Abonneer Log in

De beloofde rozentuin

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 9 (november), pagina 42 tot 51

Na twee decennia hectische politiek in uiteenlopende mandaten bood het najaar 2009 plots een overdaad aan wat ooit zo schaars was: tijd. Het was weliswaar geen gewenste maar uiteindelijk een uiterst welgekomen periode. Als vanzelfsprekend borrelde reflectie op, met soms beangstigende maar vooral deugddoende gevolgen. Na enkele maanden intensief studeren, puzzelen en vooral schrijven zag mijn vijfde boek De tijd baart rozen het licht, met als ondertitel een sociaaldemocratische visie. In deze bijdrage geef ik enkele basisgedachten uit het boek, met de nadruk op de m.i. belangrijkste, zelfs noodzakelijke uitdagingen voor een actueel, links, progressief project.

EEN POLITIEKE, IDEOLOGISCHE KEUZE VOOR DE COMMUNITARISTEN

Sinds de Verlichting lijkt het of de mens, althans in het Westen, een groot deel van zijn nochtans aangeboren autonomie veroverde. Zeker intellectueel maar ook in realiteit werden knechtende, verdrukkende systemen ontdaan van hun magie of almacht, onderworpen aan een toets van gelijkheid, vrijheid en broederlijkheid. De politieke filosoof A. Etzioni beschrijft het ontstaan en de verankering van twee grote westerse politieke stromingen: het liberalisme en het sociaalconservatisme. Beide zijn democratisch, m.a.w. ze werken via een systeem van gescheiden machten waarbij de burgers de wetgevende macht verkiezen.

Liberalen stellen het individu centraal, kennen dit een hoge mate van competenties en maatschappelijke betrokkenheid toe. Deze sterke individuen bouwen aan een gemeenschap, die vooral de kansen op ontplooiing en rechten van haar individuele leden moet veiligstellen. In een liberaal perspectief beperkt de gemeenschap zich tot het creëren en waarborgen van een gedeelde ruimte die optimaal kansen biedt aan individuen. De liberale visie vertrekt van de vooronderstelling dat alle mensen voldoende krachtig en competent zijn om zich in zo’n systeem te ontwikkelen. Vrije markt, ondernemen en daarbij een minimum aan restricties vormen leidmotieven. De ongelijkheid die hierdoor ontstaat stoort hen maar in beperkte mate en kan (minstens) gedeeltelijk door bijvoorbeeld caritativiteit of mededogen worden verguld. Een sociale variant hierop zal ook een beperkte overheidscorrectie en minimale bescherming van de allerzwakste leden toestaan. Liberalen wantrouwen het middenveld, dat ze niet (h)erkennen als vertegenwoordigers van de leden, hoewel het zich vaak zo presenteert.

De sociaalconservatieven stellen een diametraal andere premisse. Het vormgeven en slagkrachtig maken van een sterke gemeenschap biedt de enige waarborg om welvaart en welzijn eerlijk onder alle leden ervan te verdelen. De collectiviteit zorgt ervoor dat een zo groot mogelijk deel van de bevolking het zo goed mogelijk heeft. Daarvoor verbreden (en verdikken) zij hun overheid tot een verzorgingsstaat, die de vrije markt sterk corrigeert. Sociaalconservatieven willen vooral goed doen voor zoveel mogelijk mensen, ze dulden weinig ongelijkheid en bieden zeker een perspectief van emancipatie. Enigszins paradoxaal munten ze niet uit in vertrouwen in deze mensen. Ze beschouwen ze als niet helemaal rijp (een notie van Dewey) om zichzelf te leiden. Daarom organiseren zij zichzelf en hun samenleving sterk topdown, waarbij ze wel een middenveld als partner en beïnvloeder erkennen en wenselijk achten.

Beide ideologische stromingen komen voor, soms in verdunde of gecamoufleerde versies, in heel diverse partijen. In Vlaanderen vindt men overtuigde liberalen in - uiteraard - de Open Vld, maar zeker ook bij LDD, Vlot maar - in mindere mate - ook bij CD&V en N-VA. De sociaalconservatieve overtuiging stroomt sterk bij sp.a, CD&V maar ook bij N-VA en Groen!. Ze delen allemaal hun toewijding aan een representatieve democratie. Men kan beide stromingen voorstellen als twee delen van een cirkel die een tegengestelde beweging maken.

Etzioni vervolledigt zijn overzicht van democratische ideologieën door toevoeging van de communitaristen. Deze politieke familie wil de cirkel tussen gemeenschap en individuen sluiten. Dit gebeurt door een wederzijdse bekommernis: een sterke gemeenschap kan niet werkzaam zijn zonder een hoge mate van betrokkenheid door sterke burgers, dus een krachtige gemeenschap moet ook investeren in de kracht van burgers. Het welzijn, de slagkracht en toekomst van de gemeenschap - overheid en individuen - en de burgers zijn voorwaardelijk aan elkaar verbonden. In tegenstelling tot de liberalen staat de vorming van een brede en sterk aanwezige gemeenschap/overheid helemaal centraal. In tegenstelling tot de sociaalconservatieven vormt de ontwikkeling van veel meer en soms wel radicale democratie een noodzakelijke voorwaarde. Zo sluit de cirkel en verdwijnt de fundamentele tegenstelling tussen liberalen en sociaalconservatieven, omdat uit beide ideologieën enerzijds een wezenlijk kenmerk wordt verwijderd, maar een ander sterk wordt beklemtoond.

Voor de communitaristen behoort de overheid (als een legale gemeenschap) helemaal toe aan de burgers, want zij zijn de letterlijke en wettelijke mede-eigenaars. Dat vraagt van de burgers een hoog en systematisch engagement, een grote mondigheid. Dit alles kan maar indien de overheid, bij uitbreiding de verschillende gemeenschappen (onderwijs, arbeid, zorg, cultuur) zich veel sterker democratisch organiseren, als een gemeenschappelijk project. Dat vraagt om permanente aandacht voor eerlijke en open communicatie met burgers, uiteraard met respect voor hun inbreng. Kortom, communitaristen staan voor voortdurend debat, het altijd opnieuw uitvinden van een dynamische democratie. De gemeenschap - dus ook de overheid - staat centraal, niet als vervreemde structuur maar als vanzelfsprekend verlengde van geëmancipeerde mensen. Voor communitaristen vormen gemeenschappen de ultieme ruimtes waarin mensen zich ten volle kunnen ontplooien… waar ook de solidariteit op een doorleefde en betrokken wijze wordt georganiseerd. Communitaristen delen hun optimisme en geloof in de kracht van mensen met de liberalen. Zoals de sociaalconservatieven vinden ze een krachtige, stevig gestructureerde gemeenschap/overheid absoluut noodzakelijk. In de koppeling van beide ligt hun essentie.

Met overtuiging kies ik voor het communitarisme als ideologische basis. Tegelijk lijkt het mij dé ideologische basis voor een hedendaagse en toekomstgerichte sociaaldemocratie. Het biedt een boeiend, hanteerbaar politiek referentiekader om tal van maatschappelijke uitdagingen in concreet beleid om te zetten.

SAMEN UIT, SAMEN THUIS

Het communitarisme betekent voor mij veel meer dan enkel een concept om een sterke gemeenschap te bouwen en te behouden. Deze gemeenschap dient om welvaart en vooral welzijn zo eerlijk, fair en dus goed gespreid te verdelen over zoveel mogelijk van haar leden. Deze visie steunt op verschillende argumenten. Het morele of ethische is hierbij veruit het belangrijkste. Ook al worden mensen geboren met verschillende en soms ongelijke talenten, toch heeft elkeen recht op de meest optimale kansen om zich ten volle te ontwikkelen, te ontplooien. Zeker mensen die door hun fysieke of mentale mogelijkheden minder kans op slagen krijgen, vragen bijzondere aandacht. Deze moet absoluut als recht worden geïnstalleerd, niet als gunst. De keuze voor gelijke kansen betekent per definitie dat sterke schouders meer dragen, zodat de bescherming en verzorging van zwakkeren meer middelen kan krijgen. Deze solidariteit1 moet structureel en duurzaam zijn, maar mag nooit verworden tot een routine of een louter bureaucratisch systeem. Voor communitaristen is het essentieel dat een keuze voor een vergaande solidariteit altijd een bewuste en overtuigde beslissing van de gemeenschap blijft. Steeds opnieuw.

Naast morele, ethische overtuiging vindt de keuze voor een structurele solidariteit ook argumenten van nuttigheid en efficiëntie. Het is o.a. Richard Wilkinson2 die vaststelde dat in samenlevingen waar de kloof tussen arm en rijk klein wordt gehouden, de globale gezondheid van de mensen beter is dan in maatschappijen waar de inkomensongelijkheid groot is. Ook de communitarist R.Putnam3 en de Vlaamse socioloog M.Elchardus maakten een gelijkaardige analyse, maar dan in relatie tot het middenveld en verenigingsleven. Hoe sterker de verbindingen tussen mensen, hoe beter die samenleving in staat is om met uitdagingen en problemen om te gaan. Dit voordeel geldt trouwens ook voor de individuen. Lidmaatschap van verenigingen bepaalt de kans op gelukkig zijn positief.

Met o.a. deze argumenten kies ik duidelijk voor een dynamische democratie die zich actief bemoeit met het structureel en duurzaam organiseren van een systeem van solidariteit, waarbij bewust wordt getracht om de kloof tussen arm en rijk zo klein mogelijk te houden. De verzorgings- of welvaartsstaat biedt al decennia ervaringen om dit principe ook in harde praktijk om te zetten. Met vallen en opstaan.

EEN ACTIEVE VERZORGINGSSTAAT… IS MEER

Als socialist koester ik een onwrikbaar geloof in een sterke verzorgingsstaat. Het is voor mij vanzelfsprekend dat een gemeenschap het recht op welvaart en welzijn voor liefst alle leden ervan waarborgt. Dit vraagt om een stevige organisatie, een adequate verzameling en herverdeling van middelen. De sterkste schouders schragen de zwaarste lasten. Dit concept kwam sterk onder druk, o.a. omdat de economische groei stagneerde waardoor de betaalbaarheid uitgroeide tot een van de meest koppige problemen van de voorbije decennia. Een strakke economische diagnose maakte duidelijk dat het opkrikken en verbreden van de werkgelegenheid cruciaal was om terug een gedegen financiële basis te leggen. Zo zouden de beschermings- en verzorgingsmaatregelen, de essentie van een verzorgingsstaat, gewaarborgd blijven. Dit alles leidde (nog steeds) naar een beleid dat zich sterk en bijna uitsluitend richt op een economische activering. Als socialist onderschrijf ik deze prioriteit, want een zo volledig mogelijke werkgelegenheid biedt een noodzakelijke basis voor een betaalbare, eerlijke en accurate sociale zekerheid. Een goed inkomen geeft mensen de kans om zich op tal van vlakken te ontplooien. Maar, activering zoals de vader van dit concept (A. Giddens) oorspronkelijk bedoelde, strekt zich veel breder uit. Een slagkrachtige economische activering kan onmogelijk indien geen gelijktijdige en minstens even prioritaire sociale, culturele, ethische en vooral ook politieke activering. Daarbij worden mensen uitgenodigd, uitgedaagd om bewust te kiezen voor een krachtig systeem van georganiseerde solidariteit. Een systematische solidariteit wordt maar duurzaam indien ze het resultaat blijft van even systematische en expliciete keuzes van zoveel mogelijk mensen in de gemeenschap. De sociaalconservatieven fixeren zich vooral op een eenzijdige en daardoor ook redelijk steriel arbeidsmarktgerichte aanpak. Hun topdown logica klinkt erg eenvoudig: geef ons (beleidsmakers) voldoende middelen, wij zullen het dan wel goed organiseren. Daardoor hebben zij de betrokkenheid en het gevoel van mede-eigenaarschap van burgers bij bijvoorbeeld de sociale zekerheid onvoldoende verzorgd. De onthechting van burgers aan ‘hun’ sociaal systeem leidde zeker naar liftersgedrag, onverschilligheid en zelfs wantrouwen en cynisme tegenover een concept dat primair op hun welvaart en welzijn is gericht. Een brede maatschappelijke activering, met uiteraard aandacht voor de arbeidsmarkt, moet een vertrouwensband herstellen. Deze benadering lijkt de enige wijze om op duurzame, democratische en ook efficiënte wijze de verzorgingsstaat te behouden en zelfs te versterken.

GEMEENSCHAPSVORMING ALS PRIORITEIT VAN DE OVERHEID

Als socialist en democraat kiezen we voor een slagkrachtige verzorgings- of welvaartsstaat. Het welslagen daarvan hangt af van een duurzame en dynamische betrokkenheid van zoveel mogelijk burgers. Het vervullen van deze voorwaarde vraagt in eerste instantie om een sterk en prikkelend maar vooral democratiserend overheidsbeleid. Dit moet zich met veel inzet en creativiteit richten op participatie (deelhebben/deelnemen) en gemeenschapsopbouw. Concreet ingevuld betekent dit dat de overheden in elke geleding van hun beleidsvoering de grootst mogelijke mate van democratie introduceren en concretiseren. Dit betekent o.a. een open opstelling, een actief informatiebeleid en vooral een bestuursstijl die zoveel mogelijk mensen en groepen prikkelt om zich te engageren in concrete beleidsprojecten - ongeacht de aard en het beleidsterrein. Zulke interactieve beleidsvoering vraagt om meer elementen van directe democratie binnen het kader van de delegatiedemocratie. Overheidsbeleid wordt zo omgebouwd tot een gemeenschappelijk, gedragen project. Mensen en groepen fungeren daarin als volwaardige mede-eigenaars. Politici dragen de aansprakelijkheid voor de beslissingen, maar eveneens voor het democratische gehalte van de totstandkoming, uitvoering en evaluatie. In zulk interactief overheidsbeleid fungeert het maatschappelijk middenveld als prioritaire partner. Ook hier dragen overheden een sterke verantwoordelijkheid, o.a. voor erkenning, ondersteuning, waardering ervan als noodzakelijke medeactor. De redenen voor deze uitzonderlijke relatie zijn tweeërlei: omwille van de onontbeerlijke expertise en tegelijk voor de verbreding van het democratische draagvlak en de legitieme meerwaarde. Een soortgelijke verhouding dringt zich op t.o.v. het vrijwilligerswerk. Ongeacht de sector waarin en de intensiteit waarop, betekent dit een belangrijke emanatie van maatschappelijke activering. Het vraagt daarom extra aandacht en ondersteuning vanwege alle overheden.

DUUR- EN WERKZAME AANDACHT VOOR KANSENGROEPEN

Het vormgeven van actieve welvaartsstaat via maatschappelijke activering en gemeenschapsopbouw vragen bijzondere aandacht voor mensen en groepen die minder vanzelfsprekend aansluiting vinden bij gemeenschapsprojecten en het overheidsaanbod (kansengroepen). Hier speelt immers een uitzonderlijk belangrijk democratisch en menselijk deficit. Deze taakstelling voor alle overheden dient ingevuld als een permanente opdracht om (f)actoren die uitsluiting en achterstelling veroorzaken, te definiëren en concrete strategieën uit te werken om deze uit te schakelen. Deze aandacht moet als vanzelfsprekend in elke beleidsaanpak worden ingebed. Ze is oneindig maar mag zeker niet routinematig worden ingevuld. Ik ben al lang overtuigd dat deze aanpak in sommige gevallen vraagt om een categoriaal beleid, expliciet gericht op doelgroepen, bijvoorbeeld gezinnen in armoede, mensen met beperkingen, langdurig zieken, gevangenen, mensen van etnisch-cultureel diverse afkomst. In deze gevallen moet dit categoriale beleid vertrekken vanuit het leefwereldperspectief van de betrokken groepen, gericht op emancipatie en empowerment. Ook in deze context speelt het jeugdbeleid een onvervangbare rol in de benadering van kinderen die opgroeien in (gezinnen in) armoede (zie ook verder).

INTERCULTURALITEIT EN ACTIEF PLURALISME

Het communitarisme drijft op het politiek debat en de actieve betrokkenheid (participatie) van zoveel mogelijk burgers. Bij de maatschappelijke activering speelt ook de interculturele dimensie een uiterst belangrijke rol. Daarbij geldt als premisse dat het overheidsbeleid zich bewust en met overtuiging moet baseren op een visie van interculturaliteit en actief pluralisme. Deze visie vertrekt vanuit het respect voor de grote culturele diversiteit in onze samenleving. Daarbij staan belangrijke waarden onaantastbaar voorop, bijvoorbeeld deze gevat in de Verklaring van de Rechten van de Mens, de Kinderrechten (o.a. recht op vrije mening, gelijkheid van alle mensen, bescherming van zwakkeren, enz.), of de afwijzing van de mogelijke hegemonie van één geloofsovertuiging of partijpolitieke strekking. Een gemeenschap die zich intercultureel en actief pluralistisch noemt, biedt elke groep van mensen die zichzelf daarbinnen als cultuurgemeenschap definieert, het recht om de eigen identiteit (afkomst, geloof, gebruiken) te koesteren, deze te ontwikkelen, voor zover deze niet ingaat tegen de basisprincipes van democratie en interculturaliteit of actief pluralisme zouden onmogelijk maken. Mensen kunnen zich immers probleemloos en tegelijkertijd in verschillende cultuurgemeenschappen engageren. Een formele gemeenschap - gevat door een overheid - bouwt haar eigen culturele identiteit op basis van de veelheid van cultuurgemeenschappen binnen haar bereik. Hierbij is het geheel meer dan de som der delen. Daartoe ontwikkelde ik een voorstel om op federaal en gemeenschapsniveau een diversiteits- en intercultureel pact af te sluiten. Dit verplicht overheden om in alle beleidssectoren expliciet rekening te houden met de diversiteit van de bevolking waarvoor zij beleid voeren en dit beleid op een interculturele wijze inhoud en vorm te geven, met concrete consequenties zoals respect voor de diversiteit aan officiële feesten en verlofdagen en het radicaal schrappen van die onzalige verbodsbepalingen op religieuze e.a. uitingen.

INTERNATIONALISME IN TWEE DIMENSIES

De verhouding tussen socialisme en nationalisme bewoog al heel wat gemoederen. Hoe vaak word ik geconfronteerd met twijfels over de verenigbaarheid ervan. In veler geheugens en overtuigingen overleeft de mening dat nationalisme bijna een erfvijand van het linkse gedachtegoed zou zijn. Een analyse van de geschiedenis, niet in het minst van de Vlaamse socialisten4, levert een totaal ander beeld. Natuurlijk onderken ik de gevaren van een opzwepend nationalisme (of religie), dat mensen bewust tegen elkaar opzet op basis van geforceerde verschillen en vooral het gevoel van superioriteit, afgunst en vaak racisme. Maar even sterk kan een nationalisme betekenen dat men opkomt voor alle leden van een bepaalde gemeenschap, een volk, een natie. Heel vaak ligt hier een emancipatorische drijfveer, het opkomen voor meer rechten van verdrukten, gelijkheid. In deze benadering krijgt het nationalisme een interculturele invulling, want het ijvert voor de gelijkberechtiging van iedereen en meteen ook van de verschillende cultuurgemeenschappen verzameld in één bepaalde gemeenschap. Dat betekent meteen dat mijn nationalisme in een eerste dimensie altijd intercultureel wordt ingevuld. De Vlaamse gemeenschap is dus een geheel van gemeenschappen. Deze herkennen zich wel gezamenlijk in één project. Ook hier kan ik aan Putnam refereren, want hij maakte het prachtige onderscheid tussen twee belangrijke aspecten van het verenigingsleven maar ook van elke gemeenschap: de bounding, over zich verbonden voelen aan andere leden van deze gemeenschap en tegelijkertijd de bridging, het slaan van bruggen en verbindingen naar andere gemeenschappen. Deze twee aspecten moeten altijd met elkaar verbonden blijven. Als enkel de bounding geldt, dan eindigt men in een fascistische, perspectiefloze en vooral perfide variant, dus een ongewenst nationalisme.

De notie bridging zegt meteen alles over mijn visie op het internationalisme. Ook hier spelen ethische en nuttigheidsargumenten (in die volgorde). De verdeling van rijkdom en ontwikkelingskansen over de wereld is en blijft desastreus. Zolang er geen internationale, wereldwijde fair trade ingang vindt, blijft ons perspectief meer dan problematisch. Daarmee pleit ik ook sterk voor een echte wereldregering, met een democratische legitimering. Het internationale kapitalisme (met o.a. de wapenhandel en farmaceutische concerns) kan momenteel zonder remming zijn gang gaan. Ecologische en sociale rechten worden straffeloos geslachtofferd ter ere van de allerrijksten. Een echte wereldregering zou hier corrigerend en straffend kunnen optreden. Dit alles begint bij Europa. Maar ook hier stel ik vast dat de vrijemarktlogica iedereen overbluft, ook de linkse en progressieve krachten. Hemeltergend.

OVERHEDEN EN STAATSHERVORMING

Uit voorgaande blijkt overvloedig de cruciale rol die overheden te beurt valt. Daarbij betekent overheid in een communitaristische visie een gedeeld project met zoveel mogelijk actief betrokken en verantwoordelijke burgers. De organisatie van deze overheid vraagt daarom veel aandacht. Dit geldt zeker voor de interne structuren, de kwaliteiten van ambtenaren (niet in het minst communicatief), de interactieve en dynamische bestuursstijl, enzovoort. Mijn boek ontwikkelt daaromtrent heel wat voorwaarden en voorstellen. Tegelijkertijd speelt ook de verhouding tussen verschillende overheden een doorslaggevende rol. Er zijn hier aspecten die zich heel duidelijk binnen de Vlaamse Gemeenschap situeren, o.a. relaties tussen gemeenschap, provincies en gewesten. Die laat ik hier even buiten beschouwing. Anderzijds eist de ‘grote’ staatshervorming haar aandacht. Zeker in een levensbreed perspectief zal de wijze waarop België vorm krijgt sterk doorwerken op de levenskwaliteit van alle burgers. Dit proces loopt al decennia lang en bevindt zich momenteel (najaar 2010) in een uiterst belangrijke fase. Mijn premisse klinkt eenvoudig: ijveren voor een betere staatshervorming betekent het zoeken naar een zo goed mogelijke organisatie van de verschillende overheden in functie van het ideaal van een open, sociale en geactiveerde samenleving met sterke betrokken burgers. Daarbij moeten de dialoog en relaties tussen de gemeenschappen de oude ressentimenten achter zich laten. Het zelfvertrouwen van zowel de Vlaamse als Franse gemeenschappen maakt openheid en respect (in een interculturele benadering) mogelijk. Het kaakslag activisme lijkt - met uitzondering voor Brussel - op dit moment vooral potsierlijk. Ondertussen deelt een grote meerderheid de visie dat de organisatie van de overheden binnen België om een confederale aanpak vraagt. Daarbij bepalen de gemeenschappen onderling wat er het best op confederaal niveau wordt behouden. Het staat buiten kijf dat cruciale elementen van de sociale zekerheid best op een zo groot mogelijke schaal worden georganiseerd. Getrouw aan een intercultureel en actief pluralistisch adagium hebben leden van elke gemeenschap absoluut het recht om zich in de eigen cultuurgemeenschappen te organiseren. Ze moeten daarin gestimuleerd en geapprecieerd worden, ook al betreft dit bijvoorbeeld de taal van een andere gemeenschap (bijvoorbeeld Franstalige Vlamingen). Dit betekent ook dat de gemeenschappen, mits onderling akkoord en binnen afspraken, in een andere gemeenschap hun cultuur mogen promoten. Tegelijk is er respect voor de officiële taal van de respectievelijke Gemeenschap en worden de taalwetten (zeker ook in Brussel) correct toegepast. Brussel vormt omwille van vele redenen een bijzondere uitdaging, niet in het minst om één miljoen mensen waarvan een groeiend aantal leeft en opgroeit in precaire omstandigheden. Ik pleit voor een grootstedelijk gebied, waarbij de grootstedelijke overheid, zoals andere steden, zowel optreedt voor de gemeenschaps- als voor de gewestmateries. Voor de gemeenschapsmateries valt dit grootstedelijk Brussel onder het beleid van respectievelijk de Franse en de Vlaamse Gemeenschap. Er komt dus een vereenvoudiging tegengesteld aan de huidige wildgroei van beleidsstructuren. Deze herstructurering vraagt ook een vorm van gedecentraliseerde werking (stadsdelen), met eveneens een wetgevend en een uitvoerend orgaan, belast met bevoegdheden die best zo dicht mogelijk bij de mensen worden behandeld.

PLEZANTE ZAKEN EN HOOP (CULTUUR, SPORT & JEUGD)

Uit al dit voorgaand woordengeweld blijkt misschien hoe ik zondig tegen mijn eigen principe, namelijk een sociaaldemocratisch project vooral toe te spitsen op wat men genoegzaam maar verkeerd wel eens de grote of harde politiek noemt. Een decennium ministerschap cultuur en jeugd en ook heel wat jaren sport, bevestigde mijn overtuiging dat hier een uiterst belangrijk aspect van gemeenschapsvorming schuilt. Te veel beschouwt men deze sectoren als een surplus, een luxe-element waaraan men geld geeft als het echt goed gaat, de kers op de taart. Een groot deel van mijn ministertijd besteedde ik aan het weerleggen van deze stelling. Cultuur, jeugd, sport en bij uitbreiding alle kunsten en het verenigingsleven vormen het gist in het taartdeeg. Ze spelen de rol van creatieve trigger, brengen plezier en reflectie, leggen een kritische maar constructieve basis voor een actieve democratie en vormen de ruggengraat voor de identiteit van vele mensen en gemeenschappen. Ik zorgde mee voor een verdubbeling van de begroting voor deze sectoren. Daarmee bereikten ze bijna een aanvaardbaar peil, maar zeker geen overdaad. In een progressieve, linkse en actief pluralistische democratie spelen deze sectoren een sleutelrol. Hun activering biedt niet alleen prachtige kansen op ontplooiing van talenten, maar vooral warmte en kritische massa. Voor communitaristen zijn deze onontbeerlijk.

‘ER IS MEER …

…tussen hemel en aarde dan uw geest kan bevatten, mijn vriend Horatio”, orakelde William Shakespeare in Hamlet. Deze uitspraak geldt zeker bij deze vogelvlucht over mijn boek. De tijd baart rozen is zeker geen pamflet of litanie van grote waarheden. Het bevat heel wat theoretische referenties, maar de ruime helft ervan spreekt zich uit over een veelheid van thema’s en uitdagingen. Daarbij trachtte ik, gebaseerd op een communitaristische visie en verrijkt met een sterke linkse overtuiging, aanzetten te geven voor concrete beleidspraktijken. Heel wat onderwerpen heb ik in deze samenvatting amper of niet aangeraakt, o.a. onderwijs, welzijn & zorg, jeugdbeleid, ecologie en economie.

Het boek startte als een persoonlijke reflectie en zoektocht, maar gaandeweg koesterde ik de hoop en verwachting om er gesprek, ideeënuitwisseling en discussies mee aan te gaan. Ik geloof sterk in de kracht van mijn partij en een ruimer sociaaldemocratisch project in Vlaanderen. Tegelijkertijd groeit de nood om hieromtrent beweging te maken, de basis te enthousiasmeren en te verruimen, het rijke maatschappelijke middenveld te prikkelen. Communitarisme en gemeenschapsopbouw, actief pluralisme, geloof in levendige democratie zijn waarden die de partij zeker ook intern moet uitdragen, promoten en toepassen op de werkingscultuur. De geloofwaardigheid van de socialistische partij wordt fundamenteel bepaald door de wijze waarop ze zich structureert, hoe ze haar geledingen opbouwt, haar basis betrekt met een open, interactieve aanpak. Dit overstijgt de noodzakelijke maar toch vooral op mediagerichte congressen en manifestaties. De sp.a moet zinderen, van verontwaardiging over onrecht, van geloof in een actuele socialistische ideologie en van enthousiasme voor het concrete politieke project. Mijn partij staat voor emancipatie, participatie en gelijkberechtiging. Haar werking moet daar als voorbeeld voor kunnen dienen. Daardoor zullen ook de gewenste, noodzakelijke maar te weinig gerealiseerde netwerken ontstaan met het rijke, sterke en gevarieerde Vlaamse middenveld.

Alleen als combinatie van een linkse, open en progressieve ideologie en een begeesterde geëngageerde basis zal de sp.a terug haar Vlaamse relevantie en het noodzakelijke electorale gewicht herwinnen. Daartoe presenteer ik mijn boek als een uitnodiging, een aanzet, een instrument. Ook voor u.

Bert Anciaux
Senator sp.a

Noten
1/ Solidariteit komt van het Latijnse werkwoord solidare: weer vastmaken, aan elkaar bevestigen of een geheel maken, zoals wij nog solderen in de loodgieterij.
2/ Richard Wilkinson is een Brits professor in de sociale epidemiologie, best bekend voor zijn boek (met Kate Pickett) The Spirit Level uit 2009.
3/ Robert Putnam is een Amerikaanse politicoloog en maakte naam met zijn boek Bowling alone uit 1995 waarin hij de teleurgang van het verenigingsleven in de US koppelde aan een verzwakkende samenleving. Putnam behoort tot de communitaristen.
4/ Ik verwijs hier graag naar het boeiende boek van Maarten Van Ginderachter uit 2005: Het Rode Vaderland. De Vergeten communautaire spanningen in het Belgische socialisme voor WOI. Uitgeverij Lannoo i.s.m. Amsab.

De tijd baart rozen

Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, 2010

sp.a - sociaaldemocratie - ideologie

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 9 (november), pagina 42 tot 51