadeel is dat er over al deze types van hulpmodaliteiten expertise moet worden opgebouwd in Brussel en op het terrein. En dit is net één van de pijnpunten in de Belgische coöperatie. Er is een echte cultuur- en mentaliteitsverandering en bijhorende capaciteitsopbouw nodig binnen DGOS en BTC, waarvoor dringend voldoende budget, tijd en ruimte voorzien moet worden.

Meer begrotingshulp

Begrotingshulp wordt vaak naar voren geschoven als dé manier om het eigenaarschap van de ontwikkelingslanden te verhogen. Dit is terecht, want bij begrotingshulp komen de hulpstromen rechtstreeks terecht in de begroting van het partnerland of in de begroting van een specifiek departement in het partnerland. Begrotingshulp leent zich idealiter ook meer tot voorspelbaarheid van hulp. Maar er kunnen ook problemen opduiken op het vlak van voorspelbaarheid, zoals we verder zullen zien. Ook zet begrotingshulp de deur wagenwijd open voor het opleggen van (o.a. macro-economische) conditionaliteiten door de donoren. Ook voor België gaan twee van de vier basiscriteria8 - waaraan voldaan moet zijn vooraleer in aanmerking te komen voor begrotingshulp - over de macro-economische situatie in het partnerland.

België heeft het afgelopen decennium steeds meer middelen vrijgemaakt voor begrotingshulpprogramma’s.9 Zeker sinds de goedkeuring van het Vademecum in 2005 is het aandeel van begrotingshulp in de totale direct bilaterale samenwerking gestegen van 3% in 2005 tot 11% in 2007. Deze stijgende trend zal ook in de toekomst verdergezet worden.10
De Belgische coöperatie heeft de laatste jaren geïnvesteerd in het scheppen van een kader voor het verlenen van begrotingshulp. Zo werd er in 2005 een vademecum opgesteld dat, na een evaluatie in 2007, aangepast werd in april 2008. Toen werd dit nieuwe Vademecum als nieuwe richtlijn verstuurd naar de vertegenwoordigers van de Belgische coöperatie. Zoals hieronder duidelijk wordt, zit de Belgische coöperatie nog in een leerproces, maar zien we alvast dat er in het Vademecum 2008 bepaalde negatieve aspecten uit de evaluatie van 2007 aangepakt worden (hoewel de praktijk nog moet uitwijzen in welke mate deze theorie in de praktijk omgezet wordt).

Uit de evaluatie van het studiebureau ADE/HERA (Aide à la Décision economique / Health Research for Action) van augustus 2007 blijkt dat er niet echt sprake was van een duidelijke Belgische visie op begrotingshulp. Ten eerste, kregen de attachés tot voor kort geen richtlijnen van DGOS om systematisch vragen te stellen over begrotingshulp bij de besprekingen van Indicatieve Samenwerkingsprogramma’s (ISP’s).11 In het Vademecum van 2008 wordt er nu wel expliciet gezegd dat bij de bespreking van elk nieuw ISP begrotingshulp als één van de mogelijke hulpmodaliteiten beschouwd moet worden door de attachés. Ten tweede, was er lange tijd onenigheid tussen BTC en DGOS over wie nu best deze begrotingshulp moet beheren en opvolgen.12 De taakverdeling tussen DGOS en BTC bleek in de praktijk vaak niet duidelijk. In het Vademecum 2008 zet men een duidelijke taakverdeling op papier. Het is echter afwachten of deze taakverdeling in de praktijk de verwarring, die er soms heerste op het terrein, zal wegnemen. Een derde aandachtspunt is de investering in expertise binnen DGOS en BTC. Op dit vlak zijn er zowel in Brussel als op het terrein nog veel inspanningen nodig. Volgens de evaluatie van 2007 is men in Brussel onvoldoende uitgerust om het administratieve en financiële beheer van de begrotingshulpinterventies te doen. De bevraagde attachés, vertegenwoordigers van DGOS in de partnerlanden, menen dat zij niet voorbereid zijn om de verantwoordelijkheden op te nemen die gepaard gaan met het beheer en de opvolging van begrotingshulpinterventies. En zelfs al zouden zij die kwaliteiten hebben, dan zouden zij niet voldoende tijd hebben om deel te nemen aan de vele activiteiten die gepaard gaan met een actieve deelname aan een ‘multi-donor begrotingshulpprogramma’.13 Dit maakt duidelijk dat de overgang naar nieuwe hulpvormen tijd en middelen vergt. En dat de ambtenaren van DGOS en BTC (belast met de opzet, uitvoering en opvolging van begrotingshulp) hiervoor voldoende opleiding en ondersteuning moeten krijgen. Dergelijk opleidings- en ondersteuningskader rond de nieuwe hulpmodaliteiten ontbreekt momenteel.

België te logge donor

Onvoorspelbare ODA-uitgaven kunnen de correctheid van de partnerbegroting, en dus de kwaliteit van de begrotingsuitvoering, danig verstoren. Voorspelbaarheid van hulp is dan ook een sleutelelement voor goed bestuur. De voorspelbaarheid van hulp is nochtans één van de grootste pijnpunten van de Belgische coöperatie. België heeft op dit vlak al enkele stappen gezet, zoals het verlengen van de indicatieve programma’s van 3 naar 4 jaar. In dat geval spreken we van het verhogen van de langetermijnvoorspelbaarheid. Daarnaast is er ook de in-year-predictability, of het daadwerkelijk uitbetalen van beloofde middelen. Op dat vlak heeft België een zeer slecht imago, zowel bij andere donoren als bij de ontvangende overheden.

Voorspelbaarheid vereist ten eerste dat de ontvangende regering op tijd en correct geïnformeerd wordt, zodat ze de afgesproken bedragen in haar eigen begroting kan inschrijven. Volgens de evaluatie van ADE/HERA (2007) over de Belgische begrotingshulp is deze voorwaarde meestal niet vervuld. Daarnaast vereist voorspelbaarheid dat de uitbetalingen ook effectief plaatsvinden. Op dat vlak zijn er ook problemen bij de Belgische begrotingshulp. De meeste begrotingshulpinterventies liepen vertraging op of bestond er alleszins onzekerheid over de datum.14 De oorzaken voor deze vertragingen zijn velerlei: de voorschotten van DGOS aan BTC gebeurden interventie per interventie, er was 6 maanden tussen de goedkeuring van de beslissing tot de uitbetaling en daadwerkelijke overmaking van het geld naar BTC, alle beslissingen moesten in Brussel genomen worden, etc.15
België heeft ondertussen het engagement opgenomen om er zowel voor projecten als voor begrotingshulp naar te streven de beloofde middelen daadwerkelijk te storten. Zo staat er in het Vademecum Begrotingshulp 2008 dat er in principe een overeenkomst ondertekend wordt voor 4 jaar, waarbij gestreefd wordt naar de uitbetaling in jaarlijkse schijven. De timing van de schijven is afhankelijk van de afspraken binnen de donorgroep en wordt mede bepaald door de financiële cyclus van het partnerland. Ook wil België in elke overeenkomst zeer duidelijke afspraken maken over welke financiële middelen wanneer vrijkomen. Hoe dit in de praktijk zal verlopen, is nog een vraagteken, omdat België jaarlijks een eigen begroting moet goedkeuren waarbij verschillende stappen doorlopen moeten worden (vastleggingen, ordonnanceringen en de daadwerkelijke uitgave). Daarnaast is er de realiteit in de partnerlanden zelf (beheerssystemen, begrotingscyclus, politieke situatie, etc.). Het zal dus zeer moeilijk zijn om telkens voor 4 jaar echt concrete afspraken te maken en die ook daadwerkelijk na te komen.

Donoren onder elkaar

In 2005 was slechts 22% van de missies van de Belgische overheid gecoördineerd. Hier ligt voornamelijk een taak voor Belgische Technische Coöperatie (BTC). Voor de Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking (DGOS) daarentegen is het aantal missies eigenlijk minimaal. Ook is er dringend nood aan meer coördinatie tussen het federale en Vlaamse beleidsniveau. Zo werken beide in Mozambique volledig los van elkaar. Dit gebrek aan samenwerking tussen de federale en de Vlaamse overheid is opvallend in het kader van het discours van méér donorcoördinatie en -afstemming.16

Wat betreft de coördinatie van analyses wil België de beoordelingen van het armoedebeleid en de institutionele capaciteit van de partner binnen een Europees kader doen. Zo vinden er rond budgetsteun joint reviews plaats van het partnerland en van de Poverty Reduction Strategy Papers (PRSP’s). Ook telkens wanneer een nieuwe Sector Wide Approach (SWAP) uitgewerkt wordt, gebeurt er een gezamenlijke analyse. Zo was dit o.a. het geval rond onderwijs in Burundi en gezondheidszorg in Rwanda. België probeert zich ook zoveel mogelijk af te stemmen op de begrotingsaudits van het partnerland zelf. Dat is echter niet altijd evident aangezien de Belgische overheid ook verantwoording moet afleggen aan haar eigen parlement en op die begrotingscyclus moet afstemmen.

Concentratie

Het aantal partnerlanden van de Belgische directe bilaterale ontwikkelingssamenwerking werd in het najaar van 2003 teruggebracht van 25 tot 18. De gouvernementele samenwerking kende echter geen efficiënte exitstrategie voor ex-partnerlanden. Zo werden in 2006 nog uitgaven geboekt voor gouvernementele samenwerking met 36 ontwikkelingslanden.17 Dit is het dubbele van het officiële aantal partnerlanden (18). Wat de sectorale concentratie betreft, is het interessant te kijken naar de middelen die vanuit de gouvernementele samenwerking gegeven worden aan de vijf sectoren uit de Wet Internationale Samenwerking van 1999.18 Hierbij kijken we niet enkel naar de middelen die DGOS uitgeeft (in 2007 goed voor 58% van alle ODA), maar ook naar ODA-uitgaven van andere departementen. We zien dat het aandeel van de sectoren uit de wet nog niet één derde van alle ODA bedraagt. Het probleem van concentratie heeft dus niet enkel te maken met de keuzes die DGOS maakt, maar ook met de ODA-keuzes die andere departementen maken.19 Dit brengt ons terug tot de opmerking in de inleiding: wil men streven naar een doeltreffend ontwikkelingsbeleid, dan is een coherent ontwikkelingsbeleid prioritair.

De nieuwe minister Charles Michel heeft reeds concrete richtlijnen gegeven om in de toekomst slechts twee sectoren per partnerland te steunen, alsook de intentie geuit om het aantal partnerlanden verder te verminderen. Dit was één van de drie thema’s op de Staten-Generaal, georganiseerd door minister Michel op 13-14 mei 2008. Het is duidelijk dat concentratie een hot issue is voor de Belgische coöperatie. Maar hoe deze concentratie concreet moet worden ingevuld, is nog heel onduidelijk. Er liggen hier nog zéér veel open vragen, zoals de criteria op basis waarvan partnerlanden en sectoren gekozen zullen worden. Het zal niet eenvoudig zijn om - eens een uiteindelijke keuze rond de partnerlanden en sectoren gemaakt is - deze beslissing ook daadwerkelijk door te voeren op het terrein. Ook mag de keuze voor sectoren en landen absoluut niet afhankelijk zijn van de stokpaardjes van de (wisselende) ministers. Het kan niet dat de ene minister sterk de nadruk wil leggen op bepaalde landen en sectoren, afhankelijk van de actualiteit, maar dat er na - in het beste geval - vier jaar een andere minister komt die de gehele Belgische coöperatie op andere sectoren wil focussen en hiermee alle inspanningen voor expertiseopbouw van tafel veegt.

Gevolgen voor ngo’s?

De druk op de ngo’s om zich meer en meer af te stemmen op het beleid van de Belgische overheid wordt steeds groter. Zo staat in de eerste beleidsnota van minister Charles Michel dat DGOS, via de financiering van projecten en programma’s van de indirecte actoren, er tijdens de beleidsdialoog op moet toezien dat deze actoren zich gaandeweg meer inschrijven in het geografische, sectorale en thematische concentratiebeleid van de Belgische ontwikkelingssamenwerking en in de doelstellingen van de Verklaring van Parijs. 11.11.11 staat open voor dialoog over zulke samenwerking, maar heeft grote vragen bij de lancering van dergelijke beleidsbeslissingen.
Ten eerste, omdat er hiervoor voorlopig geen kwalitatief kader voor dialoog bestaat. Op dit ogenblik zijn de overheid en de ngo’s nog op zoek naar een duidelijk, werkbaar en kwalitatief kader waarbinnen de dialoog gevoerd wordt. De ngo’s kijken zonder taboes naar mogelijke samenwerking met de Belgische overheid, maar vragen wel dat deze samenwerking gestoeld is op een wederzijds respect, een kwaliteitsvolle dialoog en dat ze vertrekt vanuit een structurele en duurzame visie op ontwikkelingssamenwerking.
Ten tweede, hebben ngo’s een specificiteit en autonomie. Iets wat niet gefnuikt mag worden door te vragen zich in te schrijven in het beleid van de Belgische overheid. Stellen dat ngo’s zich meer moeten afstemmen op het beleid van de Belgische overheid, en hierbij alle ngo’s over dezelfde kam scheren, gaat voorbij aan de enorme diversiteit die er onder ngo’s bestaat. Zo zijn er ngo’s die bezig zijn met het verlenen van micro-kredieten, ondersteunen van boerenbewegingen, een watchdog-functie vervullen ten aanzien van het overheidsbeleid, etc. Complementariteit tussen ngo’s en de Belgische overheid zal makkelijker en kan zelfs wenselijk zijn, bijvoorbeeld als een ngo werkt rond hiv/aids en dit in een (op een participatieve manier totstandgekomen) strategie gezondheidszorg van het partnerland past en België besloten heeft deze te ondersteunen. Maar voor andere ngo’s is een afstemming op het overheidsbeleid absoluut niet wenselijk. Indien van ngo’s gevraagd wordt zich in te schrijven in de sectorale en geografische concentratie van de Belgische overheid, waar ligt dan nog hun beweegruimte om innoverend te zijn? Om hun watchdog-functie uit te oefenen? Om de stem van vergeten bevolkingsgroepen te laten horen?
Ten derde, is er in het verleden reeds gebleken dat ngo’s een enorme meerwaarde hebben, naast de bilateraal directe samenwerking. Een voorbeeld is DR Congo, een land waar de ngo’s de enige actoren waren die er actief zijn gebleven in de jaren 1990. Een ander voorbeeld is de sector rurale ontwikkeling. Terwijl er de afgelopen 10 jaar een daling vast te stellen is in de investeringen die donoren deden in rurale ontwikkeling, zijn ngo’s deze sector consequent blijven steunen. De huidige voedselcrisis schudt de bilaterale en multilaterale donoren nu wakker, waaronder minister Charles Michel.

11.11.11 zegt dus ja tegen een kwalitatieve dialoog met de Belgische overheid op zoek naar meer complementariteit en is zeker ook bereid om verder te werken aan de eigen doeltreffendheid. Een punt waarop de ngo-sector de afgelopen jaren reeds vele stappen gezet heeft, maar eveneens erkent dat er ook nog werk aan de winkel is. Maar 11.11.11 zegt neen tegen het inschakelen van de ngo’s als mede-uitvoerders van het officiële ontwikkelingsbeleid, omwille van bovenvermelde belangrijke vragen.

Besluit

België gaf in 2007 amper 0,43% van het BNI uit aan ontwikkelingssamenwerking. Dit is een steile val tegenover de 0,5% in 2006. Toch herbevestigde de regering het engagement om tegen 2010 de beloofde 0,7% te halen. Ze deed in de begroting voor 2008 meteen een stap in de juiste richting, maar er zijn enorme bedragen vers geld nodig om er tegen 2010 te geraken.
Voor de uitvoering van de Verklaring van Parijs zijn er de afgelopen jaren zeer veel - vaak goede - intenties geuit. Maar, onder andere door de regeringscrisis, liet de concrete uitwerking en uitvoering hiervan in 2007 op zich wachten. Het is duidelijk dat zowel minister Charles Michel als de administratie, na een zeer lauw 2007, in 2008 naar een hogere versnelling zijn geschakeld wat betreft de uitvoering van de Verklaring van Parijs. De Belgische coöperatie moet een snelle inhaalbeweging doen. Dat is geen pleidooi voor overhaaste en ondoordachte hervormingen. Goedbedoelde intenties moeten grondig en met betrokkenheid van alle relevante actoren worden uitgewerkt en uitgevoerd.
Minister Michel zette de kwestie van de verdere concentratie van de directe bilaterale samenwerking op de agenda van de Staten-Generaal van 13-14 mei. Terecht, want de vraag wat concentratie precies inhoudt voor een kleine donor zoals België is niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Al te vaak wordt deze discussie enkel gefocust op de middelen die DGOS besteedt. Bij de sectorale concentratie is er echter het probleem dat de andere departementen die ODA-uitgaven doen (zoals Financiën, Klimaat, Handel) zich niet lijken te storen aan de vijf sectoren uit de Wet Internationale Samenwerking. Het is dus hoog tijd dat er nagedacht wordt over een goede synergie binnen de Belgische regering, aangezien de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking slechts zeggenschap heeft over 58% van de ODA-middelen.
Nieuwe hulpmodaliteiten, zoals begrotingshulp, zijn niet zomaar ‘makkelijke’ oplossingen om snel meer geld te kunnen besteden. Ook rond deze vormen van ontwikkelingssamenwerking moet expertise opgebouwd worden en een duidelijk kader uitgewerkt. Er is zeker verdere capaciteitsversterking nodig van zowel DGOS als BTC. De overgang naar de nieuwe hulpbenadering heeft een hoge prijs. Zowel bij DGOS als BTC, zowel in Brussel als op het terrein, en bij donoren en partnerlanden is er nood aan een enorme omscholing en cultuurverandering. Een sterke administratie is onontbeerlijk voor een kwalitatief ontwikkelingsbeleid. België moet hier dan ook in investeren.
Men wil ook de indirecte actoren bij deze nieuwe manier van werken betrekken. 11.11.11 is alvast vragende partij voor overleg. Het is zeker opportuun na te gaan waar en hoe synergie mogelijk en vooral nuttig is. Er zijn ook in de praktijk al voorbeelden waar het overleg werkt en waar goed op bestaande initiatieven kan worden verder gebouwd. Maar men mag vooral de complexiteit van de vraag niet onderschatten. Ontwikkeling is een proces met veel actoren in heel uiteenlopende omstandigheden. Wie denkt dat hier een snel standaardrecept voorhanden is, heeft het mis. Het zoeken naar complementariteit waar mogelijk én nuttig, lijkt 11.11.11 een goede zaak. Maar dit kan enkel op basis van een structurele en duurzame visie op ontwikkelingssamenwerking, een kwaliteitsvolle dialoog, oog voor de realiteit en respect voor elkaars specificiteit.
De minister ziet dit alles best in zijn juiste proporties. De synergie met de indirecte actoren is niet het allerbelangrijkste punt in het lijstje dat hij moet afwerken. Je vat een koe best bij de horens, en niet bij haar staartje.

Els Hertogen
Beleidsmedewerkster 11.11.11

cartoons: © Arnout Fierens

Noten
1/ Jaarlijks brengt 11.11.11 een jaarrapport uit over de Belgische Ontwikkelingssamenwerking, waarbij zowel de kwantiteit als de kwaliteit onder de loep wordt genomen.
2/ http://www.11.be/downloads/jaarrapport\_osw\_2007.pdf
3/ De officiële Ontwikkelingssamenwerking tussen de Belgische overheid en de overheden in haar 18 partnerlanden.
4/ Zo werd er in februari naar alle attachés een directieve verstuurd met een aantal richtlijnen die volledig gebaseerd zijn op de Verklaring van Parijs, alsook de beleidsnota van minister Charles Michel voor 2008.
5/ De Commitment to Development Index rangschikt 21 van ’s werelds rijkste landen op basis van hun inzet voor beleid dat ten goede komt aan arme landen (www.cgdev.org/cdi).
6/ Vademecum Begrotingshulp 2008, p. 4.
7/ In 2007 ondersteunde België een SWAP rond gezondheidszorg in Rwanda. Daarnaast gaf België sectorale begrotingshulp aan Mali (onderwijs), Ethiopië (onderwijs), Mozambique (verbetering beheerssystemen), Oeganda (gezondheidszorg), Tanzania (lokaal bestuur) en Vietnam (onderwijs). Het enige land waaraan België algemene begrotingshulp gaf, was Mozambique.
8/ De vier basiscriteria: CPIA-score, on track met IMF-programma, multi-donor aanpak en continue dialoog met partneroverheid.
9/ Onder de post ‘algemene en sectorale hulp’ in de Belgische begroting vallen alle transfers van financiële middelen die gekoppeld worden aan een beleids- en technische dialoog en waarvoor regelmatige opvolgingsmomenten voorzien zijn. Het gaat hier dus zowel over algemene en sectorale begrotingshulp als over gemeenschappelijke fondsen.
10/ ADE/HERA, Evaluatie van de Belgische bijdrage tot meerjarige begrotingshulpprogramma’s. Eindverslag: Volume I - Syntheseverslag, augustus 2007- Begroting 2008.
11/ Dit zijn de programma’s die afgesproken worden tijdens de gemengde commissies, tussen België en het ontvangende partnerland. Dit bevat de programma’s en projecten die België voor een vooropgestelde periode zal ondersteunen, op welke manier en onder welke voorwaarden.
12/ ADE/HERA, p. 97.
13/ ADE/HERA, p. 66-67.
14/ ADE/HERA, p. 54-55.
15/ ADE/HERA, p. 62.
16/ Anrys S., Lopen onze weldoeners elkaar voor de voeten?, Mo\*, mei 2008, p. 29.
17/ Directe bilaterale samenwerking: voorstellen inzake de planning van de Gemengde Commissies in 2008 en de inhoud van de indicatieve samenwerkingsprogramma’s, Nota DGOS, januari 2008, p. 2.
18/ Vijf sectoren: basisgezondheidszorg, onderwijs en vorming, landbouw en voedselzekerheid, basisinfrastructuur, conflictpreventie en maatschappijopbouw.
19/ Develtere P., uiteenzetting hoorzitting Herziening Wet Internationale Samenwerking, Gemengde Commissie Buitenlandse Zaken Kamer en Senaat, 29/04/2008.

ontwikkelingssamenwerking - Noord-Zuidverhouding - begroting

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 6 (juni), pagina 37 tot 45