Abonneer Log in

Sociale partners op de tweesprong van IPA en staatshervorming

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 9 (november), pagina 4 tot 15

Zoals elke twee jaar duikt in het najaar hetzelfde fenomeen op. Na een vaak ‘hete herfst’, die een aanloop neemt vanaf het einde van de zomervakantie, trekken boven het sociaal overlegplatform wolken samen en regent het eisen tot een nieuw interprofessioneel akkoord (IPA) de hemel doet opklaren, met dank aan het smeerwerk van de federale regering. Dit artikel schetst enerzijds de (Europese) context waarin het huidige interprofessioneel overleg zich afspeelt en de keuzes die de sociale partners in dit debat vooropstellen. Anderzijds gaan we dieper in op de visie van de sociale partners over de staatshervorming. Want beide lijnen komen in België onvermijdelijk samen. En daar zorgt ook Europa voor.

Ook nu staan we voor enorme sociaaleconomische uitdagingen. Die vereisen een akkoord tussen de sociale partners maar ook een uitweg uit de politieke impasse: zonder staatshervorming geen regering, zonder regering geen beslissingen en middelen die nodig zijn voor een sterk IPA.
Maar staatshervorming is niet enkel als voorwaarde voor regeringsvorming van belang. Die hervorming is tevens cruciaal voor de sociaaleconomische toekomst van dit land, beseffen ook de sociale partners. Tijdens deze formatie raakten ze, alle verhoudingen in acht genomen, meer dan ooit actief betrokken bij de actieve regeringsvorming. En meer dan ooit tevoren hebben ze er zich expliciet, in verschillende richtingen, over uitgesproken.

OVER HET MUURTJE: EUROPA BESPAART EN HERVORMT

Eind september trok in Brussel een grote Europese betoging op tegen ‘de Europese besparingsdrift’. Aanleiding was de voorstelling van de nieuwe begrotingsregels voor de eurolanden door de Europese Commissie. Eind oktober beslisten de Europese staats- en regeringsleiders om de schulden van de lidstaten beter in de gaten te houden. Vooral Duitsland wil een zeer streng beleid. Belgische sociale partners kijken al jaren ‘over het muurtje’ bij het bepalen van het nationale sociaaleconomisch beleid. Ze letten daarbij vooral op Nederland, Frankrijk en Duitsland. Daar wordt bezuinigd en worden belangrijke (arbeidsmarkt)hervormingen doorgevoerd.

Hoewel de werkloosheid en het begrotingstekort in Nederland lager zijn dan in de meeste EU-landen, voorziet de regering Rutte I om tegen 2015 zo’n 18 miljard euro te besparen. Sociale partners bereikten er een compromis dat de pensioenleeftijd zal stijgen in twee stappen; in 2020 naar 66 jaar en in 2025 naar 67 jaar. Daarna zou de pensioenleeftijd gekoppeld worden aan de verder stijgende levensverwachting en om de vijf jaar worden afgetoetst. In Frankrijk voorziet president Sarkozy de zwaarste besparingen uit de geschiedenis, o.a. via een afslanking van het overheidsapparaat en loonbevriezing. Daarnaast werd het pensioenstelsel hervormd: de leeftijdsgrens voor een mogelijks vervroegd pensioen komt nu op 62 jaar, het recht op een volledig pensioen - de wettelijke pensioenleeftijd - verwerven de Fransen pas vanaf 67 jaar. Ook in Duitsland staan, ondanks de historisch lage werkloosheidscijfers, besparingen voorop. De regering wil fors (tegen 2014 zo’n 80 miljard) bezuinigen en voert al jaren een streng beleid van loonmatiging. Eind augustus maakte de Duitse bondskanselier Merkel het plan bekend om de pensioenleeftijd op te trekken naar 67 jaar.

Een golf van bezuinigingen en arbeidsmarkt-hervormingen trekt momenteel door Europa. Ook in onze buurlanden werden en worden keuzes gemaakt, die zich vooral toespitsen op het vlak van arbeidsmarkt (lonen) en sociale zekerheid (pensioenen). Ook België moet fors de broeksriem aanhalen. Maar dat zal, op de droog gesaneerde federale overheid, niet makkelijk zijn. Vandaar de nood aan hervormingen, van de staat en van de arbeidsmarkt. Het is tegen die Europese achtergrond dat het IPA zich aankondigt.

EN BELGIË?

De positionering van de Belgische sociale partners in het interprofessionele debat kwam traag op gang. Het sociaaleconomisch debat werd verdrukt door de regeringsvorming. In augustus ging de ‘groep van tien’ op bezoek bij preformateur Di Rupo. De sociale partners traden even in de formatie, op vordering van het Paleis. Volgens de ene was dat niet meer dan ‘strategisch tijd kopen voor de politieke onderhandelaars’, voor de ander mochten de partners zowaar hun visie meedelen aan de onderhandelaars. Uit de persberichten die de partners nadien in verspreide slagorde verstuurden, bleek hoe uiteenlopend hun visies op de staatshervorming wel waren. De scheidingslijn verloopt daarom niet uitsluitend tussen vakbonden en werkgevers. Bij die laatsten, bijvoorbeeld, zijn er zowel die vooral vragen en bedenkingen hebben bij een grote staatshervorming - ze vrezen vooral problemen en rompslomp bij regionale lonen, in het bijzonder voor multizetelbedrijven - als er zijn die zeggen dat de onderhandelaars ver moeten gaan. Maar nadien bleven de sociale partners buiten de regeringsvorming. Zo verschoof hun onderlinge debat richting loononderhandelingen.

Tijdens het interprofessioneel debat ligt veel op tafel, zoals o.a. het eenheidsstatuut, loopbaanbegeleiding, verlof, flexibilisering en combinatie arbeid-gezin, welvaartsvastheid van uitkeringen, brugpensioenen, motivatieplicht bij ontslag, enzovoort. Maar zoals vaak concentreert de centrale strijd zich op de loonvorming. Wat is in 2011, of eerder in 2012 ter zake mogelijk? Opslag in centen in plaats van procenten? Dat loondebat verloopt langs de klassieke sociaaleconomische breuklijn: werkgevers vragen loonmatiging, vakbonden koopkrachtbehoud. Maar een IPA is steeds het werk van een ménage à trois waar ook de regering mee aan tafel zit. Die bepaalt mee de agenda, inspireert beleidskeuzes maar bovenal: faciliteert het overleg met voldoende middelen en regels. Die middelen ontbreken vandaag: er is geen (federaal) geld om het overleg te smeren en voor regels is er nog geen nieuwe regering. De sociale partners zijn meer dan ooit op zichzelf aangewezen. Tijdens de vorige IPA-periode was er ook geen geld, wegens de financiële crisis, en werd er in tegenstelling tot het verleden voor 2009-2010 geen loonnorm vastgelegd. Nu dwingt een regering van lopende zaken de sociale partners nog tot meer creativiteit en zelfredzaamheid.

Die moeten o.a. dienen om de loonkostenhandicap weg te werken. De voorbije jaren verslechterde de Belgische kostencompetitiviteit t.o.v. Nederland, Frankrijk en Duitsland. Meer dan aan de relatief snelle groei van het uurloon ligt dat eerder een relatief zwakke groei van de uurproductiviteit (Biatour en Kegels 2010). Het wegwerken van die loonkostenhandicap zou tussen 42.000 en 70.000 extra banen scheppen (Abraham en Konings 2010). Er zijn twee fundamentele opties om dat te realiseren: ofwel gaat de productiviteit omhoog, ofwel gaan de loonkosten omlaag. Beiden liggen moeilijk. Het laatste kan niet via een loonsverlaging, voor lastenverlaging zijn er geen centen. Voor het eerste is een hele reeks beleidsmaatregelen nodig.

Vakbonden houden vast aan de automatische indexkoppeling van de lonen. Werkgevers stellen daar compensaties tegenover: ‘slimme’ loonsverhogingen in functie van productiviteit en groei (VBO), een arbeidsduurverlenging met netto verloning (UNIZO) of een effectief pensioen pas na 45 jaar werk (VOKA). Net dat laatste punt, een verlenging van de duurtijd van de loopbaan, ligt bijzonder gevoelig bij de drie Belgische vakbondskoepels die op 13 september nog hun achterban verzamelden voor een ‘nationale pensioenbetoging’ in Brussel. De bonden viseerden vooral mogelijke bezuinigingen op het pensioenstelsel en eisten een verhoging van de pensioenuitkeringen. Werkgevers stellen daar een hervorming van de pensioenen tegenover, gezien de stijgende levensverwachting in combinatie met de vergrijzing van de babyboomers een zware druk op onze sociale zekerheid legt. Zoals vaak liggen daarbij ook tijdskrediet en brugpensioenen onder vuur. Bonden willen dit systeem behouden als instrument bij herstructureringen (bv. Opel Antwerpen, Carrefour of Godiva). Uit het jaarverslag van de Belgische Studiecommissie voor de Vergrijzing (2010) bleek alvast dat ook België niet aan een nieuw pensioendebat zal ontsnappen. Drie jaar langer werken tot een leeftijd van 63 jaar, luidde het advies om onze pensioenen betaalbaar te houden. Maar de grote nationale pensioenconferentie van de regering Leterme werd een flop. Behalve wat papier produceerde die geen nieuw beleid.

Toch worden de komende interprofessionele gesprekken niet alleen gekleurd door de breuklijn arbeid-kapitaal, ook het politieke debat over een nieuwe staatshervorming laat sporen na. De huidige politieke impasse gaat niet uitsluitend over institutionele kwesties, maar ook over zeer uiteenlopende sociaaleconomische visies. Vanuit die redenering pleitte ACV-voorzitter Cortebeeck voor een grotere rol van de sociale partners m.b.t. de regionalisering van bevoegdheden: ‘De sociale partners moeten hoe dan ook bij zo’n overheveling betrokken worden, want werkgevers en werknemers betalen sociale bijdragen voor die delen van de sociale zekerheid.’ (Knack, 19/10/2010) De socialistische vakbond ABVV liet weten dat het moeilijk wordt om voor enkele heikele punten zonder regering tot een IPA te komen. De afwezigheid van een regering maakt het bijvoorbeeld quasi onmogelijk, aldus ABVV-voorzitter De Leeuw, om te praten over de harmonisatie van het statuut van arbeiders en bedienden: ‘Zonder een regering gaat dat niet. Bovendien heerst er onduidelijkheid over de inhoud van het federaal sociaal overleg: waarover mag dat nog gaan? En als er partners mee aan tafel zouden zitten die mee een rol gaan spelen in die onduidelijkheid, wordt het nog moeilijker.’ (Jobat, 23/10/2010) Het ABVV roerde zich eveneens in het debat rond een nieuwe staatshervorming. De Leeuw riep tijdens een statutair congres van de socialistische bediendenvakbond BBTK (eind oktober) op om een progressief alternatief uit te werken voor N-VA. Het ABVV zou onverzettelijk blijven tegen ‘diegenen die van een staatshervorming misbruik willen maken om solidariteit af te breken’. Het ABVV vreest dat Vlaanderen na een staatshervorming een werkgeversparadijs wordt waardoor er door concurrentie tussen de regio’s een neerwaartse welvaartsspiraal zou ontstaan.

EEN NIEUWE STAATSHERVORMING DOOR DE OGEN VAN HET MIDDENVELD

Onder druk van de vergrijzing, de financiële crisis en de Europese Commissie dringen fundamentele (bezuinigings)maatregelen zich op. Net als in de rest van Europa spitsen deze zich toe op het arbeidsmarktbeleid en de sociale zekerheid, twee terreinen waarin werkgevers- en werknemersorganisaties een belangrijke stem hebben en grondig van elkaar verschillen. Daar komt nu ook een staatshervorming doorheen fietsen. De regionalisering van grote delen van het arbeidsmarktbeleid en van beperkte delen van de sociale zekerheid staat op het politieke menu.

We organiseerden een bevraging van de leden van de Groep van Tien1 die peilde naar hun visie in dit debat. Daarnaast onderzochten we ook de mening van de regionale werkgeversorganisaties (het Waalse UWE en het Vlaamse VOKA) en de belangrijkste ziekenfondsen (CM en Bond Moyson). De respondenten kregen zeven open vragen voorgelegd over een sociaaleconomische staatshervorming. Tegelijk werd hen gevraagd voor elk van de zeven issues hun positie aan te geven op een 5-puntenschaal, gaande van sterke voorstander van regionalisering (=1) tot sterke voorstander van federale status quo (=5). Alleen bij de eerste vraag wijkt de gebruikte schaal af van de overige zes vragen. Ze varieert bij vraag één van sterke voorstander van regionalisering (=1) over status quo (=3) tot sterke voorstander van een herfederalisering (=5). Door respondenten deze schaal voor te leggen werden ze als het ware gedwongen om een duidelijke positie in te nemen. De bevraging vond plaats in juni 2010 tijdens de informatieronde van Bart De Wever.

In bovenstaande overzichtstabel vinden we de antwoorden (schaalscores) van alle respondenten voor de zeven vragen die we ze voorlegden. We bespreken de afzonderlijke antwoorden verderop. Ze vallen uiteen in één algemene positie m.b.t. de toekomst van het Belgisch federalisme en zes vragen over regionalisering van specifieke deelaspecten. De sterretjes na sommige cijfers geven aan dat de respondenten zelf op deze schaal geen expliciete positie wilden innemen maar dat de onderzoekers deze score hebben afgeleid uit de algemene, gemotiveerde antwoorden op deze en andere vragen. Onderstaande cijfers zijn immers maar een deel van een ruimer onderzoek waarin de respondenten meer moesten doen dan enkel schaalscores aanduiden, maar hun posities ook omstandig motiveren. Waar de onderzoekers geen schaalscore uit de antwoorden van de respondenten konden afleiden blijft de tabel leeg.

Uit de eerste vraag blijkt dat de sociale partners in het globale staatshervormingdebat (kolomgemiddelde) gemiddeld genomen eerder voorstander zijn van het status quo (=3). Als we dit naar de politiek vertalen, dan lijkt het er dus op dat de sociale partners eerder het gemiddelde Franstalige standpunt genegen zijn. We kunnen nog een ander globaal beeld bekomen van de communautaire positie van de sociale partners, namelijk door het kolomgemiddelde van de specifieke rijgemiddelden te bekijken. Die rijgemiddelden leren o.a. ook dat er een duidelijk onderling verschil is tussen de leden van de Groep van Tien en tussen hen en alle respondenten samen. Grosso modo kan worden gesteld dat werkgevers verdeeld zijn en werknemers relatief meer op de rem staan.

De werkgeversorganisaties uit de Groep van Tien (3,06) zijn regionalistischer dan de werknemersorganisaties (4,67). Vooral de sterk regionalistische positionering van Unizo is opvallend. Met een gemiddelde positie van 1,83 situeren ze zichzelf nauw in de buurt van de Vlaamse werkgeversfederatie Voka die volgens sommige commentatoren nauwe banden onderhoudt met N-VA. Voka en Unizo zijn de enige organisaties die zich resoluut uitspreken als sterke voorstanders van meer onafhankelijkheid voor de deelstaten (vraag 1). De Belgische werkgeversvereniging VBO en het Franstalige UCM schaven de gemiddelde werkgeversopinie uiteindelijk nog sterk in unitaire richting bij. De vakbonden zijn traditioneel de grootste voorvechters van het federale niveau en de cijfers uit de bevraging staven die bewering. De opvallende uithaal van ACV-voorzitter Luc Cortebeeck naar N-VA voor de verkiezingen van juni en recenter nog de campagne voor solidariteit en tegen nationalisme van het ABVV worden bevestigd. Toen het ABVV gevraagd werd naar een globale visie op de toekomstige inrichting van het federale België (vraag 1) deelden ze nochtans mee een gematigd voorstander te zijn van meer onafhankelijkheid van de deelstaten. Hoe ze dit dan in de werkelijkheid zien, kon niet opgemaakt worden uit de antwoorden die ze gaven op de meer concrete stellingen die hen werden voorgelegd. Opvallend is dat de liberale vakbond ACLVB nog scherper het federale niveau verdedigt dan diens twee grote broers.

De bespreking van de antwoorden op de overige vragen splitsen we op in het arbeidsmarktbeleid (vraag 2, 3 en 4) en het beleid t.a.v. de sociale zekerheid (vraag 5, 6, 7). Om de antwoorden beter te kaderen schetsen we kort de politieke inzet en discussie op de afzonderlijke deeldomeinen.

HET ARBEIDSMARKTBELEID

De regionalisering van het arbeidsmarktbeleid staat hoog op de Vlaamse politieke agenda. In de befaamde vijf resoluties van het Vlaams Parlement uit 1999 werd er al naar verwezen. Ook in de recentste Vlaamse regeerakkoorden werd het als streefdoel opgenomen. Elk gewest zou immers specifieke problemen (andere graad en soort werkloosheid) en kenmerken (bijvoorbeeld productiviteit) hebben die maatwerk vereisen. De discussie doet denken aan het verzet tegen de l’état Belgo-Flamand uit de jaren 1960, maar de rollen zijn omgekeerd: de Vlaamse partijen zijn nu vragende partij voor economische regionalisering terwijl Franstalige partijen minder enthousiast zijn. Concreet wordt gedacht aan de regionalisering van het sociaal overleg met het oog op regionale loonvorming en arbeidsvoorwaarden, de RVA-bevoegdheden en het doelgroepenbeleid op het vlak van sociale lastenverlagingen. Zo zou federaal beleid marktverstorend werken omdat het bijvoorbeeld relatief lagere loonvorming in Wallonië verhindert. Dat zou daar werkgelegenheid stimuleren en werkloosheid doen dalen. Maar dit zelfregulerend systeem wordt in economisch onderzoek ook in twijfel getrokken. Bovendien bestaan er ook in het federaal model regionale loonverschillen binnen dezelfde industriële sectoren (Plasman, 2008).

Onder de middenveldorganisaties zijn vijf van de negen respondenten die hierop een antwoord gaven, sterk tegen gewestelijke loonvorming en CAO’s. Dat maakt dat van alle thema’s die in dit onderzoek aan bod komen, dit het thema is waarbij het minste regionaliseringsijver aan de dag wordt gelegd. VBO, UCM, UWE, ACV en ACLVB zijn resoluut gekant tegen een regionalisering en dit om verschillende redenen. De werkgevers vrezen een aantasting van het ondernemingsklimaat omwille van stijgende loonkosten in Vlaanderen, spanningen in multiregionale bedrijven (VBO) en een toenemende administratieve rompslomp voor bedrijven (UCM, UWE). Langs werknemerszijde zijn het ACV en het ACLVB de meest uitgesproken tegenstanders van een regionalisering. ACV vreest dat dit vooral zal leiden tot een verdere decentralisering naar bedrijven en dus in het nadeel is van de werknemers. Bovendien vindt ACV dat het federale model al heel wat ruimte toelaat voor aanvulling op een ander echelon. ABVV wijst een regionalisering iets minder resoluut af en legt nadruk op het regionaal overleg dat nodig is binnen de bevoegdheden van de gewesten. De werkgeversorganisaties Voka en Unizo zijn principieel de grootste voorstanders van een regionalisering omdat een regionale CAO volgens hen dichter kan aanleunen bij de sociaaleconomische realiteit. Toch gaan ook zij niet resoluut voor Vlaamse CAO’s. Unizo voorziet immers praktische problemen en Voka is eigenlijk voorstander van het doorschuiven van het overleg naar de sectoren en de bedrijven.

De drang naar regionale differentiatie zet ook de toon in de discussie over de overheveling van de bevoegdheden van de RVA naar de deelstaten. Als gevolg van de derde staatshervorming werden in 1989 een aantal bevoegdheden van de RVA overgeheveld naar de deelstaten. De gewesten staan sindsdien in voor de arbeidsbemiddeling en opleiding van werklozen terwijl de controle en de sanctionering van werklozen een opdracht voor de federale RVA bleef. Ook de werkloosheidsverzekering bleef federaal. Het feit dat het activerings- en sanctioneringsbeleid over verschillende instellingen en niveaus verdeeld raakten, werd door de voormalige administrateur-generaal van de RVA, Karel Baeck, als een ‘historische vergissing’ omschreven. (Hens, 2005) Ook voormalig Vlaams minister van Werk, Frank Vandenbroucke (sp.a) en zijn Waalse collega Jean-Claude Marcourt (PS) kwamen eind december 2008 tot die conclusie toen ze op confederale wijze een symbolisch akkoord sloten rond het regionaliseren van bepaalde aspecten van het arbeidsmarktbeleid.

De werkgevers positioneren zich in deze discussie iets gematigder dan bij de vraag naar decentralisering van het sociaal overleg, maar aan vakbondszijde weerklinkt een vastberaden ‘no pasaran’. Het ABVV, het ACLVB en het ACV overwegen geenszins de regionalisering van de RVA-bevoegdheden. Sanctionering door de gewesten en deelstatelijke werkloosheidspremies gaan immers in tegen de doelstelling om de essentiële solidariteitsmechanismen federaal te houden. De werkgevers zijn verdeeld: Unizo is er sterk voor om activering en controle op hetzelfde (deelstatelijke) niveau samen te brengen en ook Voka stemt mee in met dat principe. De Vlaamse ondernemersorganisatie is er evenwel niet volledig uit of de financiering van de werkloosheidsverzekering federaal of deelstatelijk moet gebeuren. VBO en UCM zijn tegen een regionalisering en zien geen grote problemen in het huidige systeem waarbij samengewerkt wordt tussen VDAB en RVA.

Tot slot is ook het doelgroepenbeleid m.b.t. de sociale lastenverlagingen van de banenplannen vaak een punt van (politieke) discussie. Aangezien de werklozenprofielen in de verschillende regio’s duidelijk van elkaar verschillen, namelijk ouderen in Vlaanderen t.o.v. jongeren in Brussel en Wallonië, wordt vanuit verschillende hoeken aangedrongen op de overheveling van het doelgroepenbeleid waarbij de gewesten zelf zouden kunnen bepalen voor welke werknemers minder sociale zekerheidsbijdragen zouden moeten worden betaald door de werkgever. Toen Vandenbroucke dit evenwel  aankaartte n.a.v. het vorige federale sociale overleg kwam hij stevig in aanvaring met zijn federale collega van Werk Joëlle Milquet (cdH).

In dit debat lijkt er de grootste overeenstemming tussen de sociale partners. Vooral het feit dat niemand sterk verzet aantekent tegen een eventuele regionalisering is opvallend. Ook de vakbonden en zeker het ACV zien regionaliseringsmogelijkheden op dit terrein. Het ABVV lijkt het meest terughoudend op dit vlak en wil dat de regionale accenten niet via gewestelijke bijdrageverlagingen worden gerealiseerd maar via de activering van werkloosheidsuitkeringen. Langs werkgeverszijde zijn zoals wel vaker Voka en Unizo voorstander om dit te regionaliseren, maar zijn de Belgische en Franstalige werkgevers een stuk terughoudender. De banenplannen regionaliseren lijkt doorgaans geen probleem, maar de sociale lastenverlagingen moeten een federale bevoegdheid blijven. Volgens UCM zou de regionalisering immers kunnen leiden tot een chaotische toestand waarbij niemand nog zicht heeft op de patronale kosten in België, een complexiteit die ons land minder aantrekkelijk maakt voor buitenlandse investeerders.

SOCIALE ZEKERHEID

In de context van de staatshervorming werd lange tijd niet gesproken over sociale zekerheid. Zelfs in ons centrifugaal federaal systeem werd de sociale zekerheid steevast als een federale kernbevoegdheid beschouwd. Dit werd zelfs verschillende keren bevestigd tijdens de opeenvolgende staatshervormingen (Velaers & Vanpraet 2008:327) en veranderde pas toen de Volksunie het thema in de jaren 1990 op de agenda zette met een discussie over één bepaald aspect van de sociale zekerheid, namelijk de kostprijsverschillen in de ziekteverzekering tussen Vlaanderen en Wallonië. De medische uitgaven per hoofd lagen volgens de voorganger van de N-VA in het zuiden een stuk hoger dan in het noorden van België, met de fameuze transfers als gevolg. Deze cijfers waren in het verleden vaak voorwerp van discussie, maar uit een recente studie van het Riziv (2009) blijkt dat de interregionale verschillen vandaag marginaal zijn. Vlaanderen zou daarbij zelfs nipt de duurste regio zijn, gevolgd door Wallonië en Brussel.

De medische uitgaven in het Franstalig landsgedeelte lopen niet langer uit de hand waardoor de Vlaamse beweging een belangrijk argument in de discussie rond de splitsing van de ziekteverzekering uit handen moet geven. Daarom richten ze hun peilen nu steeds vaker op de verschillende bijdrage van Vlaanderen en Franstalig België aan het hele sociale zekerheidssysteem. Als gevolg van de hogere tewerkstellingsgraad in het noorden dragen de Vlamingen via belastingen en sociale bijdragen meer bij tot het budget van de sociale zekerheid dan de Franstalige gemeenschap.

Naast deze centenkwestie hanteert men aan Vlaamse zijde vaak ook het argument van een gezondheidszorg op maat om het systeem te regionaliseren of zelfs te splitsen. Diverse voorbeelden worden in dit verband naar voren geschoven om de uiteenlopende visie op gezondheidszorg te staven en de noodzaak van decentralisatie aan te geven. Ondanks de divergente beleidsvisies willen de Franstalige partijen sociale zekerheid en gezondheidszorg zo veel mogelijk federaal houden. De Franstalige gemeenschap heeft veel te verliezen bij een splitsing, gezien het sociale zekerheidssysteem voor het grootste gedeelte gefinancierd wordt door het welvarender Vlaanderen. Het in vraag stellen van dit solidariteitsmechanisme is voor veel Franstaligen een taboe. Dat blijkt goed uit de afkeurende reacties, o.a. in de vorm van verschillende belangen- en bevoegdheidsconflicten, op een aantal maatregelen die de Vlaamse regering de laatste jaren heeft genomen en die nauw aansluiten bij het domein van de sociale zekerheid. Denk daarbij aan de Vlaamse zorgverzekering of de plannen van Peeters II om vanaf 2012 werk te maken van een aanvullende kinderbijslag en een Vlaamse hospitalisatieverzekering.

De Vlaamse regering doet dit onder de naam van sociale bijstand aan personen maar men kan niet rond de vaststelling heen dat Vlaanderen hiermee een sociale zekerheidssysteem met twee snelheden aan het creëren is waarbij alle Belgen over een basispakket beschikken en de Vlamingen er een aantal opties bovenop krijgen. Over dit beleid lijkt boven de taalgrens trouwens een relatieve consensus te bestaan. Een partij als sp.a, die in 1999 nog één van de vijf befaamde resoluties van het Vlaams Parlement niet mee goedkeurde omdat die onder meer de regionalisering van de gezinsbijlagen en de gezondheidszorgverzekering inhield, stapt nu onverkort mee in dit verhaal. Zelfs ACW-topman Jan Renders, die in zijn functie als voorzitter van de christelijke werknemersbeweging kan worden gezien als een van de nazaten van de founding fathers van het Belgische sociale model, wees een Vlaamse hospitalisatieverzekering in juni 2009 niet resoluut van de hand. Dit zou op een belangrijke evolutie kunnen wijzen binnen het debat rond de regionalisering van de sociale zekerheid.

Met betrekking tot het bovenstaande debat legden we de sociale partners drie vragen voor. Ten eerste werd hen gevraagd naar wat ze denken van het ontwikkelen van regionale initiatieven die aanleunen bij de sociale zekerheid, vervolgens wat ze vinden van de regionalisering van de pensioenen van deelstatelijke ambtenaren en ten slotte hoe ze staan t.o.v. een regionalisering van de ziekteverzekering.

Van deze drie vragen lijkt de regionalisering van de ziekteverzekering (3,89) het minst tot de mogelijkheden te behoren voor de sociale partners. De tegenstanders zien er geen meerwaarde in voor de mensen, vrezen voor een aantasting van de solidariteit, noemen het (zeker voor Brussel) te ingewikkeld en wijzen op het feit dat er ook intraregionale verschillen bestaan tussen bijvoorbeeld provincies. Alleen Voka verklaart een gematigd voorstander te zijn van de communautarisering van de ziekteverzekering. In een eerste stap zou de financiering federaal blijven, maar het geld verdeeld worden op basis van objectieve criteria. Unizo neemt op deze vraag zijn meest unitaristische positie in en stelt dat de ziekteverzekering federaal kan blijven zolang de verschillen maar objectief verklaard kunnen worden. Het UCM is dan weer vooral geïnteresseerd in de kostprijs en de efficiëntie van het systeem en spreekt zich niet uit over het niveau waarop dit moet gebeuren. Die redenering sluit enigszins aan bij de Bond Moyson, wiens centrumpositie te verklaren is door een pragmatische houding waarbij de kosten en dienstverlening aan de patiënt centraal staan.

De positie tegenover de uitbouw van een aanvullende sociale zekerheid op deelstatelijk niveau is iets meer aanvaardbaar voor de sociale partners. De grootste voorstanders zijn opnieuw te vinden langs werkgeverszijde. Voka en Unizo zijn gematigde voorstanders van regionale initiatieven op het domein van de sociale zekerheid, maar benadrukken wel dat dit niet tot een stijging van de loonkosten mag leiden. De verzekerde zal de aanvullende verzekeringen zelf moeten betalen. Ook voor UWE kunnen aanvullende initiatieven genomen worden, maar ze benadrukken dat de bestaande sociale zekerheid niet geregionaliseerd mag worden. Dat laatste geldt ook voor het VBO en UCM, maar zij zijn gematigde tegenstanders van regionale initiatieven omdat ze in België een sociale zekerheid met twee snelheden willen vermijden. Het grootste verzet komt evenwel opnieuw vanuit vakbondszijde. Zowel het ABVV als het ACLVB wensen absoluut niet buiten het nationale solidariteitsmodel te denken. Het ACV is iets genuanceerder en wil geval per geval beoordelen op zijn waarde. Zo is de christelijke vakbond te vinden voor de zorgverzekering, maar moet dit gepaard gaan met een federaal initiatief ter zake. Verder zijn ze geen voorstander van de idee van een Vlaamse kinderbijslag en hospitalisatieverzekering. Ook de CM vindt het eigenlijk logischer en eenvoudiger dat deze zaken op het federale niveau worden geregeld terwijl de socialistische tegenhanger vooral in het belang van de patiënt wil denken: niet het niveau waarop dit georganiseerd moet worden is van primair belang, maar wel goede en betaalbare zorg voor de patiënten. Een Vlaamse hospitalisatieverzekering wordt dan ook niet a priori uitgesloten.

Bij geen enkele andere stelling in onze bevraging werd zo vaak gepleit voor decentralisatie als op de vraag of de pensioenen van deelstatelijke ambtenaren moeten worden geregionaliseerd. Naast de traditionele voorstanders zijn ook de CM en het VBO er voor te vinden om de deelstaten zelf te laten instaan voor de pensioenen van hun ambtenaren. Aangezien de gewesten en gemeenschappen zelf de lonen van hun ambtenaren bepalen en beslissen hoeveel werknemers zij aannemen, moeten ze daar ook de gevolgen van dragen wanneer deze mensen de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Over deze vorm van responsabilisering lijken de meeste sociale partners het trouwens eens, alleen over de manier waarop dit moet gebeuren verschillen de meningen. VBO, Unizo, Voka en CM vinden dat de deelstaten dit best zelf regelen terwijl de rest in meerdere of mindere mate pleiten voor een systeem waarbij de deelstaten mee het federale pensioenstelsel helpen financieren.

BESLUIT

Op de IPA-menu staan veel belangrijke zaken, maar hoewel de sociale partners ter zake toch een en ander kunnen doen, worden ze ook gehinderd door de afwezigheid van een faciliterende federale regering. Voor heel wat afspraken zijn middelen en regels en een globaal politiek en budgettair kader nodig. De afwezigheid van een nieuwe regering is het gevolg van het uitblijven van een staatshervorming. Als die er ooit komt kan die een grote impact hebben op die beleidsterreinen waar de sociale partners een grote verantwoordelijkheid dragen.

Uit het onderzoek dat we hierboven brachten, blijkt dat de gemiddelde en relatief voorzichtige globale positie van de sociale partners over die staatshervorming heel wat onderlinge verschillen verbergt. Die verschillen doen zich voor tussen de sociale partners - vakbonden zijn terughoudender, met onderlinge nuanceverschillen, werkgevers zijn meer vragende partij maar daar tekenen we forse onderlinge verschillen op - en afhankelijk van het specifieke onderwerp. Over sommige punten bestaat een relatief grote, over andere geen consensus. Het is duidelijk dat staatshervorming niet enkel de politiek maar ook de sociale partners verdeelt. Het machtsherverdelend effect en alle gevolgen die uit een staatshervorming zouden voortvloeien, als die er ooit komt, komen dan bovenop de ongemeen harde discussies die zich in de komende weken nog zullen afspelen over de drastische begrotingssanering, m.i.v. een pensioendebat en discussie over keuzes in de sociale zekerheid. Niet zozeer de herfst van 2010, maar vooral de lente van 2011 kondigt zich als ‘heet’ aan. Ons land staat immers nog te wachten wat in onze buurlanden al grotendeels voorbij getrokken is.

Nicolas Bouteca, Carl Devos en Manu Mus
Ghent Institute for Political Studies (GHIPS)

Noot
1/ De Boerenbond werd uit het onderzoek gelaten aangezien die nauwelijks hoorbaar zijn in het staatshervormingsdebat.

Bibliografie
- Abraham en Konings (2010), Loonkosten, Productiviteit en Werkgelegenheid in een concurrentiële internationale omgeving: Een Analyse met Belgische Bedrijfsgegevens, working paper, juni 2010.
- Abraham, Goos en Konings (2007), De concurrentiepositie van België: zin of onzin van de loonnorm. KUL onderzoekseenheid centrum voor economische studiën. Leuvense economische standpunten, 2007/116.
- Biatour en Kegels (2010), L’évolution des coûts unitaires du travail en Belgique de 1996 à 2008. Working Paper 14-10, mei 2010.
- Boucké en Vandaele (2003), Het sociale overleg in België: de loonnorm als fetisj?, Gent, Academia Press.
- CPB (2010), CP Nieuwsbrief september 2010, kwartaaluitgave van het Centraal Planbureau.
- Hens (2005), We waren op de slechte weg. De Tijd, p. 3, 30/05/2005.
- Mus (2010), Plus est en vous. Coördinatie en diversificatie binnen het sociaal overleg in België. Onuitgegeven proefschrift, Universiteit Gent, Vakgroep Politieke Wetenschappen.
- Martens P. (2010), Het mag niet opnieuw niets worden, Knack, Brussel, 19/10/2010.
- Peirens W. (2000), Vakbonden en sociaal overleg in het laatste kwart van de 20ste eeuw, Res Publica, 1, pp. 105-117.
- Plasman, R, e.a. (2008), Loonstructuur in België, Dulbea Working Paper, 08-04 RR.
- Riziv (2009), Medisch verbruik vanuit geografisch perspectief. Variaties in de uitgaven van de verzekering voor geneeskundige verzorging in België, Brussel, Riziv.
- Vandenbroucke en Marcourt (2008), Samen arbeidsmarkt dynamiseren, De Standaard, 8/12/2008, p. 20.
- Velaers en Vanpraet (2008), De materiële en territoriale bevoegdheidsverdeling inzake sociale zekerheid en sociale bijstand (I), Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en Publiekrecht, Vol. 63, No. 6, pp. 323-345.
- Vilrokx J., Van Leemput J. (1998), Belgium: the great transformation. Ferner A., Hyman R. (eds.) (1998), Changing industrial relations in Europe, Oxford, Blackwell Publishers Ltd., pp. 315-347.

sociale dialoog - staatshervorming - interprofessioneel overleg

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 9 (november), pagina 4 tot 15