Log in

'Het land is moe. Verhandeling over onze ontevredenheid'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 8 (oktober), pagina 110 tot 112

Het land is moe. Verhandeling over onze ontevredenheid

Tony Judt
Uitgeverij Contact, Amsterdam, 2010

Het moet gezegd: Het land is moe is, om te beginnen, een uitstekende, catchy, sexy titel. Zo een die, horresco referens, Bart De Wever graag zou bedenken als hij een round-up zou maken van de Vives-onderzoek(jes) over het succesvolle Vlaanderen en het lankmoedige Wallonië. Het land is moe, de politici ook. De mensen ook. Zeker weten.
Jammer voor De Wever, de titel is al gekaapt door Tony Judt. Het is, op zijn ‘testament’ na, ook zijn laatste boek geworden, want kort na het voltooien is hij overleden aan een slepende ziekte. Daarmee verdwijnt opnieuw een interessant denker, iemand die twijfel en reflectie hoog in het vaandel droeg, iemand die graag Camus citeerde: ‘als er een partij bestond van mensen die niet zeker weten of ze gelijk hebben, dan zou ik er lid van worden’. Kortom, alleen al om deze levenshouding een man naar mijn hart (hoewel ik persoonlijk Camus quote ook nog eens graag koppel aan die van Groucho Marx die geen lid wenste te zijn van een club mensen die hem als lid zouden accepteren).

Over het boek is er de voorbije maanden heel wat buzz geweest. De renommee van Judt als geschiedwetenschapper, en als dwarse denker is dan ook bijzonder groot. Toch was ik, en ik wik mijn woorden, uit angst voor blasfemie, … niet bijzonder onder de indruk van deze ‘verhandeling over onze ontevredenheid’. Wie het maatschappelijk debat volgt, af en toe een boek leest, een abonnement op Samenleving en politiek heeft en goed heeft opgelet in de lessen geschiedenis, die weet in grote lijnen wat Judt gaat schrijven ook al is dat allicht met minder citaten - werkelijk elk hoofdstuk, subhoofdstuk en subsubhoofdstuk begint met een citaat van deze of gene protagonist - en verwijzingen naar historische figuren. De verdienste is dat hij het allemaal nog eens samenvoegt, en de lezer hiermee confronteert. De originaliteit zat, voor mij, bij de lectuur toch minder in deze historische synthese maar wel in die passages waar Judt gewoon over de samenleving denkt en er zijn visie op formuleert. Bijvoorbeeld wanneer hij het belang beklemtoont van vertrouwen in een samenleving: hoe meer van dat vertrouwen, hoe beter een maatschappij zal functioneren. Judt geeft daarbij aan dat samenlevingen waar dat vertrouwen sterk is/was ook vaak gekenmerkt worden door homogeniteit. Met andere woorden, het vertrouwen is groot in samenlevingen waar je vooral jezelf ontmoet. Zodra er veel ‘anderen’ aanwezig zijn, daalt het vertrouwen en de sociale cohesie. Ik ben bang dat Judt gelijk heeft: vanaf de onderlinge mutualiteiten is solidariteit gestoeld op delen met wie je je verbonden voelt, en niet-delen met wie je je niet verbonden voelt. Toch leidt zijn vaststelling over homogeniteit niet zo ver - gelukkig maar - dat elk verschil moet worden uitgevlakt. Hoewel het met samenlevingen die niet gekenmerkt werden door compromissen slecht is afgelopen, betekent dit immers niet dat een samenleving niet energiek en fantasierijk moet zijn. Eenheid in verscheidenheid is dus het (niet geformuleerde) devies.

Uiteraard komt links uitgebreid aan bod in dit boek. Judt analyseert the rise and fall en de evolutie naar een sterk individualistische oriëntatie: ‘links kreeg een tamelijk egoïstisch karakter (vanaf de jaren 1960, nvdr). … Linkse studentenbewegingen hadden het destijds liever over de aanvangstijd van hun colleges dan over de omstandigheden in fabrieken. … Nieuw links had geen band meer via collectieve doelstellingen en bepaalde zijn opstelling meer vanuit een individuele zelfexpressie en boosheid.’ Individualisme is dan slechts een opstap naar onverschilligheid, een houding die zich in landen waar er geen ‘recht op stemplicht’ is ook uit in niet-deelname aan verkiezingen. Maar het is ook een houding die zich uit in een gebrek aan ideologische rechtlijnigheid of beginselvastheid bij politici. Judt is bijzonder hard: alle politici van de babyboomgeneratie staan nergens voor; het zijn lightpolitici. Politici moeten durven. Ook durven om radicaal te zijn, om bijvoorbeeld radicaal de pensioenleeftijd te verhogen, ook al is dat impopulair. Heerschappen en dames als Van Rompuy, Sarkozy, Aubry, Rasmussen, Blair en tutti quanti overstijgen het mediocre niet, aldus Judt. Het zijn alle lilliputters, in niets te vergelijken met klinkende namen als Blum, Churchill, Brandt, Roosevelt. Alle politici en partijen zijn vandaag doorslagjes van elkaar, en streven alle hetzelfde doel na. De menukaart is overal dezelfde, het opgediende eten ook, misschien af en toe op de saus na.

Judt ziet twee belangrijke elementen om uit deze impasse te geraken. Ten eerste is er het sociale vraagstuk dat moet worden heropend want de economische evolutie zal er voor zorgen dat veel mensen blijvend overbodig zullen zijn. Ten tweede is er de nood aan een nieuw moreel kader, een kader dat antwoorden biedt op de ongelijke toegang tot van alles en nog wat. Dat betekent wel dat mensen uit hun letterlijke en/of figuurlijke gated communities moeten komen, dat (sommige) mensen aan privileges zullen moeten inboeten. In die context houdt Judt een pleidooi pro overheid want de overheid kan zaken regelen die geen enkel andere persoon of groep kan verwezenlijken. Alleen overheden kunnen immers busdiensten organiseren die inefficiënt zijn maar die er wel voor zorgen dat ook mensen in ‘achteraf- of verwegdorpen’ mobiel zijn en blijven. Privatiseringen van spoorweg- of busvervoer leidt immers tot verschraling, enkel wat winstgevend is, blijft dan behouden.

Als afsluiter of uitsmijter nog een citaat uit Judts verhandeling. Wat mij betreft mag menigeen die boven de bedsponde hangen, naast de vergeelde kadertjes van Henri Poincaré en Martin Niemöller. Ik citeer: ‘Als links weer serieus wil worden genomen, moet het zijn stem hervinden. Er is van alles om boos over te zijn: van de toenemende ongelijkheid in rijkdom en kansen, de onrechtvaardigheid tussen de klassen en kasten en de economische uitbuiting in binnen- en buitenland tot corruptie, de manier waarop geld en privileges de slagaderen van de democratie doen dichtslibben. Het is tegenwoordig niet langer voldoende de tekortkomingen van ‘het systeem’ te benoemen en dan net als Pilatus af te wachten, onverschillig voor de gevolgen. De onverantwoorde manier waarop de afgelopen tientallen jaren voor de show retoriek werd bedreven, heeft links geen goed gedaan.’ Dat van die retoriek, daar geloof ik niet dat Judt meteen Vlaams links mee in gedachte heeft, maar dat afwachtende, dat is jammer genoeg vaak wel transponeerbaar.

Judt geeft aan het eind van zijn verhandeling ook mee hoe sociaaldemocraten zich wel moeten manifesteren. Zij moeten minder bescheiden zijn, minder excuses aanbieden voor de tekortkomingen uit het verleden, en wat assertiever op hun wapenfeiten wijzen. ‘Dat die altijd onvoltooid zijn gebleven, mag ons daarin niet belemmeren. Als er één ding is dat de twintigste eeuw ons heeft geleerd, dan is het wel dat hoe soepeler het antwoord klinkt, hoe verschrikkelijk de gevolgen zullen zijn.’ Ook dat laatste is een waarheid als een koe.

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 8 (oktober), pagina 110 tot 112