Abonneer Log in

De homo sapiens sapiens versus de homo politicus

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 4 (april), pagina 12 tot 19

De redactie van Samenleving en politiek vroeg me om zowel de Visietekst over de pensioenen van de sp.a als het artikel over de toekomst van het sociaal beleid (Frank Vandenbroucke) te becommentariëren.1 Daarbij ga ik het polemiseren niet uit de weg. Ik schrijf dan ook uit persoonlijke naam, ook al is me gevraagd om dit artikel te redigeren omdat ik bij de studiedienst van het ABVV werk. Gelieve ook in het achterhoofd te houden, beste lezer: de beste stuurlui staan altijd aan wal. En kritiek geven staat niet gelijk aan geen respect hebben.

I. STRATEGISCHE KEUZES VOOR HET SOCIAAL BELEID

(FRANK VANDENBROUCKE)

Al wie de sociaaleconomische toestand van nabij volgt, is het eens. Het is een heel knap en toch eenvoudig en helder geschreven artikel; getuigend van enorm veel kennis en ervaring, en dus ook van werkkracht en engagement. Om het met de woorden van John Coetzee te zeggen: terwijl wij allen ernaar streven om een homo sapiens te worden, is Frank Vandenbroucke algemeen gekend als een homo sapiens sapiens.
Maar het artikel wordt wel gebruikt, of misbruikt. Op het moment dat het voor de publieke opinie duidelijk was dat we vandaag in een economisch en budgettair moeras zitten door de winsthonger en speculaties van een aantal bankiers, wordt met dit artikel de focus herlegd naar ‘de noodzakelijke hervormingen van ons sociaal stelsel’ om tot een oplossing te komen. Terwijl onze sociale uitgaven al 30 jaar stabiel zijn in verhouding tot onze totale rijkdom (bbp). Het is dan ook geen toeval dat liberalen en rechtse denktanks het artikel aanhalen.

Waarom we voor strategische keuzes staan

Er is geen speld te krijgen tussen de geciteerde cijfers en analyses. We zouden volgens de Hoge Raad voor Financiën en het bij Europa ingediende stabilisatieproject ca 17 miljard euro (5% bbp) moeten vinden tegen 2015. Dat is een veelvoud van het bedrag van de besparingen in de jaren 1980 en 1990 (globaal plan), wat toen al veel sociaal protest veroorzaakte. Op deze manier zou ook 80% van de verwachte vergrijzingskost gefinancierd worden. Blijft dus nog zo’n 1,5% bbp te vinden in de volgende decennia.
We zijn het eens met het feit dat de sterkste schouders de zwaarste lasten zullen moeten dragen. Dat is een fundamentele socialistische en syndicale stelling, die ons bindt. Wie de voorzitter van Open Vld recent las, zal beseffen dat dit niet evident is: zij willen het hele gewicht van de begrotingssanering bij de sociaal verzekerden en de publieke sector leggen.
We zijn het ook volkomen eens met Frank Vandenbroucke dat dit niet alleen door de federale overheid kan worden gedragen. Aangezien de sociale zekerheid en vergrijzingskost zich op federaal niveau bevinden, zou dit een sociaal bloedbad veroorzaken, en dat kan niemand van ons wensen. We kunnen helaas geen lippendienst bewijzen aan de sociale zekerheid, maar tegelijk de financiering ervan alleen afwentelen op de armlastige federale overheid.
Dat dit spanningen zal geven met Gewesten, Gemeenschappen, gemeenten en provincies, die elk hun eigen planning en investeringsagenda hebben, is ook zo klaar als een klontje. Als syndicalisten verzetten we ons tegen de ‘Maddens-doctrine’ die deze situatie wil misbruiken als breekijzer voor een staatshervorming.

Maar het staat eveneens buiten kijf dat de federale overheid al enkele procenten bbp kan besparen door het doorrekenen van de juiste kostprijs voor een aantal uitgaven voor de sociale zekerheid aan de (andere) overheden in dit land:
- De kost van de pensioenen van de regionale overheden wordt vandaag volledig gedragen door de federale overheid. Het systeem waarbij verhoging van pensioen doorgerekend wordt als dat het gevolg is van het toekennen van nieuwe loonopslag is niet doorgetrokken.
- De regionale en lokale overheden nemen alleen deel aan de sectoren gezondheidszorg en kinderbijslag binnen de sociale zekerheid, en betalen hiervoor een sociale bijdrage die al meer dan 30 jaar niet meer aangepast is aan de stijging van de gezondheidsuitgaven. Ook het zelfstandigenstelsel wentelt trouwens kosten van gezondheidszorg en kinderbijslag af op het werknemersstelsel.
- Geen enkele overheid betaalt een bijdrage voor de werkloosheidssector, maar de factuur voor loopbaanonderbreking wordt volledig naar de federale sociale zekerheid doorgeschoven, wat alleen acceptabel is indien de vervangingsplicht niet zou zijn afgeschaft.

Over het ‘waarom’ van de huidige begrotingssituatie wordt wel vlug heen gefietst. Natuurlijk zijn de speculatie en winsthonger van de bankiers mee verantwoordelijk voor de huidige budgettaire situatie, maar het communautaire opbod heeft ons land, net voor de crisis, gedurende twee jaar vleugellam gemaakt, alsof ons land niets kan overkomen.
Normaal zouden we echter een stevige buffer gehad hebben: ‘Werkzaamheden van het Planbureau toonden aan dat de daling van het overheidstekort en de overheidsschuld die nodig was om te voldoen aan de Maastricht-criteria - om toegelaten te worden tot de eurozone - precies overeenstemde met de daling van het tekort en de overheidsschuld die nodig was om de kost van de vergrijzing op te vangen’, aldus het artikel.

De tekorten die de roomsrode regeringen met bloed, zweet en tranen weggewerkt hadden, werden door paars-groen opgesoupeerd. De belangrijkste voorbeelden:
- Tijdens de regeringsonderhandelingen, in de zomer van 1999, en bij de begrotingsopmaak van oktober 2000 werden - op vraag van de liberalen en onder de vlag van de ‘actieve welvaartsstaat’ - enorme uitgaven vastgelegd in een meerjarenplan voor forse lastenverlagingen. Tussen 1999-2004 werd 3 miljard euro extra uitgegeven aan verlaging van sociale bijdragen, in een periode van absolute hoogconjunctuur. Er werd in oktober 2000 ook voor 4,25 miljard euro vastgelegd voor vermindering van de personenbelasting. Daarvoor werden de ‘marges’ voor de volgende jaren berekend, inbegrepen die bij de sociale zekerheid.
- Het Lambermontakkoord (2000-2001) herfinancierde de Gemeenschappen. Vandaag goed voor 2,34 miljard euro extra dotatie van de federale overheid aan Gewesten en Gemeenschappen.
- Hoeveel de politiehervorming kostte, geen mens die het uiteindelijk weet. Uiteindelijk werd een deel van de kost (33 miljoen euro) naar de sociale zekerheid geschoven. En uiteraard kosten de dienstencheques vandaag te veel (+ 1 miljard euro!), en dient de fiscale aftrekbaarheid daarvan afgebouwd.
- Vandaag sakkert rechts unisono over de groeinorm van 4,5% voor de gezondheidsuitgaven, terwijl de facto niet meer dan 2,8% (= vooropgesteld cijfer van de Vergrijzingscommissie) uitgegeven wordt, en de rest opzij gezet is in het toekomstfonds. Maar onder paars stegen de gezondheidsuitgaven reëel met 4 à 5% per jaar, bovenop de inflatie.
- Later, onder Verhofstadt II, kwam daar nog de notionele interest voor de bedrijven bij. Begroot op 500 miljoen euro. Uiteindelijke kostprijs: 4 miljard euro.

Alleen al de hiervoor opgesomde verlagingen van sociale bijdragen en belastingen en de Lambermontakkoorden zijn goed voor 14 miljard euro of 4% van het bbp. Een bedrag wat we nodig hadden voor de vergrijzing, en bijna wat we vandaag zouden moeten vinden. De sp.a kan niet doen alsof ze hier allemaal niet bij waren. De beloofde terugverdieneffecten van deze verminderingen van sociale bijdragen en (lineaire) belastingverlagingen hebben we niet gezien.

Zijn we te weinig/te veel meegegaan in de ‘actieve welvaartsstaat’?

In deel 2 en 3 van de paper stelt Frank Vandenbroucke zich de vraag of we voldoende kozen voor de ‘actieve welvaartsstaat’ en of Bea Cantillon gelijk heeft met haar analyse dat de activering de herverdeling in de schaduw stelde. Deze delen zijn discutabeler.

a) De ‘activeringspolitiek’ heeft wel degelijk effect.

Door de (door Frank Vandenbroucke geïnspireerde) pensioenhervorming van 1997 moeten werknemers voortaan 35 jaar loopbaan aantonen om nog vóór hun 65ste op pensioen te mogen. Het Generatiepact trok de brugpensioenleeftijd verder op tot 60 jaar. Het essay opent oude wonden tussen sp.a en vakbonden door te schrijven dat het Generatiepact niet het beoogde effect had. Alleen al het optrekken van de vereiste beroepsloopbaan tot 38 jaar heeft hoe dan ook tot gevolg dat je al vóór je 20ste actief op de arbeidsmarkt moet zijn geweest om nog op 58 op brugpensioen te kunnen. Dat is dan ook de reden waarom het aantal bruggepensioneerden tot vandaag niet steeg, en dit ondanks de grootste economische crisis sinds de jaren 1930.

Bovengenoemde maatregelen hebben dus zeker al hun effect. Samen met een sociologisch verschijnsel: jongeren studeren steeds langer, gaan later samenwonen of trouwen, beginnen later aan kinderen en hebben dus langer studerende jongeren te onderhouden,… De leeftijd van uittreding uit de arbeidsmarkt steeg daardoor tussen 2001-2007 van 56,7 naar 57,8 jaar bij de arbeiders, en van 57,8 naar 59 jaar bij de bedienden. Nog nooit in de Belgische geschiedenis hebben zoveel mensen gewerkt (zie Tabel 1). België is ook - langzaam maar zeker - zijn achterstand aan het ophalen. Tussen 1997-2008 steeg de tewerkstelling van 55-plussers in België met 56%, in de EU (27) slechts met 26%, in de EU (15) met 30%.

De gevolgen van het Generatiepact zijn trouwens nog niet op kruissnelheid. Voor de vrouwen wordt de vereiste loopbaan pas vanaf 2014 op 38 jaar gebracht om op 58 op brugpensioen te kunnen, en in 2028 op 35 jaar om op 60 op brugpensioen te kunnen. Pas in 2015 wordt voor een aantal sectoren in moeilijkheden ook de leeftijd op 58 gebracht. Ondertussen is nog altijd weinig of niets gedaan om bedrijven te verplichten tot een non-discriminatiebeleid tegenover allochtonen of tot een actief leeftijdsbeleid.

b) De activeringspolitiek stelde de herverdeling wel degelijk in de schaduw.

Frank Vandenbroucke poneert dat de sociale uitgaven niet daalden, maar geeft toe dat nader onderzoek nodig zou zijn. Nochtans bestaan daar heel wat gegevens over. Ondanks een aanvankelijk riante budgettaire situatie, ging de achteruitgang van de sociale uitkeringen verder langzaam maar gestaag achteruit, en daalde de armoede niet (Tabel 2).

De sociale partners kwamen in 2005 in hun rapport nr. 76 over de financiering van de sociale zekerheid unaniem tot de volgende conclusies:
‘De uitgaven voor sociale zekerheid in het werknemersstelsel evolueerden van 16,2% bbp in 1980 naar 16,7% actueel. De evoluties in de verschillende sectoren zijn echter zeer uiteenlopend.
Het aandeel van de gezondheidsuitgaven in het werknemersstelsel weegt steeds zwaarder. In 1980 bedroegen de gezondheidsuitgaven 3,5% bbp, in 2003 5,4% bbp. (…)
Dit ging voor een deel ten koste van het ‘verzekeringsprincipe’: de vervangingsratio (verhouding gemiddelde uitkering/gemiddeld loon) bij de vervangingsuitkeringen is sinds 1980 in lichte mate gedaald voor de pensioenen, in sterke mate voor de andere uitkeringen met name ingevolge een onvoldoende aanpassing van de vervangingsuitkeringen aan de loon-evolutie. Dit dreigt de ongelijkheid te vergroten.’

Iedereen die de sociale politiek volgt, weet trouwens dat het op de eerste plaats de sp.a was die sociale correcties voor de werklozen blokkeerde: ze werden uitgesloten van de voorkeurregeling in de gezondheidszorg, van de voordelen van de belastingverminderingen, en zelfs unanieme adviezen om de situatie van de armste werkloze gezinnen te verbeteren door een versoepeling van het statuut gezinshoofd werden nooit uitgevoerd door de opeenvolgende sp.a-ministers van werk.
Na 20 jaar ononderbroken sp.a beleid op pensioenen (1988-2007) hebben we samen met Portugal en het Verenigd Koninkrijk ook de slechtste pensioenen. Bea Cantillon stelt terecht: ‘Het beleid was er met karikaturen als de jobkorting op geënt om mensen die het al goed hadden nog meer stimulansen te geven. Tegelijk daalden de uitkeringen de voorbije twintig jaar in een poging mensen sneller weer aan het werk te krijgen. Er werd geactiveerd, niet herverdeeld. Herverdelen was taboe, zelfs bij linkse partijen. De politieke visie en de moed ontbreken nog altijd.’ (Trends, 4/2/2010, p.19). Het feit dat dit een internationale tendens is/was, praat de gemaakte keuzes niet goed. In al die landen krijgen de sociaaldemocraten trouwens mede daardoor ook electorale klappen van hun achterban.

II. PENSIOENPLAN SP.A

Op de nieuwjaarsreceptie vernam het ABVV dat de sp.a zou kiezen voor een grote hervorming van het bestaande pensioenstelsel. Er worden in dat plan twee fases onderscheiden: de korte termijn met de huidige gepensioneerden en zij die de volgende jaren op pensioen gaan; en anderzijds de langere termijn waarvoor een heel ander systeem zou worden ingevoerd.

De korte termijn

Op korte termijn willen ze het minimumpensioen verder optrekken volgens het huidige mechanisme voor de welvaartsaanpassingen, ingevoerd onder Frank Vandenbroucke. Daarnaast willen ze het voor die groep mogelijk maken om een tweede pijler op te bouwen.
Verder optrekken van de minimumpensioenen is een noodzaak. Daarom ook dat we als vakbond de vorige twee onderhandelingen over welvaartsvastheid resoluut voor een verhoging met 2% gingen. We hopen dit ook deze keer, tegen 15 september 2010, te kunnen realiseren.
Wat betreft het aanvullend pensioen, klopt het dat heel wat werknemers geen aanvullend pensioen opbouwden, of slechts voor een heel beperkt bedrag. Het vormt in elk geval geen waardige aanvulling op hun pensioen.
Een aanvullend pensioen mogelijk maken voor individuele werknemers die er via hun sector geen hebben, door ze de mogelijkheid te geven om zelf geld te storten in een publiek fonds, is echter geen antwoord op het lage pensioeninkomen voor deze groep. Ten eerste vergroot dit voorstel enkel de kloof tussen hoge en lage pensioenen: slechts zij die het geld hebben, kunnen het zich veroorloven. Ten tweede is het ook te laat om hier nog een significante pensioenverhoging te bereiken, aangezien ze veelal al op pensioen zijn of aan de vooravond van hun pensioen staan.
Het komt trouwens neer op het herinvoeren van het systeem dat ingevoerd werd midden 19de eeuw, waardoor werknemers individueel bij de voormalige ASLK geld konden storten. Conclusie van het systeem was: ‘Er blijven veel armen omdat ze niet spaarden, en er zijn er veel die niet sparen omdat ze te arm zijn’. Daarom juist werd later door de socialisten ons huidig systeem van wettelijk pensioen ingevoerd.

Toekomstig gepensioneerden

Op lange termijn wil de sp.a een nieuw pensioen invoeren dat bestaat uit twee delen:
- een gewaarborgd pensioen dat op het niveau ligt van de armoedegrens, betaald uit algemene middelen;
- een opgebouwd pensioen met een sterke link tussen bijdragen en rechten. Over de concrete invulling bestaat in de Visietekst nogal wat onduidelijkheid. De vragen en antwoorden die er enkele dagen later op volgden gaven wat meer duiding maar riepen tegelijkertijd evenveel vragen op.
Een gewaarborgd pensioen voor iedereen, op basis van verblijf, zal de overheid gigantisch veel kosten. Vandaag worden de minimumpensioenen vooral betaald via sociale bijdragen. Alleen gepensioneerden met heel erg beperkte inkomsten kunnen, na inkomensonderzoek, een aanvulling krijgen, de inkomensgarantie voor ouderen. Dit is sociale bijstand. In het pensioenplan van de sp.a wordt helemaal niet becijferd hoeveel dit zal kosten, en hoe de overheid deze bijkomende kost zal betalen.
Het opgebouwd pensioen wil de band versterken tussen sociale bijdragen en pensioen. Dit deel zou worden beheerd door de overheid. Het is het congres dat mag beslissen of dit via publieke kapitalisatie dan wel via repartitie moet gebeuren. (Mogen ze alleen hierover beslissen?)

Enkele elementen. Een publieke kapitalisatie lag mee aan de basis van ons pensioenstelsel. In 1924 werd, na de individuele spaarkassen, een publiek kapitalisatiestelsel opgericht voor de arbeiders, het jaar daarop ook voor de bedienden. De voorloper van de ASLK kapitaliseerde de gestorte bijdragen en schreef ze in op de persoonlijke rekening van elke verzekerde. Na WO II trok men lering uit de kapitaalvernietigingen in de jaren 1930 en de ontwaarding van de kapitalisatiefondsen door inflatie, en voerde men overal het huidige repartitiestelsel in. In de periode van publieke kapitalisatie werden heel wat reserves opgebouwd. Nog tot 2034 worden rechten uitbetaald die ontstonden door het publiek kapitalisatiestelsel. Toch faalde dit stelsel. Door opeenvolgende regeringsbeslissingen werd de kas leeggehaald om lopende begrotingen in evenwicht te krijgen. Hoe de pensioenrechten later betaald moesten worden, zouden ze dan wel zien. Resultaat: het kapitalisatiestelsel moest in 2008 overgenomen worden door het repartitiestelsel. Vandaag betaalt het repartitiestelsel dus de gepensioneerden uit. No comment…

Veel tegenspraak

Het percentage bijdragen dat voorzien moet worden voor het deel opgebouwd pensioen, legt de sp.a in handen van de sociale partners. Dit noemen wij de hete aardappel doorschuiven. Wil men een bepaalde vervangingsratio garanderen dan lijkt mij de hoogte van de sociale bijdragen geen onderhandelingsmaterie maar eerder een objectief te bepalen gegeven. Welke vervangingsratio wil men trouwens garanderen? In het eigenlijke pensioenvoorstel (de Visietekst) pleit men heel sterk om 75% van de gemiddelde lonen van de ganse carrière te verzekeren. Op de website en in de pers spreekt men over 75% van het laatste loon, of nog: 75% van het loon van de laatste 5 jaar.
En wat met de gelijkgestelde perioden? De Visietekst spreekt om ‘de totale bijdragen van hele loopbaan mee te tellen, eventueel met enkele uitzonderingen om zo het gewicht van de grootste tegenslagen te minimaliseren.’ De later uitgegeven tekst met vragen en antwoorden stelt dat er aan de gelijkgestelde periodes niet geraakt wordt. Toch wel een uiterst belangrijk punt want de pensioenhervorming van 1997 omvatte het compromis: verstrenging van de toegangsvoorwaarden voor vrouwen maar daartegenover een garantie voor behoud van de gelijkgestelde periodes.
Raken aan die gelijkgestelde periodes is opnieuw raken aan zij die al het laagste pensioen hebben: bij de arbeidsters bestaat meer dan 50% van de loopbaan uit gelijkgestelde perioden!
Hetzelfde geldt in verband met het loonplafond. Heel wat pensioenen in België worden afgetopt. Verdiende je vorig jaar meer dan 47.000€ dan wordt met het loon boven deze grens geen rekening gehouden voor de pensioenberekening. De sp.a stelt nu voor om dit plafond serieus op te trekken ‘zodat enkel nog de 10% hoogste lonen solidair zijn met de rest’. Hoe dit moet gebeuren of betaald worden, wordt niet vernoemd.
Akkoord dat het verzekeringsprincipe versterkt moet worden: midden- of betere lonen hebben in ons pensioenstelsel een zeer lage ‘opbrengst’. We kunnen dit bijvoorbeeld oplossen door het plafond op te trekken, minstens tot op het niveau van de zelfstandigen, en ook elke twee jaar aan te passen aan de stijging van de reële lonen.
Het (bijna) volledig opheffen van het loonplafond wordt op langere termijn echter zeer duur. Het is een maatregel die bovendien alleen de hoogste lonen, die meest genieten van aanvullende pensioenen, bevoordeelt.

Meer fundamenteel: spreekt de sp.a alleen maar over de ontwikkeling van de tweede pijler om ‘modern’ te klinken? Als je alles op een rijtje zet, kiest men het beste uit alle werelden: een verhoogd minimumpensioen voor elke Belg, de pensioenen van de meesten met een kwart verhogen (van 60 naar 75%), én het loonplafond (quasi) volledig afschaffen. In theorie zegt men dat men de tweede pijler gaat veralgemenen, maar de facto brengt men alles samen in een publiek fonds (eerste pijler), zelfs onder paritair beheer.
Waarom dan een kat geen kat noemen, en voorrang geven aan de wettelijke pensioenen, zoals tot hiertoe altijd het standpunt van de sp.a was? Ook in de werkgroep pensioenen bij het laatste sp.a congres aan de VUB genoot dit duidelijk de voorkeur van de meerderheid. In tegenstelling tot het artikel van Frank Vandenbroucke, vinden we geen precieze en harde berekeningen terug in het pensioenvoorstel. De homo politicus aan het woord, niet de homo sapiens sapiens.

Dan is het voorstel van het ABVV - in alle bescheidenheid - realistischer en concreter:
- De pensioenen voor de alleenstaanden en samenwonenden worden daarin ook verhoogd van 60 tot 75% van het gemiddeld loon, en er is precies berekend hoe dit te betalen: door 1% meer sociale bijdrage van werkgevers, en een gelijke inbreng vanuit werknemersbijdragen en de overheid (die deze uitgave kan compenseren door de fiscale aftrek voor de individuele pensioenpijler af te bouwen).
- De minimumpensioenen geleidelijk optrekken tot het niveau van het minimumloon.
- Het loonplafond niet afschaffen, maar gelijk brengen met dat van de zelfstandigen.
- Het huidig mechanisme van de welvaartsaanpassingen voor uitkeringen en berekeningsplafonds bewaren, en de gelijkgestelde perioden voor de mensen die ziek of werkloos vallen behouden.
- Democratiseren van het aanvullend pensioen maar prioriteit voor het wettelijk pensioen, omdat dat het enige is dat garandeert dat de huidige solidariteit met mensen die hun werk verliezen, behouden blijft.

III. CONCLUSIE

Uit het artikel van Frank Vandenbroucke leren we dat de volgende federale regering voor een nooit geziene budgettaire uitdaging staat, zonder te duiden dat de bankencrisis aan de basis ligt van een economische en sociale crisis zonder voorgaande. Uit het pensioenplan van de sp.a blijkt dat onze pensioenen veel te laag zijn. De strijdpunten van het plan zijn de uitgangspunten voor een debat dat nodig is. Van Alexander De Croo vernemen we dat de Open Vld alleen maar wil besparen in de sociale uitgaven. Baby Thatcher is terug. De volgende federale verkiezingen in juni 2011 zullen dus van doorslaggevend belang zijn voor ons sociaal stelsel. Om deze verkiezingen te winnen zal de sp.a eendracht nodig hebben, en een goede mengeling van homo’s sapiens en homo’s politicus.

Jef Maes
Directeur sociale studiedienst ABVV

Noot
1/ Het artikel van Frank Vandenbroucke is te vinden op de website van het Centrum voor Sociaal beleid (Herman Deleeck). Het pensioenplan en de vragen en antwoorden daarover op de website van de sp.a.

ABVV - pensioen - Frank Vandenbroucke

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 4 (april), pagina 12 tot 19