Log in

Schoolse vaardigheden via thuistaal

Project in de kijker

Het Departement Onderwijs en Opvoeding van de stad Gent startte in september 2008 met een innoverend en experimenteel project ‘ontwikkelen van schoolse vaardigheden via thuistaal’. Vier (netoverschrijdende) basisscholen en de aanpalende buitenschoolse opvanginitiatieven stapten hierin mee. Hieronder stellen we kort de doelstellingen, krijtlijnen en voorlopige resultaten van het project voor.

Vlaamse steden met een grote concentratie aan allochtone kinderen van voornamelijk Turkse en Marokkaanse herkomst vinden moeilijk een oplossing voor de vaak tegenvallende schoolresultaten van die groep kinderen. Ze hebben meer schoolachterstand in het basisonderwijs en ze zijn oververtegenwoordigd in de onderste regionen van het watervalsysteem in het secundair onderwijs (BSO, DBSO en BUSO). Zowat de helft van de allochtone jongeren van Turkse of Noord-Afrikaanse afkomst verlaat het secundair onderwijs zonder diploma. Onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) en Gelijke Onderwijskansen (GOK) hebben geen wezenlijke bijdrage geleverd om deze achterstand weg te werken. Dit is in Gent niet anders.
Het bestuursakkoord 2006 van het college van burgemeester en schepenen van Gent biedt een kader om te zoeken naar nieuwe wegen waarmee het schoolrendement voor deze kinderen kan verhogen, en vraagt meteen aandacht voor de mogelijke rol van de thuistaal hierbij. Deze gaat immers voor een stuk verloren en ontwikkelt zich niet verder dan de mondelinge basisvaardigheden (cf. PISA-onderzoek). Ook krijgen kinderen op school niet de kans om de (basis)vaardigheden in hun thuistaal te versterken om van daaruit een tweede taal, in dit geval het Nederlands, te leren. En zo blijft de kans om deze meertaligheid als troef verder te ontwikkelen, onbenut.

Het Departement Onderwijs en Opvoeding van de stad Gent is daarom gestart met het project ‘ontwikkelen van schoolse vaardigheden via thuistaal’ (Pedagogische Begeleidingsdienst Stad Gent). Vier (netoverschrijdende) basisscholen en de aanpalende buitenschoolse opvanginitiatieven stappen in het project.

Het project omvat twee doelstellingen.
In het kader van doelstelling A beoogt het project een positieve attitude ten aanzien van het Nederlands en alle andere talen die op school vertegenwoordigd zijn én een positieve invloed op het welbevinden van alle kinderen. Het gaat over het erkennen en waarderen van alle talen die aanwezig zijn en het creëren van een positief beeld op de eigen sociaal-culturele achtergrond en op die van de anderen. Doelstelling A gaat echter nog een stap verder: het gaat ook over het benutten van de thuistaal in het onderwijs om op die manier de (Nederlandse) taalvaardigheid van de kinderen te bevorderen. De doelgroep van doelstelling A zijn alle kinderen in de vier projectscholen en betrokken opvanginitiatieven.
Voor doelstelling B wordt op substantiële wijze aandacht besteed aan de ontwikkeling van de thuistaal van de Turkse kinderen, ook tijdens de lesuren. Hierbij beoogt het project een betere aansluiting vanuit de thuistaal bij het Nederlandstalig onderwijs. In twee projectscholen zijn de Turkssprekende kleuters en leerlingen van het eerste en tweede leerjaar de doelgroep van doelstelling B. Het is de bedoeling om die Turkse kinderen die bij de aanvang van de lagere school minder taalvaardig zijn in het Nederlands dan in het Turks, eerst te alfabetiseren in hun meer ontwikkelde thuistaal. Dit zal toelaten om het aanvankelijk lezen en schrijven onmiddellijk in een betekenisvolle context te laten plaatsvinden. Voor kinderen die onvoldoende taalvaardig zijn beperkt het lees- en schrijfonderwijs zich vaak tot omzetten van schrifttekens naar klanken en omgekeerd, zonder dat er kan gezocht worden naar de betekenis van de geformuleerde zinnen. Het echte doel van alfabetisering, de schriftelijke communicatie van betekenisvolle inhouden, blijft voor die leerlingen dan te lang uit de scoop. Daarom worden in de derde kleuterklas van twee projectscholen de Turkssprekende kinderen ondersteund door een tweetalige kleuterleidster, die ook hun ontluikende geletterdheid in het Turks stimuleert. In het eerste leerjaar leren deze kinderen aanvankelijk lezen en schrijven in het Turks. In de tweede helft van het eerste leerjaar en in het tweede leerjaar worden die aparte lessen in de thuistaal (maximaal één uur per dag) geleidelijk aan afgebouwd om plaats te maken voor klasinterne ondersteuning door de tweetalige leerkracht bij de transfer van de vaardigheid van het lezen en schrijven die de kinderen in het Turks verworven hebben, naar het Nederlands. Dit alles gebeurt in zeer nauwe samenwerking met de betrokken klasleerkrachten.

Om bovenstaande doelstellingen te bereiken, verloopt het project langs enkele belangrijke krachtlijnen: het verhogen van de kleuterparticipatie, het ontwikkelen van krachtige leeromgevingen voor interactief taalonderwijs, het constant houden van de tijd doorgebracht in contact met het Nederlands via de opvang, ouders de kans bieden zelf ook Nederlands te leren in samenwerking met Basiseducatie en tot slot een grondige wetenschappelijke evaluatie van de resultaten van het project in samenwerking met de Universiteit Gent en de Katholieke Universiteit Leuven. Ook zijn er binnen de structuren van het project een aantal didactisch-pedagogische werkgroepen opgericht. Binnen deze werkgroepen worden ideeën verzameld om meertalige materialen en didactieken te zoeken, uit te proberen en te ontwikkelen. Deze werkgroepen zijn: werkgroep talensensibilisering en thuistaal in een krachtige leeromgeving, werkroep ontluikende geletterdheid, werkgroep aanvankelijk lezen en werkgroep ouders.

Op het definitieve rapport van het wetenschappelijk onderzoek dat aan dit project verbonden is, is het nog een drietal jaar wachten. Toch kunnen we al enkele bevindingen meegeven. Het valt nu al op dat vooral de projectscholen die in het verleden een enkel-Nederlandsbeleid voerden, een sprong vooruit hebben gemaakt: je ziet nu een duidelijke omslag in het beleid van die scholen. Na één jaar actieve projectwerking in de projectscholen en betrokken opvang valt het op dat het welbevinden van de kinderen stijgt. Maar het gaat verder dan dit: leerkrachten die constructief werken rond thuistalen en daarover komen getuigen op didactische werkgroepen e.d. stellen vast dat door de inzet van de thuistalen kinderen op de duur juist meer Nederlands gaan gebruiken. Eens deze kaap in de klaspraktijk wordt genomen, blijkt dat veel initiële ongerustheid bij deze leerkrachten verdwijnt. Ook raakt dit project niet enkel aan meertaligheid specifiek, maar brengt het ook heel wat reflectie en actie met zich mee rond goed onderwijs, een krachtige leeromgeving, etc. Uit een interviewronde bij de ouders blijkt tot slot dat de taalsituatie in allochtone gezinnen niet zo homogeen eentalig (thuistaal) is als men wel eens aanneemt. In ruim drie vierde van de bevraagde gezinnen heeft het Nederlands minstens een plek, zij het niet als dominante taal. Van gebalanceerde tweetaligheid is slechts in enkele gevallen sprake. Dit geeft wel aan dat we geschakeerder moeten denken over het gegeven ‘thuistaal’ in (Gentse) allochtone gezinnen.

Luc Heyerick
Departementshoofd Departement Onderwijs en Opvoeding - stad Gent

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 8 (oktober), pagina 48 tot 50