Abonneer Log in

De sp.a leden doorgelicht

Wie zijn ze en wat denken ze over maatschappij en partij?

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 10 (december), pagina 13 tot 22

Een jaar geleden stelde de toen pas verkozen sp.a voorzitter Caroline Gennez de vraag of we geïnteresseerd waren om een grootschalig onderzoek naar het profiel, de denkbeelden en de verwachtingen van de sp.a leden uit te voeren.

Voor elke politieke wetenschapper is dit een zeer aantrekkelijk aanbod. Inzicht verwerven in politieke partijen en hun functioneren vormt immers de kern van ons vakgebied. Alvorens op deze vraag in te gaan, waren er toch enkele bedenkingen en formuleerden we een aantal voorwaarden, die uitsluitend van academische aard waren. De essentie van ons eisenpakket kan als volgt worden samengevat: (1) een volledige vrijheid bij de uitwerking van de vragenlijst; (2) de uitvoering van een bevraging op basis van wetenschappelijke methodes, waarbij een toevallige steekproef van leden met gestandaardiseerde vragenlijsten face-to-face geïnterviewd wordt; en (3) de mogelijkheid om de onderzoeksresultaten te publiceren in wetenschappelijke tijdschriften. Op al deze vragen kregen we een positief antwoord, wat impliceert dat we de volledige vrijheid kregen om dit onderzoek ongebonden uit te voeren. De eerste stappen werden gezet in november 2007, terwijl het veldwerk plaatsgreep in de periode april-juli 2008. In deze bijdrage geven we kort een aantal eerste, beschrijvende resultaten, terwijl meer diepgravende, verklarende analyses later zullen worden gepresenteerd.

Methodologie

Drie onderzoeksvragen staan centraal in het onderzoek: (1) wat is het sociale profiel van de leden; (2) wat zijn hun opvattingen over maatschappij en politiek; en (3) hoe beoordelen ze de partijwerking? De uitwerking van de centrale onderzoeksvragen is gebaseerd op aanwezige wetenschappelijke inzichten, wat impliceert dat de inhoud van de vragenlijst in sterke mate theorie gestuurd is. Om achteraf vergelijking met de gehele Vlaamse populatie mogelijk te maken, werden ook een reeks vragen overgenomen uit het postelectoraal verkiezingsonderzoek uitgevoerd door het Instituut voor Sociaal en Politiek Opinieonderzoek (ISPO-K.U.Leuven). Meer concreet bestaat de vragenlijst uit 92 vragen en bedraagt de duurtijd van het persoonlijke interview zo’n 60 minuten. Niet minder dan 150 getrainde interviewers hebben 992 toevallig gekozen sp.a leden overtuigd om mee te werken aan het onderzoek. De responsgraad was zeer hoog, namelijk 68%. Kort presenteren we hier de eerste resultaten.

Vrijzinnige arbeiderspartij?

De sp.a leden zijn eerder oud. De gemiddelde leeftijd is 55 jaar. Slechts één derde van de leden is jonger dan 46 jaar, terwijl de helft ouder is dan 55 jaar. Eén op acht leden behoort zelfs tot de groep 75-plussers. Het ledenbestand bestaat verder uit 58% mannen en 42% vrouwen. De relatief oude leeftijdsstructuur van de sp.a leden maakt dat er ongeveer evenveel niet-werkende als werkende leden zijn. De overgrote meerderheid van de niet-werkende leden zijn gepensioneerd (73%). Dat de sp.a nog steeds gedeeltelijk een arbeidersprofiel heeft, blijkt uit het feit dat bijna één derde van de leden (on)geschoolde arbeider is. Dit aantal komt vrijwel overeen met het aandeel bedienden onder de leden, terwijl de ambtenaren de derde grootste groep (21%) onder de sp.a leden is. Een gelijkaardig beeld komt tot uitdrukking wanneer de leden gevraagd wordt naar hun sociale zelfplaatsing: iets meer dan één derde van de leden rekent zich tot de arbeidersklasse, net geen 40% tot de lagere middenklasse, bijna een kwart tot de hogere middenklasse en vrijwel niemand tot de hogere klasse.

Een andere interessante vaststelling is dat sp.a een partij van laaggeschoolde én hooggeschoolde leden is. Dit blijkt uit de vraag naar het hoogst behaalde diploma. Vier op tien leden heeft hoogstens een diploma lager secundair onderwijs, terwijl bijna drie op tien hogere studies heeft gevolgd. Gezien de sterke vertegenwoordiging van laaggeschoolden, ouderen en arbeiders is het weinig vreemd dat een substantieel aandeel van de leden zich economisch kwetsbaar voelt. Ruim 40% stelt dat ze met hun inkomen juist voldoende hebben om rond te komen, terwijl één op twintig leden zelfs aangeeft dat ze regelmatig moeilijkheden hebben om de noodzakelijke uitgaven in het dagelijkse leven te dekken. Tegenover de precaire situatie van heel wat leden staat wel dat iets meer dan de helft van de leden genoeg heeft en kan sparen.

Ten slotte blijkt sp.a niet te beantwoorden aan het beeld van een vrijzinnige, laat staan antikatholieke, partij. De ledenbasis is alvast veel christelijker dan vaak gedacht. Wat betreft de levensbeschouwelijke strekking, ziet 35% van de leden zich als vrijzinnig, maar noemt 40% zich katholiek of christelijk, terwijl één vijfde zichzelf beschrijft als ongelovig of zonder strekking. In die zin kan de sp.a als ledenpartij het best beschreven worden als coalitie van christelijken, vrijzinnigen en ongelovigen.

Voorgaande schets van het sociale profiel van het sp.a ledenbestand onderlijnt het dubbele gezicht van de partij. Aan de ene kant is de sp.a nog steeds een partij die heel wat arbeiders, ouderen en laagopgeleiden onder haar leden telt, terwijl ook de vrijzinnigen en ongelovigen sterk vertegenwoordigd zijn. Aan de andere kant weten ook heel wat bedienden, ambtenaren en hoog opgeleiden zich aangetrokken door de partij, net zoals het opvalt dat vier op de tien leden zich katholiek of christelijk geïnspireerd noemen. Beide vaststellingen geven aan dat de ledenbasis van sp.a op het vlak van opleiding, sociale status en levensbeschouwelijke overtuiging veel heterogener is dan wel gedacht. Het beeld van sp.a als een vrijzinnige arbeiderspartij dan wel een partij louter voor de (progressieve) hooggeschoolden, moet dan ook bijgesteld. Integendeel, de sp.a kan best omschreven worden als een volkspartij in de betekenis van een ledencoalitie van zeer diverse sociale groepen. Waarschijnlijk meer dan in de electorale ruimte, slaagt de sp.a er in haar ledenbestand in om zowel (conservatieve) arbeiders en (progressieve) middenklassers te verenigen. Zo laten de gegevens zien dat de partij bij haar leden zowel hoog als laag, zowel kwetsbaren als comfortabelen en zowel vrijzinnigen als katholiek-christelijken aantrekt.

Verzuilde partij?

Verzuiling wijst op de cultureel-politieke opdeling van de samenleving langs levensbeschouwelijke breuklijnen. Ideaaltypisch bestaat een zuil uit een politieke partij en een wijd vertakt doch geïntegreerd netwerk van organisaties die een bepaalde ideologie of levensbeschouwing gemeen hebben. Aldus de theorie vormen politieke partij, wereldbeeld en organisatienetwerk de kernelementen van de zuil. Op dit laatste vlak zou het geïntegreerde netwerk van organisaties bestaan uit ideologisch gekleurde vakbonden, mutualiteiten, socio-culturele verenigingen, jeugdbewegingen en onderwijsnetten die voorzien in vrijwel alle behoeften van het zuillid. Ofschoon, vanaf de jaren 1960, de processen van secularisering en individualisering uitmondden in een verregaande ontzuiling van de geesten en het alledaagse leven, blijft het toch nog steeds de vraag in welke mate de ledenbasis van sp.a links denkt, in welke mate ze doorheen partijgebonden socialisatie de weg naar de partij heeft gevonden en in welke mate de huidige sp.a leden nog geïntegreerd zijn in de (vroegere) socialistische zuilinfrastructuur. Ten eerste ziet het doorsnee lid zich als centrumlinks. Zo scoren alle bevraagde sp.a leden gemiddeld 3,11 op een links-rechts schaal van 0 tot 10. Meer concreet omschrijft een kwart zich als zeer links en plaatst iets meer dan vier op tien zich als centrumlinks.

Ten tweede grijpt er nog een sterke ideologische socialisatie via het thuismilieu plaats. Zo beaamt juist de helft van de leden de stelling dat het logisch was dat ze lid van de sp.a werden omdat ze uit een socialistisch nest komen en was bij 44% van de leden de vader of moeder reeds lid van de SP of sp.a alvorens dat ze zelf lid werden. Het belang van socialisatie blijkt ook uit de bepalende invloed van de politieke strekking van de ouders, vooral van de vader. Zo zegt een meerderheid van de ondervraagde sp.a leden dat hun vader (61%) of hun moeder (53%) van socialistische strekking is. Van een hermetische zuilsocialisatie is echter geen sprake: bij een kwart van de leden is de vader van katholieke of christelijke strekking, terwijl dit cijfer aan moederskant zelfs oploopt tot één derde. Dat de zuilintegratie lekt, blijkt ook uit het partijlidmaatschap en stemgedrag van de sp.a leden. Met betrekking tot het partijpolitieke verleden is 8,5% van de leden ooit lid geweest van een andere politieke partij dan de sp.a. Van deze groep is bijna driekwart wel eens lid geweest van de CVP of CD&V. Dit betekent dat 2.800 mensen van de 56.000 sp.a leden ooit een lidkaart van de christelijke partij heeft gehad. De respondenten werd voorts ook gevraagd op welke partij men stemde bij de laatste federale verkiezingen van 2007. Hierop antwoordde 92,4% sp.a-spirit, terwijl 4,5% van de sp.a leden op Groen! stemden. Vermoedelijk stemden sommige leden om strategische redenen op Groen! om de partij over de kiesdrempel te tillen. Net iets meer dan de helft stemt via naamstem, terwijl nog steeds bijna een kwart louter een lijststem uitbracht. In het verleden stemde zeven op tien sp.a leden altijd voor de socialisten en bijna een kwart meestal voor de sp.a. Zij die in hun leven ooit op een andere politieke partij stemden, kozen voornamelijk voor Groen! (32%) en CD&V (30%), in mindere mate voor VLD (24%) en Spirit (18%). Deze cijfers geven aan dat de sp.a leden wel meestal hun stem op sp.a uitbrengen, maar dat het geen onvoorwaardelijke partijtrouw is bij een kwart van de leden, terwijl een kleine groep in de electorale ruimte zelfs al shoppend door het leven gaat: één op twintig sp.a leden geeft immers aan dat ze al dikwijls op andere partijen hebben gestemd.

Ten derde is nagegaan in welke mate de leden (nog) geïntegreerd zijn in de socialistische zuil. Zowel met het ABVV als de socialistische mutualiteit hebben de sp.a leden een sterke binding. Bij diegenen op beroepsactieve leeftijd zijn 62% van de leden lid van een vakbond, wat betekent dat de syndicalisatiegraad van de sp.a leden nauwelijks hoger ligt dan het Vlaamse gemiddelde. Wel is de grote meerderheid (82%) lid van het ABVV, ofschoon bijna één op tien aangesloten is bij het ACV. Bij de jonge sp.a leden is zelfs één vijfde lid van het ACV. Een gelijkaardig fenomeen zien we bij de socialistische mutualiteit, waarvan 81% van de sp.a leden lid is, terwijl de christelijke mutualiteit bijna 12% scoort. Ook hier is de binding van de jongeren met de socialistische mutualiteit minder sterk ten voordele van de CM. Deze cijfers geven aan dat binnen het sp.a ledenbestand de klassieke banden met de socialistische vakbond en mutualiteit nog steeds aanwezig zijn, maar dat de verzuilde integratie wel gestaag lijkt te eroderen naarmate de leeftijd daalt. Ook op dit vlak lijkt er een tendens naar een meer diverse, open ledenpartij te zijn.

Politiek geïnteresseerd, beperkte kennis

Van de leden van een politieke partij mag worden verwacht dat ze een grote interesse in politiek aan de dag leggen. Dit is het geval. Twee derde van de sp.a leden volgt het politieke nieuws in de media vaak, terwijl opvallend genoeg één op tien helemaal geen interesse heeft in de politiek. Een kwart informeert zich in de eerste plaats via de krant, terwijl ruim 60% van de ondervraagden zegt zich hoofdzakelijk via de televisie over het politieke leven te informeren. Van de sp.a leden kijkt bijna zes op de tien naar het journaal op Eén, terwijl drie op tien afstemt op het nieuws van VTM. Voorts is het opvallend dat twee derde sp.a leden dagelijks de krant leest of alleszins doorbladert en bijna een kwart een paar keer per week. Politieke interesse leidt evenwel niet tot elementaire politieke kennis. Zo weet een substantieel deel niet welke (Vlaamse) partijen deel uitmaken van de huidige Vlaamse regering en federale regering: bijna de helft van de leden weet niet welke partijen de Vlaamse regering vormen, terwijl een derde niet kan zeggen wie deel uitmaakt van de federale regering. Meer hoopgevend is wel dat bijna negen op tien leden weten dat Caroline Gennez de huidige voorzitter is van sp.a, ofschoon ook hier toch nog steeds één op tien de bal misslaat of het niet weet.

Dat ook mensen die lid zijn van een politieke partij heel wat moeilijkheden kunnen hebben om het politieke systeem te doorgronden, blijkt tevens uit het feit dat niet minder dan 43% van de sp.a leden vindt dat de politiek zo ingewikkeld is dat het voor mensen zoals henzelf moeilijk te begrijpen is wat er juist gebeurt. Frappant is voorts dat meer dan de helft van de sp.a kiezers vindt dat ze vrijwel geen invloed hebben op de politiek. Dit cijfer illustreert dat partijlidmaatschap mensen nog niet het gevoel van controle over politieke aangelegenheden geeft. Als instrument van politieke emancipatie en empowering lijken hedendaagse partijen vandaag alvast tekort te schieten.

Traditioneel linkse thema’s prioritair

Het socialisme is geboren uit verontwaardiging over sociale onrechtvaardigheid en maatschappelijke ongelijkheid. Hedendaagse sociaaldemocratische partijen streven naar een samenleving waarin iedereen gelijke kansen heeft om zichzelf te ontplooien. De strijd voor meer sociale rechtvaardigheid en gelijke vrijheid betekent dat een sociaal-progressieve partij in het bijzonder opkomt voor zwakke groepen die gediscrimineerd worden dan wel een kansentekort ervaren. Deze sociale reflex is ook terug te vinden in de thema’s die de sp.a leden van prioritair belang vinden (zie tabel 1).

Tabel 1: Percentage sp.a-leden dat een thema als één van de drie belangrijkste beleidsdomeinen kiest waarmee sp.a zich moet bezig houden (n=958)

Het is weinig verrassend dat de sp.a kiezers nogal eenduidig vinden dat de partij in de komende vier jaren vooral traditioneel-linkse thema’s, namelijk werkgelegenheid, gezondheidszorg, pensioenen en armoedebestrijding, bovenaan op de politieke agenda moet plaatsen. Nieuw-linkse thema’s zoals milieu, energie en de combinatie van arbeid en gezin zijn net zoals criminaliteitsbestrijding van secundair belang, terwijl de leden migratie, mobiliteit en staatshervorming achteraan het prioriteitslijstje plaatsen. De vraag blijft echter wat de leden hun opvattingen zijn op het vlak van al deze thema’s.

Een activerende, kordate en rechtvaardige verzorgingsstaat

Naast het feit dat de leden de sociale zekerheid als de core business van hun partij zien, zijn ze bovenal trots op ons socialezekerheidssysteem. Zo zijn niet minder dan 81% van de sp.a leden erover eens dat onze verzorgingsstaat het beste systeem is om het welzijn van iedereen te garanderen, terwijl slechts 7% het oneens is met deze stelling. De massale instemming met de principes van sociale herverdeling en de verzorgingsstaat gaat evenwel gepaard met enige kritiek op de feitelijke werking ervan. Ten eerste is er de breuklijn van de actieve versus passieve verzorgingsstaat. Het lijkt er op dat de sp.a leden pleiten voor een meer actieve welvaartsstaat, namelijk een mederesponsabilisering van het individu. Zo zijn de leden het er vrijwel unaniem mee eens dat de klassen- en inkomensverschillen kleiner moeten worden en dat overheidstussenkomst met het oog op een meer egalitaire samenleving noodzakelijk is, maar pleit slechts één vijfde van de leden voor een allesbepalende rol voor de staat. De meerderheid vindt dat zowel overheid als individu in gelijke mate verantwoordelijk zijn voor eenieders welzijn, wat gepaard gaat met sociale rechten en individuele plichten - lees een activering van bepaalde groepen. Ruim driekwart van de sp.a leden vindt dat werklozen harder aangemaand moeten worden om passend werk te aanvaarden, terwijl twee op drie leden van mening is dat de verschillen tussen de lonen en de werkloosheidsuitkeringen groter moeten worden. Ten tweede is het treffend dat ook de efficiëntie en effectiviteit van het huidige systeem door een substantiële minderheid in vraag wordt gesteld. Zo beaamt 23% van de sp.a leden dat de verzorgingsstaat te veel geld kost in verhouding tot wat het oplevert, terwijl 18% instemt met de stelling dat de verzorgingsstaat ervoor zorgt dat mensen onverantwoordelijk en lui worden. In deze context moet wel opgemerkt dat twee derde van de sp.a leden dit soort welvaartsstaatkritiek niet deelt: zij zien vooral de baten van de corrigerende werking ervan. Ten derde zorgt ook de kwestie van inclusie en exclusie voor enige verdeeldheid binnen de sp.a achterban. De centrale vraag is hier welke groepen al dan niet een beroep mogen doen op de sociale zekerheid. Hier raken de vreemdelingen een zenuw. Maar liefst één op drie sp.a leden zijn van mening dat migranten hier komen profiteren van de sociale zekerheid, terwijl slechts 38% deze stelling verwerpt.

Uit al deze vaststellingen blijkt dat de passieve welvaartsstaat verworpen wordt en dat het welvaartschauvinisme niet volledig afwezig is bij de sp.a ledenpopulatie. Sowieso lijkt het sp.a lid niet te willen weten van een sociaal profitariaat dat op kap van de sociale zekerheid leeft en pleit het voor een kordate aanpak en opvolging van werklozen. De meeste leden willen een sociale partij, die opkomt voor sociale bescherming en voor een publieke sociale zekerheid als vangnet, niet voor sociale profiteurs die de welvaartsstaat als een hangmat zien. Ten slotte wordt nog een veelgemaakte analyse, dewelke het generatiepact als voornaamste oorzaak van het verkiezingsdebacle van sp.a in 2007 ziet, door de gegevens niet bevestigd. Bij de sp.a leden vindt 48% het generatiepact een goede zaak, terwijl 22% ertegen is en 30% geen uitgesproken mening heeft of het generatiepact onvoldoende kent. De stelling biedt een argument om te stellen dat het generatiepact bij de achterban minder ongunstig onthaald is dan in bepaalde middens wordt geopperd. Dit betekent evenwel niet dat er heel wat wrevel kan zijn geweest omtrent de feitelijke afkondiging van het pact, net zoals rond de kwestie van het brugpensioen. Zeker omtrent deze laatste kwestie heerst er bij de leden heel wat interne verdeeldheid. Zo is de helft van de sp.a leden het oneens met de stelling dat de minimumleeftijd van het brugpensioen verhoogd moet worden, terwijl bijna een derde wel pleit voor een verhoging ervan.

De multiculturele samenleving als partij-interne zenuw

De multiculturele en multi-etnische samenleving zorgt binnen de ledenbasis van sp.a voor enige verdeeldheid. Ofschoon een meerderheid van de leden openstaat voor de uitdagingen van de hedendaagse diversiteit aan culturele en etnische groepen, leeft er bij een niet te miskennen deel van de sp.a achterban weerstand en afkeer. Zo neemt een kwart van de sp.a leden antimigrantenstandpunten in. Rond de 30% van de sp.a leden vindt dat de migranten niet bijdragen tot de welvaart van ons land, dat de migranten hier profiteren van de sociale zekerheid, dat de migranten een bedreiging zijn voor onze culturen en gebruiken en dat hun leefwijze onverenigbaar is met de West-Europese leefwijze, terwijl een iets kleinere groep van omzeggens 15% van de leden daarenboven meent dat migranten in het algemeen niet te vertrouwen zijn, dat ze geen verrijking zijn voor onze samenleving, dat ze een bedreiging zijn voor de tewerkstelling van de Belgen en dat migranten minder rechten dan Belgen moeten krijgen. Uit deze cijfers blijkt de tweespalt binnen de sp.a ledenbasis rond het migrantenthema: een meerderheid ziet de multiculturele samenleving als een kans, terwijl een kwart het als een probleem ervaart. Deels hangt het multiculturele ongenoegen in de ledenpopulatie samen met leeftijd. Hoe jonger de leden, hoe minder etnocentrisch. Vooral de oudere sp.a leden zijn weinig enthousiast, terwijl de jonge leden eerder tolerant zijn. Bij de groep tot 45 jaar is het etnocentrisme vrijwel afwezig, terwijl bij de 65-plussers de etnocentrische groep ongeveer even groot is als de tolerante groep. Dat immigratie en multiculturalisme de sociaaldemocratische partijen voor heel wat problemen plaatst en het burgerschapvraagstuk nadrukkelijk aan de orde stelt, blijkt ook uit de standpunten van de sp.a achterban rond enkele actuele kwesties. Ten eerste is 72% van de sp.a leden voor het gemeentelijk stemrecht voor migranten, maar is tegelijkertijd wel 28% tegen. Ten tweede vindt bijna de helft van de sp.a leden dat islamitische vrouwen in publieke functies geen hoofddoek mogen dragen. En ten derde is de achterban verdeeld over de vraag of België nieuwe geschikte migranten moet toelaten om specifieke tekorten op de arbeidsmarkt op te vangen: 42% is tegen, 39% is voor deze beleidsoptie.

Ethisch progressief, ambivalent over milieu, kordaat én alternatief straffen

Op het ethische vlak is er daarentegen wel vrij grote eensgezindheid: de sp.a leden zijn uitgesproken ethisch progressief. Niet minder dan driekwart van de leden vindt dat de huidige abortuswetgeving mag worden versoepeld, dat euthanasie ook wettelijk mogelijk moet zijn voor minderjarigen en dat homoseksuele en lesbische koppels het recht hebben om kinderen te adopteren. In vergelijking met de gehele Vlaamse bevolking is de sp.a achterban een stuk progressiever: 75% (sp.a leden) tegenover 60% (Vlaamse populatie). Voorts maakt er slechts een kleine minderheid bij de sp.a leden - zo’n 10 à 15% - bezwaar tegen een verdere versoepeling van de wetgeving op ethische thema’s.

Aangaande het leefmilieu is de sp.a achterban dan weer uitermate ambivalent. Zo pleit de overgrote meerderheid (80%) voor hardere maatregelen om de CO2 uitstoot te beperken en wil iets meer dan de helft ook meer betalen voor milieuvriendelijke producten, maar wil 53% niet weten van hogere belastingen om de milieuproblemen aan te pakken, terwijl 35% van mening is dat de media de gevaren voor het leefmilieu overdrijft. Ook over de sluiting van de Belgische kerncentrales vanaf 2015 zijn de leden verdeeld: een derde is tegen, veertig procent is voor en de rest weet het niet. Uit al deze cijfers komt een pragmatische visie op het leefmilieu tot uiting: de leden zijn zich bewust van de problematiek en vinden dat er iets moet gebeuren, maar zijn tegelijk van mening dat men de problemen niet moet overdrijven en dat beleidsmaatregelen in de portemonnee ook niet te veel pijn mogen doen.

Op het vlak van veiligheid zijn sp.a leden voor een kordate aanpak van de criminaliteit, maar geloven ze wel in alternatieve straffen. Juist de helft van de sp.a leden pleit ervoor dat jongeren vanaf 14 jaar als volwassenen gestraft worden in geval van misdaden zoals moord of handel in hard drugs. Ruim 40% is het daarentegen niet eens met zulke maatregel. Over het feit dat gevangenisstraffen volledig moeten worden uitgezeten, bestaat wel eensgezindheid: driekwart van de leden onderschrijft die stelling. Dat de sp.a leden niet zozeer repressief, maar wel kordaat en consequent willen optreden tegen criminaliteit lijkt hun pleidooi voor alternatieve straffen te suggereren. Zo vindt niet minder dan 72% van de bevraagde sp.a leden dat gevangenisstraffen in vele gevallen niets oplossen en dat rechters daarom veel meer alternatieve werkstraffen moeten uitspreken. Een kordate, doch alternatieve aanpak van misdadigers slaat aan bij de sp.a achterban.

Een goede bestuurspartij?

De sp.a wordt door een grote groep ervaren als een degelijke bestuurspartij. Twee derde van de leden vindt dat de partij de afgelopen vier jaar (zeer) goed bestuurd heeft, terwijl slechts 9% van mening is dat de partij (zeer) slecht bestuurd heeft. Op het vlak van principes en herkenbaarheid is er daarentegen heel wat meer verdeeldheid. In feite tekent zich hier een tweedeling af. Omzeggens vier op tien leden vindt dat de partij gedurende twintig jaar regeringswerk heel wat van zijn principes verloren heeft en dat de partij vandaag een duidelijke en herkenbare boodschap mist, terwijl een even grote groep van 40% sp.a leden deze negatieve diagnose niet deelt. Toch betekent deze kritiek op de partij niet dat de leden kiezen voor een meer populistische of dogmatische aanpak. Wanneer aan de sp.a leden gevraagd wordt wat de belangrijkste doelstelling van sp.a moet zijn, geeft maar liefst 52% aan dat de partij wel principieel moet blijven op een aantal uitgangspunten, maar tegelijk wel bereid moet zijn compromissen te sluiten. Opvallend is dat 20% van de sp.a leden wil dat de partij kost wat kost in de regering zit. Een vijfde van de leden vindt echter dat de partij in de eerste plaats zo sterk mogelijk moet zijn en zoveel mogelijk kiezers moet trachten te winnen. Diegenen die het programma willen bewaken en hierover geen compromissen willen sluiten, vormen een kleine minderheid van tien procent. Deze cijfers geven aan dat de leden eerder voor een pragmatische aanpak kiezen. Ze willen geen links-populistische partij noch een links-dogmatische partij, wel een links-verantwoordelijke partij.

Tevreden leden?

De (overgebleven) sp.a leden zijn relatief partijgebonden leden. Acht op tien leden heeft nog nooit overwogen om zijn lidmaatschap op te zeggen. Bijna de helft van de leden noemt zichzelf een zeer overtuigd aanhanger, ofschoon één op tien zichzelf toch classificeert als niet zo overtuigd aanhanger. Voor zeven op tien leden voldoet het lidmaatschap aan de verwachtingen, maar tegelijkertijd vindt 35% dat het niet zo duidelijk is hoe beslissingen in de partij tot stand komen. Desalniettemin vindt een grote meerderheid (64%) dat de mandatarissen goed bereikbaar zijn, alhoewel drie op tien leden toch vindt dat de partij iets meer naar hun bekommernissen mag luisteren. Uit deze cijfers blijkt dat niet iedereen even tevreden is met de huidige werking, maar dat de kloof tussen (overgebleven) leden en politici al bij al nogal meevalt.

Op het vlak van activiteitsgraad is er daarentegen een daling. Niet minder dan de helft van de sp.a leden zegt dat ze in het verleden (veel) meer actief waren binnen de partij, terwijl 15% aangeeft net meer actief te zijn. Ook als gevraagd wordt naar activiteiten waarvoor de leden zich (nog) willen inzetten of interesse voor betonen, lijkt er slechts een minderheid te zijn die zich zeer actief wil engageren. Wel is men ervan overtuigd dat de banden met het middenveld onderhouden dan wel versterkt moeten worden. Allereerst vindt iets meer dan twee derde van de leden dat de band met de socialistische vakbond en mutualiteit aangehaald moet worden, terwijl iets meer dan de helft van mening is dat er ook meer toenadering gezocht moet worden tot nieuwe middenveldorganisaties zoals Greenpeace, Gezinsbond en Natuurpunt. De boodschap lijkt te zijn dat sp.a het linkse en progressieve middenveld niet in de kou mag laten staan en nog meer moet trachten te betrekken in haar sociaalprogressief project.

Open versus gesloten partij?

Elke hedendaagse partij worstelt met dezelfde vraag: wie mag meebeslissen in de partij? De sp.a ledenbasis lijkt te opteren voor een gematigd open partij. Er is heel wat openheid op het vlak van discussie, minder op het vlak van besluitvorming. De centrale vraag is immers wat de positie is van zogenaamde sympathisanten in de partij, waarbij sympathisanten worden gedefinieerd als mensen die zich verbonden voelen met de partij, maar geen lid zijn. Niet minder dan 56% van de leden vindt dat sympathisanten mogen deelnemen aan congressen, maar wel niet mogen stemmen. Bijna 16% is daarentegen wel van mening dat sympathisanten op het congres mee mogen beslissen, ofschoon een kwart van de sp.a leden het congres toch als een exclusieve aangelegenheid voor mensen met een lidkaart ziet. Deze lijn zet zich door op het vlak van kandidaatstelling. Een overgrote meerderheid (82%) vindt dat kandidaten op sp.a kieslijsten lid moeten zijn of worden van de partij, terwijl bijna twee derde van de leden vindt dat de eigen mensen in de partij meer kansen moeten krijgen. Een substantiële groep (35%) vindt daarentegen dat de partij meer waardevolle mensen van buiten de partij moet trachten aan te trekken. Dat de keuze tussen open en gesloten partij een moeilijke evenwichtsoefening is, blijkt uit het feit dat meer dan de helft van de leden aangeeft dat er nieuw bloed moet worden aangetrokken en dat vernieuwing noodzakelijk is, maar dat de partij tegelijkertijd haar eigen politieke identiteit niet te grabbel mag gooien. De openheid van de partij lijkt erin te bestaan dat nieuwe krachten van harte welkom zijn en er naar hen geluisterd moet worden, maar dat het partijlidmaatschap een belangrijke voorwaarde is voor kandidaten op de kieslijst en voor diegenen die mee willen beslissen in de partij. De evenwichtskunst van de gematigd open partij blijkt ook uit de houding tegenover kartels. Ongeveer één derde van de leden was op het moment van de bevraging voorstander van het kartel met Spirit, een derde was tegen, terwijl een derde er geen uitgesproken mening rond had.

Conclusies

De bedoeling van deze bijdrage was vooral een ruwe schets te geven van het profiel van de sp.a leden. Een eerste opvallende conclusie is dat de sp.a geen dominant vrijzinnige partij is. Integendeel, een grote groep van leden noemt zichzelf katholiek of christelijk. Ten tweede zijn de leden in grote mate geïntegreerd in de zuil, wat blijkt uit het feit dat het ABVV en de socialistische mutualiteit nog steeds de belangrijkste lidmaatschapsorganisaties zijn. De jonge generaties zijn echter relatief gezien meer lid van de niet-klassieke socialistische zuilorganisaties. Zij zijn ook meer dan de oudere leeftijdscategorieën lid van de christelijke vakbond en mutualiteit. Een derde opvallende conclusie is dat de syndicalisatiegraad bij de leden tot 65 jaar zich op hetzelfde niveau bevindt als bij de Vlaamse actieve bevolking. Ten vierde is het duidelijk dat het migrantenthema de partij bij de oudere leeftijdscategorieën sterk verdeeld. Een grote groep lijkt erg etnocentrisch te zijn, maar een even grote groep is het uitdrukkelijk niet. Deze tweedeling speelt echter niet bij de jongere sp.a leden. Ten vijfde zijn de leden in sterke mate ethisch progressief. Ten zesde vormt het socialezekerheidsthema het kernissue van de sp.a, ofschoon een grote minderheid van de leden vindt dat het systeem geen aanleiding tot misbruiken mag leveren en dat de toegang ertoe niet onbeperkt en geheel vrijblijvend mag zijn. Ten zevende blijven de leden sp.a voornamelijk zien als een bestuurspartij die nood heeft aan degelijke beleidsmakers, die tevens rekening houden met de oude en nieuwe sociale bewegingen. Ten achtste houdt men een pleidooi voor een gematigd open partij die rekening houdt met zinvolle progressieve ideeën buiten de partij. De boodschap lijkt hier te zijn dat de partij heel open moet zijn voor ideeën van sympathisanten en sympathiserende organisaties maar dat partijbeslissingen best genomen worden door mensen die lid zijn van de partij.

Patrick Vander Weyden
Politicoloog UGent
Koen Abts
Socioloog ISPO-KULeuven
Sophie Colpaert
Wetenschappelijk medewerker aan de UGent

sp.a - sp.a-leden - partijwerking

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 10 (december), pagina 13 tot 22