Log in

Sociaaldemocratische uitdagingen voor de toekomst

Reflecties over de sp.a

ALS IK NAAR DE SP.A KIJK, ZIE IK …

Een persoon van middelbare leeftijd die wel weet wat de mode van het moment is, maar die om onduidelijke redenen - kent ie het niet echt?; heeft ie niet de middelen?; interesseert het hem niet echt? - net de verkeerde (merk)kleren heeft aangetrokken om werkelijk cool te zijn.

VOORUIT KIJKEN IS HET VERLEDEN ANALYSEREN

Cruciaal in de politieke analyse blijft het begrip van de breuklijn. Ik zal me beperken tot 8 stellingen. Deze stelling ordenen we op basis van de componenten die, naar ik meen, aanwezig moeten zijn om te spreken over een breuklijn: (1) Een sociale belangengroep component, (2) een ideologische omkadering en (3) een organisatorisch element.

1. Sociale belangengroep component

Stelling (1): De federale verkiezingsstudies van 1991 tot 2007 maken duidelijk dat de traditionele achterban van de sociaaldemocratie - arbeiders, laaggeschoolden, sociaal zwakkeren - die eens de natuurlijk basis vormden van de Socialistische Partij niet automatisch meer kiezen voor de sp.a. De aantrekkingskracht van VB, CD&V, LDD en in mindere mate Open Vld is hier van doorslaggevende aard, naast het sociaaldemografische feit dat deze groepen in omvang zijn afgenomen binnen het electoraat. De kiezer heeft zich dus in grote mate bevrijd van het juk van inkapseling binnen een zuil en een breuklijn. Dit is echter maar één kant van wat er aan de hand is. Met evenveel reden kan men stellen dat de sp.a als partij zich bevrijd heeft van zijn traditionele achterban. Onder druk van de verhoogde economische rijkdom en van de verhoogde opleidingsgraad binnen het electoraat is de sp.a noodzakelijkerwijze op zoek moeten gaan naar nieuwe groepen in het electoraat. Indien niet verschrompelde ze mee met haar traditionele achterban. Wil de sp.a een werkelijke politieke factor blijven in Vlaanderen dan is ze gedoemd om te verbreden. Sociale diversiteit in het electoraat zal in de toekomst de regel zijn, de bindende factor zal politieke overtuiging zijn. Nochtans zal een vernieuwde link met de (etnisch gekleurde) arbeidersklasse cruciaal zijn in het electoraal verhaal van de sp.a.

Stelling (2): Verliest de sp.a kiezers op zijn linkse flank of in het centrum? Ervan uitgaande dat Groen! zich niet links van de sp.a bevindt, maar op een andere breuklijn en dat zowat 80% van het Vlaamse electoraat zich in het sociaaleconomisch centrum situeert, moeten we inderdaad de conclusie trekken dat de sp.a verloor aan het (sociaaleconomisch) centrum tussen 2004 en 2007 (d.i. CD&V en Open Vld). De open universalistische versus gesloten particularistische breuklijn laat aan de open universele kant de kiezers bewegen tussen groene partijen en de sp.a en aan de gesloten particuliere kant tussen de extreemrechtse en populistische partijen (Vlaams Belang, LDD en N-VA) en de sp.a. Merk op dat dit niets zegt over de oorzaken van het verlies: het zou dus kunnen zijn dat dit enerzijds komt door een te weinig aan centrumpolitiek op sociaaleconomisch vlak en anderzijds door een te weinig aan linkse profilering op de universalistisch-particularistische kant vanwege de sp.a.

2. De ideologische omkadering

Stelling (3): Moet de sp.a al dan niet naar links opschuiven? Voor alle duidelijkheid: hiermee wordt bedoeld naar links op de sociaaleconomische breuklijn. Indien hieronder verstaan wordt dat het not done is om tot tweemaal toe fiscale amnestie te verlenen voor zwart geld, dan is mijn antwoord ondubbelzinnig ja. Maar als men een terugkeer naar het socialisme van de jaren 1960 bedoelt dan heb ik mijn reserves. De laatste ‘linkse’ regering in deze zin was zonder twijfel de regering Mauroy van 1981, in het Frankrijk van Mitterand. De verkiezingsbeloften van de Franse PS voor de verkiezingen van 1981 zouden de linkse vleugel van de sp.a (SP.a-rood) zeker bevallen. Na twee jaar was Mitterand genoodzaakt deze regering naar huis te sturen. Men mag aannemen dat indien dit niet in Frankrijk lukte het vermoedelijk ook niet in Vlaanderen zal lukken. Een tour d’horizon in West-Europa onder de titel ‘De verloren illusies van links van links’ in Le Monde Diplomatique leidt tot de conclusie dat de optelsom van de partijen links van de sociaaldemocraten goed zijn voor ongeveer 6% van de stemmen. Hun gemeenschappelijk programma beperkt zich tot een vage catalogus van ‘refu’, ‘weigeren’, ‘tegen zijn’. Enkel de Nederlandse SP vormde hierop een uitzondering - maar heeft dan ook een zeer dubbelzinnige houding ten aanzien van zogenaamde migranten in Nederland. De keuze om naar ‘links van centrumlinks’ op te schuiven, is een keuze om te verworden tot een politiek irrelevante partij die enkel nog kan hopen ooit op de wip te zitten om mee te mogen doen in een regering.
Wat moet dan wel de optie zijn?

Stelling (4): De sp.a moet gaan voor een radicale centrumlinkse sociaal-culturele politiek. De principiële optie voor gelijke kansen, zekerheid en vrijheid in een open universalistische democratische samenleving moet onverbiddelijk doorgetrokken worden opdat ze geloofwaardig zou zijn. Politieke correctheid moet sneuvelen voor deze radicale centrumlinkse optie. Een radicaal diversiteitsbeleid gericht op integratie als participatie, gelijkheid man-vrouw op alle vlakken en milieuvriendelijkheid zijn slechts voorbeelden van uitgangspunten. Centrumlinks betekent niet marktconform denken, maar wel marktbewust denken. Marktconform is voor de liberalen; marktbewust denken is het bestaan van de vrije markt aanvaarden maar nadenken hoe deze optimaal kan worden vormgegeven, ten dienste van de gemeenschap. Een grondige discussie over de positie van een monopolist als bijvoorbeeld Electrabel hoort hierin duidelijk thuis. Laat me toe een niet vanzelfsprekend voorbeeld in dit verband te ontwikkelen.
In het rapport van de sp.a over de verkiezingen 2007 stellen de auteurs dat Clinton, Schröder en Blair een nieuwe generatie sociaaldemocratische politici was, die opnieuw aansluiting gevonden had bij het brede publiek en de middenklasse. Met hun project, de Derde Weg, domineerde centrumlinks het inhoudelijke debat. Nu lijkt het erop dat rechts met figuren zoals Sarkozy, Balkenende, in Vlaanderen De Wever en in Franstalig België Reynders, de veldslag voor de culturele hegemonie heeft gewonnen. Hun discours over ‘waarden en normen’ moet duidelijk verstaan worden: het gaat hier om discipline, orde, het volk - de natie. Het is eveneens populair bij de traditionele sociaaldemocratische achterban.
Maar wat hebben Schröder en Blair en bij uitbreiding de sociaaldemocratie dat in de jaren 1980 Europa domineerde nog achtergelaten: ‘de Europese constructie’. Een Europa dat geleid wordt door een bureaucratie, efficiënt afgesloten van de volkswil, maar open voor de druk van privé-lobbyisten. Een Europa dat elk alternatief op een neoliberale politiek onmogelijk maakt. Uit ons onderzoek naar aanleiding van de Europese verkiezingen 2004 blijkt dat de absolute meerderheid van de Belgen - Vlamingen en Franstaligen - niet tegen de Europese constructie as such zijn, maar absoluut vragende partij zijn voor een sociaal Europa. Een sociaal Europa, dat meer biedt dan een garantie op een neoliberaal rechts geïnspireerd economisch beleid. De sociaaldemocratie moet hierin het voortouw nemen. Merk op dat zowel Sarkozy als Royal de macro-economische politiek van de EU, en meer in het bijzonder zijn monetair beleid en het wisselkoersbeleid van de Europese Centrale bank, in vraag hebben gesteld. Een positief kritische houding tegenover het Europese project, niet om de Europese eenwording af te remmen of terug te draaien, niet uit een verkeerd begrepen nationalisme, maar om een eengemaakt, welvarend, solidair en sociaal Europa op de kaart te brengen is een must voor de sp.a.
Een wervend radicaal centrumlinks project moet dus durven taboes doorbreken en bovenal moet het zeer expliciet afstand nemen van hierop haaks staande beleidsdaden.

3. Het organisatorisch element

Stelling (5): Twintig jaar beleidsparticipatie en de ‘presidentialisering’ van de sp.a heeft er voor gezorgd dat de partij bij zijn laatste federale verkiezingen in 2007, aldus het sp.a-rapport, niet meer gemobiliseerd raakte. Leden voelden zich niet meer betrokken bij de partij, de partij was een professionele kiesvereniging geworden. Tegelijk merkt het rapport op dat de verbreding van de sp.a buiten Spirit mislukt was.
De vraag wordt dus ‘Waar naar toe met de sp.a-vernieuwing’? Mijns inziens gaat het niet zo zeer om deze vraag. De vraag moet in het licht van de verkiezingsuitslag 2007 zijn: ‘waar naar toe met progressief Vlaanderen?’ Als we de progressieve krachten binnen de CD&V niet meerekenen wegens weinig mobiliseerbaar, komen we tot maximaal een schamele 24%. Dit terwijl naast de groei van de traditionele rechtse partijen in 2007 en met de komst van N-VA en de Lijst Dedecker, politiek bruikbaar rechts in omvang toeneemt.

Stelling (6): Vernieuwen kun je enkel vanuit de oppositie. Ook hier moeten we durven taboes in vraag te stellen. Als zou blijken dat de sp.a als structuur te zwaar beladen is om een relevante verbreding door te voeren, moet er dan niet gewoon gewerkt worden aan een nieuwe progressieve Vlaamse partij, waar o.a. sp.a, Spirit, Groen! samen in opgaan? Waar een tendensrecht expliciet erkend wordt en zelfs in alle openheid georganiseerd wordt. Geen halfslachtig kartel, maar een centrumlinkse beleidspartij met één sociaal, vooruitstrevend en milieu programma.

Stelling (7): De massapartij van na de Tweede Wereldoorlog is verleden tijd. De kaderpartij vanuit diezelfde tijd ook. De tijd dat de socialistische leiders de inzet en de stem vroegen van het proletariaat om vervolgens zelf te bepalen wat goed voor hen was, is definitief voorbij. De Vlaamse bevolking is in overgrote meerderheid rijk en vooral geschoold. De leden begrijpen dat een slagkrachtige partij een sterke leiding nodig heeft, maar willen hun zeg in de cruciale beslissingen en in de uittekening van de grote partijlijnen. De gebeurtenissen van de laatste jaren wijzen op de totale verschraling van het partijleven aan de basis, waar de congressen bevolkt worden met zij die nog overgebleven zijn, en de vaste wil hebben om oude rekeningen te vereffenen. Van een moderne, dynamische lokale partijwerking - zonder dat dit de slagkracht van de partij moet aantasten - is vooralsnog op weinig plaatsen werk gemaakt. De grote beleidslijnen moeten worden bepaald en onderschreven door een meerderheid van de partijleden, strategie en tactiek door de verkozen partijtop.

Stelling (8): De doorsnede van het politiek personeel moet terug meer een afspiegeling van de bevolking vormen, zowel lokaal als bovenlokaal. Niet alleen qua sociale afkomst maar ook qua leeftijdsstructuur. Het aandeel oudere kiezers groeit gestadig. Dit kan niet uitsluitend beantwoord worden met uitsluitend een vernieuwing door verjonging. Vernieuwing en rekrutering van politieke personeel zullen ook binnen de oudere bevolkingsgroepen moeten gaan plaatsvinden.

Marc Swyngedouw
Hoogleraar politieke sociologie KUL

sp.a - socialisme - verkiezingen - ideologie

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 8 (oktober), pagina 47 tot 50