Log in

De basis spreekt met gespleten tong

Nederlands-Vlaamse bespiegelingen

Onlangs was ik te gast op de boekvoorstelling van de De basis spreekt, het spraakmakende onderzoek naar de leden, mandatarissen en kiezers van sp.a, uitgevoerd onder leiding van Patrick Vander Weyden en Koen Abts. Het onderzoek laat een delicaat en pijnlijk beeld zien, een existentiële spagaat van de sociaaldemocratie, die niet alleen eigen is aan de Vlaamse sp.a, maar ook geldt voor de Nederlandse PvdA. In dit artikel bespreken we kort dit ledenonderzoek en maken we vervolgens de sprong naar de situatie in Nederland en de wederwaardigheden van de PvdA. Is Job Cohen de juiste man op de juiste plaats voor zijn partij en kan hij ‘Nederland bijeen houden’? Met verkiezingen op 9 juni staat Nederland alweer op een explosief punt van zijn politieke geschiedenis - op een tweesprong, zoals bijna elk jaar sinds 2002. Krijgen we een progressieve krachtenbundeling of herstel van de coalitie van het midden?1

Het is geen gemakkelijke opdracht om in Samenleving en politiek iets over de Nederlandse PvdA te schrijven. Ik weet dat er hele goede PvdA-watchers in de sp.a zitten. Frank Vandenbroucke, die familie in Nederland heeft wonen, of Nederland-veteraan Louis Tobback hoef je geen sprookjes over de Nederlandse politiek te vertellen. En het mag dan zo zijn dat Vlamingen veel minder dan vroeger naar de Nederlandse televisie kijken - Nederlandse programma’s op de VRT worden soms zelfs ondertiteld en omgekeerd -, ik verdenk de politieke junkies van Vlaanderen er wel van soms stiekem naar het Nederlands Journaal, naar Buitenhof of Nova te zappen, zoals alleen de allerergste politiek verslaafden in Nederland af en toe naar De Zevende Dag of Terzake kijken (zich verbijsterend over het BHV-dossier). Dus ook al laten de wederzijde nieuwsgierigheid en betrokkenheid tussen de gemiddelde Vlaming en de gemiddelde Nederlander helaas fors te wensen over, op politiek niveau zijn er toch nog altijd redelijk goede contacten en uitwisselingen.

Zo was ik zelf onlangs nog te gast op een delicate sp.a-bijeenkomst in Antwerpen. Het betrof de boekvoorstelling van De basis spreekt, waarvan de resultaten eerder in dit nummer te lezen zijn, omdat het hier om uiterst gevoelige materie gaat: dit grote partijonderzoek onder de motorkap van de sp.a onthult interne scheidslijnen en twistpunten in de partijachterban, toont ons positieve en negatieve opvattingen over de partijleiding en levert een portret op van zelftwijfel en ideologische onzekerheid. Gekscherend zei ik in het debatpanel tegen de onderzoekers dat men deze ‘strategische bedrijfsinformatie’ beter in de partijkluis op de Brusselse Grasmarkt had kunnen stoppen, in plaats van er een openbare politieke striptease van de sp.a van te maken. Men kan daar evenwel tegenover stellen dat deze academische openheid en vrijmoedigheid de sp.a juist enorm siert. In het bijzonder komt dan partijvoorzitster Caroline Gennez een pluim toe die dit onderzoek na de verkiezingsnederlaag van 2007 entameerde.

Ook bij de PvdA waren er veel van zulke post-verkiezingsonderzoeken. Tot over de pijngrens heen. Het gaat dan om zogenaamde wondenlik-rapporten die na ontgoochelende verkiezingsnederlagen werden geschreven. Ik was zelf vaak secretaris/auteur van zulke rapporten. Zoals bij de Commissie De Boer die haar rapport De kaasstolp aan diggelen het licht deed zien na de historisch grote nederlaag van Ad Melkert in 2002 tegen de Lijst Pim Fortuyn, na de schokkende moord op de naamgever van die lijst. Verder zijn daar de studie Verloren Slag van de Wiardi Beckman Stichting en het partijrapport van de Commissie Vreeman na de onverwachte nederlaag van Wouter Bos tegen Jan-Peter Balkenende in 2006.
Ook dit zijn uiterst gevoelige rapporten met kritische analyses over een falende partijorganisatie, verkeerd gerichte campagneboodschappen en over partijleiders die hun intuïtie op beslissende momenten kwijt waren geraakt. Toch waren dit, ondanks wetenschappelijk achtergrondwerk, evaluatierapporten van partijcommissies. De bevindingen werden, gefilterd door politieke interpretaties en conclusies, naar buiten gebracht.

Dat lag een slag anders bij de boekpresentatie in Antwerpen. Daar werd een nogal complex politicologisch onderzoek losgelaten op in de zaal verzamelde Antwerpse sp.a-leden. Die werden, als betrof het een seminar op de universiteit, geconfronteerd met links/rechts-zelfplaatsingen, de tegenstelling tussen kosmopolieten en etnocentristen, en andere voor leken even duistere als verontrustende informatie. Geen misverstand. Aan dat onderzoek zelf ligt dat bepaald niet. Dat is uitstekend en baanbrekend werk van twee Vlaamse toppoliticologen, die een diepteonderzoek van een partij hebben afgeleverd dat nogal uniek is in de politicologische literatuur over politieke partijen. Het zal daarom een rijke bron vormen, niet alleen voor de sp.a, maar voor alle Europese sociaaldemocratische partijen in soortgelijke benarde omstandigheden.
De verzamelde sp.a-leden kregen in alle academische scherpte dan ook een confronterend zelfportret van de sp.a voorgeschoteld. Een zelfportret vol onvrede, onenigheid en onbehagen. Onbehagen met het politieke verhaal en met de verhalenvertellers van de huidige sp.a. De basis spreekt laat bladzijde na bladzijde een aanzienlijke kloof zien tussen basis en top, en tussen basis en middenkader. Op papier en in tabellen en figuren stuit men hier op de existentiële identiteitsverwarring van de hedendaagse sociaaldemocratie, die voor een belangrijk deel is terug te voeren op nieuwe scheidslijnen in achterban en electoraat. Daar waar deze scheidslijn bij de PvdA met name in haar electoraat opspeelt (de PvdA heeft als partij zo goed als geen ‘arbeiders-leden’ meer, maar is homogeen hoogopgeleid geraakt), kampt de relatief nog altijd sterk verzuilde sp.a met deze kloof binnen haar partijorganisatie zelf. ‘Meer dan een derde van de leden van de sp.a. rekent zichzelf tot de arbeidersklasse’, wat hoger is dan in de gehele Vlaamse bevolking, terwijl slechts 15% van de sp.a-mandatarissen zichzelf als deel van de arbeidersklasse beschouwt. ‘Ook op dat vlak bestaat er dus een discrepantie tussen het electoraat en de sp.a-leden enerzijds en de sp.a-mandatarissen anderzijds’.

Ik was al eerder op die kloof gestoten, en wel bij het Visiecongres 2009 van de sp.a in de gebouwen van de VUB in Brussel. Illegaal en incognito was ik als buitenstaander aanwezig in de VUB-catacomben, waar Caroline Gennez na de zogeheten Frank Vandenbroucke-emailaffaire het vuur aan de schenen werd gelegd door de verhitte en opgewonden sp.a militanten. Ik dacht toen niet veel dieper in de ziel van een zusterpartij te kunnen afdalen. Maar ik had het bij het verkeerde eind. Het boek De basis spreekt, en de boekpresentatie ervan voor een zaal vol Antwerpse leden, was misschien nog wel een confronterender ontmoeting met de ziel en ingewanden van de sp.a.
Wie het fraaie jubileumboek van Geert Van Goethem en Walter Pauli, De droom van een betere wereld. 125 jaar socialistische partij naast De basis spreekt legt, weet waar hem de schoen wringt. De trotse traditie van de arbeidersbeweging, het rode zelfvertrouwen en het vooruitgangsideaal uit het verleden: het is getransformeerd in een verdeeld huis op zoek naar koers, achterban en identiteit.

DE EXISTENTIËLE SPAGAAT VAN DE SOCIAALDEMOCRATIE

Het onderzoek van Vander Weyden en Abts laat dus een delicaat en pijnlijk beeld zien (‘De voornaamste conclusie is dat de sp.a in vele opzichten een huis met vele kamers en tegenstellingen is’), maar het voortreffelijke aan het rapport is dat het tegelijk laat zien dat deze tegenstellingen veel te maken hebben met de maatschappelijke krachten die op hedendaagse politieke partijen inbeuken. De conflictlijnen binnen de sp.a, bijvoorbeeld die tussen lager opgeleiden en hoger opgeleiden, zeggen niet alleen iets over de sp.a, maar eerst en vooral iets wezenlijks over onze samenleving als geheel. Ik beschouw, wat dat aangaat, de sp.a als pars pro toto voor wat er in de Belgisch-Vlaamse samenleving aan de hand is, als pars pro toto ook, met alle verschillen, voor de Europese sociaaldemocratie. De basis spreekt is juist zo boeiend en belangrijk omdat het ons iets leert over het politieke en maatschappelijke krachtenveld waarin alle Europese sociaaldemocratische partijen hebben te opereren.

Vander Weyden en Abts geven en passant in hun verder zo keurig academisch-neutrale studie een nietsontziende diagnose van wat zij ‘de impasse van de sociaaldemocratie’ noemen: ‘In heel West-Europa zijn de sociaaldemocratische partijen niet langer de massapartijen en arbeiderspartijen van weleer. (…) Het gevolg was dat nogal wat sociaaldemocratische partijen een deel van hun vroegere kernelectoraat zijn verloren: enerzijds is de steun van de verburgerlijkte arbeidersklasse minder evident aangezien hun stem minder door de tegenstelling arbeid versus kapitaal wordt gestuurd; anderzijds zoeken nogal wat achterblijvende arbeiders en laaggeschoolden hun toevlucht tot populistische partijen die wel een inhoudelijk antwoord bieden op hun gevoelens van machteloosheid, angst en achterstelling. (...) Links is meer en meer losgescheurd van de wereld van de arbeid en de vakbeweging en de klassieke arbeiderspartij is geëvolueerd naar een links-progressieve partij die geleid wordt door een nieuwe middenklasse van hooggeschoolden die nieuwe thematische en ideologische accenten legt in de linkse ideologie. (...) Deze evoluties plaatsen de sociaaldemocratie in een ideologische spreidstand en in een electorale paradox: ofwel houdt men vast aan de klassieke idee van de klassenstrijd en staatsinmenging met het risico te weinig tegemoet te komen aan de gevoeligheden en grieven van de nieuwe middenklasse, ofwel gaat het meer in de richting van een progressief vertoog van kansengelijkheid en vrijemarktwerking met het gevaar de traditionele van arbeiders en kwetsbare groepen al te zeer tegen de borst te stuiten.’
Het is de aldus geschetste impasse van de sociaaldemocratie, deze gecombineerde ideologische en electorale spagaat, waarmee elke Europese sociaaldemocratische partij wordt geconfronteerd en waarop elke partij, ieder op eigen wijze, een respons moet geven. Wat te doen met een gespleten basis die met gespleten tong spreekt?

Een van de lastigste dingen is om vast te stellen wat de precieze overeenkomsten en verschillen tussen onze partijen zijn. Bij alle, op het eerste zicht, gemeenschappelijke uitdagingen en vraagstukken (globalisering, individualisering, migratie, Europeanisering, milieucrisis) zijn er toch nog altijd grote variaties in nationale gedragsreacties en gedragsopties, afhankelijk van partijstelsels, politieke concurrentie, verschillen in economische, culturele en sociale structuur en historische tradities (‘padafhankelijkheid’). Simpel gezond verstand volstaat hier. Een voorbeeld. Wie bijeenkomsten en congressen van zowel de PvdA als de sp.a kent, ziet dat bij alle overeenkomsten dit toch heel verschillende partijen zijn, qua politiek temperament en partijcultuur. Partijen die in heel verschillende partijstelsels en staatkundige contexten hebben te functioneren, partijen met een deels overlappende, deels uiteenlopende geschiedenis.
Recent zijn er twee scherpzinnige studies verschenen over hoe de impasse van de Europese sociaaldemocratie te boven te komen - Ill Fares The Land van Tony Judt en Vorwärts oder abwärts? Zur Transformation der Sozialdemokratie van Franz Walter - , prachtige generalistische analyses van de Europese sociaaldemocratie, maar ze doen toch geen recht aan de wezenlijke verschillen tussen onze partijen en politieke culturen.
Natuurlijk, we zijn allemaal min of meer ‘fout’ geweest in het neoliberale tijdperk, we hebben allemaal, met verschillende gradaties van schuld en boete, gecollaboreerd met het neoliberalisme. Toch is dat voor de Britse Labour Party een ander verhaal dan voor de Zweedse sociaaldemocraten, laat staan de Franse en Waalse socialistische broeders.
Zo ook kampt vrijwel elke sociaaldemocratische partij met een populistische opstand in zijn land - Vlaanderen was hier met Oostenrijk een vroege voorloper -, maar toch pakt de populistische dreiging voor de sociaaldemocratie in elk land anders uit, al is het - grote tragiek - wel zo dat we in vrijwel elk land, als gevolg van de nieuwe culturele breuklijnen in onze samenleving een farewell to the leftist working class meemaken, naar het gelijknamige boek van de Vlaamse en Nederlandse sociologen Achterberg, Houtman & Derks. Toch reageert de sp.a anders op het Vlaams Blok/Belang en de gematigde klonen daarvan, zoals Lijst Dedecker, dan de PvdA gereageerd heeft op de Fortuyn revolutie, of momenteel op de islamofobe Geert Wilders partij.

Wat ik maar wil zeggen, is dat de verschillen net zo belangrijk en wezenlijk zijn als de overeenkomsten. En voor die subtiliteiten moet je een zeer specifieke kennis van de context hebben, die haast niet transnationaal overdraagbaar is. Zo merkte ik in de marge van die Antwerpse bijeenkomst dat mijn Vlaamse vrienden tot mijn verrassing nooit hadden gehoord dat Geert Wilders, wat men ook van zijn gevaarlijk radicale islamofobie mag denken, het tegendeel van een antisemiet is. Integendeel: zijn strijd tegen de islam berust voor een belangrijk deel op zijn liefde voor Israël. Belangrijke geldschieters van Wilders’ PVV komen uit joods-conservatieve kringen in Israël en Amerika, en op de PVV-lijst voor de aanstaande Tweede Kamerverkiezingen stond kortstondig een bestuurslid van de Nederlandse afdeling van de Israëlische Likoed-partij. In termen van de gitzwarte bladzijden van de Europese geschiedenis (Holocaust en Tweede Wereldoorlog) is Wilders, zoals eerder Pim Fortuyn, een ‘schone’ rechts-populist, wat zijn ongekende penetratie in het Nederlands electoraat iets minder onbegrijpelijk maakt.

DE NEDERLANDSE SITUATIE

En dan zijn we dus aangekomen bij de situatie in Nederland en de wederwaardigheden van de PvdA in het bijzonder. Voor de gemiddelde Nederlander was het al moeilijk om de ontwikkelingen rondom de PvdA te volgen en te begrijpen, laat staan voor de geïnteresseerde Vlaming.
Laten we teruggaan naar de uitgangssituatie. Die was tamelijk beroerd. Net als de SPD in Duitsland, liep de PvdA als ‘junior partner’ in een coalitie met de christendemocaten grote electorale en politieke schade op. Temeer omdat beide sociaaldemocratische partijen door links-populistische kloonpartijen onder vuur werden genomen, door Die Linke in Duitsland en de SP in Nederland. Partijen die de neoliberale collaboratie van SPD en PvdA aanklaagden, met name de ‘afbraak van de verzorgingsstaat’ en zichzelf presenteerden als de enige echte sociaaldemocratische partijen.
In Nederland, anders dan in Duitsland waar de Tweede Wereldoorlog taboes om begrijpelijke redenen sterker ingesleten zijn, kwam daar nog de opstand van het rechtspopulisme bij, een beweging die geobsedeerd is door de schaduwzijden van de inderdaad slecht begeleide massamigratie.
Hoe dit ook zij, de PvdA daalde tot het dieptepunt van zo’n 15% in de peilingen. Na de gepolariseerde verkiezingscampagne tussen PvdA-leider Wouter Bos en CDA-premier Jan-Peter Balkenende waren de twee kemphanen toch met elkaar in een vechtkabinet beland. Dit kabinet zou, bij al het goede werk dat ook verricht werd, gekarakteriseerd blijven door veel impasses, stilstand en negatieve compromissen. Een kleine opleving in gezag en populariteit verwierf het kabinet met zijn reactie op de krediet- en bankencrisis. Met name Wouter Bos - gebeten hond in België door het Fortis-drama - vertoonde hier alom gewaardeerde stuurmanskunst, zonder dat dit overigens direct oversloeg op de electorale positie van de PvdA.
Veel belangrijker was lange tijd de bijna onstuitbare opmars van de PVV van Geert Wilders, zowel in de peilingen van Maurice de Hond als bij de Europese verkiezingen en later bij de gemeenteraadsverkiezingen. De PvdA, tot op het bot verdeeld over thema’s als marktwerking, Europa en integratie, bleek als gevolg van die verdeeldheid niet in staat tot heldere eenduidige posities, terwijl dat de enige posities zijn die in een mediademocratie en in een door populisme aangestoken publiek opinieklimaat überhaupt herkenbaar zijn. Niet voor niets waren de sociologisch homogene partijen de winnaars van de Europese verkiezingen: de partij van en voor academische professionals, D66 van Alexander Pechtold, tegenover de lager opgeleiden partij, de PVV van Geert Wilders. D66 stond met zijn twijfelloze pro-Europa standpunt recht tegenover het even twijfelloze anti-Europa standpunt van de PVV. De gematigde middenpartijen leggen het in dergelijke gepolariseerde mediacampagnes af tegen deze zwart/wit-posities.

De vraag onder deze omstandigheden is en blijft dan ook: hoe houden we de boel bij elkaar, het credo van de nieuwe PvdA-leider Job Cohen, oud-burgemeester van Amsterdam, die Wouter Bos eind april als partijleider en lijsttrekker afloste op het PvdA Congres in Nijmegen. Lijsttrekker omdat er op 9 juni nieuwe Tweede Kamerverkiezingen gehouden worden, omdat het Vierde Kabinet-Balkenende vroegtijdig aan haar einde kwam door een onoplosbaar gebleken conflict tussen PvdA en CDA over een mogelijke verlenging van de Nederlandse militaire missie in de Afghaanse provincie Uruzgan.
Wouter Bos, die nog wel een opmerkelijke ideologisch gebaar had gemaakt in zijn Den Uyl-lezing (waar hij publiekelijk en boetvaardig afscheid nam van de al te sociaal-liberale Derde Weg) , wenste niet opnieuw PvdA-lijsttrekker te zijn, maar koos doelbewust voor zijn jonge gezin. Job Cohen zou nu namens de PvdA het antwoord moeten bieden op de polariserende krachten in de Nederlandse maatschappij, in het bijzonder waar het gaat om de, mede door Geert Wilders, op heftige spanning gezette verhouding tussen autochtone en allochtone Nederlanders. Job Cohen geldt door zijn Amsterdamse ervaring - denk aan de periode na de moord op Theo van Gogh -, als de man die een fatsoenlijke samenleving nastreeft waarin ’de boel bij elkaar gehouden wordt’. Gelet op de fragmentatie en instabiliteit van de Nederlandse samenleving, zou Cohen wel eens de juiste man met het juiste geluid op het juiste moment kunnen zijn. De verkiezingen van 9 juni 2010 zullen het uitwijzen.

HOE HOUDEN WE NEDERLAND BIJEEN?

Het spook van kwetsbare onevenwichtigheid blijft de Nederlandse samenleving achtervolgen. Nederland staat voor wel drie vuurproeven tegelijk. Allereerst moet dringend een uitweg worden gevonden uit de financiële crisis die inmiddels diep in de hele economie is binnengedrongen. Dit zal tot heftige after-shocks leiden, om te beginnen in de overheidsfinanciën en in de Europese Monetaire Unie. De kabinetscrisis - wat men er verder ook van kan zeggen in termen van internationale imagoschade - brengt als voordeel met zich mee dat nu alternatieve scenario’s om uit de crisis te komen inzet worden van de komende verkiezingen en de daarop volgende formatie.
De tweede vuurproef waarvoor Nederland staat is een antwoord te vinden op de nog altijd niet te stoppen opmars van de partijen van het onbehagen. De uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen - opnieuw, wat men er ook van kan zeggen in termen van internationale imagoschade - heeft, zoals eerder al de Europese verkiezingsuitslag, de politieke krachtsverhoudingen van dit moment pijnlijk bewaarheid. De doorbraak van Wilders’ PVV in Den Haag en Almere is een heftige voorwaarschuwing voor de aanstaande Tweede Kamerverkiezingen. Het onbehagen bij grote groepen burgers blijkt springlevend. Ook al is het buitenlandbeeld van de Wildersdoorbraak (‘ein bisschen wie Adolph Hitler’, Süddeutsche Zeitung) vaak geheel buitenproportioneel, feit is dat de fanatieke islamofobie van de PVV een riskante splijtende werking in onze samenleving heeft.
In de derde plaats is er de, als zodanig waargenomen, performance-malaise van de overheid en de publieke sector. Decennia van neoliberaal markt- en efficiencydenken, met een erfenis van kaalslag, deregulering, verzelfstandiging, marktwerking en ‘new public management’ hebben al met al tot een verrommeling van de publieke diensten en instellingen geleid. Het maatschappelijk middenveld werd gedesoriënteerd en verweesd achtergelaten. De professionals in de dienstverlening werden beroofd van hun publieke taak en roeping. Een herstel en rehabilitatie van het publieke ethos van overheid en publieke sector is dringend gewenst en wordt naarstig verlangd, maar zal zich - tragische timing - moeten voltrekken onder de slagschaduw van een nieuwe op stapel staande saneringsronde. Net op het moment dat het dogmatisch marktdenken in diskrediet is geraakt en een herwaardering van publieke voorzieningen met een menselijke maat weer veld wint, staan in Haagse beleidskringen alle seinen op publieke kaalslag.

Deze drie uitdagingen vragen dringend om politiek-maatschappelijke sturing en leiderschap, zoals dat tegenwoordig iets te modieus en nerveus heet. En dat moet ook nog eens gebeuren in een buitengewoon lastige constellatie. Zo is er al enige tijd sprake van een afbrokkeling van het politieke midden en een deconstructie van de volkspartijen door versterking van de politieke flanken respectievelijk het ontstaan van min of meer homogene politieke groeperingen (academici-partijen tegenover partijen van lager opgeleiden), waardoor overbruggende coalitievorming steeds moeilijker wordt. Overigens, maar dit terzijde, wordt het, en niet door de minste historici en politicologen, voorgesteld alsof Nederland hier iets unieks beleeft. Dat is niet zo. Ook eerder trad politieke fragmentatie op. Kabinetten met meer dan drie partijen waren in Nederland geen zeldzaamheid, zelfs niet in de zogenaamd stabiele jaren 1950. Nieuw is de volatiele drift van het electoraat, de verdwenen loyaliteit aan partijen, en de snelle en heftige opkomst van ‘anti-systeem’ partijen; nieuw is ook de waanzinnige 24-uur media exposure van politieke personen en incidenten. Curieus is dat te midden van zoveel politieke chaos en labiliteit de verhouding tussen het linkse partijenblok en het rechtse partijenblok in het Nederlandse politieke stelsel nog altijd tamelijk stabiel blijft: kiezers blijven standvastig bij hun zelfplaatsing op de links/rechts-schaal der politicologen en overschrijden met hun stemgedrag zelden de links/rechts-demarcatielijn.
Wat het zoeken van oplossingen ook compliceert, is dat er een levensgrote vertrouwensbreuk is opgetreden tussen grote delen van het electoraat en de gevestigde politieke instellingen, inclusief de politieke partijen en hun leiders. Wantrouwen, afkeer en indifferent toeschouwergedrag zijn inmiddels standaard-ingrediënten in de verhouding tussen politiek en burger. Onderzoek van de Volkskrant en de Universiteit van Amsterdam liet zien dat het vertrouwen in de ’politieke leiders’ van ons land op een historisch laag niveau is beland. Marcel van Dam zei het onlangs vlijmscherp in zijn column: ‘De democratie in ons land verkeert in crisis, omdat de meerderheid van de bevolking geen vertrouwen meer heeft in de meerderheid van de politieke partijen en de meerderheid van de politici’ (de Volkskrant, 11 maart 2010).
Daarbij komt dat de bestuurskracht vergaand versplinterd is, als gevolg van verplaatsing van de politiek naar andere beslissingscentra en beleidssystemen, de complexiteit van onderlinge bestuurlijke verhoudingen en afstoting van allerlei overheidstaken naar private of semi-overheidsinstellingen. ‘Niemand regeert’, zo vatte NRC Handelsblad columnist Marc Chavannes deze situatie van politieke stuurloosheid treffend samen. Progressieve reus Hans van Mierlo beschreef het, onnavolgbaar mooi, zo: ‘We leven in een land van doen alsof. We doen alsof de overheid nog steeds bestuurder van de samenleving is, terwijl de overheid allang de greep op de bureaucratie heeft verloren en de bureaucratie de greep op de werkelijkheid’.

PROGRESSIEVE KRACHTENBUNDELING?

In de aanloop naar de vervroegde verkiezingen, en na het op de klippen gelopen regeringsavontuur van CDA, PvdA en ChristenUnie, is het de vraag hoe de vuurproef waarvoor Labiel Nederland staat het best kan worden aangepakt. Welk politiek-maatschappelijke agenda is vereist om Nederland toekomstbestendig te maken zonder grote maatschappelijke conflicten en sociale wanverhoudingen? Welke doorbraken zijn gewenst, welke onorthodoxe wegen moeten worden begaan om Nederland uit de huidige impasse te voeren?
Er is allereerst het Progressieve Antwoord denkbaar: een gemeenschappelijk optrekken van D66, GroenLinks, PvdA en SP. De vorm daarvan zou uiteen kunnen lopen van een lijstverbinding tot een minimumprogramma, van gezamenlijk overleg tot een uit de partijen samengesteld ‘progressief schaduwkabinet’. Een dergelijke regenboogcoalitie kan profiteren van de kracht van de samenstellende delen: de agenda van democratisering en kenniseconomie van D66, de ecologische modernisering en culturele vrijzinnigheid van GroenLinks, de agenda van werk, integratie en sociale cohesie - en de (aangeslagen) bestuurskracht - van de PvdA en de klassieke verzorgingsstaatagenda en ‘de stem des volks’ van de SP.

Nieuw is de gedachtegang van een progressieve concentratie natuurlijk allerminst. De naoorlogse oprichting van de PvdA was er al een serieuze poging toe - met in het achterhoofd de onvruchtbare politieke verdeeldheid die een krachtige aanpak van de economische en democratische crisis van het Interbellum had verhinderd. Deze doorbraak leidde wel tot een gedeeltelijke hergroepering van politieke partijen ter linkerzijde, maar strekte zich niet uit tot het confessionele midden, dat zich in zijn eigen veste terugtrok. Electoraal en machtspolitiek mislukte de doorbraak daarmee. Ideeën over een tweedeling in de Nederlandse politiek tussen oppositie en regeringscoalitie die elkaar de macht zouden betwisten - volgens het Angelsaksische Westminster-model - bleven op de achtergrond een rol spelen, maar kwamen pas aan het eind van de jaren 1960 weer op de voorgrond. Progressieve samenwerking gecombineerd met de polarisatiestrategie moest er voor zorgen dat de confessionelen kleur zouden bekennen tussen progressieve of behoudende politiek, zodat de kiezer voorafgaand aan de verkiezingen een duidelijke keuze voorgelegd zou krijgen voor een toekomstige regeringscombinatie en dito beleidsprogramma. De vorming van een progressieve volkspartij stuitte uiteindelijk af op weerstand binnen de PvdA zelf. Van een tweedeling in de Nederlandse politiek kwam het ook toen niet.

Anders dan in de jaren 1970 zou een progressieve samenwerking nu niet gericht moeten zijn op splijting van het CDA en het forceren van een tweedeling in de politiek (dat werkt niet) of de verwachting dat links een meerderheid van de kiezers achter zich krijgt (historisch onwaarschijnlijk). Ze zou wel de fragmentering van het politieke landschap - om te beginnen ter linkerzijde - kunnen tegengaan. En ten opzichte van de geschetste uitdagingen kan dit verbond een gemeenschappelijk progressief perspectief bieden - en daarmee niet alleen nieuwe inspiratie bieden aan de zappende vooruitstrevende kiezers en vertrouwen in de politiek herstellen, maar ook het ideologische zwaartepunt in het gehele politieke krachtenveld in Nederland doen verschuiven. De algehele publieke opinie progressiever maken, tegen hardvochtig neoliberalisme en conservatief rechtspopulisme in, dat zou vooral het beoogde doel moeten zijn.
Programmatisch zijn er natuurlijk verschillen, maar de progressieve partijen worden gebonden door overkoepelende opvattingen over sociale, economische, politieke en culturele vooruitgang die hun neerslag zouden kunnen krijgen in een gezamenlijk minimumakkoord. Zij kunnen daarmee een gemeenschappelijk tegenwicht bieden tegen de maatschappijontwrichtende opvattingen van de PVV, tegen het door de kredietcrisis nog onvoldoende aangetaste marktdenken van neoliberale snit en de harde ‘de-overheid-kan-ons-niet-klein-genoeg-zijn’-houding van centrumrechts.

Progressieve samenwerking is niet de toveroplossing voor al onze politieke problemen - en is onderhevig aan tenminste één belangrijke spanningsbron. Een van de kernproblemen waarmee de Europese middenklassensamenlevingen worden geconfronteerd, is een groeiende sociale en culturele kloof tussen wat toekomstoptimisten en toekomstpessimisten worden genoemd, of ook wel winnaars en verliezers van de globalisering. De hoger opgeleiden behoren vooral tot de eerste, de lager opgeleiden tot de tweede categorie.
Inmiddels lijkt deze kloof zich tot diep in de middenklasse te hebben genesteld. Daarmee is een voorlopig eind gekomen aan de verbreding van het maatschappelijk midden (vrij naar de socioloog Berting), d.w.z. aan de vanzelfsprekende opwaartse mobiliteit in de richting van de middenklasse met een daarbij behorende maatschappelijke oriëntatie. Maar niet alleen is op wat politicologen de ‘culturele as’ noemen een sociaalpsychologische tweedeling ontstaan, ook in sociaaleconomisch opzicht neemt de ongelijkheid toe in inkomen en vermogen: aan de top met krankzinnige bonusinkomsten; aan de onderkant met sterk achtergebleven uitkeringen en precaire inkomsten en arbeidsverhoudingen. De nieuwe scheidslijn in onze maatschappij heeft gevolgen voor ons politieke stelsel, zoals Mark Elchardus in De dramademocratie heeft laten zien. Aan de verschillende zijden van de lijn leven sterk onderscheiden opvattingen over ons politieke systeem: wantrouwen tegenover vertrouwen, afzijdigheid of afkeer tegenover participatie.
Ook eerder al probeerde links verschillende groepen aan te spreken: arbeidersbevolking, middengroepen, cultuurgevoeligen. Het probleem van de huidige tijd is dat de afstand tussen deze groepen moeilijker overbrugbaar wordt binnen één politieke stroming. Naar onze overtuiging biedt een progressief avontuur een mogelijkheid om deze spagaat effectiever te overbruggen - dat zou ook de voorwaarde voor succes moeten zijn - maar het risico is aanwezig dat ze deze veeleer reproduceert. D66 en Groenlinks hebben zich, nogal ongereflecteerd, sterk gericht op de winnaars van de globalisering, op de academische professionals, de toekomstoptimisten, met een sterk meritocratisch programma voor de kenniseconomie, veel nadruk op kosmopolitische vrijzinnigheid, liberaal getinte opvattingen over ons sociale stelsel en een zekere onbestemdheid ten opzichte van de problematiek van de achterblijvers.
De SP aan de andere kant heeft zich vooral gericht op de klassieke arbeidersaanhang van links, op de kwetsbaren en de slachtoffers van de modernisering, met een programma vol behoud van de oude verzorgingsstaat, tegen marktwerking in de publieke sector en buitengewoon kritisch ten opzichte van overdracht van soevereiniteit aan de Europese Unie: een programma, kortom, dat veel meer past bij de zogenaamde toekomstpessimisten. De PvdA probeert, met vallen en opstaan, deze spagaat te overbruggen, met een mix van vrijzinnige en meer behoudende elementen, maar sterk gericht op sociale cohesie in een programma van multi-etnische integratie en stedelijke vernieuwing.
Hoe dit ook zij, een progressief samenwerkingsverband slaagt uiteindelijk alleen als het, bij wijze van spreken, Amsterdam-West én Amsterdam-Zuid tot elkaar weet te veroordelen en met elkaar weet te verbinden, Haarlem én Almere, Baarn én Helmond. Het moet opnieuw de aspiraties, verantwoordelijkheden en zorgen van de kansrijken verbinden met die van de minder kansrijken en vice versa.

OF HERSTEL VAN DE COALITIE VAN HET MIDDEN?

Een tweede route om Nederland sterker uit de huidige labiele fase te voorschijn te laten komen, is herstel van de coalitie van het midden - al vergt dat op dit moment wel iets van ons voorstellingsvermogen. Na de kabinetscrisis van februari en de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2010 concentreren de voormalige coalitiegenoten zich vanzelfsprekend vol ijver op de komende verkiezingen voor de Tweede Kamer in juni van dit jaar. Of dat voor het grote publiek ook geldt, is nog maar de vraag. Het enthousiasme over het politieke bedrijf hield al niet over, maar is er na de kabinetsbreuk niet groter op geworden bij de neutrale toeschouwer. Zie het lage opkomstcijfer bij de genationaliseerde gemeenteraadsverkiezingen.
De verkiezingen van 9 juni 2010 dreigen bovendien, als de tekenen niet bedriegen, in de slagschaduw te staan van de erfenis van de kabinetscrisis. Niet de politiek-maatschappelijke urgenties van een Nederland op drift dreigen dan de inzet te worden, maar de wrijving en irritatie tussen PvdA en CDA en de politieke hoofdrolspelers. Dan draait alles louter om vragen als: Wie wordt de grootste? Sluiten Cohen en Balkenende elkaar uit? Krijgen we premiersverkiezingen? Van de hoofdrolspelers en partijen mag worden gevraagd over hun schaduw heen te springen en openheid te betrachten inzake toekomstige samenwerking.

De val van het kabinet-Balkenende IV staat niet op zichzelf, maar vormt de meest recente van een reeks moeizame en mislukte coalitiekabinetten van confessionelen en sociaaldemocraten sinds het premierschap van W. Drees. Kon de samenwerking van ‘rooms’ en ‘rood’ in de jaren 1940 en 1950 als een rivaliserend bondgenootschap worden getypeerd (Joop van den Berg), daarna werd het vooral rivaliteit zonder bondgenootschap. De liefde tussen beide in de eerste naoorlogse decennia moet niet worden overdreven, maar spanningen waren overbrugbaar omdat beide politieke stromingen aan een gemeenschappelijk project werkten: de economische wederopbouw van Nederland, de opbouw van de verzorgingsstaat en een stelsel van nationaal georganiseerde arbeidsverhoudingen.
Een dergelijk gezamenlijk project is gaan ontbreken - en daarmee het vermogen van de centrumlinkse as om productieve politiek te bedrijven. Natuurlijk doen ook persoonlijke verhoudingen ertoe (Lubbers-Kok werkte beter dan Van Agt-Den Uyl), maar wezenlijk is dat CDA en PvdA in mentaliteit, sociologische achtergrond en politieke oriëntatie verder uit elkaar zijn gegroeid. Vooral sinds de paarse periode is een verwijdering opgetreden, waarbij de PvdA meer de Derde Weg van pragmatische hervorming van de verzorgingsstaat en technocratisch bestuur is opgegaan - met een sterk grootstedelijke oriëntatie - en de ‘jongens van de zondagsschool’ (Roebroek) een uitgesproken ideologische gedreven project hebben geformuleerd, dat naar de waarneming van politicologen Van Kersbergen en Krouwel een neoliberaal programma voor de publieke sfeer combineert met een neoconservatief programma voor de private sfeer - met vooral een oriëntatie op het platteland.
Het beeld van immobilisme en gebrek aan profiel dat aan het kabinet-Balkenende/Bos/Rouvoet is gaan kleven, gaat voorbij aan het feit dat het kabinet in moeilijke economische omstandigheden een aantal verstandige ingrepen heeft gepleegd. Maar een succes werd het inderdaad nooit. In een kritische reflectie op de positie van de sociaaldemocratie nam Wouter Bos voorzichtig afscheid van de Derde Weg, een kritische houding ten opzichte van ontwikkelingen in het huidige kapitalisme en marktwerking in de publieke sector. Wouter Bos: ‘De grootste tragiek van de Derde Weg is echter gelegen in het feit dat de op zich noodzakelijke wending van de sociaaldemocratie naar een positievere houding ten opzichte van bedrijfsleven, vrije markt en ondernemerschap, plaatsvond op het moment dat het moderne kapitalisme van karakter aan het veranderen was. De normalisatie van de sociaaldemocratie ten opzichte van de private sector en de erkenning van de productieve kant van het sociaal kapitalisme werd daarmee slachtoffer van een tragisch timingprobleem. Om het maar eens plastisch uit te drukken, de Derde Weg-progressieven gingen slapen met een voorheen redelijk getemde vrije markt maar werden wakker met een ontketend monster. (…) Het moderne kapitalisme heeft in het Westen niet geleid tot grootscheepse verpaupering en diepe armoede. Er is een hoog welvaartsniveau gerealiseerd en deze crisis overleven we ook wel weer. Maar er vindt wel een ondermijning van de menselijke waardigheid plaats door een voortdurende druk van commercialisering op de publieke sfeer, het stelselmatig appelleren aan de primaire behoeften van ‘meer meer meer en nu nu nu’ en de steeds terugkerende versterking van individuele belangen en emoties als enigzaligmakend. Dat werkt uiteindelijk ontwrichtend op de samenleving omdat het mensen onverschillig maakt ten opzichte van elkaar en het steeds weer de balans tussen particuliere koopkracht en collectieve investeringen verstoort en daarmee de kracht van wat wij met en voor elkaar kunnen betekenen. Wat wij de afgelopen jaren hebben aanschouwd, was dus ook een waardencrisis over de balans tussen excessen en matiging, tussen lange en korte termijn, tussen status najagen en dienstbaarheid, tussen roekeloosheid en verantwoordelijkheid. Onze nieuwe en noodzakelijke houding ten opzichte van het kapitalisme vraagt dus uiteindelijk ook om een opvoeding tot burgerschap en een aan het algemeen belang dienstbare elite. Ons verheffingsideaal heeft ook op hén betrekking’ (Den Uyl-lezing Wouter Bos, 25 januari 2010).

De vraag is wat er in het CDA gaat bewegen. Gaan de confessionelen verder met de missie van kleinere overheid, harde sanering van de verzorgingsstaat en de arbeidsverhoudingen in Nederland, de verschuiving van collectieve bescherming naar individuele verantwoordelijkheid, vermarkting van het maatschappelijk middenveld en een tamelijk onmachtig normen en waarden-offensief? Of ontstaat in het CDA over de scheidslijnen met de PvdA heen een gevoel dat er meer at stake is dan een oude rivaliteit? En geldt dat ook voor de PvdA?
De potentiële kracht van een coalitie van het midden ligt in nuchtere gematigdheid tegen het opgeblazen extremisme in het politieke krachtenveld, in een revitalisering van het publieke domein en het maatschappelijk middenveld; op de verbinding van stad en platteland, en in de voortzetting van het naoorlogse project van een sociale markteconomie in tijden van wereldwijd ontketend kapitalisme.

TOT SLOT

Nederland staat op een explosief punt van zijn politieke geschiedenis - op een tweesprong, zoals bijna elk jaar sinds 2002. De centrale vraag voor de komende verkiezingen - en ver voorbij deze - zou moeten zijn in welk type maatschappij wij willen leven. Kiezen we voor een maatschappij van het brede maatschappelijke midden, zonder scherpe meritocratische polarisatie en met open kanalen van sociale mobiliteit? Met een creatieve ondernemende economie, met waardige arbeidsverhoudingen. Waarin verantwoordelijk burgerschap wordt gevraagd van boven en van beneden? Een maatschappij die grenzen stelt aan het geld, ondernemen in plaats van overnemen stimuleert, de arbeid haar plaats teruggeeft, investeert in het opleiden van ingenieurs zowel als monteurs, de publieke omroep en cultuureducatie koestert, de publieke sector in ere herstelt, niet als een gek bezuinigt maar een extra bijdrage voor belangrijke voorzieningen vraagt, bevordert dat iedereen een bijdrage aan de maatschappij levert, en pluriformiteit binnen de grenzen van de rechtsstaat als uitgangspunt van een democratische rechtsorde ziet?

De vraag is te herformuleren in keuzetermen van een uiterst opmerkelijk, bijna apocrief rapport van het Centraal Planbureau, dat de lofzang zingt op het Scandinavisch model: Hoe beschaafd is Nederland? Kiezen we voor een sterk gepolariseerd model in cultureel en economisch opzicht? Een model waarin het wij-zij perspectief domineert en migranten als permanente indringers worden beschouwd? Een Angelsaksisch economisch model waarin ongelijkheid in inkomen en vermogen ongeremd toenemen en de publieke sector onmachtig wordt gemaakt? Of kiezen we voor een Europees model, met gematigde inkomens- en vermogensverschillen, een betekenisvolle publieke sector en een stevig sociaal zekerheidsstelsel, dat burgerschap en participatie centraal stelt.
Misschien dwingen de electorale en maatschappelijke ontwikkelingen uiteindelijk een combinatie af van de twee hier geschetste allianties: een centrumlinkse coalitie van het midden, waarin progressieve partijen en de zachte krachten uit de christendemocratie elkaar vinden in een coalitie van sociale verantwoordelijkheid en gematigdheid, tegen en te midden van alle turbulentie en gebakken lucht.

René Cuperus
Medewerker Wiardi Beckman Stichting, Nederland

Noot
1/ Een deel van dit artikel verscheen eerder in Socialisme & Democratie, het maandblad van de Wiardi Beckman Stichting, Frans Becker en René Cuperus, Hoe houden we Nederland bijeen: over links of door het midden?

sp.a - sp.a-leden - PvdA - Nederland

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 5 (mei), pagina 13 tot 25