Abonneer Log in

Het verloren paradijs

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 2 (februari), pagina 30 tot 32 en 41 tot 45

Begin jaren 1990 was de algemene verwachting dat Mobutu spoedig het bijltje er zou bij neerleggen en dat de Kivu-streek in het oosten van Congo de motor zou worden van de wederopstanding van het land. In de nadagen van Mobutu groeide en bloeide er de Société Civile, een verzamelnaam voor allerhande burgerinitiatieven, die een alternatief boden voor de afbrokkelende staat. Wie kon toen vermoeden dat datzelfde Kivu in 1994 het toneel zou worden van een drama, dat tot op de huidige dag voortduurt? Wie kon toen vermoeden dat begin 2009 de teller van het aantal dodelijke slachtoffers op bijna 6 miljoen zou staan, evenveel als er joodse slachtoffers waren tijdens de Holocaust?

DE AANLOOP

De Kivu-streek in het oosten van Congo is weinig minder dan een paradijs. De natuur is er prachtig, het klimaat gematigd (gemiddelde temperatuur 18°), de grond buitengewoon vruchtbaar. En rijk. Goud, coltan, casseriet en tal van andere mineralen liggen er bij wijze van spreken voor het oprapen.
Kivu is, in zekere zin, het slachtoffer geworden van zijn ligging aan het gelijknamige meer. Dat is niet alleen één van de levensaders van het gebied, maar het vormt ook de grens met Rwanda. Al van in de 19de eeuw is er constant een migratiestroom geweest van Tutsi (veehouders) en Hutu (landbouwers) uit Rwanda. Na de onafhankelijkheid van Rwanda in 1962, toen daar een Hutu-bewind aan de macht kwam, vluchtten vele Tutsi naar de buurlanden, onder meer ook naar (Noord-) Kivu. Daar hadden ze maar één verlangen: ooit terugkeren naar hun land en er de macht heroveren.
In 1994 woonden er in Kivu naar schatting 2 miljoen mensen van Rwandese afkomst. Dat was het jaar van de machtsovername door de Tutsi in Rwanda zelf, onder leiding van de huidige president Kagame. De droom van de vluchtelingen was uitgekomen. Maar dan wel in een oceaan van bloed: de genocide, waarin honderdduizenden mensen, Tutsi én Hutu, werden afgeslacht. De moordenaars waren hoofdzakelijk soldaten van het oude regeringsleger en leden van milities, onder wie de beruchte Interahamwe (‘zij die samen vechten’).
Om aan de wraak van Kagame’s Tutsi-leger te ontsnappen vluchtten ze op hun beurt naar de buurlanden. Ze joegen daarbij de burgerbevolking voor zich uit. Meer dan 1 miljoen Rwandezen stroomden in mei 1994 de Congolese grensstad Goma binnen. Onder hen een paar duizend génocidairs, in het bezit van legermaterieel en wapenuitrusting. Vanop Congolees grondgebied organiseerden ze niet alleen aanvallen op Rwandees grondgebied, ze gingen ook op zoek naar Congolese Tutsi om ze te vermoorden. De internationale gemeenschap drong er bij Mobutu op aan om zowel de Interahamwe als de ex-soldaten te ontwapenen. Hij beloofde het wel, maar deed het niet. Integendeel: op een gegeven moment wilde hij alle Congolese Tutsi uit het land zetten. Het zou hem fataal worden. In Zuid-Kivu kwamen de Tutsi-migranten in opstand. Ze noemden zich Banyamulenge (‘die van Mulenge’) naar een dorp waar alleen Tutsi wonen. Het zou een begrip worden in de Congolese politiek. De Banyamulenge bleken meegevochten te hebben met Kagame in Rwanda. Ze riepen nu op hun beurt zijn hulp in. Die voldeed daar maar al te graag aan, daartoe expliciet aangemoedigd door de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Canada. De tragedie was nu echt begonnen.

DE EERSTE OORLOG

We schrijven 1996. Met niets ontziend geweld viel het Rwandese regeringsleger de fragiele vluchtelingenkampen aan. Met zwaar geschut bliezen ze de hutjes en tenten letterlijk weg. Tienduizenden mensen, onder hen ook vele Congolese burgers, kwamen om. Het leger van Mobutu had noch de wil noch de mogelijkheden om verzet te bieden. Moordend, plunderend en verkrachtend zetten de Mobutu-soldeniers het op een lopen, richting Kinshasa. De Hutu-vluchtelingen die de eerste aanvallen hadden overleefd, trokken op hun beurt het binnenland in. Vele vrouwen, kinderen en bejaarden, maar ook génocidairs. Te voet, in de brandende zon en zonder levensmiddelen liepen ze 1000 kilometer ver. Honderden mensen bezweken onderweg van ontbering. In Kisangani, hoofdstad van de Oostprovinicie, werden ze ingehaald door het Rwandese leger en zijn Congolese bondgenoten. In een bos in de buurt van de stad werden 40.000 Hutu afgeslacht. Onder de bevelvoerende officieren bevond zich een jonge Congolees: de nog onbekende Joseph Kabila.
Na de val van Kisangani lag de weg naar Kinshasa breed open voor de invasiemacht. Rwanda had ondertussen hulp gekregen van tal van andere Afrikaanse landen: zijn oude bondgenoot Uganda, Angola, Zimbabwe, Tsjaad, ja zelfs Namibië. ‘De Eerste Wereldoorlog op Afrikaanse bodem’ (dixit toenmalig VS-Minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Allbright) was begonnen. Op 17 mei 1997 trokken de geallieerden Kinshasa binnen zonder een schot te lossen. In hun spoor maar op veilige afstand volgde Laurent-Désiré Kabila, die beweerde dat hij de leider was van een rebellie tegen de dictatuur van Mobutu. Dankzij Rwanda kon hij zich nu installeren in het door Mobutu ontruimde presidentieel paleis.

DE TWEEDE OORLOG

Lang duurde de liefde niet. Rwanda beschuldigde Kabila er al snel van de nog resterende génocidairs de hand boven het hoofd te houden. In augustus 1998 gaf Kabila de Rwandese militairen het bevel Congo te verlaten. Die reageerden met een poging tot staatsgreep. Toen die mislukte werd het scenario van 1996 opnieuw uit de lade gehaald. Rwanda viel een tweede keer Oost-Congo binnen (Uganda deed hetzelfde in de noordelijke Evenaarsprovincie). Weer werd de fictie van een rebellie uit de hoge hoed getoverd. De Tutsi uit Noord- en Zuid-Kivu richtten een politiek-militaire beweging op: de Rassemblement Congolais pour la Démocratie (RCD). In Goma vestigde die RCD een ‘rebellen’regering, die getrouw de orders vanuit Kigali uitvoerde. Maar de RCD viel al snel uiteen in elkaar bestrijdende facties en milities. Alleen de RCD-Goma behield het vertrouwen van de Rwandese patron. Militair gesproken werd de doelstelling dit keer niet gehaald. Kabila de Oude werd gered door zijn bondgenoten van 1996-97, voornamelijk Angola en Zimbabwe. Congo werd de facto in tweeën gesplitst: het westen bleef onder controle van Kabila, het oosten was ‘rebellen’gebied, waar Rwandese militairen de plak zwaaiden.

Voor de bevolking in Oost-Congo begon de horror pas goed. De soldaten van Kagame en hun vazallen van de RCD gedroegen zich als beesten. De inzet was al lang niet meer de aanwezigheid van génocidairs maar van grondstoffen. Rwanda werd in die jaren een exporteur van diamant, hoewel er in de Rwandese bodem nooit één enkele diamant gevonden is. Toevallig viel de bezetting van Oost-Congo samen met de wereldwijde explosie van de gsm-markt. In een mobieltje zit coltan (in feite een samensmelting van 2 metalen: columbiet en tantaliet). Coltan wordt ook gebruikt voor laptops en videospelletjes. Het wordt maar op 2 plaatsen in de hele wereld gevonden: in Australië en Kivu. Met coltan kunnen dus fortuinen worden verdiend. De arme sloebers die coltan of andere mineralen uit de grond haalden, deden dat voortaan onder bewaking van Rwandese militairen of Congolese milities. Hun vondsten moesten ze verkopen aan tussenpersonen, die er zelf de prijs van bepaalden. Wie probeerde met een paar grammetjes goud of een diamantje ongemerkt het domein te verlaten, werd neergeknald. Maar de Rwandezen, voor wie iedere niet-Tutsi sowieso niet te vertrouwen was, schoten ook in de dorpen op al wat bewoog. Vrouwen die op het veld werkten werden verkracht, de oogsten gestolen. Hutten werden afgebrand, de kinderen ontvoerd. De elkaar bekampende Congolese krijgsheren volgden dit voorbeeld. Gevolg: de landbouw en bijgevolg de voedselproductie viel stil. In het vruchtbare Kivu heerste nu hongersnood.
Het leed van de bevolking in Oost-Congo werd zo groot dat vanuit de meest diverse hoeken geprobeerd werd de strijdende partijen tot een akkoord te bewegen. Dat kwam er pas in 2002, nadat de oude Kabila vermoord was en opgevolgd door zijn zoon Joseph. Grof geschetst behelsde het een politiek en een militair luik.

DE DERDE OORLOG?

Op politiek vlak werd Congo herenigd onder president Kabila de Jonge. Een voorlopig bewind moest een democratische grondwet opstellen en vrije verkiezingen organiseren. Al die afspraken werden gehonoreerd. Kabila won de presidentsverkiezingen in 2006 dankzij overweldigende steun in het oosten. In Kivu haalde hij - zonder fraude - tot 90% van de stemmen. Hij werd daar immers beschouwd als de man die eindelijk vrede zou brengen. Dat dit nog steeds niet het geval was, drie jaar na het akkoord, had alles te maken met het mislukken van het militaire luik ervan.

Afgesproken was dat alle milities en roversbendes (er waren er in 2002 meer dan 30) zouden worden samengesmolten met het regeringsleger van Kabila tot één enkele krijgsmacht. Ook de gewapende arm van de RCD zou in het leger geïntegreerd worden. Dit kon niet anders dan goed fout gaan. Vooreerst was (en is) het regeringsleger slecht uitgerust, slecht opgeleid en slecht (of helemaal niet) betaald, maar het is wel gewapend. Congolese militairen hebben dan ook een al van in de Mobutu-tijd bestaande traditie om af te persen, te roven, te plunderen, te moorden én te verkrachten. Ze doen dus precies hetzelfde als de milities. Wat te voorspellen was, is dan ook gebeurd. In de gemengde brigades is het gebrek aan discipline stuitend. Vaak komt het tot gevechten tussen de voormalige vijanden, zij het dat ze nu allemaal hetzelfde uniform dragen. Wat ze wel gezamenlijk doen, is zich tegen de bevolking keren. In Kivu betekent dit: boerderijen overvallen en in brand steken, de oogsten en het vee stelen, de boer vermoorden, de boerin verkrachten of erger, de kinderen ontvoeren om ze in te zetten als seksslavin of kindsoldaat. Bovendien heeft dit nieuw gevormde ‘leger’ ook af te rekenen met muiterijen. De krijgsheren, rijk geworden met de grondstoffenroof, lokken hun voormalige militieleden vaak terug met het voorspiegelen van een goed betaald luilekkerleventje.
Helemaal mis ging het met de integratie van het voormalige Tutsi-rebellenleger. De RCD-officieren kregen wel hoge functies aangeboden maar lang niet allemaal waren ze daar tevreden mee.
In 2004 al trok één van die officieren eruit met medeneming van 3 à 4000 getrouwen: generaal Laurent Nkunda. Hij verschanste zich met zijn manschappen in de Masisi-streek in Noord-Kivu en deed van daaruit wat de andere milities doen: plunderen, brandstichten, verkrachten en moorden. Zijn excuus: de Congolese Tutsi worden nog altijd bedreigd door uit Rwanda afkomstige génocidairs, die niet in aanmerking komen voor integratie in het regeringsleger, maar er wel mee samenwerken.
In november 2007 spraken Rwanda en Congo in Nairobi af om het probleem van deze Hutu-rebellen eens en voorgoed op te lossen. Congo zou ze ontwapenen, Rwanda zou een lijst opstellen met namen van génocidairs die naar Rwanda moesten terugkeren om er berecht te worden. Een en ander moest ten laatste eind augustus 2008 uitgevoerd zijn. Rwanda gaf de Congolezen een fantaisistische lijst, waarop zelfs namen staan van mensen die in het jaar van de genocide niet eens geboren waren. Van de ontwapening kwam evenmin iets in huis.
Zowel in Noord- als Zuid-Kivu bleven gevechten en rooftochten voortduren, met alle gevolgen van dien voor de bevolking. Uiteindelijk koos de regering in Kinshasa voor een geweldloze aanpak: in januari 2008 werd in Goma een vredesconferentie georganiseerd, waaraan niet minder dan 22 gewapende organisaties deelnamen, ook Nkunda’s beweging (maar niet de Hutu-rebellen). Allen ondertekenden ze een akkoord dat voorzag in een bestand en geleidelijke ontwapening van hun milities. Hoewel er hier en daar wat succesjes werden geboekt, bleef ook dit akkoord grotendeels dode letter. Op 27 augustus vorig jaar lapte Nkunda het akkoord ook formeel aan zijn laars. Vermits de Hutu-rebellen op die datum niet ontwapend waren, zoals in Nairobi was afgesproken, begon hij een grootscheeps offensief.
In minder dan geen tijd bracht hij een groot deel van Noord-Kivu onder zijn controle. Honderdduizenden mensen sloegen op de vlucht, waarmee het totaal aantal ontheemden op 2 miljoen kwam te staan. Vele van deze mensen zijn onbereikbaar voor humanitaire bijstand. Sterker nog: zelfs in de vluchtelingenkampen zijn ze niet veilig. Zowel Nkunda’s mannen als leden van andere milities voeren raids uit op sommige van deze kampen en verkrachten er de vrouwen. Te stelen valt er bij deze havelozen weinig, te terroriseren des te meer. Vele Congolezen zien hierin het begin van de ‘derde oorlog’. Maar wie zijn dan precies bij deze oorlog betrokken?

Laurent Nkunda en de CNDP

Laurent Nkunda (voluit Nkundabatware, een naam die beter zijn Rwandese oorsprong aangeeft) is een 42-jarige Tutsi, afkomstig uit Noord-Kivu. Tijdens de oorlog in Rwanda (1990-1994) vocht hij aan de zijde van Kagame tegen het Hutu-bewind. Tijdens de ‘tweede oorlog’ van 1998 tot 2002 was Nkunda majoor in het leger van de rebellenbeweging RCD, wat hem in de ogen van de Congolese bevolking tot een collaborateur maakte. Na het vredesakkoord werd hij in het geïntegreerde regeringsleger bevorderd tot generaal. In 2004 haalde hij voor het eerst de wereldmedia door als rebel Bukavu in te nemen. Een week lang zaaiden zijn mannen terreur, moordend, verkrachtend en plunderend. Voor deze en andere misdaden werd een internationaal arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd. Maar om het vredesproces van Goma te bevorderen, verleende het Congolese parlement hem amnestie. In 2006 maakte Nkunda van zijn bende muiters een ‘politiek-militaire’ beweging: de CNDP (Congrès National pour la Défense du Peuple).1
Maar Nkunda heeft nooit de steun gehad van de hele Tutsi-gemeenschap. Zelfs in zijn eigen beweging heerst verdeeldheid. Zijn chef-staf Bosco Ntaganda distantieerde zich herhaaldelijk en openlijk van zijn baas. In januari 2009 kwam de definitieve breuk: Bosco zette Nkunda af en verzoende zich met het Congolese regeringsleger. Korte tijd nadien werd Nkunda op Rwandees grondgebied gearresteerd. Tot op vandaag (begin februari 2009) is niet duidelijk wat Nkunda’s getrouwen, geschat op zo’n 2000 man, zullen doen.
In december vorig jaar publiceerde een onderzoekscommissie van de VN een rapport waaruit blijkt dat de CNDP ‘belastingen’ heft op de coltanmijn van Bibatama in de Masisi-streek. Een deel van de productie staat zelfs via tussenpersonen rechtstreeks onder controle van de CNDP. De coltan (honderden kilo’s per week) wordt via een ‘bevriend’ kantoor in Goma doorverkocht aan het Belgische bedrijf Trademet.2 Voor het overige moeten boeren niet alleen belastingen in natura betalen (in de vorm van voedsel voor de soldaten), maar ook hun hutten en andere schamele bezittingen worden belast. Alle inkomsten samen voor de CNDP worden door de VN-onderzoekers op vele honderdduizenden dollar geschat.

Kagame en het Rwandese leger

In het VN-rapport wordt ook onweerlegbaar aangetoond dat Nkunda de hele tijd gesteund werd door zijn oude vriend en strijdgenoot Paul Kagame, de president van Rwanda. De CNDP kon ongestoord in Rwanda niet alleen volwassenen maar ook kinderen rekruteren. De Rwandese overheid kneep ook een oogje toe als militair materieel de grens met Congo overstak en heeft zelfs eigen militairen gestuurd die op Congolees grondgebied hebben deelgenomen aan gevechten. Het scenario deed sterk denken aan wat zich aan de vooravond van de ‘eerste’ en ‘tweede’ oorlog heeft afgespeeld. Vandaar de vrees van vele Congolezen dat de rebellie van Nkunda het terrein moest voorbereiden voor een nieuwe invasie door Rwanda zelf. Ook de oorlogen van 1996 en 1998 zijn immers begonnen met lokale opstanden. Hun vrees werd bewaarheid op een manier die ze zelf niet voor mogelijk hielden. In januari 2009 trokken 4000 Rwandese regeringssoldaten voor een derde keer Congo binnen, maar dit keer met het akkoord van de Congolese regering. Het eerste wat ze deden, was het hoofdkwartier van Nkunda bezetten en hem naar Rwanda verjagen. Een op het eerste gezicht spectaculaire koerswending. Maar niet op het tweede gezicht. Rwanda, dat altijd volgehouden had dat de oorlog een interne Congolese kwestie was waarmee het niets te maken had, was meer dan verveeld met het VN-rapport. Temeer omdat het tot gevolg had dat Zweden en Nederland hun financiële steun aan de Rwandese regering hebben opgeschort. Bovendien was Kagame de rare bokkensprongen van Nkunda meer dan beu (hij poseerde bijvoorbeeld geregeld als een Rebel for Christ en ontving journalisten met in de ene hand de bijbel en in de andere een kalasjnikov). Door Nkunda te laten vallen, won Kagame op alle fronten: hij ‘bewees’ dat hij nooit iets met Nkunda te maken had gehad, hij kon zijn eigen leger in Kivu inzetten en de CNDP, nu onder leiding van een andere oorlogsmisdadiger, is zijn officiële bondgenoot geworden en dat alles met de zegen van zijn ambtgenoot Kabila.
Kagame is nu ook verzekerd van een langdurige controle over het grondstoffenrijke Kivu. Talrijk zijn de getuigen die beweren dat de dorpen, die door de vluchtelingen zijn verlaten, haast onopgemerkt ingenomen worden door nieuwe Tutsi-migranten uit het overbevolkte Rwanda. Het voedt de geruchten dat Rwanda Kivu wil annexeren of er toch op zijn minst een officieus protectoraat wil van maken. Maar eerst moet nog een andere klus worden geklaard: het onschadelijk maken van de génocidairs.

De Hutu-rebellen en de FDLR

Ondanks het feit dat Rwanda twee oorlogen heeft gevoerd in Congo en het oostelijk deel bijna 5 jaar heeft bezet met de officiële bedoeling om de génocidairs uit te schakelen, beweert Kigali tot op de huidige dag dat het bedreigd wordt door een groep van naar schatting 5 à 6000 in Kivu opererende Hutu’s, die betrokken zouden zijn geweest bij de volkenmoord in 1994. In feite gaat het om een harde kern van zo’n 500 échte génocidairs. Voor de rest zijn het hoofdzakelijk kinderen van vluchtelingen, die in de brousse zijn opgegroeid en nooit iets anders hebben gekend dan de macht die voortkomt uit de loop van een geweer. In 2000 richtten ook zij een politiek-militaire beweging op: de FDLR (Forces Démocratiques pour la Libération du Rwanda).3 De bedoeling is naar eigen zeggen het regime van president Kagame te vervangen door een democratisch bewind. In 2005 kondigde de FDLR aan de gewapende strijd te staken en naar Rwanda te willen terugkeren als politieke partij. Van dit voornemen is nooit iets terechtgekomen, mede omdat Kagame er niet wou van horen. De Congolese bevolking duidt hen steevast met de naam Interahamwe aan. Begrijpelijk, want ze zijn verantwoordelijk voor de ergste gruwelen van de afgelopen jaren.
Net als de CNDP controleren ze grote lappen grondgebied, waar ze zich als absolute meesters van leven en dood gedragen. Ze hebben zich bij voorkeur gevestigd in streken waar Congolese Hutu wonen, zodat ze heel moeilijk te onderscheiden zijn van de burgerbevolking.
Volgens de VN-onderzoekers halen ze miljoenen dollar uit de smokkel van grondstoffen, voornamelijk cassiteriet, goud en wolframiet. Net als voor de CNDP is die handel maar mogelijk dank zij de medewerking van binnen- en buitenlandse zakenmensen, en de afpersing dan wel de corruptie van Congolese douaniers en andere overheidsdienaren.
De FDLR is bovendien een goed georganiseerde en goed gestructureerde gevechtsmachine, die zich niet zonder slag of stoot door de Rwandezen en hun CNDP-bondgenoten zal laten ontwapenen. De vrees is dan ook groot dat er nog veel bloed zal vloeien. Het aantal vluchtelingen is alvast weer met een paar duizenden aangegroeid.

Het Congolese leger: de FARDC

De Forces Armées de la République Démocratique du Congo tekenen voor het droevigste onderdeel van dit verhaal. De maandelijkse soldij van een gewone militair bedraagt 62 dollar per maand, die van een brigadegeneraal 100 dollar. Soms wordt die soldij betaald, vaak ook niet. Gezondheidszorg, voeding en huisvesting (in Congo leven soldaten samen met hun gezin) zijn beneden ieder peil en dikwijls zelfs onbestaande. Van die mannen wordt dan verwacht dat ze hun leven riskeren voor, ja waarvoor eigenlijk? Dit Congolese regeringsleger is tegelijk het symbool en het tastbare bewijs van de totale verrotting van het Kabila-regime.
Die verrotting zit zowel aan de top als aan de basis. De top is, zoals eerder al gezegd, geïnfiltreerd door oud-officieren van de RCD, strijdmakkers van Nkunda dus. De makkelijke overwinningen van Nkunda en de ongelooflijke hoeveelheden buit die hij heeft gemaakt, zijn voor een deel te verklaren door verraad van deze Tutsi-officieren.
Tegelijkertijd maakt een ander deel van het leger gemene zaak met de FDLR. Het onderzoeksteam van de VN zegt over onweerlegbare bewijzen te beschikken dat de FDLR materieel krijgt van het leger en dat geregeld gezamenlijke operaties worden opgezet.
Nu echter moet datzelfde leger samen met de Rwandezen de oude bondgenoten ontwapenen en uit het land zetten. Want dat was de voorwaarde voor Kigali om Nkunda uit te schakelen. Dit belooft, om het voorzichtig uit te drukken, weinig goeds.

Andere milities: de PARECO

Tijdens de Rwandese bezetting in 1998-2002 zijn her en der milities ontstaan, die je met enige goede wil verzetsbewegingen zou kunnen noemen. Het gaat meestal om dorpelingen, die zich probeerden te beschermen tegen de Rwandese terreur. Ze opereren onder de verzamelnaam Mai Mai maar vormen absoluut geen eenheid. Ze werden tijdens de ‘tweede’ oorlog bewapend door Kinshasa. Ook de Mai Mai leven van, voor en door de grondstoffenroof. Ook zij maken zich schuldig aan de klassieke misdaden tegen de bevolking - die ze zeggen te verdedigen. In 2007 zag een heel nieuwe beweging het licht: de PARECO (Patriotes Résistants Congolais), een multi-ethnische politiek-militaire beweging. Haar voornaamste doelstelling was Nkunda en zijn CNDP onschadelijk maken. Nu de CNDP de strijdbijl tegen de regering heeft begraven, heeft de PARECO aangekondigd eveneens de wapens neer te leggen. Maar dat was vóór de intocht van de Rwandezen.
Op korte tijd is de PARECO uitgegroeid tot de derde militaire macht in Kivu. Ze onderhoudt goede relaties met de FDLR (heel wat Hutu’s maken deel uit van de PARECO) en vooral met het regeringsleger dat ze bevoorraadt met wapens en munitie. Vaak voeren leger, FDLR en PARECO gezamenlijk operaties uit.

De VN-vredesmacht : MONUC

Sedert 2000 is er in Congo een vredesmacht van de Verenigde Naties gestationeerd, de MONUC (Mission des Nations Unies en République Démocratique du Congo). Ze bestaat op dit ogenblik uit 17.000 man. Daarvan zijn er ongeveer 7.000 gelegerd in Kivu. Ze zijn de afgelopen maanden niet in staat gebleken de veiligheid van de bevolking te garanderen, noch het offensief van Nkunda te stoppen, noch de milities te ontwapenen, hoewel dat alles tot hun opdracht behoort. De Veiligheidsraad heeft eind 2008 beslist 3000 man extra te sturen, maar die zijn niet makkelijk te vinden. Het huidige contingent in Kivu bestaat hoofdzakelijk uit Indiërs, Pakistani en Urugyanen. De meesten daarvan spreken amper Engels, laat staan een taal die de Congolezen verstaan. Dat is één van de redenen waarom de verhouding met de bevolking barslecht is. Dat het tussen Indiërs en Pakistani evenmin goed botert hoeft vermoedelijk geen betoog. Bovendien misdragen heel wat MONUC-soldaten zich. Ook zij maken zich schuldig aan seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes (vaak heel jonge). Ook zij zijn niet vies van grondstoffensmokkel en schrikken er niet voor terug om daartoe hand- en spandiensten te verlenen aan de milities, die ze moeten controleren. Ook aan hun onpartijdigheid wordt getwijfeld. Toen een paar maand geleden een Indische officier afzwaaide vond hij er niet beter op dan in zijn afscheidsspeech de lof te zingen van Laurent Nkunda, die hij bestempelde als een vrijheidsstrijder. Nog 3000 man van dit gehalte erbij zal het vredesproces niet bevorderen.

EN NU?

Kivu zal pas iets terugvinden van zijn paradijselijk karakter als zowel de Congolese als de Rwandese regering het geweer letterlijk van schouder veranderen. In Congo dringt zich een herstructurering op van het leger, die pas mogelijk is als de corruptie hardhandig wordt aangepakt. Dan zou de de Congolese regering geloofwaardig met Rwanda kunnen onderhandelen over een, eventueel gemeenschappelijke, vreedzame en legale exploitatie van de Kivu-rijkdommen (zoals voorgesteld door de Franse president Sarkozy). In ruil moet Rwanda afzien van zijn verborgen aanspraken op Kivu en accepteren dat het zich moet gedragen als iedere andere buitenlandse investeerder, met respect voor de Congolese soevereiniteit. Het moet afzien van het gebruik van geweld tegen de FDLR en hun terugkeer naar Rwanda mogelijk maken via onderhandelingen.
Van al die voorwaarden is er op dit moment geen enkele vervuld. Maar in Afrika veranderen dingen soms razendsnel. Veel om de toekomst met enig optimisme te bekijken is dat niet.

Walter Zinzen
Voormalig journalist VRT en essayist

Noten
1/ http://www.cndp-congo.org
2/ De Zuid-Afrikaanse ngo South African Resource Watch heeft de identiteit achterhaald van niet minder dan 22 bedrijven die illegaal coltan uit Kivu kopen. Vier van hen zijn Belgisch. Behalve Trademet zijn het Cogecom Coltan Trading , Sogem en Speciality Metals Company . De andere bedrijven zijn gevestigd in Uganda (met de schoonbroer van president Musseveni in de hoofdrol), Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Zwitserland, Duitsland, Maleisië, Kazachstan, China, Israël en Rwanda.
3/ http://www.fdlr.org

Congo - Kivu - Rwanda

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 2 (februari), pagina 30 tot 32 en 41 tot 45