Abonneer Log in

Sofismen omtrent een khimar

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 8 (oktober), pagina 39 tot 42

Debat? Welk debat?

Onlangs was in de opiniepagina’s van De Morgen een virtuele boksmatch over het hoofddoekenverbod gaande tussen Geert van Istendael enerzijds en Walter Pauli, Lucas Catherine en Nadia Fadil anderzijds. Van Istendael heeft zich in een essay als een fervent voorstander van dat verbod uitgesproken; Pauli, Catherine en Fadil dienden hem van repliek.
Catherine deed dat op ronduit demagogische wijze, voorbeeldig aan de kaak gesteld door lezer Manu Vanhaverbeke in De Morgen van 9 september. Zo verweet Catherine Van Istendael selectieve verontwaardiging omdat die zich exclusief tegen de hoofddoek kantte als symbool van religieuze inmenging in het seculiere domein, maar niets zei over soortgelijke pogingen tot inmenging van de katholieke zuil. En dat terwijl Van Istendael zijn ontvoogdingsstrijd tegen het katholicisme juist aanhaalde als motivering voor zijn hoofddoekenstandpunt. Hij heeft het allemaal al eens meegemaakt. Nie wieder!
En over Duits gesproken: Lucas Catherine legde en passant ook een link tussen de zionisten en het nazisme. Dat het hier om een onbeduidende splintergroep ging die een deal met de nazi’s wou sluiten alvorens uiteen te spatten, hinderde Catherine niet echt. Ook zijn vergelijking met de deportatie van moslims door de Spaanse inquisitie is een groteske vertekening van Van Istendaels standpunt. Dat Catherine het nodig vond zijn standpunt achteraf te nuanceren, bewijst net hoe ongenuanceerd zijn eerste stuk wel was.
Walter Pauli ergerde zich wellicht oprecht aan het radicale standpunt van Van Istendael maar beperkte zich er verder toe een karikatuur van dat standpunt te schetsen. Volgens hem is Van Istendael een soort fanatieke seculariteitspaus, die dogmatisch en zonder enige nuance de scheiding tussen kerk en staat verdedigt en vaardigt hij inquisitievonnissen uit in plaats van bij te dragen tot een debat. Dat Van Istendael mensen die het oneens zijn met zijn standpunt naïef en kortzichtig vindt, betekent echter nog niet dat hij afwijkende meningen bij wet wil laten verbieden of ze manu militari wil bestrijden. Pauli speelde consequent de man en niet de bal. Zo maakte hij het Van Istendael wel heel gemakkelijk: die kon volstaan met het rechtzetten van Pauli’s vertekening en hoefde helemaal niet in te gaan op de onderliggende bezwaren.
Intelligenter was de reactie van Nadia Fadil. Zij had er terecht bezwaar tegen dat Van Istendael de mogelijkheid dat iemand uit vrije wil een hoofddoek draagt afdeed als ‘ontkenning’. Wellicht zal het wel zo zijn dat moslima’s die van kindsbeen af van het belang van een hoofddoek zijn doordrongen niet echt meer het verschil kunnen zien tussen wat vrije wil is en wat conditionering. Maar gaat hetzelfde niet op voor elke opvoeding? Is onze eigen kijk op seksualiteit vrije wil of conditionering? Van Istendaels ‘psychiatrische’ interpretatie van het dragen van een hoofddoek is, zoals Fadil terecht opmerkt, beledigend voor die vrouwen die, in plaats van zich van de Islam en de hoofddoek los te maken, wel degelijk als een soort vijfde colonne ijveren voor emancipatie binnen de Islam. Wat Fadil eigenlijk zegt, is: het maakt niet uit of we een hoofddoek dragen, wat van belang is, is of we (met of zonder hoofddoek) vooruitgang boeken in de emancipatiestrijd van de vrouw.

Van Istendael stelt hier een impliciete boodschap voor die kan uitgaan van het dragen van een hoofddoek (‘ik word door mijn religie en mijn man onderdrukt’) als de enig mogelijke boodschap die de hoofddoek kan uitdragen. In de argumentatieleer heet dat ‘het opblazen van een verzwegen argument’. Ja, er zijn hoofddoeken die gedragen worden door onderdrukte vrouwen. Ja, er zijn vrouwen die ons (en zichzelf) wijsmaken dat ze die hoofddoek uit vrije wil dragen, maar er zijn ook vrouwen die hem echt uit vrije wil dragen. De mogelijkheid uitsluiten dat iemand de waarden, die hem of haar werden opgedrongen, kan ontstijgen zonder daarom zijn kledij aan te passen, is hetzelfde als beweren dat Van Istendael zich niet echt kan hebben losgeworsteld uit de katholieke wurggreep omdat hij nog steeds dezelfde soort kleren draagt als toen.
Zo maakt Van Istendael wel meer argumentatiefouten. De link tussen nazi’s en zionisten van Lucas Catherine was een geval van ‘lik op stuk’ voor Van Istendaels bewering dat de Islam diepgaand werd beïnvloed door het nazisme via de Moslimbroederschap in Egypte. Hoe echt de link tussen de Moslimbroederschap en de nazi’s ook mag zijn, dit is hetzelfde als beweren dat Belgen racisten zijn omdat het Vlaams Belang racistisch is. Een onterechte veralgemening heet dat, geloof ik, in de argumentatieleer.
Maar ook Nadia Fadil maakt een uitschuiver. Wat ze met Pauli gemeen heeft, is de neiging om het standpunt van de ander zodanig samen te vatten dat het gemakkelijker te weerleggen wordt. Dat noemen we dan weer ‘een stroman opzetten’. Fadil beweert dat Van Istendael zich de emancipatie van de moslimvrouw alleen kan voorstellen als een secularisatie. Ze leidt dit af uit het feit dat Van Istendael alleen vrouwen als voorbeeld aanhaalt die de Islam de rug hebben toegekeerd. Dat bij Van Istendael deze soort van emancipatie de voorkeur geniet is gezien zijn eigen opvattingen niet verwonderlijk, maar het betekent niet dat hij het zou afkeuren als vrouwen erin zouden slagen zich te emanciperen binnen de Islam.

Kerk en staat

Waar Van Istendael - wellicht in veel te sterke bewoordingen, eigen aan het polemische genre - voor waarschuwt is een sluipende invloed van religie in het algemeen op het seculiere, en de volgens hem lakse houding van vele progressieven daartegen. Hij verwijst als bijkomend voorbeeld naar het invoeren van gescheiden zwemlessen voor jongens en meisjes onder druk van verontruste moslimouders.
Van Istendael verdedigt zijn voorkeur voor een seculiere samenleving en dat is zijn goed recht. Maar zijn angst dat de tijden van de inquisitie (of tenminste van de greep van een nieuw soort meneer pastoor op de samenleving) terugkeren, is overtrokken. Terecht merkt Van Istendael op dat jongere generaties niet kunnen weten hoe het was om onder die knoet te leven en daarom eerder geneigd zijn tot een volgens hem onverantwoordelijk ‘cultuurrelativisme’. Hij heeft aan den lijve ondervonden dat niet elke cultuur evenwaardig - lees: even leefbaar - is. Daarom is hij als de dood voor alles wat naar religieuze inmenging in het seculiere staatsbestel zweemt. Hij ziet het dragen van een hoofddoek door leden van het overheidsapparaat als een eerste stap die onvermijdelijk zal leiden tot een islamisering van onze overheid. Iets voorstellen als de eerste stap in een onvermijdelijke kettingreactie is een hellende vlakredenering. Tussen een gehoofddoekte moslima achter een loket en het invoeren van de sharia zijn er immers nog heel wat tussenstappen die absoluut niet noodzakelijk voortvloeien uit de eerste. Van Istendael stelt een klein risico voor als een zekerheid en dat kan ik gezien zijn intelligentie enkel op het conto van een irrationele angst schrijven.

Connotaties

Even voor alle duidelijkheid: al lijkt de hysterie over de hoofddoek zelf zwaar overtrokken, er zijn wel degelijk zeer bedenkelijke kanten aan de connotaties van de hoofddoek of om het even welke andere kledij met hetzelfde doel. Of hij nu uit vrije keuze wordt gedragen of niet, hij is een uiterlijk symbool van een bepaalde visie op de vrouw en de verhoudingen tussen de seksen die botst met de waarde van de gelijkberechtiging. De eis van de Islam dat vrouwen zich zedig kleden wordt immers gerechtvaardigd door de bewering dat de vrouw - door wat ze is - mannen tot ontucht aanzet. Dat is een onaanvaardbare culpabilisering én een onhoudbare hellend vlakredenering.
Men zou uit protest daartegen sarcastisch kunnen worden en schrijven dat de Islam zoals hij vandaag op veel plaatsen wordt beleden er klaarblijkelijk van uitgaat dat mannen niet in staat zijn hun driften te beheersen of in maatschappelijk aanvaardbare banen te leiden. Kortom, dat ze allemaal verkrachters zijn en dat de Islam hen tegelijk ontslaat van elke verantwoordelijkheid, hen dus bij voorbaat ontoerekeningsvatbaar verklaart. Dat vrouwen worden gedwongen de verantwoordelijkheid te dragen, niet alleen voor hun eigen gedrag maar ook voor dat van de door hun eigen religie tot psychiatrische patiënten uitgeroepen mannen. En dan zou men retorisch kunnen vragen hoe iemand verantwoordelijk kan zijn voor iets waar hij of zij geen controle over heeft.

Compromis

Maar heeft het zin om, zoals Van Istendael doet, de moslims deze analyse onder de neus te wrijven? Zet dat zoden aan de dijk? Is het van aard om moslimmannen toegeeflijker te maken en onderdrukte moslimvrouwen te helpen bij hun emancipatie? De te verwachten reactie op zo’n frontale aanval is er doorgaans eerder een van machistische verontwaardiging dan van inkeer. Wellicht is er een betere manier om de standpunten dichter bij elkaar te brengen. Een compromis. Zoiets dat soepelheid en nuance vergt, van beide partijen.

Het argument van de voorstanders van een hoofddoekenverbod (sorry, een verbod op religieuze symbolen) is verdedigbaar. Een overheid moet zich ten allen tijde neutraal opstellen. Maar niets verplicht ons die neutraliteit uit te breiden tot het niet dragen van zogenaamde levensbeschouwelijke symbolen door ambtenaren die met het publiek in contact komen. Moslimambtenaren hebben immers net als iedereen een neutraliteitsverklaring ondertekend voor ze bij de overheid aan de slag konden. Die verklaring verbiedt niet dat men een bepaalde levensovertuiging aanhangt, enkel dat men ze zou uitdragen op het werk. Men zou kunnen overeenkomen dat het dragen van een symbool wordt beschouwd als ‘zich bekennen tot’ en niet als ‘uitdragen van’. Men zou het publiek kunnen uitleggen dat de neutraliteitsverklaring - een verklaring onder ede - de ambtenaar verplicht zich neutraal te gedragen, ongeacht zijn kledij of de symbolen die hij eventueel zou dragen. Als een gelovige loketbediende met een hoofddoek (of een kruisje aan een hangertje) op religieuze gronden zou weigeren een echtscheiding te registreren, dan stelt die zich bloot aan een sanctie. Als ze gewoon haar plicht doet, doet haar kruisje niets ter zake.

Maar ook de moslims zouden een geste kunnen doen. Er is zoals gezegd niet zozeer een probleem met de hoofddoek op zich (een gelaatsbedekkende sluier of een boerka is problematischer, gewoon omdat die de draagster ook fysiek belemmert), maar wel met de zogenaamde hoofddoekplicht. Eerst en vooral is die eerder een culturele gewoonte dan opgelegd door de Koran, die enkel vraagt dat vrouwen zich ‘zedig’ zouden kleden en dat ze geen aanstoot geven. Maar in ons land wordt een hoofddoek niet als een noodzakelijk onderdeel van zedige kledij beschouwd. Ook in de Islamitische wereld gelden in verschillende landen verschillende kledingsregels voor vrouwen, gaande van een boerka tot een regelrecht verbod op de hoofddoek.
Wat belet de Imams van België om een fatwa uit te vaardigen die stelt dat hoewel de hoofddoek inderdaad een vorm van zedige kledij is, hij niet door de Koran verplicht is, en men dus aan zijn moslimplicht voldoet als men zich kleedt volgens de fatsoensnormen die gelden in het land waar men woont? Wie dan in de Westerse wereld nog een hoofddoek draagt, doet dat niet meer omdat het moet van het Geloof, maar uit vrije wil, als mode-statement, als uiting van een eigen persoonlijkheid of om zijn band met de traditie te benadrukken.
In zo’n constellatie wordt het hoofddoekenverbod in openbare diensten irrelevant. Enerzijds kunnen moslims het niet langer als een aanslag op de Islam uitleggen. Anderzijds heeft het dan ook geen zin meer het dragen van de hoofddoek bij wet te regelen, omdat het niet langer geldt als een religieus symbool. Een Belg zou geen reden meer hebben om aanstoot te nemen aan een loketbediende met hoofddoek en de loketbediende zou er niet langer een probleem van moeten maken die hoofddoek af te zetten als iemand er toch aanstoot aan neemt. Het is dan zelfs denkbaar om à la tête du client te werken en aan de klant vooraf te vragen of hij bezwaar maakt tegen de hoofddoek, net zoals je voor het rookverbod in gezelschap beleefd vroeg of men er bezwaar tegen had dat je een sigaret opstak. Voor het invoeren van een rookverbod was er wel een dwingend argument - volksgezondheid. Maar er is nog nooit iemand doodgevallen van het kijken naar een hoofddoek, zeker niet als die van zijn symboliek is ontdaan.

Stefan van den Broeck
Classicus en auteur

hoofddoeken - vrijheid - vrouwen

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 8 (oktober), pagina 39 tot 42