Abonneer Log in

Een nieuwe legislatuur, een nieuw parlement?

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 7 (september), pagina 4 tot 13

Sinds de federale stembusgang van 18 mei 2003 brengt het Centrum voor Politicologie van de KU Leuven het profiel in kaart van de Vlaamse kandidaten en verkozenen bij de opeenvolgende parlementsverkiezingen. Ook bij de Vlaamse verkiezingen van 7 juni 2009 werd het profiel van de kandidaten en verkozenen onder de loep genomen. Onderstaande bijdrage bundelt de voornaamste bevindingen.

INLEIDING

In de afgelopen zes jaar is de aanblik van het Vlaamse partijlandschap grondig veranderd. Agalev vond zichzelf opnieuw uit als Groen!, de kartels zijn uit elkaar gevallen en een nieuwe politieke formatie, Lijst Dedecker, kon bij de verkiezingen van 2007 zo goed als uit het niets een kamerfractie vormen. Ook de partijpolitieke verhoudingen zijn grondig gewijzigd. In 2003 behaalden de paarse partijen VLD en sp.a-spirit samen bijna de helft van de Vlaamse stemmen. In 2009 zijn beide partijen elk tot zo’n 15% van het Vlaamse electoraat herleid. De doorbraak van N-VA, in 2003 nog worstelend met de kiesdrempel, heeft de gestage groei van het Vlaams Belang afgebroken. De mutatie van het partijlandschap lijkt de afgelopen jaren een hogere versnelling genomen te hebben. De drie ‘klassieke’ partijen - CD&V, Open Vld en sp.a - die ooit de volledige politieke scène domineerden, zijn vandaag samen nog goed voor iets meer dan de helft van de Vlaamse stemmen.

Maar leiden nieuwe politieke formaties of gewijzigde politieke verhoudingen ook tot een veranderd profiel onder de parlementsleden? Is de parlementaire vertegenwoordiging van de Vlaamse kiezer sinds 2003 met andere woorden ook merkelijk van uitzicht veranderd? Dat zou kunnen betekenen dat partijen, naast onderlinge ideologische verschillen, ook met een ander type kandidaat op hun kieslijsten naar de verkiezingen trekken. Hebben de winst voor N-VA en Lijst Dedecker, en de afstraffing van de paarse partijen en - in mindere mate - die van Vlaams Belang voor een ander sociografisch profiel van het doorsnee Vlaams Parlementslid gezorgd? Om op deze vraag een eerste antwoord te kunnen bieden, knoopt het Centrum voor Politicologie aan met de vragen van de vorige KANDI-onderzoeken. Wat is de leeftijdsstructuur van het nieuwe Vlaams Parlement? Hoe zit het met de vertegenwoordiging van de vrouwen na 7 juni? Welke beroepscategorieën zijn al dan niet aanwezig in het nieuwe halfrond? En zet de professionalisering van de Vlaamse politiek zich door? Die professionalisering is misschien wel de meest frappante conclusie van de afgelopen KANDI-onderzoeken, met een oververtegenwoordiging van beroepspolitici en lokale mandatarissen onder de verkozenen en een hoge mate van ‘recyclage’ van steeds terugkerende kandidaten. Het cijfermateriaal van de afgelopen verkiezingen zal dan ook in een ruimer perspectief geplaatst worden, door ook telkens de resultaten van de vorige Vlaamse (2004) en federale (2003 en 2007) verkiezingen weer te geven.

DE ONDERZOEKSPOPULATIE

Het onderzoek omvat de kandidaten van de Vlaamse partijen die vóór 7 juni over parlementaire mandatarissen beschikten: CD&V, sp.a, Open Vld, Vlaams Belang, N-VA, Lijst Dedecker (LDD) en SLP. Iedere partij kon in zes kieskringen (de vijf Vlaamse provincies en het Brussels Gewest) in totaal 210 effectieve en opvolgerskandidaten opstellen voor het Vlaams Parlement, wat een onderzoekspopulatie geeft van 1680 kandidaatstellingen. Het aantal kandidaten zelf ligt iets lager, op 1648. Tweeëndertig kandidaten figureerden immers zowel op de lijst voor de effectieven als die voor de opvolgers. SLP is goed voor 21 van deze dubbele kandidaturen, wellicht een indicatie dat de partij het niet gemakkelijk had om de lijsten volledig gevuld te krijgen. Tenzij anders aangegeven, hebben de cijfers telkens betrekking op de totale populatie van 1680 kandidaatstellingen en tellen de dubbele kandidaten dus ook twee keer mee. Wat de Vlaamse verkozenen betreft worden alle 124 parlementsleden opgenomen, met andere woorden ook de enige verkozene voor de Union des Francophones, Christian Van Eyken. Het onderzoek focust op het profiel van het Vlaams Parlement op 7 juni. Er wordt dan ook geen rekening gehouden met de latere wijzigingen, die het gevolg zijn van verzakingen en de opvolging van parlementsleden die minister zijn geworden.

Leeftijd

De gemiddelde leeftijd van de kandidaten bedraagt in 2009 42,7 jaar (Tabel I). Vergeleken met de gemiddelde leeftijd van de kandidaten in 2003 (44,3 jaar), 2004 (43,7 jaar) en 2007 (42,8) valt op dat de trendmatige verjonging van de kandidaten in 2009 heeft plaats geruimd voor een status-quo. Bij de verkozenen zien we voor het eerst sinds 2003 zelfs een lichte stijging van de gemiddelde leeftijd (ten opzichte van 2007). Vlaams Belang blijft net als vroeger de partij waar de gemiddelde leeftijd onder de kandidaten het hoogste is.

De gemiddelde leeftijd van de verkozenen is in regel hoger dan deze van de kandidaten. Het verschil tussen beide gemiddelden suggereert bovendien dat een verkiezingsnederlaag de jongere kandidaten harder treft. Bij de verkiezingen van 7 juni valt het verschil op in gemiddelde leeftijd tussen de kandidaten en de verkozenen voor Open Vld, de grote verliezer van de stembusgang. In 2007 is een vergelijkbaar verschil te zien bij de toenmalige verliezer sp.a. De verjonging van het politieke personeel verloopt met andere woorden via de strijdplaatsen op de kieslijsten. Ook opmerkelijk is de gemiddelde leeftijd van de Groen!-verkozenen. In tegenstelling tot vijf jaar geleden, toen de partij nog voor haar overleven vocht, is Groen! met overwegend nieuwe lijsttrekkers de verkiezingen ingegaan; enkel boegbeeld Mieke Vogels keert naar het Vlaams Parlement terug. Maar dat betekent nog geen verjonging, zoals dat in 2007 wel duidelijk het geval was.

Wanneer wordt opgesplitst volgens leeftijdscategorie, blijkt vooral onder de verkozenen de verjonging van het politieke personeel afgeremd. Parlementsleden van 40 jaar of jonger vertegenwoordigen nu iets minder dan 30% van alle verkozenen. Bij de federale verkiezingen van 2007 was dat nog meer dan een derde, in 2004 lag dit cijfer nog op 31%. Onder de kandidaten sluit de leeftijdsverdeling nochtans naadloos aan bij de onderzoeksresultaten van de vorige verkiezingen. Het aandeel twintigers is er zelfs hoger dan ooit, maar dat leidt dus niet tot een grotere aanwezigheid in het Parlement. Dat heeft ook te maken met het feit dat SLP heel jonge kandidaten had, maar geen verkozenen.

Ook de zestigers vormen een ondervertegenwoordigde groep in het nieuwe Vlaams Parlement. Waren er het in 2004 nog 11, dan zijn er ditmaal slechts vier verkozen. Daarvan is er bovendien slechts één nieuwkomer: Boudewijn Bouckaert (61 jaar) voor LDD. De overige drie zestigers zijn beroepspolitici die al jaren als parlementslid zetelen: Dirk Sterckx en Karlos Callens (beiden Open Vld) en Marcel Logist (sp.a). Ondanks de vergrijzing van de samenleving lijkt het dus gemakkelijker om als beroepspoliticus zestiger te worden dan als zestiger nieuw verkozen te worden. Hoewel de vergrijzende samenleving sinds 2003 steeds meer politieke aandacht krijgt en de ouderen een groeiend electoraal potentieel vormen, is het aandeel zestigers onder de kandidaten niet structureel gestegen. Hetzelfde kan worden gezegd over hun kansen om ook daadwerkelijk verkozen te worden.

Geslacht

Bij de Vlaamse verkiezingen van juni 2004 mochten de eerste drie kandidaten op de lijst niet van hetzelfde geslacht zijn. In de praktijk is deze regel bedoeld om vrouwelijke kandidaten aan een verkiesbare plaats te helpen. Veel partijen gingen niet verder dan de strikte toepassing van de wetgeving: in de helft van de gevallen (19 op 40 onderzochte Vlaamse kieslijsten) kwam de eerste vrouw pas op de derde plaats. Met de federale verkiezingen van juni 2007 werd de pariteitregel voor de eerste twee plaatsen ingevoerd en moesten kieslijsten voortaan evenveel kandidaten van beide geslachten bevatten (met uiteraard een kleine uitzondering voor lijsten met een oneven aantal kandidaten). Partijen opteerden toen nog overwegend voor een mannelijke lijsttrekker. In 2009 is dit niet anders: slechts één op vier lijsttrekkers van de acht onderzochte Vlaamse partijen bij de effectieven is een vrouw.

In het parlement is er nog lang geen sprake van pariteit: het nieuw verkozen Vlaams Parlement telt 51 vrouwen, tegenover 73 mannen. Toch is de evolutie duidelijk: het nieuwe parlement telt nu 41% vrouwen, daar waar het in 2004 32,9% was en in 1999 slechts 23,3%. Op tien jaar tijd is de scheeftrekking tussen beide geslachten al voor een groot stuk weggewerkt. Bij de federale verkiezingen van 2007 was de verandering minder uitgesproken. Ondanks dezelfde regelgeving bedroeg het aantal vrouwelijke (Vlaamse) verkozenen toen 36,3%, amper een verschil met 2003. De meeste fracties in het Vlaams Parlement behouden vandaag een mannelijk overwicht. Bij Vlaams Belang, Groen! en LDD zijn nog steeds meer dan twee derde van de parlementsleden mannen, maar LDD en Groen! vormen relatief kleine fracties. Enkel de nieuwe sp.a-fractie telt na 7 juni meer vrouwen dan mannen.

Combineren we voor de 124 parlementsleden leeftijd en geslacht, dan blijkt de vrouwelijke cohorte parlementsleden merkbaar jonger te zijn dan de mannen. De gemiddelde leeftijd van de vrouwelijke verkozenen is 42,4 jaar, terwijl de mannelijke parlementsleden gemiddeld bijna zes jaar ouder zijn (48,1 jaar). Maar liefst 45% van de vrouwelijke parlementsleden is veertig jaar of jonger, bij de mannen is dat slechts 17,5%. Bij de kandidaten is de verhouding evenwichtiger en zijn de vrouwen (42,4 jaar) gemiddeld slechts twee jaar jonger dan de mannelijke kandidaten (44,1 jaar). Bij de vorige verkiezingen hetzelfde patroon: vrouwelijke kandidaten zijn gemiddeld telkens iets jonger dan hun mannelijke collega’s, maar bij de effectief verkozen kandidaten wordt de gemiddelde leeftijdskloof een heel stuk breder. Een voor de hand liggende conclusie is dan ook dat de quotawetgeving de parlementaire carrière van heel wat vrouwelijke politici wellicht versneld heeft.

Beroep

Net zoals in 2003, 2004 en 2007 vormen bedienden en kaderleden de grootste groep onder de kandidaten voor het Vlaams Parlement. Hun aandeel schommelt steevast tussen 25% en 30%. Maar net als bij de vorige verkiezingen blijft daar onder de verkozenen niet veel van over. Slechts negen (7,3%) parlementsleden kunnen tot deze beroepscategorie gerekend worden. Naast de bedienden en kaderleden zijn er ook nog andere beroepsgroepen die gedeeltelijk of geheel ondervertegenwoordigd zijn. Zelfstandigen en vrije beroepen zijn nog goed voor iets minder dan een vijfde van de kandidaten, maar in het parlement daalt hun aandeel tot iets minder dan 10%. Dit cijfer staat in schril contrast met het resultaat van de vorige federale verkiezingen, toen was deze groep goed voor maar liefst 28% van de Vlaamse verkozenen. Niet-actieven maken slechts een kleine 10% van de kandidaten uit, voor arbeiders daalt dit zelfs tot 3%. Beide groepen zijn bovendien niet vertegenwoordigd in het nieuwe Vlaams Parlement. De twee arbeiders verkozen in 2007 - waaronder de veelbesproken Dirk Vijnck voor LDD - zijn dus uitzonderingen gebleven.

De cijfers voor de beroepspolitici (Tabel II) springen echter het meest in het oog. We definiëren de beroepspolitici als zij met een parlementair mandaat of een lokaal, regionaal of federaal uitvoerend mandaat. Onder de kandidaten vertegenwoordigen ze al 21%, daarmee zijn ze er de tweede grootste groep. Maar onder de verkozenen loopt hun aandeel op tot ongeveer drie vierden van de 124 parlementsleden. Nemen we deze beroepsgroep en de kabinets- en partijmedewerkers samen, dan wordt dat zelfs acht op tien Vlaamse parlementsleden. De aparte opkomst van SLP, N-VA en LDD, met vele nieuwe kandidaten, heeft in ieder geval niet geleid tot een substantiële daling van de beroepspolitici onder de kandidaten, laat staan in het parlement.

Gemeentelijk mandaat

Het Vlaams Parlement is en blijft een lokaal verankerde assemblee. Bij de Vlaamse verkiezingen van 7 juni 2009 heeft 49% van de onderzochte kandidaten een lokaal mandaat (burgemeester, schepen en gemeente- of districtraadslid). De lokale mandatarissen staan ook goed geplaatst op de kieslijsten, want hun aandeel in het nieuwe Vlaams Parlement bedraagt drie op vier parlementsleden. Dit effect valt vooral op onder de burgemeesters: goed voor 4% van de kandidaten, vertegenwoordigen ze 17% van de verkozenen.

De drie traditionele partijen en Vlaams Belang hebben de sterkst lokaal verankerde fracties. Vergeleken met vijf jaar geleden is het aandeel lokale mandatarissen overal toegenomen. Vooral bij Vlaams Belang is er een belangrijke toename: van 71,9% van hun fractie in 2004 naar 86,4% in 2009. De partij heeft bij de laatste lokale verkiezingen in oktober 2006 een omvangrijke groei aan lokale mandatarissen gekend. CD&V en Open Vld spannen de kroon en tellen bovendien ook het meeste burgemeesters onder hun verkozenen. Bij SLP daarentegen vertegenwoordigen de lokale mandatarissen slechts 12% van de kandidaten. SLP ging bij de laatste lokale verkiezingen nog in kartel met sp.a naar de kiezer. Een deel van de lokale mandatarissen is na het einde van het kartel bovendien richting sp.a getrokken. LDD is eveneens zwak lokaal verankerd, maar de partij bestond niet eens bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen. Toch telt LDD-fractie twee burgemeesters en drie gemeenteraadsleden. Dat zijn stuk voor stuk politici - waaronder Jean-Marie Dedecker - die hun gemeentelijk mandaat bij een andere partij begonnen zijn.

Ook Groen! telt relatief veel lokale mandatarissen onder de kandidaten en in de parlementsfractie. De parlementaire nieuwkomers van Groen! zijn met andere woorden geen politieke beginnelingen. De N-VA-fractie vormt de achterhoede, maar is net als LDD en SLP een ietwat apart geval. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 maakte de partij net als SLP op de meeste plaatsen nog deel uit van een electoraal kartel.

Nationaal mandaat

De regionale en Europese verkiezingen van 7 juni 2009 hebben ook ditmaal weer tot een parlementaire stoelendans geleid op een ander bestuursniveau. Meer dan twintig federale parlementsleden zijn ditmaal voor een regionaal parlement verkozen. Sinds de regionale en federale verkiezingen niet meer op dezelfde dag georganiseerd worden (2003), is het de gewoonte geworden om als zetelend parlementslid te kandideren, ongeacht het bestuursniveau. België heeft immers geen nationale politieke partijen meer. De traditionele politieke partijen zijn al decennia opgesplitst in aparte Vlaamse en Franstalige formaties. Nieuwe politieke partijen, zoals LDD, N-VA of Vlaams Belang hebben geen Waalse tegenhanger. Er wordt door de politieke partijen weinig verschil gezien tussen federale en regionale verkiezingen. Veel politici staan dus telkens opnieuw op de lijsten. De kieslijsten moeten immers gevuld raken en iedere stemmentrekker - landelijk boegbeeld of lokaal populaire mandataris - is mooi meegenomen.

Ook op 7 juni kandideert een aanzienlijke groep federale parlementsleden voor het Vlaams Parlement. Ongeveer 60% van de Vlaamse kamerleden of senatoren van de acht onderzochte partijen kandideerde voor het Vlaamse beleidsniveau.3 Hetzelfde verhaal in juni 2007, toen meer dan 60% van de Vlaamse parlementsleden kandideerde voor het federale niveau (zie Tabel III). Twee jaar geleden raakte 12,5% van de Vlaamse parlementsleden federaal verkozen. Zo’n 14 van de 71 Vlaamse federale parlementsleden die ditmaal op de kieslijsten voor het Vlaams Parlement staan, is effectief verkozen. Slechts 7 onder hen hebben het Vlaams mandaat ook effectief opgenomen. Het beperkte aantal zetelende mandatarissen die kandideren voor een ander bestuursniveau en daarbij ook verkozen wordt, doet een vooral ondersteunende rol uitschijnen voor het gros van die parlementsleden. Ze fungeren op onverkiesbare of minder prominente plaatsen op de kieslijsten.

Toch merken we dat van de 66 leden van het nieuw verkozen Vlaams Parlement die uittredende parlementsleden zijn (66 uit de onderzochte partijen, daarnaast ook nog Christian Van Eyken), er toch nog 18 uit andere assemblees komen. Dat cijfer wint nog aan belang, wanneer we ermee rekening houden dat slechts 49 uittredende Vlaamse parlementsleden via verkiezingen naar het halfrond terugkeren (nogal wat zullen echter als opvolger weer opgevist worden).

Nieuwe kandidaten?

De vele federale parlementsleden die kandideren voor het Vlaams Parlement zijn een indicatie van de vervlechting van beide bestuursniveaus in de partijhoofdkwartieren. Tegelijk zijn ze een onderdeel van een breder gegeven, namelijk de steeds terugkerende kandidaten. Zowel op de verkiesbare als de onverkiesbare plaatsen komen telkens veel namen terug die ook bij vorige verkiezingen op de lijsten figureerden. De beroepspolitici - met gemeentelijke en/of nationale mandaten - vormen hier een logische subgroep van: ze brengen door hun politieke netwerk stemmen aan of willen zich electoraal meten met de partijgenoten, collega’s maar ook altijd politieke concurrenten. Naast de beroepspolitici zijn er ook de militanten die bereid zijn de lijsten op te vullen en beginnende politici, die zich een aantal keer ‘moeten bewijzen’ op onverkiesbare plaatsen eer ze een betere plaats kunnen aspireren.

Uit Tabel IV blijkt dat de ‘gevestigde’ partijen het minst nieuwe kandidaten op hun kieslijsten presenteren, wat we intuïtief ook zouden vermoeden. Merk op dat CD&V - toch het voorbeeld van een breed uitgebouwde partij - meer nieuwe kandidaten opstelt dan Groen! en de overige klassieke partijen. Van de onderzochte partijen laat Vlaams Belang het minste vernieuwing noteren. Vanzelfsprekend spannen LDD, een nieuwe partij, en de voormalige kleine kartelpartners N-VA en SLP hier de kroon. De vernieuwing is hier vanzelfsprekend eerder een noodzakelijk kwaad dan een vrijwillige keuze. Het aantal N-VA kandidaten dat in 2004 en/of 2007 op kartellijsten met CD&V figureerde is al bij al beperkt. LDD heeft iets minder nieuwe kandidaten dan N-VA, maar LDD ging twee jaar geleden ook al apart naar de verkiezingen.

BESLUIT

De verkiezingen van 7 juni hebben niet tot een aardverschuiving geleid in het sociografische profiel van de Vlaamse parlementsleden. De aanwezigheid van nieuwe spelers in de politieke arena - LDD, SLP en N-VA als aparte formaties - heeft wel effect gehad op het profiel van de kandidaten. Hun kieslijsten bevatten veel nieuwe kandidaten, zonder banden met vorige verkiezingscampagnes.Deze drie partijen ontberen ook het brede landelijke netwerk van lokale mandatarissen, de ruggengraat van gevestigde partijen, zodat de lokale verankering van de kandidaten dit keer minder uitgesproken was. Ook de lagere aanwezigheid van beroepspolitici op de kieslijsten kan hoogstwaarschijnlijk op conto van deze partijen geschreven worden.

Maar eens de stemmen geteld en de zetels verdeeld, blijft er van dit beeld niet veel over. SLP is electoraal weggeveegd, N-VA en LDD samen zijn goed voor een vijfde van de parlementaire zitjes. Het gemiddelde profiel van een kandidatenlijst verhult bovendien het onderscheid tussen de verkiesbare en de onverkiesbare plaatsen. De LDD- en N-VA-fracties hebben het profiel van de Vlaamse verkozenen niet dooreen geschud. Het Vlaams Parlement blijft een bij uitstek lokaal verankerde assemblee. Drie op vier parlementsleden cumuleert met een gemeentelijk mandaat. Ter vergelijking, in 2004 was dat ongeveer 65% van de parlementsleden. Dezelfde vaststelling bij de beroepspolitici onder de verkozenen: ook deze categorie is goed voor drie vierden van het nieuwe parlement, daar waar het vijf jaar geleden nog 67% was. De verkiezingen van 7 juni 2009 hebben dus geen einde gemaakt aan de professionalisering van de politiek. Wel is inzake de aanwezigheid van beroepspolitici het contrast tussen verkozenen en kandidaten groter dan ooit tevoren.

De conclusie uit 2007 - de dominantie van de beroepspolitici - houdt dus nog steeds stand. Heeft de afgelopen stembusgang dan geen enkele verandering laten optekenen? Dat beweren, zou overdreven zijn. De verkiezingen van 7 juni lijken een einde te hebben gemaakt aan de stelselmatige gemiddelde verjonging van het politieke personeel. Zeker bij de verkozenen is de dalende trend van de vorige verkiezingen omgebogen. Daarnaast is het aandeel van de vrouwen in het parlement verder toegenomen, tot 41%, daar waar het tien jaar terug iets meer dan een vijfde bedroeg. De vrouwelijke politici worden wel voor een deel geholpen door de striktere quotawetgeving. Maar voor het overige was en is het Vlaams Parlement allesbehalve een spiegel van de samenleving. De Vlaamse politiek telt meer partijen en opvattingen dan ooit tevoren, wat een partij met 20% van het electoraat al ‘groot’ maakt, maar het profiel van het politieke personeel uit de diverse parlementaire fracties blijft grotendeels onderling inwisselbaar.

Frederik Verleden, Karolien Weekers, Bart Maddens, Gert-Jan Put en Ine Vanlangenakker
Centrum voor Politicologie, KU Leuven

Noten
1/ Verkiezingen 2009: enkel voor het Vlaamse Parlement, in 2004: Vlaanderen, Brussel en Europa. Van de 1680 kandidaten zijn er 112 waarvan de leeftijd niet gekend is.
2/ Van de 1680 zijn er 149 waarvan het beroep niet bekend is.
3/ Enkel de rechtstreeks verkozen (25) en gecoöpteerde (6) senatoren.
4/ Daarnaast is ook nog Christian Van Eyken (UF) kandidaat.
5/ Daarnaast is ook nog Christian Van Eyken (UF) herkozen.
6/ Tot de verkiezingen van juni 2009, daarna 13 leden.

parlement - verkiezingen - profiel politici

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 7 (september), pagina 4 tot 13