Log in

Stemde Vlaanderen rechts in 2009?

De afgelopen verkiezingen van 13 juni waren niet zo’n succes voor de progressieve partijen. De sp.a haalde 15,0 procent van de stemmen, een verlies van bijna twee procent. Groen! eindigde op 7,1 procent, een winst van een half procent. Samen haalden de progressieve partijen dus 22 procent van de stemmen, en dat is een van de laagste niveaus in West-Europa. Op dit ogenblik is het nog te vroeg om al een wetenschappelijk verantwoorde analyse te maken van het kiesgedrag bij de laatste federale verkiezingen. Uit een media-analyse blijkt in elk geval dat de campagne zo goed als volledig beheerst werd door Bart De Wever, terwijl de sp.a en Groen! nauwelijks in het verhaal voorkwamen. Maar intussen zijn wel al de resultaten bekend van een omvangrijk verkiezingsonderzoek ter gelegenheid van de regionale verkiezingen van juni 2009. Het interuniversitair consortium peilde toen naar de stemmotieven van de Vlaamse bevolking, en de resultaten zijn nu binnen. Ook toen waren de resultaten eigenlijk niet echt bemoedigend voor de progressieve partijen, dus allicht kan de analyse van de resultaten van 2009 nog altijd relevant zijn voor partijen die hun strategie willen herzien.

De regionale verkiezingen van juni 2009 waren niet zo’n succes voor de progressieve partijen in Vlaanderen. De sp.a verloor 4,4 procent in vergelijking met 2004, toen er wel nog samen met Spirit naar de kiezer werd getrokken. Groen! haalde 6,8 procent, een verlies van 0,8 procent. Als we ook rekening houden met de resultaten van de inmiddels ter ziele gegane SLP en de PVDA, dan komen we voor alle progressieve partijen samen aan een score van 24,2 procent. Als we dezelfde oefening maken voor het Waals Gewest, dan komen we daar aan een comfortabele progressieve meerderheid van 52,5 procent. Kunnen we hieruit afleiden dat het aloude stereotype beeld van een ‘rechts Vlaanderen’ en een ‘links Wallonië’ correct is? Die conclusie is allicht wat al te kort door de bocht, maar de verkiezingsuitslag toont in elk geval aan dat zowel de sp.a als Groen! electoraal bijzonder kwetsbaar zijn en kansen hebben laten liggen. Beide partijen speelden in 2009 een bescheiden rol tijdens de verkiezingscampagnes en bovendien zien we dat de kiezers toch heel wat bedenkingen hadden bij de ideologie, dan wel de kandidaten van de progressieve partijen. Uit andere onderzoeken weten we dat de fundamentele waardenoriëntaties van Vlamingen en Walen eigenlijk niet fundamenteel van elkaar verschillen, maar blijkbaar slagen de Vlaamse progressieve partijen er in onvoldoende mate in om dat kiezerspotentieel ook te verzilveren.

In dit artikel gaan we na hoe we de score van beide partijen kunnen verklaren. We doen dat aan de hand van het Belgisch Verkiezingsonderzoek, dat ter gelegenheid van de verkiezingen werd uitgevoerd door het Interuniversitair consortium PartiRep.1 Het gaat hier om een grootschalig verkiezingsonderzoek, dat werd uitgevoerd dankzij de steun van het Federaal Wetenschapsbeleid. In dit onderzoek werd gestreefd naar een zo representatief mogelijke steekproef op basis van het Rijksregister der Natuurlijke Personen. Tussen februari en mei 2009 werden 2331 personen bij hen thuis bevraagd over hun politieke houdingen en opvattingen. Uit de analyse blijkt dat deze steekproef zeer representatief was voor de totale bevolking. Vervolgens werden deze respondenten opnieuw opgebeld voor een kort telefonisch interview in de twee weken voor de verkiezingen. Een derde golf vond plaats kort na de verkiezingen van 7 juni 2009. Deze paneldesign laat ons dus toe de politieke voorkeuren te volgen doorheen de campagne. We kunnen dan ook stellen dat het PartiRep verkiezingsonderzoek het meest betrouwbare databestand levert voor een onderzoek naar de verkiezingscampagne van 2009.
Het is belangrijk hierbij op te merken dat we er dus in geslaagd zijn dezelfde individuen drie keer te bevragen. De verschuivingen die we zien, berusten dus wel degelijk op veranderingen bij de deelnemers zelf, en ze zijn niet gebaseerd op variaties tussen verschillende steekproeven. De resultaten laten zien dat met name de sp.a kiezers heeft verloren tijdens de campagne. Bij de eerste golf in mei 2009 wist de partij nog 17,5 procent van de kiezers te verleiden, maar bij de derde golf bleef daar nog maar 15,8 procent van over. De sp.a verloor vooral kiezers richting Groen! en de N-VA. Dat betekent echter niet dat de groenen hiervan konden profiteren om een sterker resultaat neer te zetten: tijdens de eerste golf behaalde Groen! 5,8 procent van de stemmen, en bij de derde golf bleef daarvan 5,5 procent over. Terwijl de partij kiezers wist aan te trekken vanuit de sp.a, stroomden er tegelijk kiezers weg naar de andere partijen, zodat het totale saldo gelijk bleef.

Binnen de politieke wetenschappen bestaan er heel wat theorieën over de vraag waarom kiezers aangetrokken worden tot een specifieke partij. Om te beginnen kunnen ze zich verwant voelen met de ideologische opties van de partij, of juist tot de persoonlijkheid van de kandidaten. Andere theorieën gaan er dan weer van uit dat kiezers vooral zullen stemmen voor die partijen die geïdentificeerd worden met de beleidsthema’s die ze zelf belangrijk vinden. Er zijn ten slotte ook instrumentele motieven, als je bijvoorbeeld op een partij stemt om die te helpen net over de kiesdrempel te raken. In het kader van dit kort artikel kunnen we onmogelijk al die theoretische perspectieven behandelen.2 We zullen ons dan ook beperken tot het overlopen van enkele stemmotieven, namelijk beleidsthema’s, ideeën en ideologieën, de kandidaten en de campagnedynamiek. Telkens zullen we daarbij nagaan welke impact deze mogelijke motieven hebben gehad voor een keuze voor sp.a of Groen!.3

DE THEMA’S

Een eerste belangrijk stemmotief berust op de thema’s die politieke partijen naar voor schuiven. Ecologische partijen worden uiteraard geassocieerd met het thema leefmilieu; socialistische partijen met herverdeling en sociale zekerheid, en extreemrechtse partijen met racisme en politiek wantrouwen. Men heeft het dan over ‘issue ownership’: elke partij is als het ware eigenaar van een specifiek beleidsthema.4 Deze theorie gaat er van uit dat als een kiezer dit thema belangrijk vindt, zij/hij dan als het ware ook automatisch bij die partij terechtkomt. Tijdens het onderzoek vroegen we expliciet welk onderwerp men het belangrijkst vindt voor het bepalen van de partijkeuze. De resultaten tonen duidelijk aan dat de traditionele sociaaleconomische thema’s heel duidelijk naar voor worden geschoven (Tabel 1).

De resultaten van deze vraag tonen aan dat de thema’s van de verkiezingscampagne van 2009 heel sterk op maat van de sp.a waren gesneden. De Vlaamse kiezers maken zich vooral zorgen over de betaalbaarheid van de sociale zekerheid, de gevolgen van de financiële crisis en de werkgelegenheid. Dit zijn natuurlijk de onderwerpen die heel sterk met de sp.a worden geassocieerd, en in principe zou dit ook moeten gepaard gaan met een grotere aantrekkingskracht van die partij. We zien trouwens dat de scores bij de sp.a-kiezers nog hoger liggen, en zij zijn duidelijk extreem bezorgd over de toekomst van de sociale zekerheid. De top-drie van de beleidsthema’s bestaat dus helemaal uit sociaaleconomische thema’s, die perfect aansluiten bij het profiel van een sociaaldemocratische partij. Pas op de vierde plaats komt criminaliteit en onveiligheid, een thema waar de groene en socialistische kiezers duidelijk geen boodschap aan hebben. De hoogste scores vinden we daar bij de kiezers van het Vlaams Belang en de Lijst Dedecker. Voor de Groen!-kiezers is het leefmilieu dan weer van ontzettend groot belang, en zij geven een bijzonder hoge score aan dit thema. Het probleem voor de electorale aantrekkingskracht van Groen! is echter dat zij daarmee behoorlijk geïsoleerd staan: voor de modale Vlaamse kiezers is leefmilieu duidelijk geen prioriteit en het is dan moeilijk om op basis van dit thema nieuwe kiezers te werven. Door die extreem hoge waardering voor het leefmilieu is het risico reëel dat Groen! meer en meer een single-issue partij wordt.

We zien ten slotte dat onderaan het lijstje van beleidsprioriteiten de staatshervorming bungelt. Vanuit extremistische en nationalistische kringen wordt soms geïnsinueerd dat de Vlamingen in 2009 vooral communautair zouden hebben gestemd, maar in dit verkiezingsonderzoek vinden we hiervan in elk geval geen spoor terug. De staatshervorming is eigenlijk enkel prioritair voor de kiezers van de N-VA. Dezelfde kringen suggereren soms op bedrieglijke wijze dat ook de stemmen voor het Vlaams Belang of de Lijst Dedecker een voorkeur uitdrukken voor een doorgedreven staatshervorming. Ook dat is echter volledig in strijd met de werkelijkheid. Een stem voor het Vlaams Belang berust vooral op racisme en angst voor criminaliteit; een stem voor Lijst Dedecker berust op wantrouwen en angst voor criminaliteit.5 Voor beide partijen is de staatshervorming geen belangrijk stemmotief en vanuit wetenschappelijk standpunt is het volstrekt onverantwoord om beide partijen als ‘V-partijen’ te bestempelen, zoals tegenwoordig soms wordt gedaan.

IDEOLOGIE

De Vlaamse kiezers waren dan wel bezorgd over de thema’s die geassocieerd worden met de sp.a, dat betekent nog niet noodzakelijk dat ze ook opgetogen zijn over de ideeën die de partijen naar voor schuiven in verband met deze onderwerpen. In het onderzoek vroegen we ook in hoeverre de kiezers het eens zijn met de ideeën van de verschillende Vlaamse partijen (Tabel 2).

Het is duidelijk dat beide progressieve partijen hier een radicaal ander profiel hebben. Groen! heeft dan misschien een kleine groep kiezers, maar het zijn wel bijzonder overtuigde kiezers, die aangeven dat ze het zowat helemaal eens zijn met de standpunten van de partij. Een gemiddelde score van 9,51/10 duidt er op dat de modale groene kiezers het over zowat de hele lijn eens zijn met de ideeën van de partij. Op de tweede plaats voor de groene kiezers komt de sp.a, maar de afstand met de eigen partij is bijzonder groot. Ook de VLD en het Vlaams Belang blijken behoorlijk overtuigde kiezers te hebben, maar dat is helemaal niet het geval bij de sp.a. De socialistische kiezers geven slechts een gemiddelde score van 7,65 en enkel Lijst Dedecker doet het daarin slechter. Bij de sp.a-kiezers komt de VLD vreemd genoeg op de tweede plaats uit. Hieraan moet echter niet zo veel belang worden gehecht, omdat een aantal andere partijen op een ongeveer gelijke hoogte uitkomen.
Voor beide partijen is het echter problematisch dat ze weinig waardering krijgen van de kiezers van andere partijen. We zien bijvoorbeeld dat zowel N-VA als de VLD vaak als tweede partij uit de bus komen. Dat heeft als strategisch voordeel dat het relatief gemakkelijk wordt om potentiële kiezers van die partijen eventueel over te halen naar de eigen partij. Vooral bij de N-VA heeft dat mechanisme gewerkt in 2009. Die partij heeft nieuwe kiezers naar zich toe weten te halen gedurende de campagne, en het gaat dan vooral om kiezers die het al tijdens de eerste golf relatief eens waren met de ideeën van die partij. Voor sp.a en Groen! is die potentiële rekrutering echter zo goed als onmogelijk.

Als we het geheel van de politieke ruimte in Vlaanderen weergeven, wordt ook meteen duidelijk waarom het electorale potentieel van de twee progressieve partijen zo gering is. We kunnen er immers van uit gaan dat het kiesgedrag vooral bepaald wordt door twee grote breuklijnen. Aan de ene kant hebben we de traditionele links-rechts as, waarbij links staat voor meer herverdeling en meer sociale zekerheid. Maar aan de andere kant heb je ook een progressief-conservatieve dimensie. Conservatief betekent dan een meer autoritair waardepatroon, angst voor culturele diversiteit en een restrictieve houding ten opzichte van bijvoorbeeld euthanasie, abortus of gendergelijkheid. De twee dimensies vallen niet noodzakelijk samen: het is perfect mogelijk dat iemand economisch links is (bijvoorbeeld: hogere pensioenen), maar ethisch conservatief (bijvoorbeeld: afwijzen multiculturalisme). Je moet dus beide dimensies in kaart brengen als je wil nagaan hoe de partijpolitieke ruimte in Vlaanderen verdeeld is (Figuur 1).

Figuur 1. De partijpolitieke ruimte in Vlaanderen

Wat dan opvalt is hoe geïsoleerd de sp.a en Groen! wel staan. De kiezers van deze beide partijen zijn de enigen die zich duidelijk aan de linkerkant van het politieke spectrum bevinden. Ze staan daarin heel dicht bij elkaar, en dat verklaart waarom er in het verleden zo vaak kiezers werden uitgewisseld tussen beide partijen. De ideologische afstand tussen Groen! en de sp.a is zo klein dat het bijzonder gemakkelijk is om van de ene partij naar de andere over te stappen. De kloof met alle andere partijen is echter bijzonder groot, en dat maakt het moeilijk om kiezers uit die partijen aan te trekken. De electoraten van CD&V, VLD, N-VA en LDD bevinden zich daarentegen duidelijk op een kluitje bij elkaar, zonder al te grote verschillen. Dat verklaart ook waarom de electorale concurrentie tussen die vier partijen zo scherp is. Het is voor een kiezer heel gemakkelijk om over te stappen van bijvoorbeeld N-VA naar VLD, omdat de positie van beide partijen heel vergelijkbaar is. Het is enkel als we het streven naar meer Vlaamse autonomie als een derde dimensie zouden toevoegen, dat VLD en de N-VA verder van elkaar wegdrijven, omdat de N-VA daar een heel eigen positie inneemt, met een grote afstand ten opzichte van alle andere partijen in Vlaanderen.

Als we daarentegen kijken naar de verticale dimensie (ethisch conservatisme), dan zien we dat de verschillen in Vlaanderen eigenlijk niet zo uitgesproken zijn. Ongeveer alle partijen situeren zich daar in het midden en ook de afstand tussen sp.a en CD&V is niet zo groot. Voor die dimensie hebben we te maken met slechts twee partijen die als extremen functioneren: het Vlaams Blok met extreem conservatieve opvattingen, en Groen! met zeer progressieve opvattingen. Opvallend bij Groen! is de zeer sterke mate van antiracisme, een attitude die bij de Vlaamse groene kiezers veel opvallender aanwezig is dan bij de kiezers van Ecolo. We hebben hier te maken met een opvallende polariseringsdynamiek. Het antiracisme van Groen! heeft vooral te maken met het verzet tegen de aanwezigheid van een sterke extreemrechtse partij in het Vlaamse partijlandschap. Ecolo hoeft zich helemaal niet tegen extreemrechts te verzetten, aangezien er in Wallonië geen leefbare extreemrechtse partij aanwezig is. Het resultaat is dan ook dat Ecolo wat deze dimensie betreft een perfecte middenpositie inneemt, en niet zo extreem is als de Vlaamse groene partij.

KANDIDATEN

De aantrekkelijkheid van een politieke partij heeft echter ook te maken met de kandidaten op de lijsten. We vroegen in het onderzoek over de verkiezingen van 2009 daarom ook een waardering uit te drukken voor individuele politici. CD&V heeft hier een overduidelijk voordeel, en minister-president Kris Peeters komt hier als meest gewaardeerde politicus uit de bus. In de eerste plaats natuurlijk bij de kiezers van de eigen partij, maar ook bij de kiezers van de sp.a en andere partijen haalt hij nog een meer dan behoorlijk resultaat. Peeters komt dan ook over als een typische consensus- of centrumkandidaat, die geen al te grote vijanden heeft. Alleen de kiezers van het Vlaams Belang en die van Groen! zijn blijkbaar minder tevreden over zijn aanpak. Het omgekeerde fenomeen vinden we bij Bart De Wever, die wel heel sterk polariseert. De N-VA leider is duidelijk heel populair bij zijn eigen volgelingen, en hij haalt daar de hoogste score van alle politici. De aantrekkingskracht van de N-VA valt dus voor een stuk samen met de aantrekkingskracht van de leider van die partij. In 2009 is bij kiezers van andere partijen de waardering voor de stijl van De Wever echter in het beste geval lauw te noemen.

Op het vlak van de kandidaten had de sp.a in 2009 duidelijk wel troeven in huis, en dat weerspiegelt zich in de hoge score van Frank Vandenbroucke, die tweede wordt in deze test, onmiddellijk na Kris Peeters. Het profiel van Vandenbroucke slaat ook aan bij dat van Peeters: hij doet het uiteraard goed bij de kiezers voor de eigen partij, maar hij haalt ook goede cijfers bij alle andere electoraten, met uitzondering dan van het Vlaams Belang. Dat is belangrijk, omdat we uit de eerste figuur onthouden dat de sp.a relatief geïsoleerd staat ten opzichte van de andere grote partijen. Vandenbroucke doet het echter ook goed bij de kiezers van die partijen, zodat we daar te maken hebben met een mogelijke aantrekkingskracht voor potentiële kiezers. Voor de VLD was de situatie duidelijk minder gunstig: lijsttrekker Dirk van Mechelen haalt zelfs een slechte score bij de eigen kiezers, en hij overtuigt al evenmin de kiezers van andere partijen. Het slechte resultaat van de VLD bij de verkiezingen van 2009 kan dan ook voor een stuk verklaard worden door het feit dat deze partij geen sterke kandidaten het veld heeft ingestuurd.

Ook voor Groen! is er een duidelijk personeels-probleem: Mieke Vogels doet het nog relatief goed bij de eigen achterban, maar maakt nauwelijks indruk bij de andere partijen. Haar vermogen om kiezers van andere partijen naar Groen! te halen is dus gering, en zelfs de sp.a kiezers kunnen weinig waardering opbrengen voor haar politieke kwaliteiten. Zoals enigszins te verwachten was, bungelt VB-leider Filip Dewinter achteraan het lijstje en vooral de kiezers van Groen! en de sp.a geven hem een bijzonder lage score.

AANDACHT

Binnen de politieke wetenschappen is er een grote mate van verdeeldheid over de effecten van verkiezingscampagnes. Sommige auteurs stellen dat heel veel kiezers pas de knoop doorhakken gedurende de laatste dagen van de campagne. Die ‘zwevende’ kiezers kunnen dus in sterke mate beïnvloed worden door de reclameboodschappen die ze ontvangen gedurende de campagne. Andere auteurs wijzen er dan weer op dat ook de zwevende kiezers toch behoorlijk stabiele politieke opvattingen blijken te hebben. Kiezers twijfelen tijdens de campagne misschien wel eens tussen twee verwante partijen als LDD en de N-VA, maar de kans dat ze van extreemrechts naar extreemlinks zouden gaan is bijzonder klein. We hebben hier terug onvoldoende plaats om dit hele wetenschappelijke debat samen te vatten.6 We kunnen echter wel stellen dat partijen die ‘uit beeld’ blijven tijdens de campagne (letterlijk of figuurlijk), ook slechts een heel geringe kans hebben om potentiële kiezers te overtuigen.

Ook deze aandachtsfactor speelt heel duidelijk in het nadeel van de progressieve partijen. Tijdens de derde golf van het verkiezingsonderzoek vroegen we aan de respondenten welke partij hen het meest was opgevallen tijdens de campagne van 2009. De antwoorden op deze vraag laten duidelijk zien dat de zeer ruime media-aandacht voor Bart De Wever zijn vruchten afwerpt: 26 procent van de geënquêteerden vermeldt de N-VA als partij die het meest aandacht kreeg, en dat is dubbel zoveel als het percentage stemmen dat die partij uiteindelijk kreeg. CD&V volgt met bijna 20 procent, en Lijst Dedecker met 18 procent. We zien dus dat de N-VA en de Lijst Dedecker samen maar 20 procent van de stemmen haalden, maar dat deze partijen door de helft van de kiezers genoemd worden als de partijen die het meest de campagne beheersten en alle media-aandacht naar zich toe zogen.
De progressieve partijen, daarentegen, komen nauwelijks in het spel voor. De sp.a wordt slechts door vijf procent van de kiezers genoemd. Groen!, ten slotte, was zo goed als volledig afwezig tijdens de campagne van 2009, en deze partij wordt slechts door twee procent van de respondenten genoemd als meest opvallende partij tijdens de campagne, wat nog minder is dan het Vlaams Belang.

We zien dus dat de campagne van 2009 bijna volledig gedomineerd werd door N-VA, Lijst Dedecker en CD&V. Gedeeltelijk heeft dat er mee te maken dat de media nu eenmaal een voorkeur hebben voor het weinig gepolijste taalgebruik van personen als De Wever en Dedecker. Het wijst er echter ook opnieuw op dat de echte electorale competitie zich afspeelt aan de rechterkant van het politieke spectrum, waar vier partijen zich bijzonder dicht bij elkaar bevinden. Die partijen hebben er dan ook alle belang bij om zoveel mogelijk het politieke debat naar zich toe te trekken. Als de progressieve partijen al een poging hebben gedaan om indruk te maken tijdens de electorale campagne, dan lijkt dat in elk geval geen enkele weerklank te hebben gehad.

BESLUIT

Het is een wat al te snelle en gemakkelijke conclusie om te stellen dat Vlaanderen nu eenmaal ‘rechts’ stemt. In het nog niet al te recente verleden haalden de progressieve partijen wel een meer dan behoorlijke score, dus het zou enigszins vreemd zijn te veronderstellen dat de politieke waarden van de Vlaamse bevolking op korte termijn volledig veranderd zouden zijn. Het lijkt daarom meer voor de hand te liggen te zoeken naar verklaringen die te maken hebben met het functioneren van de partijen, en met hun prestaties tijdens de campagne van 2009.

Vooral voor de sp.a waren de verkiezingen van 2009 dramatisch. Met 15 procent haalden de Vlaamse socialisten het op één na slechtste resultaat sinds de Eerste Wereldoorlog. Ook in vergelijking met andere socialistische partijen in West-Europa is 15 procent bijzonder slecht te noemen. Dat de partij dit niet als een zware nederlaag heeft ervaren, heeft vooral te maken met het feit dat de opiniepeilingen nog slechter voorspeld hadden. In de perceptie leek het daarom alsof de VLD de grote verliezer was van deze verkiezingen, maar wie de verkiezingsuitslagen vanaf 1893 op een rijtje zet, kan niet anders dan tot de conclusie komen dat de sp.a zich op een historisch dieptepunt bevindt. Nochtans zijn de omstandigheden in principe gunstig voor de Vlaamse socialisten: omwille van de economische crisis maken de kiezers zich zorgen over werkgelegenheid en de sociale zekerheid, en dit zijn nu net de thema’s waarmee de sp.a sterk vereenzelvigd wordt. Bovendien heeft de partij bekwaam politiek personeel in huis, en iemand als Frank Vandenbroucke heeft het vermogen om ook kiezers van andere partijen aan te trekken. In principe zijn de randvoorwaarden dan ook bijzonder gunstig voor sociaaldemocratische partijen, en in de Wallonië zien we dat de PS volop profiteert van de economische omstandigheden en een sterk resultaat neerzet. De sp.a slaagt hier echter niet in, en de partij is dan ook bijzonder kwetsbaar op een aantal gebieden. De ideeën van de sp.a slaan niet aan, zelfs niet bij de eigen kiezers. De partij was bovendien onzichtbaar tijdens de campagne van 2009, en ook dat is een gemiste kans om kiezers aan te trekken. De ideologische afstand met de centrumpartijen is bovendien dermate groot, dat het niet evident is om kiezers aan te trekken van andere partijen. Eventueel kan men wel kiezers vinden bij Groen!, maar dat reservoir is vlug uitgeput. Voor CD&V-kiezers is het veel gemakkelijker om naar de VLD of de N-VA over te lopen dan naar de sp.a.

Groen! kampt dan duidelijk weer met heel andere problemen. De partij is verworden tot een single-issue partij, waarbij het leefmilieu zowat het enige wervende thema is geworden. Dat maakt de partij echter bijzonder kwetsbaar, omdat we weten dat de belangstelling voor het leefmilieu op korte tijd bijzonder snel kan evolueren. Groen! wijkt in dat opzicht volstrekt af van Ecolo, dat wel een volwaardige partij is geworden, die op verschillende thema’s tegelijk inhoudelijk aanwezig kan zijn. Het verschil is dan ook dat Groen! 6,8 procent van de stemmen haalt, en Ecolo 18,5 procent. Groen! lijkt daardoor, althans wat deze organisatorische kenmerken betreft, enigszins op een religieuze sekte: er is een kleine aanhang, die bijzonder overtuigd is van het belang van de thema’s van de partij. Bij het brede publiek, daarentegen, is er hiervoor heel weinig belangstelling. Het politiek personeel van de partij straalt bovendien weinig geloofwaardigheid uit, en er is helemaal geen aantrekkingskracht naar het electoraat van andere partijen. De partij lijkt zich bovendien vooral te positioneren als de tegenvoeter van het Vlaams Belang, en dat draagt ook bij tot de kwetsbaarheid van de groenen: naarmate het Vlaams Belang wegdeemstert, is er ook minder nood aan een sterke antiracistische partij, zoals Groen!.

Wat echter het meest opvalt in deze analyse is dat het maatschappelijk debat in 2009 bijna volledig gemonopoliseerd wordt door partijen als de N-VA en de Lijst Dedecker. Om een en ander in het juiste perspectief te plaatsen: in 2009 haalden beide partijen samen 21 procent van de stemmen. Of om het nog wat duidelijk uit te drukken: 79% van de Vlaamse kiezers stemde niet voor een van deze partijen. Toch slaagden beide partijen er in het laken naar zich toe te trekken, en alle media-aandacht op zich te richten. De massamedia werkten hier zeer gretig en gewillig aan mee. Tijdens de campagne van 2009 konden ze bovendien kiezers naar zich toetrekken van CD&V en VLD. De progressieve partijen in Vlaanderen stonden er bij en keken er naar, zonder dat ze een duidelijke inbreng hadden tijdens de campagne. Zowel de verkiezingsuitslag zelf, als de analyse van het Belgisch verkiezingsonderzoek tonen aan dat een dergelijke inertie fatale gevolgen heeft. Het fundamentele probleem is niet zozeer dat Vlaanderen rechts heeft gestemd in 2009. Het probleem is dat de progressieve partijen in Vlaanderen de aansluiting met het politieke centrum hebben verloren. Voor de modale Vlaamse kiezer is het daarom veel gemakkelijker geworden om naar rechts uit te wijken dan naar links. De modale kiezer bevindt zich, per definitie, in het centrum. Alleen hebben de progressieve partijen alle aangeboden kansen gemist om die centrumkiezer te overtuigen.

Marc Hooghe
Hoogleraar politieke wetenschappen KU Leuven
VLAC Research Fellow Koninklijke Academie van België

Noten
1/ Voor de volledige informatie over dit onderzoek, zie Kris Deschouwer, Pascal Delwit, Marc Hooghe & Stefaan Walgrave (red.), De stemmen van het volk. Een analyse van het kiesgedrag in Vlaanderen en Wallonië op 7 juni 2009. Brussel: VUB Press. Zie ook de website van het onderzoeksconsortium: www.partirep.eu. PartiRep is een samenwerkingsconsortium tussen de universiteiten van Brussel, Leuven, Antwerpen, Bruxelles en Leiden. Enkel de auteur is verantwoordelijk voor eventuele ingenomen standpunten.
2/ Voor een goed en recent overzicht, zie Michael Lewis-Beck, William Jacoby, Helmut Norpoth & Herbert Weisberg, The American Voter Revisited. Ann Arbor: University of Michigan Press.
3/ In het verkiezingsonderzoek waren uiteraard ook SLP en de PVDA opgenomen, maar het aantal respondenten dat aangeeft voor een van die partijen te stemmen is veel te klein om hierover geldige uitspraken te kunnen doen.
4/ John Petrocik (1996). Issue Ownership in Presidential Elections, with a 1980 Case Study. American Journal of Political Science, 40(3), pp. 825-850.
5/ Marc Hooghe, Sofie Marien & Teun Pauwels. Where do Distrusting Voters Turn to if there is no Viable Exit or Voice Option? The Impact of Political Trust on Electoral Behaviour in the Belgian Regional Elections of June, 2009. Government and Opposition, forthcoming.
6/ David Farrell & Rüdiger Schmitt-Beck (2002). Do political campaigns matter? Campaign effects in elections and referendums. London: Routledge.

verkiezingen - sp.a - Groen!

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 6 (juni), pagina 13 tot 22