Abonneer Log in

Verzuring vermindert, ondanks oprispingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 2 (februari), pagina 24 tot 29

Verzuren in ons land de relaties tussen Vlamingen, Walen, Brusselaars en Duitstalige Belgen? Voor deze stelling kunnen enkel bewijzen gevonden worden in dat gebied waar spanningen blijven bestaan, de zone Brussel-Vlaamse Rand. Overal elders langs de taalgrens zijn de relaties verbeterd, dankzij de staatshervorming, en dit van Komen tot Voeren. Dit geldt ook voor de relatie tussen het Waalse Gewest en Duitstalig België. Incidenten en verzuring zijn passé, en - indien zij opduiken - te wijten aan een onvolmaakte analyse en/of aan politieke interpretaties op korte termijn. Hieruit volgt dat de staatshervorming werkt, en dat het gesprek over de relatie Brussel-Vlaamse Rand moet worden verdergezet.

In Wemmel was het weer zover: telkens in dit land de communautaire spanning even stijgt - zoals in de periode onder Leterme, toen een Bart De Wever van geen enkel televisiescherm weg te slaan was - haalt daar een onverlaat zijn borstel en een pot zwarte verf boven, en krijgen de Franstalige opschriften op straatnaamborden een dikke lading verf, die ze totaal onleesbaar maakt. Misschien gaat het om meerdere onverlaten, die ’s nachts op expeditie trekken om de Vlaamse Zaak te gaan verdedigen. Aan de andere kant van de taalgrens zijn dergelijke overschilderingen zelden te zien. Ik vond er tijdens mijn recente tochten - laat ons dit toegepast taalgrensonderzoek noemen - maar eentje: bij een te koop staande garage in Waterloo had iemand de Vlaamse tekst van een tweetalige A Vendre-Te Koop-affiche doorgestreept. De garage staat overigens al lang te koop, maar dat zal wel niets met dat doorstreepte opschrift te maken hebben.
De kampioenen van deze sport wonen elders, rond Sankt-Vith in Duitstalig België, waar elk Franstalig opschrift, ook langs of over de autowegen, met harde, loodgrijze, Duitsachtige verf al decennia lang systematisch wordt overschilderd. Mijn lokale contacten daar vertellen mij dat de verf rechtstreeks uit het stedelijk atelier komt, wat doet vermoeden dat deze Duitstalige onverlaten werken onder officiële dekking.

Kan hieruit nu worden afgeleid dat de communautaire verhoudingen in dit land verzuren? Ik ben van mening van niet. De verhoudingen in dit land tussen Vlamingen en Walen zijn beter dan vroeger, als een gevolg van de staatshervorming zelf. Dit geldt ook voor de relaties tussen de Walen en de Duitstalige Belgen, ondanks de loodgrijze verf bij Sankt-Vith, die daar al lang deel uitmaakt van het landschap. De regeringen van Wallonië en van Duitstalig België onderhandelen de jongste jaren als gelijke partners over de overname van een reeks gewestelijke bevoegdheden door de Duitse Gemeenschap, die op deze wijze stilaan de allures van een Gewestgemeenschap krijgt, zoals Vlaanderen dat is.
Langs de hele Vlaams-Waalse taalgrens keert de rust weer, Komen verfranst en Voeren vervlaamst (niet enkel ‘vernederlandst’, al speelden de Nederlanders daar ook een rol, maar Voeren wordt een gewoon onderdeel van het Vlaamse Gewest). Gemeenten langs de taalgrens, zoals het Vlaamse Herne en het Waalse Edingen, zijn van plan om nauw samen te werken. Zo zouden die van Herne gratis toegang krijgen tot het schitterende Park van Edingen, een eer die tot nu enkel was weggelegd voor de inwoners van Edingen. En mogen we meer in het algemeen in de samenwerking tussen de Waalse stad Bergen en de Vlaamse stad Mechelen - waarbij het Mechelen van Bart Somers hoffelijk steun verleent aan het Bergen van Elio Di Rupo voor haar kandidatuur als Europese Culturele Hoofdstad 2015 - geen signaal zien voor de verbetering van de relaties in dit land? De lokale bladzijden van nationale kranten, of regionale kranten zoals Vers l’Avenir, laten meer en meer voorbeelden zien van samenwerking over de taalgrenzen heen. Zo meldde diezelfde krant begin februari in haar editie Sambre et Meuse dat de vijfde klas van het atheneum René Magritte uit Châtelet de komst verwachtte van de vijfde klas van het Sint-Pieterscollege uit Blankenberge. Die komen voor een paar dagen op bezoek en worden in het Nederlands opgevangen. Alle dagen hebben de leerlingen contact met hun Vlaamse vriendje of vriendin (uit de geciteerde namen bleek dat daar vooral wat meisjes aan het project deelnamen, of zitten er gewoon meer meisjes in die vijfde jaren?), en dat contact gebeurt per gsm of mail. En natuurlijk gaat Châtelet straks in Blankenberge op bezoek, in het Frans.
Nu is dit een klein samenwerkingsproject, maar in De Standaard van 2 februari 2009 lees ik op de bladzijde Vlaams Brabant/Brussel dat het kasteel van Groenendaal een van de zes ‘poorten’ tot het Zoniënwoud wordt. Dit maakt deel uit van een project van toegang en ontsluiting van dit enorme woud, dat gezamenlijk wordt ondernomen door het Vlaamse, het Waalse en het Brusselse Gewest. Dit alles was vroeger gewoon ondenkbaar.

Mijn thesis is dus dat de staatshervorming werkt, in die zin dat de indeling van het vroegere unitaire België in Gewesten en Gemeenschappen, op basis van de vier taalgebieden, de spanningen in dit land heeft doen verminderen, en dat - nog altijd aarzelende - stappen worden gezet in de richting van samenwerking over de taalgrenzen heen. Daar zijn nu veel minder redenen voor verzuring dan vroeger, in de periode van de Koningskwestie (1950), van de strijd tegen de Eenheidswet van premier Gaston Eyskens (1960), van de grote Vlaamse Marsen op Brussel (1961 en 1962), en nadien nog van het ‘Walen buiten’ in Leuven, of van de incidenten tussen Waalse syndicalisten en Vlaamse betogers in Voeren, waar wij dicht bij het gebruik van geweld stonden.

Ik kreeg in die hevige Voeren-periode (1977 tot en met 1982) ooit op de redactie Binnenland van De Standaard een telefoontje uit Alaska van een hevig verontruste Vlaamse priester, die zijn bekeringswerk bij de Eskimo’s even had onderbroken omdat volgens de lokale radio in België de revolutie was uitgebroken, en Walen en Vlamingen mekaar aan het uitmoorden waren. Ik kon de man geruststellen, maar de anekdote wijst ons wel een van de mogelijke bronnen van verzuring aan: de media, waartoe ook ik behoor. De tweede bron van verzuring van de relaties tussen de Gemeenschappen zijn de politici zelf, en dan vooral sommige politici, sommige partijen, zeker niet de hele politieke klasse, of - zoals men het minachtend in het Frans zegt - de politiciens. De derde bron van verzuring is de belangrijkste van alle: het resterende, onopgeloste gedeelte van de Belgische communautaire problematiek. Daarmee bedoelen we de relatie tussen Brussel en wat in het Nederlands de Vlaamse Rand heet, en in het Frans la périphérie. Daar slaat de verzuring nog altijd toe.
We gaan nu dieper op deze drie aspecten van mogelijke verzuring in: media, politici, de relatie Brussel-Rand.

OVER DE MEDIA

De journalistiek is een beroep dat alleen met passie kan worden uitgeoefend. De meeste van mijn collega’s zien het zo, en doen het zo. Nu geldt de regel van het engagement in vele beroepen, maar wij - journalisten - staan met ons werk op de markt. Zulks streelt onze ijdelheid, en dat leidt er soms toe dat wij ons belangrijker achten dan de evenementen en de personen waarover wij berichten. De journalist verlaat dan zijn positie als observator langs de zijlijn, en neemt deel aan de politieke discussie. Dit geldt in hoge mate voor de politieke verslaggeving, maar ook de sportverslaggevers kennen er wat van. Mijns inziens is dit een gevaarlijke evolutie, maar u moet mij goed begrijpen. Van de journalist-observator wordt niet alleen verwacht dat hij zo getrouw en zo goed mogelijk verslag uitbrengt over wat we maar de ‘actualiteit’ zullen noemen, maar ook dat hij die actualiteit van commentaren voorziet, op basis van zijn dossierkennis en op basis van zijn contacten. Maar hij of zij is nooit de bron, niet als hij voor Vers l’Avenir een stukje maakt over de verbroedering Châtelet-Blankenberge, maar ook niet als hij verslag uitbrengt over een van die politieke crisissen die de rust in de Wetstraat geregeld verstoren. De ware journalist staat tijdens de feiten in de coulissen. Hij kijkt toe en noteert, en zijn moment de gloire komt achteraf, als hij een zo objectief mogelijk stuk schrijft. Zijn mening is van minder belang dan de feiten. Daarbij zou zijn aandacht ook bij voorrang moeten uitgaan naar de standpunten van de Andere. En hier schiet de pers nog vaak te kort.

Ik beperk mij tot één voorbeeld. De zogenaamde ‘Vlaamse zorgverzekering’ moet van Europa ook toegepast worden op Europeanen die in Vlaanderen werken en/of wonen, en omwille van een of andere al dan niet bewuste nalatigheid in de Belgische regelgeving, die de gezondheidszorg toeschrijft aan de Gemeenschappen, kunnen Walen (of Duitstalige Belgen!) die in Vlaanderen werken daar niet van genieten. Als de Waalse regering dan om gelijkberechtiging vraagt, dan begrijp ik niet dat De Standaard hierin enkel een Waalse poging zag om ‘Vlaanderen’ de weg naar meer zelfstandigheid te blokkeren. Dit was gewoon een onrechtmatigheid die uit de wereld moet worden geholpen, ook als de feiten én de meningen van Europa en van Wallonië niet kloppen met het vermeende eigen Groot Gelijk.
Veel van mijn collega’s werken verscholen achter de muren van het eigen kamp, en kijken te weinig naar de overkant. Dit geldt niet alleen voor de Vlaamse pers: vooral de Franstalige Brusselse pers, met Le Soir en Le Vif voorop, bezondigt er zich wel vaker aan om feiten die niet met de eigen mening overeenstemmen of te negeren, of te verdoezelen of weg te commentariëren of weg te interpreteren. Deze Franstalige Brusselse pers is mee verantwoordelijk voor het in stand houden van de verzuring in verband met de relatie tussen Vlaanderen en Brussel, in het bijzonder dan in de relatie tussen Brussel en de Vlaamse Rand. De Waalse kranten zijn in deze afstandelijker en objectiever. Men moet in Vlaanderen meer het onderscheid inzien tussen de Brusselse francofone pers en de Waalse pers. En, meer in het algemeen, tussen de begrippen Wallonie en francophonie.

Meer kijken en minder snel oordelen dus. Collega’s, informatie zoeken aan de overkant, de feiten die niet kloppen met de clichés van weleer niet negeren, want zo ken ik (een paar) collega’s die nog altijd het cliché van de ‘Luie Waal’ uitdragen, terwijl bijvoorbeeld de werkloosheid in de provincie Namen daalt, terwijl zij in West-Vlaanderen toeneemt. Hierop dieper ingaan zou mij hier te ver leiden, maar telkens iets positiefs over de economische heropleving van Wallonië wordt meegedeeld, lees ik daar niets over in de Vlaamse pers, of enkel een bericht vol ongeloof of ontkenning, terwijl die heropleving een feit is. En feiten, daar gaat het om. Wie de verandering bij de Andere niet wil zien, werkt de verzuring in de hand.

DE POLITIEKE KLASSE

Ik ben van mening dat de communautaire opstoot die wij onder Leterme I hebben meegemaakt, zowel in de pers als bij sommige politici, te wijten was aan een slechte en op zijn minst onvoldoende analyse van de feiten, gevolgd door een overvloed aan slechte informatie (die waardeloze microgesprekken met in- en uitgaande ministers voor de deur van de Wetstraat 16!), te wijten aan een premier die ondanks veel gunstige voortekenen voor zijn taak niet berekend was. Dit alles heeft geleid toteen periode van communautaire verzuring, die naar mijn mening kan worden afgesloten.De grond van de zaak is dat de CD&V na negen jaar oppositie en negen jaar Verhofstadt er alles voor over had om opnieuw aan de macht te komen. Dat ‘alles’ resulteerde in het verbond met de N-VA, dat enkel neerkwam op de tijdelijke huur van een aantal Kamerzetels van dit stuk van de gewezen Volksunie om aan de meerderheid te geraken. Dit was geen Groot Verbond om Vlaanderen op te stoten in de stroom der volkeren, en Vlaanderen onafhankelijkheid te bezorgen, maar een Klein Verbond om de CD&V opnieuw in de Wetstraat aan de macht te krijgen. ‘Slimme mens’ Bart De Wever heeft zeer snel begrepen dat hem op deze wijze een unieke tribune werd aangeboden, en hij zal ook wel begrepen hebben dat dit aanbod maar tijdelijk gold. Een aantal parlementaire gekozenen van tweede en zelfs derde rang zijn mee in dit ‘gat’ gesprongen, uit onbenul of uit berekening, zoals een Michel Doomst (CD&V), burgemeester van Gooik, die inmiddels door zijn ACW’top teruggefloten werd, of een Eric Van Rompuy, die inmiddels de Wetstraat liet weten dat hij geen flamingantische uitspraken meer zal doen om het zijn oudere broer-premier niet te moeilijk te maken. In diezelfde periode kregen de Vlaams-Brabantse burgemeesters van hun respectievelijke partijtop ook alle ruimte om hun actie om de kieskring BHV te splitsen op te drijven. Ik blijf ervan overtuigd dat de top van de CD&V - en de toekomst moet uitwijzen in hoever Yves Leterme dit spel heeft meegespeeld - gewoon bleef wachten tot de N-VA zich opnieuw zou afsplitsen omdat inzake de grondwetsherziening toch niets werd verwezenlijkt. Dat Joëlle Milquet (madam non) zich zo hard opstelde, was dus mooi meegenomen. De financiële crisis heeft dit proces dan versneld. De CD&V zit nu met Herman Van Rompuy waar ze moest zitten.

Wat van die negen maanden overblijft, is de herinnering aan veel geschreeuw en onnuttige televisiedebatten, waarbij aan de figuur van Jean-Marie Dedecker veel te veel ruimte werd gegeven. Dit is immers de ware verzuurder, de man wiens programma in vier dikke letters op het voorhoofd geschreven staat: ‘Ikke’. Deze man wijst Vlaanderen nu de weg naar meer egoïsme, meer afgunst, het afwijzen van alles en iedereen die anders is, die zelf beslist hoe hard hij op de autowegen mag rijden, en die ook dankzij de media en het cynisme - of het onbenul, of de slechte analyse - van andere politici kon uitgroeien tot een soort alternatief voor de zure groep van kiezers die nu zelfs het Vlaams Belang beu zijn. De ergste vorm van verzuring moet niet in het communautaire domein worden gezocht, maar in het extreme egoïsme van deze Dedecker en zijn lijst LDD.

BRUSSEL EN DE VLAAMSE RAND

Minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht vergeleek België ooit met een permanente diplomatieke conferentie. Hij heeft overschot van gelijk in die zin dat voor de communautaire problemen in ons land nooit een definitieve oplossing zal worden gevonden, ook al zijn we daar al lang mee bezig. Maar dit betekent niet dat onderweg naar het beloofde land al diverse interessante bestuursvormen werden ‘uitgevonden’ en toegepast, zoals bijvoorbeeld het statuut van Duitstalig België, ‘de best beschermde minderheid ter wereld’ (naar een woord van minister-president Karl-Heinz Lambertz zelf).

In juni 2008 was ik als gast van de regering van Baskenland spreker op een congres over de toekomst van deze regio, die het met het begrip Spanje nog veel moeilijker heeft dan de Vlamingen met het begrip België. Mij was om uitleg bij het ‘Belgisch Model’ gevraagd, dat men daar in dat milieu van professoren, journalisten en studenten vrij goed leek te kennen. Bij het debat achteraf werd mij gevraagd hoe wij er in slagen onze hervorming zonder geweld uit te voeren. ‘Praten en nog eens praten, al eens een regering laten vallen, betogen maar niet te veel, en dan nog eens praten en nog eens praten’, zoiets heb ik geantwoord. Dat zoiets kon was voor dit publiek een openbaring, of op zijn minst een geruststelling, want ginds ontploffen bommen. Daarnaast bestond bij dit publiek ook veel belangstelling voor onze ‘faciliteiten’, waarvoor zij een mogelijke toepassing zagen in de grenszone tussen Baskenland en de rest van Spanje. Ik heb in België zelf nooit met zoveel belangstelling, zelfs eerbied, over ons ‘Belgisch Model’ horen spreken, en sinds die enkele dagen in Bilbao weet ik definitief dat begrippen als ‘faciliteiten’, maar ook onze ‘Gewesten en Gemeenschappen’ beschouwd kunnen worden als elementen van het volkerenrecht, die in vele gemengde landen van toepassing kunnen zijn. Wij moeten ons inter-Belgisch gesprek dan ook verderzetten, op de wijze waarop wij daar nu al zo lang mee bezig zijn, en meer bepaald sinds de indeling van het land in vier taalgebieden. Ons model moet nog verfijnd worden.

De verhouding tussen de Gemeenschappen in België wordt nog verstoord door de relatie Brussel-Vlaamse Rand, waar verzuring de regel is, waar niet-benoemde Franstalige burgemeesters van ‘Vlaamse’ randgemeenten brieven met een wit poeder toegestuurd krijgen, dat na analyse waspoeder blijkt te zijn. Franstaligen en Vlamingen staan met hun stellingen in deze zone lijnrecht tegenover elkaar. Franstaligen wijzen naar de uitslag van gemeenteraadsverkiezingen, die in vier van de zes randgemeenten in hun voordeel speelt (niet in Wemmel en niet in Drogenbos, en ook in die andere vier randgemeenten spelen lokale factoren mee). Aan Vlaamse zijde verwijst men naar het gebrek aan respect van de Franstaligen voor de indeling van het land in taalgebieden van 1962-63.
Naar mijn mening moet op die indeling niet worden teruggekomen, maar moet een oplossing worden gezocht in de creatie van een Metropool Brussel-Brabant-Europa, naar het voorbeeld van de Eurometropool Rijsel-Kortrijk-Doornik. Een metropool is een begrip uit het Europees recht, niet zomaar een eretitel. De basis ervan berust op een Europese verordening uit 2006: de EGTR-regel (Europese Groepering voor Territoriale Samenwerking). Dit laat overheidsinstellingen toe samen te werken over lands- of gewestgrenzen heen. De eerste resultaten van de Eurometropool Rijsel-Kortrijk-Doornik zijn veelbelovend, en de resultaten van in die zone al langer bestaande vormen van samenwerking, zoals deze onder de Vlaamse, Franse en Waalse regionale televisies, zijn zonder meer verbluffend (binnen Brussel weigert Télé-Bruxelles echter elke vorm van samenwerking met TV-Brussel).
Burgemeester Stefaan De Clerck (Kortrijk) heeft bij mijn weten als eerste het Metropool-model voorgesteld voor Brussel, waarbij hij ook aan Europa-in-Brussel een plaats toekent, en aan Vlaams- en Waals-Brabant. Vlaams parlementslid Sven Gatz (Open Vld) steunt dit project, dat stilaan meer en meer voorstanders krijgt. Dit alles houdt in dat de Franstaligen afzien van hun eis voor uitbreiding van Brussel, en dat Vlaanderen aanvaardt dat het niet taalhomogeen is, wat betekent dat de ‘faciliteiten’ niet alleen van blijvende aard zijn, maar best ook genereus zouden worden toegepast. Vlaanderen moet dus met zijn Franstaligen leren leven. Brussel moet bij voorrang aan zijn eigen structuur werken: het blijvende bestaan van negentien gemeenten in één Gewest is een schande. En als Vlaanderen dan ook nog eens het Europees Verdrag over de erkenning van culturele minderheden zou erkennen, dan zetten wij met zijn allen weer een stap in de richting van minder problemen en meer wederzijdse erkenning. En naar minder verzuring. En dan kunnen wij straks misschien de laatste overschilderde straatnaamborden en wegwijzers, in Wemmel, Waterloo of Sankt-Vith, klasseren als historisch erfgoed.

Guido Fonteyn
Journalist en auteur

federaal België - federalisering - Vlaamse Rand

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 2 (februari), pagina 24 tot 29