Log in

Willy Coolsaet: filosoof van de eindigheid

Figuur in de kijker

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 9 (november), pagina 60 tot 64

Willy Coolsaet was filosofieprof aan de Gentse universiteit. Hij is al een aantal jaren met pensioen, maar hij blijft verbazend actief. Recent verschenen van hem nog twee boeken. In totaal zijn het er een vijftiental. Tel daarbij tientallen bijdragen in alle mogelijke en onmogelijke tijdschriften en je komt aan enkele duizenden bladzijden. Als je die allemaal na elkaar leest, mag er gerust gesproken worden van een oeuvre, van een samenhangend geheel.

BELANGRIJKE FILOSOOF

Waarom Willy Coolsaet in de loop van de tijd niet bekend geworden is buiten een kleinere kring zal aan vele factoren te wijten zijn. Hij schrijft niet zo eenvoudig bijvoorbeeld, maar breedvoerig en barok. Hij heeft in Garant een vaste uitgever gevonden, maar geen uitgever die een ernstige verkooppolitiek voert, zodat je zijn boeken haast niet in de boekhandel vindt. Zijn levensstijl is allesbehalve voer voor de media. En wellicht zijn er nog een aantal andere redenen, maar het blijft spijtig. Coolsaet is een belangrijk filosoof, in het Nederlandse taalgebied van hetzelfde niveau als Achterhuis en Lemaire. Er is trouwens een duidelijke verwantschap, maar kenmerkend is dat ze beide het werk van Coolsaet niet kennen. Ik probeer hierna in een beperkt aantal pagina’s een overzicht te geven van zijn werk. Ik neem daarbij ook enkele stukken over van de tekst die ik mocht leveren voor een recent verschenen boekje over de West-Vlaamse filosoof.1

DOEL-MIDDEL-VERDRAAIING

Produceren om te produceren heette zijn eerste boek. Het dateert van 1982 en kende een tweede en herziene uitgave in 1996. Het is een interpretatie van het werk van Karl Marx en eigenlijk vat de titel bijzonder goed samen wat volgens Marx het kapitalisme is. Produceren, zonder zich te bekommeren om wat men produceert. De zogenaamde gebruikswaarde van goederen is bijkomstig, een alibi. Dat die producten voldoen aan een behoefte is gewoon niet van tel. Er wordt niet geproduceerd om wat de mensen nodig hebben, er wordt geproduceerd in een eindeloze ketting van productie en consumptie. Kapitalisme is een eindeloos groeiproces. Er is nooit genoeg kapitaal (meerwaarde), het kan altijd nog meer. Dat is noch min noch meer een verdraaiing van doel en middel. Het heeft voor gevolg dat de arbeid die dit eindeloze proces laat draaien zinloos wordt. Het is ook heel abstracte arbeid, eigenlijk louter energieverbruik. Uit die impasse kom je alleen als je het economisch systeem grondig bijstuurt. Marx dacht ook wel dat het een noodzakelijk doorgangsstadium was, dat de productiekrachten van het socialisme zou voorbereiden. Maar binnen zijn eigen logica van verdraaiing van doel en middel is dit niet vol te houden.

De grenzen van de groei zijn de grenzen van het kapitalisme. Willy Coolsaet heeft zeer vroeg ingezien dat de milieuproblemen essentiële problemen zijn, die niet met wat oplapwerk opgelost kunnen worden. Wil men ze fundamenteel aanpakken, dan is een ander economisch systeem noodzakelijk. Hij heeft op die manier meegewerkt aan een nieuwe invalshoek in de filosofie, de milieufilosofie. Je leest dit bijvoorbeeld in een stuk over Barry Commoner, dat opgenomen is in De verkeerde wereld, een bundel uit 1985. De Amerikaan zag in dat de milieucrisis het uitsluitend gevolg is van een doelloos, ongebreideld winstbejag. Het economisch systeem, en niets anders, is het probleem. Technologie en wetenschap kunnen praktische oplossingen voorleggen, maar ze houden per definitie geen rekening met het ecosysteem als geheel. Daarom staat industriële groei zo goed als gelijk met vervuiling. Dat de welvaartsgroei daar een compensatie voor zou zijn, is een zorgvuldig gekoesterde illusie. Per individu is de productie van de elementaire goederen gelijk gebleven, maar de aard van deze goederen is grondig gewijzigd. De landbouwer verwierf bijvoorbeeld in de loop van de tijd geen hoger inkomen, hij moet gewoon ongelooflijk investeren in chemische producten en dure machines. Natuurlijke producten zijn grotendeels vervangen door synthetische materialen, die per definitie energievreters zijn. Volgens berekeningen van Commoner uit 1976 zou een efficiënte aanwending van energie een besparing van minstens 85% aan energieverbruik kunnen opleveren. Er zijn gewoon steeds meer inspanningen nodig voor een opbrengst die verhoudingsgewijs steeds geringer is. De verhouding inspanning-resultaat zit gewoon fout. Lange tijd heeft men de kost daarvan op het milieu afgewend, maar dat bereikt stilaan zijn grenzen.

In dezelfde lijn dacht Ivan Illich. Ook over hem vind je een interessante bijdrage in dezelfde bundel. Illich was indertijd berucht om zijn analyse van de school en de geneeskunde. Van de school word je dom, van de dokter word je ziek. Zo zou je zijn stelling enigszins karikaturaal kunnen samenvatten. Vanaf een bepaald punt wordt een instelling contraproductief, dit wil zeggen dat zij juist het tegendeel bereikt van wat zij beoogt. In de school worden proces en inhoud met elkaar verwisseld, zodat de school belangrijker wordt dan de leerlingen. Jonge mensen verliezen hun zelfstandigheid, omdat ze afgemeten worden aan een ideaal dat de instellingen hen opleggen. De school is slechts een voorbeeld. Eigenlijk bereiken alle instellingen een dergelijk punt waarop ze hun doelstelling voorbijschieten. Dat is ook het geval in de geneeskunde en het vervoer. De snelheid waarmee mensen zich in het moderne verkeer vooruit bewegen is verrassend laag. Als je alle kosten en inspanningen meerekent gaat het zelfs met de snelste wagen niet harder dan de snelheid van een voetganger. In de geneeskunde is er wel een ontzettende vooruitgang in de gezondheid geweest, maar die heeft hoofdzakelijk te maken met een verbetering in de hygiëne. Ze bepaalt vooral waaruit ziekte en behandeling bestaan en maakt de mensen noch min noch meer ziek. Je moet de doelmatigheid heel scherp in het oog houden. Je mag het keerpunt niet voorbij. Je hebt werktuigen nodig om mee te werken, je moet je ver houden van werktuigen die je beheersen.

FILOSOFIE VAN DE EINDIGHEID

Het kapitalisme leidt tot een impasse omdat het oneindigheid tot principe heeft. Een systeem dat rekening houdt met de mensen houdt per definitie rekening met eindigheid. Eindigheid hoeft echt niet negatief te zijn. Dat werkt Coolsaet filosofisch nog een heel stuk verder uit in zijn doctoraat over de Franse filosoof Maurice Merleau-Ponty. Het is in 1984 verschenen onder de titel Naar een filosofie van de eindigheid. Merleau vat eindigheid helemaal niet op als een beperktheid, maar als een mogelijkheidsvoorwaarde om de werkelijkheid ook maar een beetje te kunnen benaderen. Dat die werkelijkheid weerstanden opwerpt, is een positieve voorwaarde om zich ook maar iets voor te stellen, te denken of te zijn. Merleau-Ponty ontwikkelt een filosofie over het concrete individu. Het is geen individu dat alleen het resultaat is van fysische, fysiologische en sociologische invloeden of dat alleen maar vrij, laat staan totaal vrij is. Het is wel een individu dat zich in een fysische en sociologische situatie bevindt en zich daar ook in engageert. Die situatie spoort juist aan tot dat engagement, maar legt het individu ook beperktheden op. De situatie wordt aangetroffen, maar een individu engageert er zich in en eigent ze op die manier toe.

Op die manier komt Merleau-Ponty op een soort tussenpositie, waarbij materie en geest verstrengeld zijn in een onoverwinnelijk conflict. Vrijheid is beperkt. Zij ontsnapt niet aan de materiële condities, maar heeft die juist nodig om te kunnen bestaan. Zelfs de dood is positief, want de dood maant de mens aan om aan het leven gestalte, inhoud, te geven. Eindigheid zorgt voor een ambivalentie, een onophefbare spanning of conflict. Men kan ook zeggen dat de mens een behoeftig, afhankelijk, wezen is, dat ervoor zorgt dat hij zich doelen moet stellen en middelen moet bepalen om die te bereiken. Alles heeft gewoon zijn prijs. Arbeid, inspanning en sommige vormen van afhankelijkheid zijn nu eenmaal niet te vermijden. De hele opdracht is om dat positief op te vatten.

CULTUURGESCHIEDENIS

Willy Coolsaet maakte zijn doctoraat bij Rudolf Boehm. Ik kan hier niet ingaan op de blijvende invloed die deze op hem gehad heeft. Niet voor niets vertaalde hij zijn hoofdwerk Kritiek der grondslagen van onze tijd (1977). Vanaf 1987 schreef hij een monumentale cultuurgeschiedenis. Hij leverde werkelijk boekdeel na boekdeel af: Autarkeia (1993), Mens en arbeid (1997), Mens tegenover mens (1997), Van Hobbes tot Hitler (1998), Eenzaam in de kosmos (1998), Op de vlucht voor de eindigheid (2006) en Solidariteit/Rivaliteit (2010). Al deze boeken bouwen verder op de eindigheidsidee en op de verwevenheid van natuur en mens. Zoals Merleau-Ponty realiseert Coolsaet op die manier een filosofie van het concrete individu, men kan ook zeggen een filosofie van het dagelijkse leven. Een filosofie die de objectiviteit van de wetenschap niet in vraag stelt, maar ervan uit gaat dat de wetenschap niet doordringt in de leefwereld van de mensen. De natuur is objectief, bekommert zich niet om de mens. Juist daarom moet deze zich bij zijn leefwereld houden, die de natuur wel als bestaansvoorwaarde heeft, maar er toch niet mee samenvalt. De levenswereld wordt gekenmerkt door facticiteit en toeval en de mensen moeten er - via engagement en betrokkenheid - hun eigen existentiële noodzaak in vinden.

Het mooiste boek vind ik Autarkeia, over de menselijke verhoudingen bij de Grieken. Hun cultuur is doordrongen van het ideaal van vrije activiteit, maar dat heeft nefaste effecten. Menselijke vermogens en eigenschappen zijn niet langer gericht op het externe, worden doel op zich. In plaats van solidariteit komt rivaliteit, zelfgenoegzaamheid, angst voor afhankelijkheid. Men ziet dit onder twee vormen. In het archaïsche en klassieke Griekenland onder de vorm van rivaliteit en strijd. Vanaf Sokrates onder de vorm van contemplatie of theoria. Coolsaet heeft zich op een indrukwekkende manier ingeleefd in de Griekse cultuur en geeft er een ongemeend boeiend relaas van.

Het thema zelfgenoegzaamheid komt terug in Mens tegenover mens (1997). Het is geen natuurtoestand. Het is de ene kant van de mens die de natuurlijke of solidaire verhoudingen omkeert. Het is een perversie. Zelfgenoegzaamheid staat gelijk aan zelfverwezenlijking, vrije activiteit. Ze koppelt menselijke vermogens los van hun gerichtheid op het externe. Die vermogens worden doel op zich. Daardoor vallen mensen op zichzelf terug. Ze willen domineren, ze willen een bovenmenselijk, goddelijk bestaan. De motivatie is echter angst voor de afhankelijkheid die inherent is aan solidaire verhoudingen. Het is een streven naar macht, die echter voortkomt uit onmacht. De andere kant is solidariteit. Het leven in een menselijke wereld is een wereld met anderen, een wereld met een zelfstandigheid, maar een relatieve zelfstandigheid. Mensen zijn dan in de wereld, hebben een perspectief op de dingen. Ze onderscheiden zich van de dieren door hun bewust, expliciet, medeleven. Perspectief op de wereld impliceert echter niet dat die mens erin opgesloten is. Er zijn de anderen die op hem inwerken. Maar de mens kan zijn doeleinden ook opschorten om een tijd lang aan de middelen te kunnen werken. Dat is zijn vermogen tot virtualiteit. Daarin ligt ook zijn vermogen tot communicatie en medeleven. Een mens projecteert zich in andere dingen en mensen, maar deze op hun beurt ook in hem. Dat is zijn in-de-wereld-zijn. Zo is de mens gewoon. Solidaire verhoudingen erkennen het constitutieve conflict. Zelfgenoegzame verhoudingen proberen dit op te heffen. De natuur kent geen conflict. Conflict veronderstelt doelstellingen en middelen. In Solidariteit/Rivaliteit (2010) komt Coolsaet hier nog eens op terug, wanneer hij zich confronteert met het werk van Marcel Mauss en Pierre Bourdieu.

ZIEKTE EN REMEDIE

Willy Coolsaet weet wat hij wil, maar hij stelt vast dat de moderne tijd dat niet toestaat. In Op de vlucht voor eindigheid (2006) geeft hij die tijd de diagnose mee dat ze ziek is. De ziekte woedt al enkele eeuwen, maar heeft ondertussen epidemische vormen aangenomen. En alles draait rond die oneindige ontplooiing, het loslaten van alle doelstellingen. Het ideaal is er een van vrijheid in de zin van een totale onafhankelijkheid, maar dat wordt gerealiseerd door net het omgekeerde: men maakt zich totaal afhankelijk. En toch is dit geen noodlot, is er een alternatief. Dat de mens onaangepast is geeft ruimte voor een beperkte vrijheid. De mens is een open perspectief, hij kan zich op het standpunt van iemand anders plaatsen en op die manier iets nieuws veroorzaken. Zijn handelen is gemotiveerd, het hangt af van een beslissing, het gebeurt op basis van voorwaarden of motieven.

Een vrije mens kan het goede leven realiseren, in het besef dat dit enkel kan als ook rekening gehouden wordt met anderen. Daar hoeft men helemaal niet moeilijk over te doen, want er is een soort impliciet weten van waar het in het leven op aankomt. Natuurlijk zijn er culturele verschillen, maar dat is nog geen reden tot een volstrekt relativisme. Er zijn perspectieven die alle culturen overstijgen. De eindige mens is principieel onvoltooid, onvervuld. Het leven moet worden ingevuld met werken, dingen en relaties. De mens leeft in grote mate buiten zichzelf, hij lijft de ander in, maakt hem tot een stuk van zijn leven. De vrijheid van de ander is belangrijk, maar toch blijft mijn relatie met die ander een relatie van conflictualiteit. Zinvolle arbeid en waarachtige economische democratie (democratie van het conflict) zijn de remedie. Bij zinvolle arbeid is het doel van de arbeid nut. Arbeid is middel en inspanning. Hoe minder arbeid en hoe efficiëntere arbeid, hoe beter. Arbeid is een last, overwinnen van weerstanden. Mensen streven impliciet naar zinvolle arbeid. Ze ontvluchten arbeid alleen in specifieke omstandigheden, wanneer de inspanningen te groot zijn of wanneer er een te grote wanverhouding is tussen doel en inspanning. Waarachtige democratie probeert conflicten niet eens en voor altijd op te lossen, maar ermee om te gaan. Democratie is juist een systeem dat toelaat dat te doen, zodat conflicten niet ontsporen in geweld.

SISYPHUS IS GELUKKIG

In zijn Perspectieven op literatuur (2010) bundelt Coolsaet een aantal artikels over literatuur. Wie met zijn werk wil kennismaken, begint best met dat boek. Het is bijzonder helder en boeiend. Je leert er bijvoorbeeld Herman de Coninck kennen als een dichter van de eindigheid, die schrijft over de gewone dingen van het leven. Er staat ook een heel korte bijdrage in over Albert Camus, een perfecte samenvatting van wat Coolsaet ons te zeggen heeft. Camus is één pleidooi voor erkenning van de menselijke eindigheid en één aanklacht tegen alle vormen van absolutisme. Wie de dood aanvaardt vergroot de zin en de waarde van zijn leven. Camus daagt uit om sterfelijk te zijn en toont hoe zijn hoofdpersonage in L’étranger finaal gelukkig is. Mensen mogen hopen, maar niet dat ze de ‘condition humaine’ zouden kunnen overstijgen. Camus verzet zich tegen een religieuze hoop op een ander leven, op een andere samenleving. Die zal onvermijdelijk ontsporen. Je hoeft niet te berusten, je mag in opstand komen. Maar utopieën werken niet bevrijdend. Je moet de rotsblok de heuvel opduwen, telkens opnieuw. Wanneer je dat samen met anderen doet kun je de absurditeit terugdringen.

Luc Vanneste
Redactielid Samenleving en politiek

Noot
1/ Willy Coolsaet, VWS-cahier juli-augustus 2010, nr.259 (www.vwscahiers.be). Bijna alle boeken van de auteur zijn uitgegeven bij Garant, Antwerpen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 9 (november), pagina 60 tot 64