Log in

'Rénover la gauche en Europe. Pour une gauche réformiste européenne'

Uitgelezen

Rénover la gauche en Europe. Pour une gauche réformiste européenne

Sous la direction de Bruno Liebhaberg
Editions Luc Pire, Brussel, 2008

Rénover la gauche is de neerslag van een drietal seminaries die in het najaar van 2007 werden georganiseerd door de denkgroep ‘Gauche Réformiste Européenne’, een club die aanleunt bij de PS. De auteurs zijn hoofdzakelijk actief in politieke, administratieve en academische middens in België en Europa. Opvallend is de aanwezigheid van een paar Ecolo-personaliteiten. Terecht, wat mij betreft, want de linkerzijde is niet alleen aan vernieuwing toe, maar moet ook worden verbreed.

In een werkstuk van amper 120 pagina’s passeren een 20-tal auteurs de revue. De korte stukjes laten een vlotte lezing toe, maar dit rapport mist hierdoor wel diepgang. Drie thema’s staan centraal: reguleren (een woord dat geen passende tegenhanger heeft in de taal van Vondel), sociale hervormingen en investeringen en ten slotte flexicurity.

Pleiten voor een sterke overheid die markten reguleert is een klassieker, maar blijft brandend actueel. De huidige situatie op de financiële markten toont pijnlijk aan dat die markten zichzelf niet kunnen reguleren, toch niet op een maatschappelijk gewenste manier. Na jarenlange privatisering van de winsten worden nu de verliezen gepresenteerd aan de belastingbetaler, niet alleen in de VS maar nu ook in onze achtertuin. Eric De Keuleneer illustreert hoe de verschillende regulatoren in België op dit ogenblik onvoldoende (onafhankelijk) werken.

Er wordt niet ingegaan op een debat dat hier te lande toch actueel is, namelijk of de overheid naast een regierol ook zelf nog als dienstverlener moet kunnen optreden. Vanuit liberale en patronale hoek wordt ook en vooral deze actieve overheidsrol in vraag gesteld: overheidsdiensten zouden te veel beslag leggen op de schaarse middelen, de privésector zou efficiënter en effectiever zijn en de overheid werkt marktverstorend. Recent is er nog het motief aan toegevoegd dat het in tijden van schaarste aan talent niet opportuun zou zijn dat de overheid zoveel arbeidskrachten opeist ten koste en ten laste van de privé.

Het tweede thema is van iets recentere datum. Sedert de opkomst van de Derde Weg en andere actieve welvaartstaten in de jaren 1990 wordt de noodzaak in de verf gezet om de welvaartsstaat te hervormen, niet in het minst door sociale investeringen in onderwijs, permanente vorming, begeleiding van werkzoekenden, enz. De verwijzing naar Scandinavische modellen kan daarbij niet ontbreken. Zoals het Zweedse voorbeeld dat model staat voor een actief werkgelegenheidsbeleid dat transities faciliteert, maar ook gekenmerkt is door een sterke sociale bescherming zoals het ouderschapsverlof van 13 maanden aan 80% van het loon (Pär Nuder). Wat meteen aantoont dat beide hand in hand moeten gaan. Philippe Van Parijs wijst er in dit verband op dat er 2 manieren zijn om de ‘passieve welvaartsstaat’ te lijf te gaan: eenzijdig inzetten op activering (Keep the people busy) dan wel de vrijwillige werkloosheid een plaats geven door een deugdelijk kader te voorzien inzake loopbaanonderbreking en andere tijdskredieten.

Het derde thema, flexicurity, is van nog recentere datum en is eigenlijk een variant op het voorgaande, namelijk het hervormen van de arbeidsmarkten. Meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt zou garant staan voor meer werkgelegenheid en sociale zekerheid. Dat dit thema bijzonder controversieel is, bewijst de reactie van een aantal auteurs die er terecht op wijzen dat er al heel wat arbeidsflexibiliteit bestaat in België (Ann Demelenne) en vooral dat flexicurity breder moet sporen dan arbeidsmarktmaatregelen alleen en moet worden ingebed in een breder beleid van sociale bescherming, economisch innovatiebeleid en fiscale herverdeling (Dirk Van der Maelen).

Voortgaande op dit werkstukje, nemen het sociaal beleid en arbeidsmarktbeleid duidelijk een centrale plaats in binnen het sociaaldemocratisch programma van vandaag. Wat daarentegen onderbelicht blijft, zijn thema’s als fiscale herverdeling, het arbeidsthema en sociale verhoudingen.

Al bij al gaat het om een programmatisch vertoog. Slechts een zeldzame keer wordt verwezen naar de achterban en de vraag hoe de sociaaldemocratie een stuk van haar geloofwaardigheid kan terugwinnen bij bredere bevolkingslagen. Christos Doulkeridis verwijst naar het merkwaardig fenomeen dat Sarkozy en de meerderheid van de media de spoorwegarbeiders die staken voor het behoud van hun verworven pensioenrechten afschilderen als geprivilegieerden, zonder dat dit op veel verzet stuit. Een van de uitdagingen is daarom volgens hem om als linkerzijde opnieuw een maatschappelijk verhaal te brengen waarin de echte sociaaleconomische tegenstellingen en discriminaties geduid worden en de zwakkeren niet opzet tegen elkaar. Eerder dan zich vooral te bekommeren om een verbreding van het kiespubliek in de richting van ‘de middenklassen, de kenniswerkers en de ondernemers van innovatieve bedrijfjes’ (Maria Joao Rodrigues) moet de sociaaldemocratie de harten van de gewone mensen terug heroveren en aantonen dat ook zij winnende partij kunnen zijn bij de hervormingen van onze welvaartsstaten.

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 8 (oktober), pagina 55 tot 56