Abonneer Log in

De financiële crisis en een gedwongen terugkeer naar Keynes

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 9 (november), pagina 22 tot 29

De ministers van financiën beklemtonen vaak dat ze een degelijk financieel beleid voeren, maar wat ze hiermee bedoelen is evenwel niet duidelijk. Er zijn namelijk twee verschillende opvattingen van wat als een gezond financieel beleid mag worden beschouwd, namelijk de traditionele orthodoxe visie en de Keynesiaanse visie. Hierna worden beide besproken en de voor- en nadelen ervan onderzocht. In de laatste twee paragrafen wordt nagegaan hoe de voornaamste EU-lidstaten reageerden op de huidige financiële crisis, en waarom deze crisis een positieve weerslag zou moeten hebben op de toekomst van de Europese sociaaldemocratie.

Het traditionele orthodoxe beleid

Tot de grote crisis van de jaren 1929-35 werd in de meeste industrieel ontwikkelde landen het traditionele orthodoxe beleid toegepast. Dat houdt in dat de lopende uitgaven van de overheid door haar lopende inkomsten moeten worden gedekt. De investeringen mogen, voor zover ze naderhand kunnen bijdragen tot de stijging van het nationaal inkomen, worden gedekt door leningen. Men rekent erop dat door die investeringen de inkomsten van de overheid zullen toenemen en ze de aangegane schulden zal terugbetalen.
Het financieren van lopende uitgaven met leningen wordt afgekeurd omdat de overheid dan spaargelden onttrekt aan de financiële markten, waardoor de rentevoeten stijgen. De privé-investeringen worden afgeremd. Door de hogere staatsuitgaven worden supplementaire inkomens geschapen en stijgt de vraag naar goederen terwijl het aanbod minder toeneemt (wegens de geringere investeringen). Dit verwekt prijsstijgingen gevolgd door loonsverhogingen. Deze redenering houdt evenwel geen rekening met de mogelijkheid dat in periodes van sterke economische vooruitgang vele ondernemers hun bedrijf wensen uit te bereiden en hiertoe (door de uitgifte van effecten) spaargelden opslorpen of overmatige kredieten bij de banken opnemen. Alzo ontstaat een gelijkaardige situatie als wanneer de overheid een tekort aanvaardt op haar gewone begroting. Met andere woorden, een inflatoir proces wordt op gang gebracht.

Zo’n evolutie deed zich voor in de jaren 1926-28. De ondernemers kochten grote hoeveelheden immobilia en materieel. Er ontstond een inflatoir proces waarbij de koersen op de diverse beurzen in sterke mate stegen. Toen in oktober 1929 op de beurs in New York hierop een reactie volgde, werd dit het startschot voor een reeks fatale wisselwerkingen. Vele speculanten wensten hun aandelen te verkopen om nog tijdig te profiteren van de hoge koersen, wat massale verkooporders tot gevolg had. Ook de prijzen van de plantaardige en minerale grondstoffen, die door de speculatieve aankopen waren opgedreven, kenden een sterke teruggang. Speculanten die met geld geleend bij de banken grote aankopen van aandelen of goederen hadden verricht, konden hun verplichtingen niet nakomen. Particulieren, die hypothecaire leningen hadden aangegaan om een huis te kopen, geraakten in moeilijkheden als ze hun job verloren. De banken leden grote verliezen, want ze konden door het aanslaan van de huizen (gezien het overschot aan aanbod op de markt) hun geld niet recupereren. In februari 1933 brak in meerdere Amerikaanse staten een bankcrisis uit. De gouverneurs waren verplicht de banken te doen sluiten om te beletten dat angstige deponenten hun tegoeden zouden opvragen (O.T. Barck jr., N.M. Blake, 1947, pp.484-485). De bedrijven, die regelmatig beroep deden op de banken om de lonen van hun personeel te betalen, moesten hun activiteit stopzetten. Dit verwekte een sterke aangroei van de werkloosheid en een verdere daling van de vraag naar goederen en diensten.

Dergelijke rampzalige situatie kon alleen worden overwonnen door een verregaande staatstussenkomst. De in november 1932 verkozen democratische president Franklin Roosevelt devalueerde de dollar, voerde een sanering door van het bankwezen, verhoogde de overheidsuitgaven voor grote openbare werken en beperkte door reglementeringen de overmatige mededinging. Het betrof een experimenteel beleid, dat niet was gesteund op enige economische theorie. Deze ontstond pas enkele maanden later door de publicaties van John Maynard Keynes.

Het Keynesiaans beleid

Weinig economen hebben zo’n grote invloed op het beleid uitgeoefend als John Maynard Keynes. Deze Brit, die reeds in 1919 een grote faam verwierf door zijn kritiek op de strenge voorwaarden door het aan Duitsland opgedrongen Verdrag van Versailles, werd tijdens de grote crisis de verdediger van een nieuw financieel beleid. In zijn artikels in The Times onder de titel The Means to Prosperity (maart 1933) en in zijn standaardwerk The General Theory of Employment, Interest and Money (maart 1936) bepleitte hij een politiek gericht op het verhogen van de vraag naar goederen en diensten. Naar zijn mening moet de overheid in een periode van depressie niet trachten haar begroting in evenwicht te houden door een verhoging van de belastingsdruk. Ze moet in tegendeel een deficit aanvaarden teneinde de privébedrijven en personen toe te laten hun vraag naar goederen en diensten op peil te houden. Daarenboven is het gewenst dat de overheid haar uitgaven opdrijft door bijvoorbeeld het uitvoeren van grote openbare werken. Die geven aanleiding tot meer werkgelegenheid en een supplementaire vraag naar bouwmaterialen. De privé-investeringen moeten worden aangemoedigd door lage rentevoeten (a cheap money policy). Hiertoe zal de centrale bank aan de privébanken goedkope kredieten toestaan (J.M. Keynes, 1954, pp.147-164).

Toen na WOII in de meeste West-Europese landen linkse regeringen tot stand kwamen, schakelden ze over naar zulk Keynesiaans beleid. Door grote overheidsuitgaven werd de werkgelegenheid uitgebreid. Ingevolge de grote vraag naar arbeidskrachten verwierven de vakbonden de mogelijkheid om loonsverhogingen af te dwingen. Deze verhoogden de vraag naar goederen en moedigden de bedrijfsleiders aan de productie van hun ondernemingen uit te breiden. De nodige investeringen gaven aanleiding tot een grotere vraag naar machines, grondstoffen en halffabrikaten, zodat ook de producenten van investeringsgoederen hun productie konden verhogen. De nadelige kringloop van de crisisjaren werd vervangen door een reeks gunstige wisselwerkingen.
Er school evenwel een addertje onder het gras. De grote vraag naar goederen en diensten verwekte prijsstijgingen, die de levensduurte verhoogden. De vakbonden reageerden met looneisen. Door de investeringen in nieuw materieel nam de productiviteit toe, maar niet in voldoende mate om de weerslag van de hogere lonen op de kostprijzen te compenseren. De prijsstijging in een bepaald land bemoeilijkte de uitvoer en bevorderde de invoer: het verwekte met ander woorden een deficit op de handelsbalans. Om het overschot van de invoer op de uitvoer te betalen, moest de centrale bank putten uit de voorraad aan tegoeden in buitenlandse deviezen. Om een uitputting van die voorraad te voorkomen, werd overgegaan tot een devaluatie van de munt. De invoer werd alzo afgeremd door de hogere prijzen van de buitenlandse producten. De uitvoer werd aangemoedigd door de lagere prijzen van de nationale producten in buitenlandse valuta. Alzo kon, door middel van periodieke devaluaties, het expansief financieel beleid worden voortgezet.
De prijsstijgingen van de ingevoerde goederen werden evenwel in de regel gevolgd door een verhoging van de prijzen van de in het binnenland voortgebrachte producten. De ingevoerde grondstoffen waren immers duurder geworden en de concurrentie van de buitenlandse ondernemingen was afgezwakt, zodat de binnenlandse bedrijven geneigd waren hun prijzen te verhogen. Landen zoals Zweden, die bijna doorlopend bestuurd werden door sociaaldemocratische regeringen, bereikten een hoge welvaart maar ten koste van de afbrokkeling van de koopkracht van hun munt. Kort na WOII was de Zweedse kroon ongeveer 9 Belgische frank waard; eind juli 2008 stemde haar wisselkoers ten opzichte van de euro overeen met 4,22 Belgische frank.

Liberale economen verweten aan het Keynesiaans beleid dat het niet alleen inflatie verwekte maar ook leidde tot een onrechtmatige inkomstenverdeling. Spaarders werden geconfronteerd met een daling van de koopkracht van hun geld. Speculanten realiseerden hoge winsten door het opkopen van onroerende goederen en grondstoffen, om ze te verkopen als de prijzen (door de devaluatie) waren gestegen.
Vooral de Oostenrijkse econoom Friedrich von Hayek, die in 1931 was uitgeweken naar de Verenigde Staten, trad op als de tegenstander van het Keynesianisme. Hij stelde dat economische crisissen konden worden vermeden door in periodes van overmatig optimisme de investeringen af te remmen door het verhogen van de rentevoet. Alzo wordt voorkomen dat te veel kapitaal wordt belegd in gebouwen en machines, die slechts na meerdere jaren productief worden. Dergelijke investeringen verhogen op korte termijn het aanbod aan goederen niet, terwijl door het heersend optimisme de vraag doorlopend toeneemt. Dit verwekt prijsstijgingen, die aanleiding geven tot nog meer riskante investeringen (E. von Hayek, 1933, pp.61-115).

Voorstanders van een Keynesiaans beleid voerden aan dat de overheid, door het beperken van de toename van de inkomens, een inflatie kan voorkomen. Overeenkomsten tussen de patroonsorganisaties en de vakbonden kunnen de loonsverhogingen matigen. Ook door verhoging van de belastingen kan de aangroei van de vraag binnen redelijke grenzen worden gehouden.
Tijdens de socialistische regeringen in Groot-Brittannië van Harold Wilson en James Callaghan (1964-1970 en 1974-1979) werd gepoogd de loonsstijgingen tot een redelijk niveau te beperken. Telkens liep dit uit op een mislukking. Op 18 november 1967 moest de pond gedevalueerd worden omdat de meeste kostprijzen van de Engelse producten te hoog waren opgelopen (M. Artis, 1972, pp.263-270; L. Ulman en B.J. Flanagan, 1971, pp.14-20). In de zomer van 1978 weigerde het TUC (Trade Unions Congress) het voorstel van de regering-Callaghan te aanvaarden om de loonsstijging tot 5% te beperken. Tijdens de winter van 1978-79 braken er, vooral in de openbare diensten, stakingen uit die aan de economie ernstige schade toebrachten. Er moesten uiteindelijke grote loonsverhogingen worden toegestaan, wat de inflatie versterkte. Op 3 mei 1979 leed de Labour partij een zware verkiezingsnederlaag. Dit betekende het einde van het Keynesiaans beleid in Groot-Brittannië (G. Vandewalle, 1978, p.1136).

Het financieel beleid van de lidstaten van de Europese Unie

De lidstaten van de Europese Unie die zijn toegetreden tot de euro hebben zich in 1992 door de overeenkomst van Maastricht verbonden geen overheidsdeficit te voorzien van meer dan 3% van hun bruto binnenlands product (BBP). Daarenboven moeten ze, indien hun overheidsschuld meer dan 60% van hun BBP bedraagt, het verschil geleidelijk afbouwen. De huidige financiële crisis dwingt de meeste lidstaten echter de banken ter hulp te komen met massale financiële middelen. Alzo wordt voorkomen dat ze niet kunnen voldoen aan de opvragingen van deposito’s door angstige cliënten. Indien een vooraanstaande bank haar terugbetalingen zou stopzetten, zou dit een algemene run on the banks veroorzaken. Meerdere banken zouden dan hun deuren moeten sluiten, met als gevolg dat de bedrijven niet langer meer de nodige gelden zouden kunnen opnemen voor de betaling van hun leveranciers en van de lonen van hun werknemers. De economische activiteit zou afnemen, de werkloosheid stijgen en de overheid zou met een groot budgettair deficit worden geconfronteerd (door de daling van de opbrengst van de belastingen en de stijging van de sociale uitgaven).
Om dergelijke economische ramp te voorkomen, moet de Europese Commissie nu aanvaarden dat meerdere lidstaten de voorschriften van de overeenkomst van Maastricht negeren. Ze is verplicht de hoge deficiten, die voortvloeien uit hun massale steun aan de banken, te aanvaarden. Daarenboven kan de Europese commissaris voor de mededinging Nelie Kroes niet langer eisen dat wordt afgezien van financiële steunmaatregelen die bepaalde ondernemingen bevoordelen in vergelijking met hun concurrenten. Door participaties te nemen in financiële instellingen en verzekeringsmaatschappijen, nationaliseren vele lidstaten belangrijke onderdelen van de financiële structuren. Ze gaan hierdoor in tegen de politiek van Kroes, die overheidsbedrijven wil verplichten privéondernemingen toe te laten tot markten (waar ze nu over een monopolie beschikken).

Deze evolutie naar de verstaatsing van de economie ging het verst in Groot-Brittannië. Eerste minister Gordon Brown bevond zich deze zomer in een moeilijke positie. In de Labour partij heerste onenigheid over het te voeren beleid. Er werd aan Brown verweten dat hij niet in staat was een politiek te ontwerpen die de eenheid kon herstellen. Volgens de opiniepeilingen zou Labour bij parlementsverkiezingen slechts 27 à 28% van de stemmen behalen, tegen meer dan 40% voor de conservatieven (David Cameron begon al te dromen van het premierschap na de verkiezingen van 2010).
Toen kwam echter de financiële crisis. Die heeft Brown toegelaten te bewijzen dat hij een groot staatsman is. In samenwerking met Alistair Darling, zijn kanselier van de schatkist, werkte hij een financieringsplan uit voor de banken en verzekeringsmaatschappijen in moeilijkheden. Banken met een eigen kapitaal van minder dan 9% van hun balanstotaal moeten hun kapitaal verhogen. Indien ze de nodige fondsen niet op de markt kunnen bekomen, moeten ze beroep doen op de overheid (DS, 20/10/2008, p.25). Die onderschrijft volledig de kapitaalsverhoging, waardoor ze meestal de voornaamste aandeelhouder wordt. Ze verplicht dan de betrokken bank gedurende meerdere jaren geen dividenden uit te keren en aan de beheerders geen speciale vergoedingen toe te kennen. Van de acht banken met onvoldoende kapitaal hebben slechts drie deze strenge voorwaarden aanvaard.

De staat wordt aldus eigenaar van 63% van het kapitaal van de Royal Bank of Scotland (RBS) en 44% van de financiële instelling die zal ontstaan door de fusie van Lloyds TSB en de Halifax Bank of Scotland (HBOS). Barclays, de grootste Britse bank, hoopt door 9 miljard kapitaal op te nemen in de markt aan zo’n nationalisatie te ontsnappen (TT,14/10/2008, p.6).
Door de beleggingen in de drie vermelde banken en in enkele kleinere financiële instellingen, namelijk Northern Rock (overgenomen op 22 februari 2008) en Bradford & Bingley (genationaliseerd op 29 september 2008), is de Britse staat eigenaar geworden van 5 hotelketens, 33 winkels, 40 cafés en restaurants en 2500 kleinhandels in 30 landen (TT, 14/10/2008, p.7). Benevens 64 miljard pond voor de kapitaalsverhoging van voormelde financiële instellingen voorziet de Britse begroting ook 320 miljard pond voor het waarborgen van ontleningen door banken in de interbankenmarkt. Door zich borg te stellen voor dergelijke ontleningen kan de overheid de werking van deze markt, die door het onderling wantrouwen van de banken was geblokkeerd, nieuw leven inblazen (LM, 19/10/2008, p.15). Al deze maatregelen zijn van aard de financiële activiteit in de Londense City op peil te houden en te voorkomen dat aldaar duizenden jobs verloren gaan.

Dit krachtdadig beleid heeft de Labourregering geen windeieren gelegd. Volgens een opinieonderzoek in oktober is nu 42% van de Britse kiezers ervan overtuigd dat Brown een goede eerste minister is. Slechts 31% meent dat David Cameron een beter beleid zou voeren (TT, 18/10/2008, p.26). Cameron en George Osborne (de schaduwkanselier van de schatkist) komen bij vele Britten over als rijke heren die zich niet bekommeren om het lot van de gewone burgers tijdens een recessie. De Labourregering daarentegen zal een uitgesproken Keynesiaans beleid voeren om de stijging van de werkloosheid tegen te gaan. Er wordt nu reeds voorzien dat de staat de bouw van meer sociale woningen zal financieren en de isolatie van huizen zal subsidiëren. Laatstgenoemde maatregel zal ten goede komen aan duizenden gezinnen met een middelmatig inkomen. Ze hebben zich veelal met behulp van een hypotheek een eigen huis aangeschaft en kunnen een subsidie goed gebruiken om hun energieverbruik te verminderen (TT, 5/9/2008,int.). Er wordt bovendien een hulpplan voor de kleine en middelgrote ondernemingen voorbereid, dat ongeveer 444 miljoen pond zal kosten. Door grote werken (onder meer voor de bouw van twee vliegdekschepen en de voorbereiding van de Olympische Spelen in Londen) wil de regering 25.000 nieuwe werkplaatsen scheppen. Hiertegen wordt van conservatieve zijde opgeworpen dat dit alles veel te veel geld zal kosten. Brown reageert met te wijzen op het feit dat de Britse overheidsschuld nu slechts 37,9% van het BBP bedraagt; duidelijk minder dan de gemiddelde schuld van de lidstaten van de Eurozone, namelijk 56,4% van hun BBP (TT, 20/10/2008, int).

Gordon Brown heeft in Frankrijk, met president Nikolas Sarkozy, een bondgenoot gevonden. Hoewel Groot-Brittannië niet is toegetreden tot de euro, nodigde Sarkozy Brown wel uit om deel te nemen aan een vergadering in Parijs van de eurolidstaten. Sarkozy wil beletten dat vreemdelingen gebruik maken van de lage beurskoersen om aandelen van Europese bedrijven op te kopen en de hand te leggen op het beheer van deze ondernemingen. Hij stelde daarom voor een EU-Noodfonds op te richten van minimum 300 miljard euro om aandelen van Europese bedrijven aan te kopen. Hij botste echter op het verzet van Angela Merkel, die er weinig voor voelt de Duitse industrie gedeeltelijk te verstaatsen. Ook Peer Steinbrück, SPD minister van financiën, is geen voorstander van zo’n verregaande overheidsinterventie. Hij voert aan dat de import van gelden uit het buitenland moet worden aangemoedigd, gezien vele financiële ondernemingen een tekort hebben aan kapitaal (FAZ, 2/10/2008, p.1). Sarkozy reageerde met de oprichting van een investeringsfonds in Frankrijk dat gefinancierd zal worden door de Caisse de Dépôts et Consignations (FT, 24/10/2008, p.1).

Het is onwaarschijnlijk dat Angela Merkel aan haar orthodox financieel beleid trouw zal kunnen blijven, want ook in Duitsland moest de overheid meerdere banken ter hulp komen. De hulpverleningen door de Bondsrepubliek en de deelstaten worden begroot op 500 miljard euro, waarvan 400 miljard euro voor leningen aan de banken en 100 miljard euro voor het waarborgen van schulden door de banken aangegaan op de interbankenmarkt (TT,13/10/2008, int). Daarenboven heeft Merkel aan de minister van financiën Peer Steinbrück (SPD) en de minister van economie Michael Glos (CSU) de opdracht gegeven voorstellen uit te werken om de naderende recessie te bekampen door onder meer het opvoeren van de bouwactiviteit en het aanmoedigen van de verkoop van auto’s door een verlaging van de aankooptaks. Er werd berekend dat door al deze maatregelen in 2009 de begroting een deficit zal vertonen van 20 miljard euro (FAZ, 21/10/2008, p.3).

Ook in de meeste andere lidstaten van de Europese Unie zullen maatregelen worden genomen om een financiële crisis te bekampen. In Spanje vermijden de banken aan elkaar krediet te verlenen omdat ze een daling van hun liquide middelen voorzien (ingevolge geldopvragingen op de deposito’s van hun klanten). Kleine ondernemingen ondervinden er moeilijkheden om kredieten te bekomen en om hun werknemers en leveranciers te betalen. De regering heeft 50 miljard euro voorzien voor de aankoop van activa van de banken en 100 miljard euro voor het waarborgen van leningen op de interbankenmarkt (EP, 19/10/2008, p.1). De aankopen van woningen en appartementen door vreemdelingen is in sterke mate gedaald, met meer werkloosheid in de bouwnijverheid en vermindering van de belastingsinkomsten als gevolg. De regering heeft grote openbare werken, alsook een verlaging van de belastingen op de lage inkomens voorzien om de conjunctuur aan te zwendelen. Hierdoor zal de begroting moeten worden afgesloten met een deficit. Met andere woorden, ook Spanje schakelt over naar een Keynesiaans beleid (EM, 20/102008, int).
In andere landen zien we dezelfde trend. In Zweden diende de rechtse regering bij het parlement een wetsontwerp in om banken in moeilijkheden door de staat over te nemen. Daarnaast wordt 205 miljard dollar voorzien voor leningen aan banken en deelname in hun kapitaal. In Finland zal het parlement een wet goedkeuren die aan de overheid toelaat tot 50 miljard euro waarborgen te verstrekken aan ontleningen van banken (FT, 21/10/2008, p.1). In Oostenrijk wordt door de overheid 85 miljard euro voor herfinanciering van banken in moeilijkheden en 15 miljard euro voor een verhoging van hun kapitaal voorzien (LM, 19/10/2008, p.15).

De weerslag van de financiële crisis op de toekomst van de sociaaldemocratie

Vele sociaaldemocratische politici zijn ervan overtuigd dat de financiële crisis zal leiden tot een stijging van de populariteit van de sociaaldemocratische partijen. Gordon Brown maakt inderdaad momenteel een goede kans om de verkiezingen van 2010 te winnen. In Duitsland is de populariteit van Angela Merkel gedaald en is er een mogelijkheid dat na de verkiezingen (in het najaar van 2009) de SPD, met de Groenen en eventueel met Die Linke een meerderheid in de Bondsdag zal verwerven. In Frankrijk lokt de besparingspolitiek van Sarkozy inzake het onderwijs en de gezondheidszorg veel verzet uit en in Italië grijpen er massale betogingen plaats tegen het rechtse beleid van Berlusconi.
Het is evenwel niet erg duidelijk wat de linkse partijen met een overwinning zouden aanvangen. Volgens Mario Soares, ex-president van Portugal, moet een socialistische regering in de eerste plaats er voor zorgen dat syndicale afgevaardigden medezeggingschap verwerven in de bedrijven. Ze kunnen dan pogingen tot delokalisatie van bepaalde onderdelen van het bedrijf verhinderen en opkomen voor maatregelen ten behoeve van het milieu (Cambio, 13/10/2008, p.7). Zonder een gezamenlijk beleid van de meeste Europese landen, de Verenigde Staten en nieuwe industrielanden als India en China is kapitaalvlucht naar lageloonlanden echter moeilijk te voorkomen. Frans Walter Steinmeier, SPD-kandidaat voor het kanselierschap, meent daarom dat nu een eerste stap moet worden gezet naar een economische en sociale samenwerking. Op 15 november 2008 komen de staatshoofden van de twintig belangrijkste economische mogendheden samen in Washington. Daar zal Gordon Brown zijn plan ter bestrijding van de financiële crisis ontvouwen. De Verenigde Staten hebben ondertussen hun plan ter bestrijding van de financiële crisis zo gewijzigd dat het ongeveer een kopie is van dit van de Britten. De Amerikaanse staat zal er voor 125 miljard dollar aandelen van banken in moeilijkheden aankopen en daarenboven 250 miljard dollar aanwenden voor het waarborgen van leningen van banken op de interbankenmarkt (EP, 15/10/2008, p.20). Steinmeier denkt dat vele deelnemende landen bereid zullen zijn dit voorbeeld te volgen en dat bovendien een kans bestaat om een internationale controle op de grote banken te organiseren. Het IMF beschikt over de nodige informatie over de financiële situatie van de diverse landen en zou bij de controle op de banken een belangrijke rol spelen. Het is evenwel onzeker of nieuwe industriestaten als China en India bereid zullen zijn te aanvaarden dat een buitenlands organisme toezicht uitoefent op een essentieel onderdeel van hun economie.
Walter Steinmeier komt ook op voor een scherper toezicht op het beleid van de grote multinationale ondernemingen. Hij meent dat managers geen vergoedingen mogen ontvangen voor het realiseren van fusies alvorens drie jaar zijn verstreken en kan worden vastgesteld of ze aan de onderneming voordeel hebben gebracht (DS, 13/10/2008, p.49). Ook hiertoe is internationale samenwerking noodzakelijk om de betaling van vergoedingen uit fiscale paradijzen te voorkomen.

In afwachting of degelijke samenwerking gerealiseerd wordt, kan een door socialisten geleide regering een beleid voeren dat de toenemende ongelijkheid bestrijdt en ervoor zorg draagt dat aan de ganse bevolking een aanvaardbaar inkomen wordt verzekerd. Dit zal in de naaste toekomst waarschijnlijk een Keynesiaans beleid noodzakelijk maken om de hogere uitgaven voor onderwijs, gezondheidszorg en milieubeheer financierbaar te houden. Gezien de huidige teruggang van de vraag naar goederen en diensten hoeft dit evenwel niet te leiden tot een sterke inflatie. Geld dat wordt opgeborgen in brandkoffers oefent immers geen opwaartse druk uit op de prijzen. Wel zal erop gewaakt moeten worden dat als een herleving optreedt, een deel van de hogere belastingsopbrengst wordt aangewend voor de aflossing van de overheidsschuld.

Gaston Vandewalle
Professor emeritus, Universiteit Gent

Bronnen
- Artis M., Fiscal Policy and Stabilization, The Labour Government’s Economic Record 1964-70, G. Duckworth & Comp., Londen, 1972.
- Barck jr.O.T. en Blake N.M, Since 1900 - A History of the United States in our Times, The Macmillan Comp., NY, 1947.
- Keynes J.M., The General Theory of Employent, Interest and Money, Macmillan & Co Ltd, Londen, 1954.
- Vandewalle G., Het dilemma van Calleghan, Economische Statistische Berichten, 8/11/1978.
- Von Hayek F., Monetary Theory and the Trade Cycle, Londen, Toronto, 1933.
- Ulman L. en Flanagan B.J., Restraint: a Study of Income Policies in Western Europe, Berkeley, Los Angeles, Londen, 1971.

Gebruikte afkortingen:
DS: Der Spiegel
EM int: El Mundo, artikel op internet
EP: El Pais
EP int: El Pais, artikel op internet
FAZ: Frankfurter Allgemeine Zeitung
FT: Financial Times
LM: Le Monde
TE: The Economist
TT: The Times
TT int: The Times, artikel op internet

financiële crisis - Europese Unie - John Keynes

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 9 (november), pagina 22 tot 29