Abonneer Log in

Socialistische ideologie is minder passé dan men zou willen

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 8 (oktober), pagina 60 tot 65

Welke weg moet sp.a opgaan? Deze vraag hebben velen zich al gesteld na de onverwachte verkiezingsnederlaag van 2007, maar de vraag is nu weer aan de orde na het opnieuw teleurstellende resultaat van 2009. In dit artikel proberen we inspiratie op te doen door te kijken naar de ervaringen van Engelse socialisten. We gebruiken hiervoor de inzichten uit de politieke marketing, waar redelijk wat onderzoek gebeurd is naar het wel en wee van Labour. Ook werpen we een terugblik op het eigen verleden van de Vlaamse socialisten.

Maar we beginnen ons artikel natuurlijk met een stelling: moet sp.a nu echt kiezen tussen de optie van ‘een brede progressieve partij’ en ‘het socialisme’ (de stelling van Carl Devos, Samenleving en politiek 06/09)? Mijn stelling is dat een brede partij die gebaseerd is op het socialistische gedachtegoed en daar een moderne vertaling aan geeft geen utopie hoeft te zijn. Er moet niet gekozen worden, maar wel moet sp.a verder timmeren aan de weg op een betere manier dan men de voorbije jaren van de partij gewend is. Ideologie, ook socialistische, is minder passé dan sommigen zouden willen.

STELLING

Deze paragraaf beschrijft mijn stelling, dat sp.a noch de weg op moet gaan van een kleine dogmatisch-linkse zweeppartij, noch die van een kleurloze wasproduct-achtige marketingconstructie met als belangrijkste etiket ‘progressief’. De brede ‘progressieve’ partij is immers een hol populistisch-pragmatisch marketingconcept dat we beter kunnen vermijden. Waar staat namelijk de term ‘progressief’ voor? Wordt er gestreefd naar een life-style partij voor mensen die om de meest uiteenlopende redenen van zichzelf vinden dat ze ‘progressief’ zijn? Of bedoelen we misschien toch ook de mensen die het belangrijk vinden dat er een betaalbare hospitalisatieverzekering is, dat je OCMW tehuis met je pensioen betaalbaar blijft zonder dat de kinderen moeten bijbetalen, of dat je kinderen via het onderwijs hun talenten kunnen ontplooien?

Een socialistische partij mag best socialistisch zijn. Alleen, zij moet meegaan met haar tijd. Het is daarvoor zeker niet nodig alle oude waarden overboord te gooien, integendeel zelfs, dat is gevaarlijk. Zo vervreemd je de basis en verlies je uiteindelijk veel kiezers. Je moet er juist voor zorgen dat je ideologische waarden min of meer intact blijven. Dit is de les die voortkomt uit moderne politieke marketingliteratuur van Angelsaksische collega’s die uitvoerig de Labour case bestudeerd hebben, als bijvoorbeeld Dominic Wring. Men moet een ideologisch discours niet uit de weg gaan, want het mikken op de ‘centrumkiezer’ levert niet noodzakelijk winst op. Broodnodig is wel om deze boodschap op een moderne en nieuwe manier te vertalen, en te brengen. Zo kun je ook nog nieuwe kiezers aantrekken.

Makkelijk is deze strategie natuurlijk niet. Er is talent voor nodig, heel veel talent zelfs. Je hebt toch een soort van ‘goudhaantje’ als politiek leider nodig, iemand die erin slaagt om op geloofwaardige wijze de gemoderniseerde versie van de oude ideologische boodschap te verkopen. Schumpeter heeft het al geschreven in 1943, de psychotechniek van partijmanagement en adverteren, van slogans en marcheertonen is geen accessoire, maar vormt de essentie van politiek, evenals natuurlijk de ‘politieke baas’. In de gemediatiseerde politiek van vandaag die gekenmerkt wordt door een extreme personalisering is, naast de presentatie van de ideologie, de figuur van die ‘politieke baas’ zelfs cruciaal geworden. Deze politieke baas, of bazin, mag dus best een ideologisch verhaal brengen. We hebben kunnen vaststellen dat ideologisch gerichte politici er trouwens goed toe in staat kunnen zijn om hun kiespubliek te vergroten (Thatcher, Reagan en Mitterand). Dit is het geval wanneer zij een positioneringsstrategie hanteren die tegelijk de partijmilitanten en de minder enthousiaste delen van het kiespubliek aanspreekt.

NEW LABOUR ALS INSPIRATIEBRON

In Groot-Brittannië bestond de succesformule voor (centrum)links in de Blair-periode uit drie elementen: een uitgekiende formulering van programma en retoriek (spindoctoring), de begeesterende présence van de partijleider en een continu gebruik van opinieonderzoek (peilingen en focusgroepen). Hoewel Groot-Brittannië een ander politiek systeem kent, valt er voor de sp.a veel wijsheid te halen uit het verhaal van Labour.

Na de grote Labour nederlaag van 1983 begon Neil Kinnock als partijleider de weg te effenen voor Tony Blairs New Labour overwinning uit 1997. Radicale eisen als grootschalige nationalisatie en hernationalisering werden in de aanloop naar New Labour geleidelijk achterwege gelaten. Het was zeker geen gemakkelijke klus om het roer totaal om te gooien zonder dat de traditionele achterban zich voor schut gezet voelde. Een complete koerswijziging werpt een slecht licht op wat er eerder was, want dit impliceert dat de vroegere politiek slecht overwogen en niet ter zake doend was. De presentatie van de nieuwe partijkoers door de uiterst talentvolle communicator Blair, met als toverwoord modernizing, bleek een schot in de roos (Bull, 2000).
Blair gebruikte in interviews veelvuldig de term ‘modernisering’. De term liet toe continuïteit en verandering te verzoenen. Blair benadrukte steeds te geloven in de waarden van de oude Labourpartij. Modernisering hield in dat Labour trouw bleef aan haar principes, maar dat die principes in een nieuw kleedje moesten. De formulering liet toe om vast te stellen dat er veranderingen hadden plaatsgevonden maar tevens om deze als principieel voor te stellen. Zo werd vermeden dat de nieuwe koers als opportunistisch en onprincipieel werd beschouwd.
Blair verwees bovendien vaak naar de veranderingen die andere partijen als de Conservatieven hadden doorgevoerd. Hierdoor presenteerde hij verandering als een normaal proces dat eigen is aan de politiek. Wanneer vragen te bedreigend werden, ontweek Blair deze door te antwoorden dat we vandaag in een andere wereld leven en dat we nu moeten kijken hoe we van het land een betere plaats om te leven kunnen maken.

Blairs retoriek van modernisering bezat het voordeel dat zij de Labourpartij een nieuwe identiteit verleende en mensen aantrok die nooit eerder voor Labour gestemd hadden. Tezelfdertijd werd het risico uit de weg gegaan dat men van de eigen achterban zou vervreemden. Vaak hebben interviewers Blair ertoe aangezet om de oude Labourpartij te bekritiseren of veroordelen, toch heeft men hem daar nooit op kunnen betrappen. De nieuwe Labour-identiteit werd gekenmerkt door een hoge graad van inclusiveness. Het was zeker uit den boze om ook maar één kwaad woord te spreken over de ‘stamboomsocialisten’, integendeel.

DE GRENZEN VAN DE SUCCESFORMULE

Uiteraard hebben volgende factoren bijgedragen aan de recente tegenslagen van Labour: foute ideologische keuzes over deelname aan oorlogen waarin de meerderheid van de bevolking én van de media zich moeilijk kon vinden, de koppigheid van Blair om daarin te volharden en het gebrek aan charisma en communicatietalent van Blairs opvolger Gordon Brown. Maar de succesformule zelf had ook haar beperkingen.

Campagnevoeren heeft altijd al een marketingkarakter gehad. Het nieuwe aan de moderne spindoctoring en politieke marketing is de grotere sofisticatie en de toename ervan (Kotler, 1982). New Labour was op de duur nauwelijks nog moreel kruisvaarder maar des te meer een marketingoefening geworden (The Sun, 19 juli 2000; The Observer, 26 november 1995). Het ideologisch kompas werd grotendeels vervangen door het marktpopulisme van de peilingen. Hoewel men zogenaamd bleef gaan voor een inclusieve samenleving werden de meest loyale partijsupporters in feite meer en meer genegeerd. Orwell parafraserend, kenschetst de politieke marketeer Wring (2005) de zwakke plek van de succesformule: dat alle kiezers dan wel gelijk zijn, maar dat sommige meer gelijk zijn dan andere.

Gestratifieerd campagnevoeren ondermijnt het belang en de invloed van de zeer stabiele secties van het kiespubliek. De marketingstrategie die mikt op de nieuwe (middenklasse) kiezers heeft al te zeer de kiezers uit de publieke sector, de partijleden, de arbeiders, de vakbondsleden, de armen en de etnische minderheden verwaarloosd. De cynische calculatie van Blair dat dit kiespubliek wel bij Labour zou blijven omdat het toch nergens anders heen kon, bleek een stap te ver. De dramatische uitval bij Labour in 2001 bewijst namelijk het tegendeel.

DE JONGE TURKEN ALS INSPIRATIEBRON

Het mag duidelijk zijn, het Belgisch socialisme spoort qua timing van vernieuwing ongeveer gelijk met het Britse. Ook deze recente geschiedenis van de socialistische partij(en) in eigen land is zeker een interessante inspiratiebron.
Toen Kinnock in Groot-Brittannië de weg begon te effenen voor de ‘vernieuwing’ van zijn socialistische partij, hadden ook in België de socialisten al hun ‘nieuwe’ start gemaakt. De Belgische situatie wijkt echter af van die in Groot-Brittannië en andere Europese landen als Nederland en Frankrijk wegens oneindig veel gecompliceerder. De verzuiling had ook in België toen al haar beste tijd gehad, maar was meer dan in andere Europese landen (uitzondering: Italië) nog volop aanwezig. De pers, die in Vlaanderen lang door katholieken en Vlaams-nationalisten gedomineerd is geworden, heeft de schandalen aan socialistische zijde altijd uitvergroot.

De vernieuwing van de unitaire Belgische Socialistische Partij viel ongeveer samen met de splitsing ervan in een Waalse en een Vlaamse vleugel (1980). Vooral aan Vlaamse zijde bestond het gevoel dat het autoritaire biefstukkensocialisme van de unitaire BSP/PSB uit de tijd was. Het was de grote verdienste van Karel Van Miert dat hij er als partijvoorzitter in slaagde om met zijn vernieuwingsoperatie (Doorbraak) het tij van verkiezingsnederlagen te keren. Aan deze nederlagen hadden ook nog andere factoren bijgedragen dan de verouderde ideologie en partijwerking: regeringsdeelname tijdens economische crisis, het Ibramco- schandaal en een overwegend vijandige pers. Van Miert heeft ook de afscheiding van de Waalse kameraden, toen nog aangevoerd door André Cools, in goede banen geleid.
Het algemene klimaat voor de vernieuwing oogde zonder meer gunstig. Weliswaar was in Nederland de charismatische PvdA-leider Joop Den Uyl er na een grote verkiezingsoverwinning niet in geslaagd om tot een regeerakkoord te komen met de christendemocraten, maar in Frankrijk had Mitterand met zijn overwinning in 1981 wel le changement bewerkstelligd. Na een eindeloos lijkende regeerperiode van rechtse presidenten was links erin geslaagd om de bal te bemachtigen. België zelf leed onder een langdurige economische crisis die de opeenvolgende centrumrechtse regeringen Martens met volmachten en baby-Thatcher (bijnaam van de jonge Verhofstadt) recepten te lijf ging. De algemene onvrede kon door de oppositie zonder al te veel moeite gemobiliseerd worden, onder jongeren met name door anti-kernrakettenbetogingen. Karel Van Miert en zijn ‘jonge Turken’, geflankeerd door Carla Galle die over een bijzonder organisatietalent bleek te beschikken, hadden met hun operatie ‘Doorbraak’ het socialisme duidelijk nieuw leven ingeblazen - er werd een opening gemaakt naar christelijk links.

Aan de jonge Turken kon men zeker geen gebrek aan een doortastende linkse ideologische opstelling verwijten. Zij knoopten aan bij de traditie van het weekblad Links, de eeuwige luis in de pels van de unitaire socialistische partij. Hoewel zij radicaal braken met de soms anti-intellectualistische opstelling van de oude BSP had dit toch niet een verwijdering tot gevolg tussen de partijtop van jonge Turken en de traditionele achterban. De verklaring hiervoor was de duidelijk aanwezige ideologie, die op uitgekiende wijze aan de man gebracht werd met jonge intellectuele mannen als boegbeelden op de kieslijsten.
Dat de partij nog altijd zeer vrouwonvriendelijk was, was iets waar weinigen zich toen aan stoorden. Belangrijker vond men de opleving van de partijdemocratie. Na enthousiast bijgewoonde partijbijeenkomsten op diverse niveaus kwam het na amendementen meestal tot een coherent partijprogramma. De boodschap bleek zowel wervend voor nieuwe kiezers als voor partijleden. Op meerdere plaatsen werden de oude wijkafdelingen gereanimeerd en ingezet als politieke discussiefora én propagandacentra. Er werd in feite permanent campagne gevoerd. Het nieuwe élan teweeggebracht door Van Miert en zijn jonge Turken heeft de Vlaamse socialisten geen windeieren gelegd.

CONCLUSIE EN DISCUSSIE

Dat ideologie in een modern kleedje zeer begeesterend kan werken, als het maar gebracht wordt door de juiste persoon en met de gepaste retoriek, is natuurlijk niet alleen een les van Tony Blair en ‘de jonge Turken’, maar ook bijvoorbeeld van Steve Stevaert.

Een goede ‘casting’ van het aanwezige talent is iets dat altijd de moeite van het overdenken waard is, maar de ‘casting’ van de partijvoorzitter en in mindere mate ook die van het running team verdienen echt speciale aandacht. De idee van ‘een team waarmee men kan werken’ is goed, op voorwaarde dat men daarmee niet een vriendenclub van mensen met gelijkaardige talenten, karakters, achtergrond of zelfs leeftijd bedoelt. Diversiteit is belangrijk, want verschillende taken vragen om andere talenten. Minstens zo belangrijk is dat diversiteit behoedt voor conformiteit en het gevaarlijke fenomeen van Groupthink, een concept van Janis (1972, 1973). Deze onderzoeker had zich naar aanleiding van het Varkensbaai debacle afgevraagd hoe het mogelijk was dat een groep zeer intelligente mensen rond John F. Kennedy zo’n dom scenario hadden kunnen goedkeuren. De conclusie luidde dat men er op de duur meer op uit was om het ‘wij’ gevoel te behouden en elkaars goedkeuring, dan om een degelijk strategisch en tactisch buitenlands actieplan te ontwikkelen. Het bewust incorporeren van de mogelijkheid van alternatieve perspectieven in het leidersteam van een politieke partij is geen overbodige luxe.
Naast de goede casting van vooral de voorzitter, maar ook van het team, moet een partij als sp.a ook aandacht hebben voor de ideologische samenhang van de boodschap. Een mozaïek van politieke reacties waarin lijnen en rechtlijnigheid ontbreken, mag dan soms wat weg hebben van slim politiek gemarketeer, uiteindelijk is het dat zeker niet en hunkert iedereen naar een goed en begeesterend politiek verhaal. In het geval van sp.a moet dat een duidelijk en makkelijk te begrijpen en te verkopen verhaal zijn dat ook ideologisch gekleurd is. Een verhaal voor zowel de socialistische achterban als de ‘nieuwe’ socialisten allebei even belangrijk.

Christ’l De Landtsheer
Politiek communicatiewetenschapper, Universiteit Antwerpen

Literatuur
- Peter Bull (2000), New Labour, New Rhetoric? An Analysis of the Rhetoric of Tony Blair. In: De Landtsheer C. & Feldman O. (Eds.), Beyond Public Speech and Symbols. Explorations in the Rhetoric of Politicians and the Media. Westport, Connecticut, Praeger, pp. 3-16.
- Irving Janis (1972). Victims of Groupthink. Boston, Houghton Mifflin.
- Philip Kotler (1982), Voter Marketing, Attracting Votes. In: Kotler P., Marketing for Non-profit Organisations. New Jersey, Prentice Hall.
- Gary Mauser (1983), Political Marketing: an approach to campaign strategy, New York, Praeger.
- Joseph Schumpeter (1943), Capitalism, Socialism and Democracy. London, Unrin.
- Dominic Wring (2005), The Politics of Marketing the Labour party. Basingstoke, Palgrave.

ideologie - politiek leiderschap - socialisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 8 (oktober), pagina 60 tot 65