Abonneer Log in

Sociale balans van 5 jaar PES-fractie in het Europees Parlement

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 10 (december), pagina 28 tot 36

Na een reeks verkiezingsnederlagen in verschillende landen kan de vraag worden gesteld of sociaaldemocraten in Europa nog wel in staat zijn een wervend verhaal voor mensen te brengen om zo verkiezingen te winnen. In juni 2009 staan er opnieuw Europese verkiezingen op de agenda. Een stembusgang waar het resultaat bovendien vaak beïnvloed wordt door interne, nationale factoren. Dat is jammer. Precies daarom is het belangrijk om aan te tonen dat socialisten in Europa het verschil kunnen maken. De balans opmaken van de werking van de Party of European Socialists (PES) in het Europees Parlement is dan ook een bijzonder nuttige oefening.

De sociaaldemocratie is in een diepe crisis beland. De uitslagen van de voorbije verkiezingen, overal in Europa, waren niet goed. In Spanje won de PSOE wel en houdt de regering-Zapatero haar meerderheid (zij het met de hulp van de Catalaanse socialisten), terwijl in Portugal Socrates de partij van Barroso wipte. In de rest van Europa waren de resultaten veel minder hoopgevend. In eigen land kregen de socialisten, vooral in Vlaanderen, rake klappen tijdens de verkiezingen van 10 juni 2007. In Hongarije hebben de socialisten gewonnen, maar blijft de regering zwaar in de problemen. In Frankrijk is Ségolène Royal niet verkozen. In het Verenigd Koninkrijk is Tony Blair vervangen door Gordon Brown, wat echter niet kon beletten dat Labour verder daalt in de peilingen (hoewel de financiële crisis Brown opnieuw iets steviger in het zadel zette). Daarbij stopt het niet. In Italië wint Berlusconi van Walter Veltroni, na een moeilijke periode met de regering-Prodi en veel onderlinge ruzies. De peilingen voor de SPD in Duitsland en PvdA in Nederland zijn dramatisch. Ook in Denemarken, Zweden en Estland verloren de socialisten de verkiezingen. In Oostenrijk lukte het Alfred Gusenbauer wel om de socialisten in de regering te krijgen, maar ondertussen liep de coalitie met de ÖVP ook al op de klippen.

Minder socialisten, meer soortelijk gewicht

Het is duidelijk dat de PES-fractie in het Europees Parlement het moet stellen met een pak minder bondgenoten in Commissie en Raad in vergelijking met vroegere legislaturen. In de Europese Raad is de PES een van de kleinere broertjes aan het worden. De PES heeft acht regeringsleiders. In de vakministerraden gaat het er iets beter aan toe, gelet op het feit dat de socialisten in 13 van de 27 regeringen aanwezig zijn. Die cijfers zeggen overigens absoluut niet alles, want bijvoorbeeld voor België moet zeker in rekening worden gebracht dat, met sp.a in oppositie en PS in de regering, het gewicht van de socialistische familie in de Raad van Ministers vrij miniem is. De politieke samenstelling in de Raad van Ministers is uiteraard belangrijk, aangezien de Raad, als vertegenwoordiger van de lidstaten, haar wetgevende bevoegdheid deelt met het Europees Parlement, dat de burgers vertegenwoordigt.

In de Europese Commissie, de uitvoerende macht van de Unie die ook als enige Europese instelling het recht heeft om nieuwe wetgeving voor te stellen, is de aanwezigheid van sociaaldemocraten al minder opvallend, omdat de Commissie de facto een politiek neutrale instelling zou moeten zijn. Op papier zijn er 6 sociaaldemocratische Commissarissen. Maar in de praktijk is die scheiding vaak niet zo duidelijk. Want wat te zeggen bijvoorbeeld van de liberale Commissaris Neelie Kroes, die voorstelt om consumenten naar Amerikaans voorbeeld de mogelijkheid te geven door middel van class actions een rechtszaak in te spannen tegen kartels en grote bedrijven. Een voorbeeld bij uitstek waar de kaas van de socialistische boterham werd gegeten. Uiteraard zijn er een aantal sterke socialistische Commissarissen, zoals de Zweedse Margot Wallström, die dapper verder timmeren aan een progressief Europees beleid. Maar bij sommigen zou je toch wel twijfelen over hun rode kleur. En duidelijk is wel dat de meerderheid in de Europese Commissie van Barroso een stuk rechtser en conservatiever is dan in de vorige Commissie onder het voorzitterschap van Romano Prodi.

In het Europees Parlement is de PES-fractie al sinds de verkiezingen van 13 juni 1999 niet langer de grootste fractie. De Europese Volkspartij (EVP) telt momenteel 288 leden. De PES-fractie is pas de tweede fractie in het halfrond met 217 leden, weliswaar een oververtegenwoordiging in vergelijking met de numerieke sterktes van de partijen in de lidstaten zelf. Het moet echter wel gezegd dat de EVP/ED-fractie enkel de grootste is geworden dankzij onnatuurlijke partners zoals de Conservatieven uit het Verenigd Koninkrijk of Forza Italia uit Italië.
In het Parlement bestaat geen vaste coalitie die de regering haar vertrouwen schenkt, aangezien de Europese Commissie geen coalitieregering is. Daarom wisselen de coalities in het halfrond heel vaak. Ook al heeft de PES-fractie geen meerderheid in het Europese halfrond, ze slaagt er wel vaak in om cruciale politieke prioriteiten binnen te halen door telkens de juiste coalities te zoeken met andere fracties. Zoals de groenen bijvoorbeeld, met wie we toch veel idealen delen. Met de GUE/NGL - een alliantie van communisten en Scandinavische groene partijen - ligt dat al wat moeilijker vanwege hun vaak erg extreemlinkse opstelling. In dossiers die handelen over fundamentele rechten en vrijheden, asiel en migratie, consumentenbescherming zoekt de PES vaak een bondgenoot bij de liberale ALDE-fractie. Maar voor de sociale dossiers krijgen we uit die hoek veel minder steun. Dan moeten we medestanders zien te vinden bij de EVP-ED. Daar komt het er vooral op aan om de christendemocratische vleugel mee te krijgen, want met Tories, Forza Italia en andere rechts-conservatieve delegaties valt geen (sociaal) land te bezeilen.
Verder speelt de sterke samenhang van de sociaaldemocratische fractie in het Europees Parlement ook vaak een beslissende rol. Tijdens de plenaire zittingen stemt de socialistische fractie over het algemeen - als het niet gaat om dossiers met grote nationale gevoeligheden - als een hecht blok (veel meer dan de EVP, waar christendemocraten en conservatieven het vaak onderling oneens zijn). De socialistische fractie heeft bijgevolg een groot soortelijk gewicht omwille van haar sterke cohesie en haar vermogen om de juiste coalities te vormen.
In dossiers zoals milieuwetgeving of consumentenbescherming bijvoorbeeld slaagt de PES-fractie er vaak in om voor haar ambitieuze standpunten een meerderheid te vinden in het Europees Parlement. Die grote socialistische invloed op de einduitslag bij de stemmingen van het halfrond was de afgelopen jaren onder andere te merken bij de stemming over het voorstel van havenrichtlijn (de tweede keer al!), over de splitsing van energiebedrijven, het liberaliseren van het nationale treinverkeer (gaat niet door), de verplichte prijsdaling van telefoontjes van en naar het buitenland (roamingtarieven), het REACH-reglement (die de risico’s van chemische stoffen moet beheersen), een nieuwe regeling rij- en rusttijden voor vrachtwagenchauffeurs, enz. Maar bij de beoordeling van de prestaties van de socialistische fractie moet uiteraard veel aandacht gaan naar wat er in de afgelopen legislatuur gebeurde op het vlak van het sociaal beleid.

Sociaal Europa als einddoel

Het einddoel van alle socialistische politici blijft een meer sociaal Europa. Daarbij stelt zich onmiddellijk de vraag in hoeverre dit doel op het einde van deze legislatuur 2004-2009 bereikt is, en of het glas halfvol dan wel halfleeg is. Om zich een goed beeld te vormen van het huidige Europese sociaal beleid, houdt men best de oorspronkelijke bedoeling van de Europese Economische Gemeenschap van 1957 voor ogen: ‘door middel van economische integratie in de verschillende lidstaten welvaart en sociale vooruitgang creëren om duurzame vrede tot stand te brengen’. Dit Europese economische verhaal heeft onvermijdelijk een duidelijke sociale dimensie waarin sociale solidariteit en herverdeling centraal staan. Er is echter duidelijk een verschil in snelheid tussen de economische en sociale dimensie van het Europese beleid. De economische eenmaking in het kader van de interne markt gaat op een behoorlijk tempo verder, terwijl sociale integratie via sociale wetgeving op een slakkengangetje verder sukkelt.
De creatie van een Europese interne markt heeft duidelijk enorme welvaart gebracht in Europa, maar dat volstond niet om iedereen sociale vooruitgang te brengen. Enkele recente cijfers tonen een groeiende diversiteit in een uitgebreide EU: het Bruto Binnenlands Product per capita in de EU varieert in 2007 van 36 in Bulgarije tot 261 in Luxemburg (EU gemiddelde = 100). De regionale werkloosheidsgraad in de EU varieert van 2,6% tot 28,5% (2006). Het risico op armoede in de EU varieert van land tot land: van 10% van de bevolking in Tsjechië en Nederland tot 23% in Letland. Zo’n 78 miljoen Europeanen zijn arm of lopen het risico om in de armoede terecht te komen, zijnde 16% van de totale bevolking. Er zijn bovendien 14 miljoen werkende armen in de EU.
De drijfveer voor een meer rechtvaardige verdeling van de welvaart en de nood aan een sociale dimensie in de Europese wetgeving zijn dus meer dan gerechtvaardigd. Die sociale dimensie moet er meestal komen onder druk van de socialistische beweging. Dat kan op twee manieren. Hetzij door interne marktwetgeving een sociale toets mee te geven. Hetzij door specifieke sociale wetgeving uit te werken. Dat laatste is de laatste vijf jaar overduidelijk te weinig gebeurd. Als je kijkt naar welke dossiers de afgelopen jaren geblokkeerd zaten in de Raad, of zelfs niet op de agenda van de Commissie geraakten, dan besef je dat een sociale agenda niet de hoofdbrok van het Europese beleid is geweest.

Een Europese sociale agenda

De legislatuur begon nochtans veelbelovend. Begin 2005 presenteerde de Europese Commissie een nieuwe sociale agenda, waarin de krijtlijnen van het sociale beleid voor de periode 2006-2010 werden uiteengezet. Het Europees sociaal beleid krijgt traditioneel via verschillende instrumenten gestalte: naast wetgeving en sociale dialoog die sociale rechten op Europees vlak vastleggen, wordt ook het sociaal beleid van de lidstaten gecoördineerd en ondersteund via de open coördinatiemethode en met financiële programma’s.
De sociale agenda oogde dus behoorlijk ambitieus. Zo werd de werkgelegenheidsstrategie nieuw leven in geblazen, werd er een beleidscoördinatie rond kwaliteit van gezondheidszorg opgestart en beloofde de Commissie ook een tandje bij te steken in de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting. Ook de plannen voor nieuwe sociale wetgeving klonken veelbelovend: versterking van werknemersrechten bij herstructureringen, collectief ontslag en overnames, meer rechten op informatie en consultatie van werknemers en een kader voor transnationale onderhandelingen.
Maar in de praktijk raakte het wetgevingswerk maar niet van de grond. De Europese sociale partners raakten het niet eens over de verbetering van de werknemersrechten in Europese ondernemingsraden. Toch bleef de Commissie zwijgen in alle talen. Het zou nog tot 2008 duren vooraleer zij een wetgevingsvoorstel aan het Europees Parlement deed. Onder leiding van een socialistische rapporteur wordt daar nu hard gewerkt om de rechten op informatie en consultatie te versterken, nog voor de verkiezingen van 2009.

In andere dossiers weet het Europees Parlement onder impuls van de PES-fractie stevige overwinningen te boeken in sociale wetgeving, maar moet ze optornen tegen een onwillige of conservatieve Raad. Zo is de arbeidstijdenrichtlijn jarenlang geblokkeerd geweest in de Raad omdat het Verenigd Koninkrijk vasthield aan de eis om te kunnen afwijken van de maximale werkduur van 48 uur per week, terwijl landen zoals Frankrijk, Spanje en Italië zich hebben verzet tegen het behoud van een afwijking. Ook het Europees Parlement - onder leiding van een socialistisch rapporteur - had de afwijking geschrapt. Afwijkingen op de maximale werktijd zijn immers een inbreuk op het recht van elke werknemer op een beperking van de werktijd, vastgelegd in het Charter van Fundamentele Grondrechten van de EU. Ook stelt het Parlement dat wachtdiensten volledig moeten tellen als arbeidstijd, zelfs al is het verplegend personeel of de brandweerman tijdens de wacht aan het slapen. Dat was ook de mening van het Europees Hof van Justitie, aangezien wachtdiensten niet kunnen aanzien worden als vrije tijd. Uiteindelijk kwam in de Raad een slecht compromis uit de bus waarin die uitzondering werd toegestaan en zelfs uitgebreid. In het Parlement maakt de PES-fractie intussen de borst nat om de tekst alsnog grondig bij te sturen.
Ook de richtlijn op uitzendarbeid is jarenlang een bevroren dossier geweest in de Raad. Meest heikel punt was hier de periode waarin werknemers werkzaam onder een interim-contract minder kunnen worden betaald dan gewone werknemers. Een aantal landen legden de nadruk op het beginsel van gelijke behandeling (Frankrijk, Spanje, Italië en Oostenrijk), terwijl anderen (Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Polen en Ierland) pleitten voor een periode van zes maanden of zelfs langer waarin gelijke beloning voor interim-krachten niet wordt gegarandeerd. Alweer onder leiding van een socialistische rapporteur, was de PES-fractie er jaren geleden al in geslaagd om een meerderheid te vinden in het Parlement voor gelijke behandeling vanaf dag één. Zes jaar later volgt de Raad dat standpunt dan toch. Het akkoord dat werd bereikt, kan als een overwinning worden beschouwd. Zeker gezien de vaak precaire situatie waarin tijdelijke werkkrachten in sommige Europese landen vandaag vertoeven. Een basissokkel gelijke behandeling is dan bijzonder welgekomen.

De blokkeringen in de Raad en de grote verschillen tussen de lidstaten in een uitgebreide Europese Unie zorgen ervoor dat de Europese Commissie maar blijft aarzelen om met nieuwe wetsvoorstellen af te komen. Zo blijven verschillende wetsvoorstellen die de Commissie in haar sociale agenda had beloofd lange tijd in de kast zitten. Hierdoor is de socialistische fractie verplicht om alle agit-prop technieken boven te halen en via hoorzittingen, petities en interpellaties, in alliantie met vakbonden en maatschappelijke organisaties, haar eisen over het sociale beleid kracht bij te zetten. Pas in het vooruitzicht van de verkiezingen van 2009 en na de mislukking van het Ierse referendum heeft de Europese Commissie getracht om haar beleid nog snel een extra sociale toets mee te geven door begin juli 2008 een hernieuwde sociale agenda bekend te maken.
Deze nieuwe sociale agenda is een ultieme poging van Commissievoorzitter Barroso om een sociaal gezicht te tonen, maar helaas: too little, too late. Onder het leiderschap van Barroso hebben zowel Nederland, Frankrijk als Ierland tegen een nieuw Europees Verdrag gestemd. Veel mensen zijn ontgoocheld in het sociale beleid van de Europese Unie. In de nieuwe sociale agenda zitten zeker een aantal goede maatregelen, maar ze mist duidelijk visie en ambities over de rol van Europa op het gebied van sociaal beleid. Bovendien bevat het pakket slecht een beperkt aantal wetgevende voorstellen. Opvallend is trouwens hoe sterk de Commissie benadrukt dat sociaal beleid hoofdzakelijk een nationale aangelegenheid blijft.
Na vier jaar (non-)beleid en amper een jaar voor de verkiezingen komt de Europese Commissie nu pas met een poging voor een meer sociaal beleid. Elke regering zou daarvoor afgestraft worden. Zo komt nu pas een voorstel op tafel om de wetgeving op de Europese ondernemingsraden te herzien, na jarenlang aandringen van het Parlement. Ook de nieuwe wetgeving over het verbod op discriminatie buiten de werkvloer op grond van overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid is een overwinning voor de progressieve vleugel in het Parlement en de sociale organisaties, want lange tijd zag het ernaar uit dat conservatieve krachten in Raad en Commissie het voorstel zwaar wilden uitkleden en van gelijke kansen van holebi’s niet wilden horen. Eindelijk komt er ook een voorstel om de Europese coördinatie van het nationale beleid op het gebied van armoede en sociale bescherming te versterken met meetbare doelstellingen. De PES-fractie, die al jaren actie voert voor het instellen van een armoedenorm, kan deze overwinning gerust op haar rekening schrijven. Hoe dan ook hopen de socialisten in het Parlement voldoende steun te krijgen om de nieuwe sociale agenda een pak ambitieuzer te maken.

Als we stellen dat het sociale beleid van de Unie in veel opzichten een magere oogst heeft opgeleverd, wordt misschien nogal snel de lijn doorgetrokken naar de verwezenlijkingen van de PES-fractie daarin. Maar op veel belangrijke punten heeft de socialistische groep haar slag wél kunnen thuis halen. Reden daarvoor: een sterke cohesie en alliantie, ook met de vakbonden en het maatschappelijk middenveld. Daardoor konden we bijvoorbeeld bij belangrijke stemmingen de christendemocraten losweken uit de EVP. Onder impuls van de socialistische fractie is in het Europees Parlement wel degelijk vooruitstrevende sociale wetgeving gestemd. Maar vaak zien socialisten hun geslaagde pogingen om een meerderheid te vinden in het Parlement achteraf sneuvelen in een overwegend conservatieve Raad van Ministers.

De interne markt sociaal bijsturen

In de periode 2004-2009 had de socialistische fractie de handen vol om al te liberale voorstellen van de Commissie of al te conservatieve houdingen in de Raad af te straffen door een sociale toets te geven aan de wetgeving inzake interne markt in het Europees Parlement. Dat was vroeger wel eens anders geweest. Zo is er het voorbeeld van de liberalisering van de grondafhandelingsdiensten op de Europese luchthavens. Die sector werd vrijgemaakt, met in de praktijk vaak catastrofale gevolgen op de luchthavens zelf - bijvoorbeeld bij de bagagisten -, zonder dat de socialisten in het halfrond of de Raad erin slaagden om die richtlijn zodanig bij te schaven dat ze eigenlijk ongevaarlijk werd. Ook bij andere vrijmakingen van bepaalde sectoren in de interne markt werd vaak te weinig rekening gehouden met het toevoegen van sociale garanties in de teksten opdat op het terrein de vele werknemers en werkneemsters uit die sectoren door Europa voldoende beschermd zouden worden.

De legislatuur 2004-2009 leerde dat het ook anders kon. In 2004 sloeg het wetgevende voorstel van de toenmalige Nederlandse Commissaris Fritz Bolkestein om de interne markt voor diensten volledig vrij te maken in als een bom. Het ging immers om een ultraliberaal voorstel waarbij op geen enkele manier rekening werd gehouden met de sociale gevolgen van een radicale liberalisering. De opzet om de administratieve rompslomp in de Europese dienstensector aan te pakken was zeker lovenswaardig. Maar de manier waarop de Commissie deze vrijmaking van de dienstensector aanpakte, was daarentegen ontoelaatbaar. Een belangrijk basisbeginsel van het Commissievoorstel was het zogenaamde oorsprongslandbeginsel. Volgens dit beginsel zijn bedrijven die gevestigd zijn in om het even welke lidstaat van de Europese Unie en die in een andere lidstaat tijdelijke diensten komen uitvoeren, enkel onderworpen aan de wetgeving van hun eigen land. Vanzelfsprekend was dit principe onaanvaardbaar. Het kan immers enkel werken op voorwaarde dat er in elke lidstaat een evenwaardige wetgeving voorhanden is. Bij gebrek hieraan zou dit beginsel een neerwaartse concurrentiespiraal op gang brengen. Bovendien was het Commissievoorstel van toepassing op een heel ruime waaier aan diensten. Zodra er sprake was van enige economische tegenprestatie, vielen ze onder de ontwerprichtlijn. Het lijstje van diensten omvatte niet alleen puur commerciële diensten maar ook gevoelige gemeenschapsvoorzieningen zoals gezondheidszorg en sociale diensten.

De socialistische fractie was van dichtbij betrokken bij de behandeling van de voorgestelde richtlijn: Evelyne Gebhardt, een Duitse sociaaldemocrate, werd aangesteld als rapporteur en coördinator in het Europees Parlement. Voorts was ikzelf rechtstreeks betrokken als rapporteur voor de parlementaire commissie werkgelegenheid en sociale zaken. Tijdens de behandeling van het voorstel in eerste lezing vond er een hevig politiek debat plaats. De Europese socialisten wilden ten allen koste vermijden dat de voorgestelde richtlijn zou leiden tot sociale dumping en anderzijds waarborgen dat lidstaten waar ondernemingen en zelfstandigen zich komen aanbieden de nodige regels konden blijven opleggen ter bescherming van het milieu en de consument. Ook al leek het Commissievoorstel heel technisch, toch is de socialistische fractie erin geslaagd aan te tonen dat er onaanvaardbare risico’s verbonden waren aan het voorstel. De ‘Bolkestein’-richtlijn maakte ook al vlug het voorwerp uit van een controverse in de media waardoor Europese burgers, werknemers en ondernemingen gesensibiliseerd werden.
De socialistische fractie slaagde erin om voor haar eisenpakket de steun te winnen van zowel christendemocraten als sommige liberalen, wat niet meteen vanzelfsprekend was. Ook binnen de socialistische fractie vond er trouwens heel wat discussie plaats. Zo verdedigden enkele collega’s uit nieuwe EU-lidstaten dat hun bedrijven hun diensten tegen lagere lonen en arbeidsvoorwaarden moesten kunnen aanbieden in het buitenland. Pas nadat duidelijk werd dat er ook werknemers in hun eigen land waren die er aan nog lagere lonen aan de slag waren, heeft de voltallige socialistische fractie zich verenigd om te garanderen dat werknemers die worden gedetacheerd naar een ander land weldegelijk gelijk zouden worden behandeld.
Onder leiding van de socialistische fractie heeft het Europees Parlement de ontwerp-richtlijn radicaal herschreven. Het risico op sociale dumping is vermeden doordat nu duidelijk in de tekst staat dat de richtlijn geen afbreuk mag doen aan het arbeidsrecht en de CAO’s die gelden in de lidstaten. We zijn er ook in geslaagd het oorsprongslandbeginsel overboord te gooien. De definitieve tekst zegt nu dat elk land het recht van dienstverleners moet respecteren en geen overdreven of discriminerende eisen mogen opwerpen. Waar het gaat om de bescherming van leefmilieu, openbare veiligheid en openbare orde blijven de regels van het land waar de dienst wordt geleverd, van toepassing. Ook de controle op de naleving van de spelregels is weer in handen gekomen van de lidstaat van ontvangst.
Bovendien zijn door toedoen van het Parlement een pak diensten uitgesloten van de richtlijn: gemeenschapsvoorzieningen die niet onderworpen zijn aan concurrentie (verplicht basisonderwijs, justitie, politie, enz.), publieke en private gezondheidszorg, sociale diensten, audiovisuele diensten zoals radio, TV en cinema, gokactiviteiten, diensten van uitzendbedrijven, particuliere beveiligingsdiensten, vervoersdiensten met inbegrip van havendiensten, enz. Ten slotte heeft het Parlement op aandringen van de socialistische fractie elke verzwakking van de controle op de detachering van werknemers door het land waarnaar werknemers worden gedetacheerd, geschrapt. De Commissie wou met haar voorstel het land van ontvangst voortaan immers verbieden om nog een aantal essentiële vereisten op te leggen (zoals het vragen van een vergunning, het afleggen van een detacheringverklaring en het hebben van een vertegenwoordiger op het grondgebied). Het signaal van het Parlement was krachtig en duidelijk: de detacheringrichtlijn moet worden gerespecteerd. Dat betekent dat bedrijven die tijdelijk werknemers ter beschikking stellen in een ander land de loon- en arbeidsvoorwaarden van dat land moeten naleven. Bovendien moet de controle op de naleving van deze voorwaarden worden gegarandeerd.
Ook al verschilde de houding van de Europese volkspartij (EVP) en de Europese socialisten (PES) ten aanzien van het Commissievoorstel aanvankelijk aanzienlijk, zijn we er dus toch in geslaagd om samen met de centrumvleugel van de EVP een gemeenschappelijk standpunt te bereiken en een meerderheid van de parlementsleden over de streep te halen voor een grondig herschreven richtlijn. De socialistische fractie werd hierbij trouwens steeds geruggensteund door de Europese Vakvereniging (EVV) die zich heel actief heeft opgesteld in elke fase van de besluitvorming en in het bijzonder gedurende de stemming in de zitting in Straatsburg. Het EVV organiseerde toen bijvoorbeeld een grote vakbondsbetoging van 50.000 man.

Het glas halfvol of halfleeg?

Met het succes van de dienstenrichtlijn is het sociale karakter van de Europese Unie echter nog niet gered. Het blijft een bijzonder en niet-aflatend gevecht om als sociaaldemocraten en socialisten in de EU-instellingen een evenwicht te vinden tussen enerzijds meer Europese economische integratie en anderzijds het garanderen van afdoende sociale bescherming van werknemers in de lidstaten. Hoe langer hoe meer wordt duidelijk dat de Europese marktwerking de (subsidiaire) sociale bescherming niet ongemoeid laat. Het is dan ook terecht dat de socialistische fractie in het Parlement van de Commissie eist dat er Europese wetgeving wordt gemaakt om het sociaal beleid van de lidstaten te vrijwaren van ongewenste invloeden van de interne marktregels of de concurrentiewetgeving.

De sociale en gezondheidsdiensten zijn dan wel uit de dienstenrichtlijn gehaald, maar daarom zijn deze sectoren nog niet gevrijwaard van marktwerking. De PES-fractie heeft voorstellen klaar voor een kaderrichtlijn diensten van algemeen belang (gemeenschapsvoorzieningen) en pleit ook voor een sectorrichtlijn sociale diensten. De PES heeft hier rond als partij een campagne gelanceerd en ook de Europese Vakvereniging (EVV) organiseert samen met de Europese sociale middenveldorganisaties verenigd in het Sociaal Platform, een grootscheepse petitieactie. Ondanks alle witboeken en mededelingen, blijft de Commissie erg weigerachtig om via wetgeving ongewenste vermarkting van sociale en gezondheidsdiensten tegen te gaan. Hier ligt ongetwijfeld nog een cruciaal strijdpunt van socialisten in het Europees Parlement na de verkiezingen van 2009.
Even noodzakelijk is een opheldering over de verhouding tussen fundamentele arbeidsrechten - zoals het recht van elke werknemer op gelijke arbeidsvoorwaarden voor gelijk werk en het recht op collectieve acties - enerzijds en de vrijemarktregels in Europa anderzijds. Die verhouding staat ter discussie sinds een aantal arresten van het Hof van Justitie over de detachering van werknemers (Laval, Viking, Rüffert). De PES dringt aan op een herziening van de wetgeving over detachering van werknemers en wil een betere samenwerking tussen sociale inspectiediensten, om die sociale rechten veilig te stellen. De socialistische fractie kan daarbij rekenen op de volle steun van het EVV. Voorlopig raakt de Commissie niet verder dan de lancering van een Forum van de lidstaten en de sociale partners over hoe sociale rechten te respecteren tegen de achtergrond van toenemende arbeidsmobiliteit. De PES-fractie heeft dan ook in aanloop naar de verkiezingen een campagneplan opgemaakt.

Hoe dan ook ligt er nog erg veel werk op de plank. In aanloop naar de Europese verkiezingen heeft de PES-fractie, op basis van het PES-rapport The New Social Europe (opgemaakt onder leiding van Poul Nyrup Rasmussen en Jacques Delors, waaraan ook ikzelf heb meegeschreven) een stevig actieprogramma uitgewerkt om onze Europese sociale eisen krachtig te formuleren. Want het is duidelijk dat er ook in het volgende Europees Parlement een sterke socialistische groep nodig zal zijn om de economische en sociale integratie beter op elkaar af te stemmen en nieuwe grondprincipes voor een sociaal Europa uit te tekenen.

Anne Van Lancker 1
Europees parlementslid sp.a

cartoon: © Arnout Fierens

Noot
1/ Anne Van Lancker dankt haar medewerkers Wim, Wouter en Griet voor het totstandkomen van het artikel. Deze bijdrage verscheen eveneens in Belgian Society and Politics - Annual Review 2008-2009, het internationale jaarboek van de Stichting Gerrit Kreveld / Samenleving en politiek.

PES - Europees Parlement - sociale bescherming

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 10 (december), pagina 28 tot 36