Abonneer Log in

Mogen ondernemingen 'burgers' zijn?

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 10 (december), pagina 41 tot 47

We zijn zodanig gewend om heel intensief samen te leven met en in ondernemingen dat we er meestal niet bij stil staan wat voor vreemde constructies dat eigenlijk zijn. Ze kunnen net als mensen beslissingen nemen, acties ondernemen, contracten afsluiten, eigendommen bezitten, duurzame samenlevingsverbanden aangaan met andere bedrijven, nakomelingen verwekken, enzovoort. Het lijken wel levende wezens met een eigen wil en zo behandelen we ze ook meestal, in de taal, in de media, in de rechtspraak. Hun autonomie is uiteraard slechts schijn: elke beslissing en elke daad van een onderneming is terug te brengen tot activiteiten van een of meerdere mensen die achter de schermen aan de touwtjes trekken, ook al zijn die vaak onzichtbaar, soms zelfs onvindbaar. De fictie van de onderneming als een autonome actor valt moeilijk te rijmen met de ontzettend grote schaal waarop ondernemingen opereren en de enorme maatschappelijke impact die ze kunnen hebben. Eén enkele onderneming kan honderdduizenden mensen tewerkstellen, kan steden doen bloeien en doen verwelken, kan ziekten de wereld uit helpen en milieurampen veroorzaken. Sommige ondernemingen zijn machtiger en rijker dan vele staten, en tegelijkertijd kunnen ze de marionet zijn van slechts een handvol mensen, die we vaak niet eens persoonlijk verantwoordelijk kunnen stellen voor de eventuele schade die ze via die marionet veroorzaken. Er wordt een morele en juridische verantwoordelijkheid toegekend aan niet-levende wezens, terwijl de verantwoordelijkheid van de mensen die daarachter zitten ingeperkt wordt.

TERUG IN DE TIJD

Deze vreemde maar zeer goed ingeburgerde en praktisch ongecontesteerde situatie heeft niet altijd bestaan en is ook niet zonder slag of stoot tot stand gekomen. Vanaf de 13de eeuw werden theorieën opgebouwd over rechtspersonen, en naarmate de schaal vergrootte waarop ondernemingen opereerden, werd dit concept steeds belangrijker. Echt grote bedrijven kwamen er pas vanaf de 17de eeuw. Het ging hierbij vooral om overheidstaken die uitbesteed werden, zoals het ontginnen van koloniën. Deze ondernemingen kregen van de overheid een charter waarin bepaald werd wat ze precies moesten en mochten doen en binnen welke termijn dit moest gebeuren. Een van de meest tot de verbeelding sprekende voorbeelden is de in 1602 in Nederland opgerichte Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) die een aanzienlijk deel van de handel tussen Europa en Azië beheerste. De VOC kreeg van de Nederlandse Staten-Generaal gedurende 21 jaar het monopolie op koloniale activiteiten in Azië.

Bij de 17de eeuwse handelsondernemingen was er nog geen duidelijk onderscheid tussen de verantwoordelijkheden van de eigenaars (aandeelhouders) en die van het management. De eigenaars waren ook persoonlijk aansprakelijk voor de schulden en verliezen van hun ondernemingen. Dat dit risico’s met zich meebracht werd zeer duidelijk in de loop van de 18de eeuw: de grote handelsbedrijven kwamen in moeilijkheden en sleurden veel van hun aandeelhouders mee in hun val. Deze moeilijkheden waren bovendien deels veroorzaakt door wanbeleid van het management, soms buiten het medeweten van de eigenaars om.

De bedrijfsschandalen van de 18de eeuw leidden tot de creatie van wettelijke regelingen voor de beperking en de verdeling van verantwoordelijkheid binnen bedrijven. De verantwoordelijkheid van de eigenaars/aandeelhouders enerzijds en van managers anderzijds werd scherp afgebakend: eigenaars leveren het kapitaal en zetten de hoofdlijnen van het beleid uit, managers zorgen voor het dagelijks bestuur van de onderneming. Eigenaars zijn slechts financieel verantwoordelijk voor hun eigen aandeel in het bedrijf (de rest van hun vermogen blijft buiten schot) en managers zijn verantwoording verschuldigd aan de eigenaars maar hun persoonlijk vermogen staat niet op het spel. Deze regeling vormt de basis van de juridische statuten van de grote moderne ondernemingsvormen zoals ‘limited companies’ in de VS en de UK, Naamloze Vennootschappen in België, Sociétés Anonymes in Frankrijk en Beperkte Vennootschappen in Nederland. Ambrose Bierce weerspiegelde in de tweede helft van de 19de eeuw de nieuwe situatie van ondernemingen in zijn satirische definitie van ‘corporation’: ‘an ingenious device for obtaining profit without individual responsibility’.1

Tegelijkertijd met de scherpere afbakening van verantwoordelijkheden binnen de onderneming kreeg ook de rechtspersoonlijkheid geleidelijk een ruimere inhoud. Waar de ‘charters’ oorspronkelijk het doel en de levensduur van een onderneming nauw omschreven, werd het bepalen van de doelstelling in toenemende mate overgelaten aan de onderneming zelf, en konden ondernemingen in principe ook eeuwig blijven voortbestaan. Hiertegen was destijds heel wat protest, maar dit belette niet dat ondernemingen steeds uitgebreidere rechten verwierven. Een kantelmoment in de Verenigde Staten was de uitspraak in 1886 van het Hooggerechtshof in de zaak ‘Santa Clara vs. Southern Pacific Railroad Co’ waarbij beslist werd dat het veertiende amendement van de Grondwet, dat gelijke rechten en bescherming door de overheid garandeert voor alle inwoners, ook van toepassing is op bedrijven. Deze jurisprudentie is sindsdien vaak bekritiseerd maar staat nog altijd overeind en wordt nog steeds ingeroepen als argument in rechtszaken.2

Daarmee was vanaf de 19de eeuw in grote lijnen het moderne concept van de onderneming geboren: organisaties die over een uitgebreide rechtspersoonlijkheid beschikken, op vele vlakken vergelijkbaar met natuurlijke personen, en die dan ook min of meer dezelfde rechten en plichten hebben als natuurlijke personen. Ze hebben vrijheid van meningsuiting, kunnen klachten indienen tegen andere ondernemingen of personen, kunnen politieke stellingen innemen en politieke partijen ondersteunen, enzovoort.3 Sinds dan is er een grote diversiteit aan ondernemingen ontstaan, van eenpersoonszaken tot reusachtige multinationals en van coöperatieve vennootschappen tot beursgenoteerde holdings. Allemaal genieten ze van rechtspersoonlijkheid. Allemaal zijn ze een soort van ‘burgers’. Het oprichten van een onderneming is in de meeste landen ook een bijna onaantastbaar recht geworden. Dit werd treffend aangetoond door een groep actievoerders die bij wijze van stunt in Virginia (USA) in 2003 een tabaksbedrijf oprichtte onder de naam ‘Licensed to kill incorporated’ dat zich officieel tot doel stelde om winst te genereren ten koste van talrijke mensenlevens. De overheid van Virginia drukte haar afkeer van het initiatief uit maar kon niets doen om de oprichting te verhinderen.4

ONDERNEMINGEN ALS VERANTWOORDELIJKE BURGERS?

Ondernemingen hebben dus rechten en plichten die vergelijkbaar zijn met die van burgers. Mag dan ook verondersteld worden dat ze dezelfde morele verantwoordelijkheid dragen als ‘echte’ burgers? Volgens veel ondernemers wel. Ze beschouwen hun ondernemingen niet zomaar als burgers, maar als verantwoordelijke burgers, die er hoogstaande ethische principes op nahouden en aan maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) doen. Dit komt duidelijk tot uitdrukking in de vooral in de VS veel gebruikte term corporate citizenship. In Europa worden eerder termen zoals ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ (MVO), ‘duurzaam ondernemen’ (DO) en ‘corporate social responsibility’ (CSR) gebruikt, maar de basisidee is dezelfde: ondernemingen zijn actoren die door hun handelingen een aanzienlijke impact - positief en negatief - kunnen hebben en ze hebben dan ook een verantwoordelijkheid tegenover de maatschappij. Alleen een onderneming die zich als een ‘goede burger’ gedraagt kan een gerespecteerd lid van de maatschappij zijn en over een volwaardige ‘licence to operate’ beschikken.

De consensus rond de concepten van maatschappelijk verantwoord ondernemen en corporate citizenship lijkt groot te zijn, en niet in het minst in kringen van ondernemers zelf. Zowat elke bedrijfsfederatie heeft er wel eens een congres over georganiseerd en heel wat ondernemingen wijden er een stukje van hun website en een paar pagina’s in hun jaarverslag aan. Ondernemingen hebben zelf ook wel voordeel bij hun ‘burgerschap’: het is goed voor het publieksimago en naar de overheden toe wordt de verantwoordelijkheidszin van ondernemingen gebruikt als argument tegen strengere wetgeving en voor zelfregulering. Er zijn ongetwijfeld heel wat ondernemers die het goed menen met de wereld en die hard hun best doen om hun zakenbelangen te laten sporen met die van hun stakeholders, en er zijn ook heel wat voorbeelden waarin dat lukt. De vraag is echter of de beweging van het maatschappelijk verantwoord ondernemerschap genoeg gewicht in de schaal kan werpen om de wereld te behoeden voor door ondernemingen veroorzaakte milieurampen, uitbuiting van zwakke bevolkingsgroepen, belastingfraude, enzovoort. Natuurlijk niet. Ten eerste is het verhaal van maatschappelijk verantwoord ondernemen vooral een westers verhaal dat zich dan nog grotendeels beperkt tot consumentgerichte sectoren, dus het overgrote deel van de bedrijfswereld doet er niet aan mee. Ten tweede hoeven we maar even een krant open te slaan om te zien dat het maatschappelijk ONverantwoord ondernemen floreert. Critici van het MVO pleiten dan ook voor een strenge wetgeving als aanvulling op of als alternatief voor zelfregulering. Erg performant is deze aanpak tot dusver niet gebleken, ondanks de vele verdienstelijke pogingen. Ondernemingen zijn te mobiel om te vatten in nationale wetgevingen, en een regering die strengere milieu- of sociale normen wil opleggen, zal al snel geconfronteerd worden met het al dan niet denkbeeldige spook van de delokalisatie. Op supranationaal niveau spelen dan weer ten volle de bedrijflobby’s die er alles aan doen om wetgevende initiatieven in de kiem te smoren of af te zwakken. En zelfs al komen er internationale wetten of normen tot stand (bijvoorbeeld de ILO conventies) dan blijkt de handhaving ervan zeer moeilijk te zijn.

EEN KWESTIE VAN MACHTSVERHOUDINGEN

De machtsverhouding tussen overheden en ondernemingen is in de voorbije decennia sterk verschoven in de richting van de ondernemingen. In tegenstelling tot overheden zijn ondernemingen geografisch mobiel en kunnen gemakkelijk veranderen van organisatievorm. Deze kameleonnatuur laat toe om vlotjes te genieten van subsidies of andere gunstige omstandigheden in het ene land, maar de daaruit voortkomende winsten door te sluizen naar een ander land waar geen of weinig belastingen moeten worden betaald. Het laat ook toe om overheden tegenover elkaar uit te spelen, zowel op lokaal als op nationaal vlak. Tot de verbeelding sprekende voorbeelden zijn de manier waarop Ryanair overal in Europa regionale luchthavens elkaar laat beconcurreren om aan spotgoedkope licenties en landingsvoorwaarden te geraken, en de subsidiediplomatie van de grote autoconstructeurs bij het sluiten of openen van fabrieken. Het zijn ook ondernemingen die voor een belangrijk deel de beleidsagenda’s bepalen, zeker als het gaat over nieuwe economische activiteiten. Neem het voorbeeld van de desastreuze BP-avonturen in de Golf van Mexico: waarschijnlijk is het vanuit veiligheidsoogpunt geen goed idee om olie te proberen ontginnen in diepe zee, maar als een onderneming het wil en beweert dat ze het kan dan wordt de vergunningverlenende overheid volledig in het defensief gedwongen, moet ze een standpunt innemen over een thema dat ze zelf niet op tafel heeft gelegd en dat niet aangebracht werd door politieke partijen of maatschappelijke bewegingen. Uiteindelijk moet die overheid ofwel toegeven ofwel sterke argumenten bedenken waarom het winnen van olie in diepe zee niet zou kunnen. Gelijkaardige toestanden doen zich voor bij bijvoorbeeld de toelating van genetisch gemanipuleerde gewassen, het op de markt brengen van nieuwe scheikundige verbindingen, het lanceren van nieuwe vormen van toerisme en zelfs het ontwikkelen van nieuwe wapens. De rol van overheden situeert zich vaak vooral op het gebied van het achteraf reglementeren en proberen beperken van de negatieve gevolgen. Dat gebeurt dan via traag verlopende, meestal met allerlei inspraakprocedures omgeven besluitvormingsprocessen en moeizame internationale coördinatiemechanismen, om dan uit te monden in een regeling die ver achter loopt op de feiten en waarvan de handhaving dikwijls problematisch is. Ondernemingen mengen zich ook voluit in het publieke debat rond thema’s die hen aanbelangen. Ze gedragen zich daarbij als burgers of belangengroepen zonder over enige maatschappelijke legitimiteit beschikken, behalve dan de rechten die ze ontlenen aan hun vermeend ‘burgerschap’. Gezien de enorme middelen waarover sommige ondernemingen beschikken hoeft het niet te verwonderen dat ze bij communicatieoorlogen vaak doeltreffender en professioneler uit de hoek komen dan hun opponenten, meestal maatschappelijke belangengroepen die moeten leven van ledenbijdragen en giften. De strijd rond tabaksreclame is een mooi voorbeeld, maar ook de lobby-annex-publiciteitscampagnes van de auto-industrie om het verstrengen van Europese emissienormen tegen te houden en tegelijkertijd een markt te creëren voor de SUVs, een grotendeels overbodige, energieverslindende en milieuvervuilende categorie voertuigen die het vooral moet hebben van imago- en lifestyleverkoopsargumenten.

Laat het ons onder ogen zien: het is gewoonweg zeer moeilijk doenbaar om via een democratisch internationaal besluitvormingsproces, waarin een groot aantal overheden van zeer divers pluimage, die ieder een complexe korf van vaak tegenstrijdige overwegingen en belangen moeten behartigen, tot een consensus moeten komen terwijl ze op alle niveaus bloot staan aan intensief lobbywerk van machtige en kapitaalkrachtige groepen die niet gebonden zijn aan geografische grenzen en alleen hun eigen belang moeten verdedigen. En die, eens er een norm tot stand gekomen is, hun best zullen doen hem te omzeilen en zich te onttrekken aan controle, al dan niet met de medewerking van overheden die hopen door een bedrijfsvriendelijke houding extra investeringen aan te trekken. Klinkt dit al te pessimistisch? Ik vrees van niet, als ik bedenk hoe alle staten samen er al decennialang niet in slagen komaf te maken met de fiscale paradijzen en bedrijven een redelijk percentage vennootschapsbelastingen te doen betalen.

DE RECHTSPERSOONLIJKHEID VAN ONDERNEMINGEN TER DISCUSSIE

Als zelfregulering en internationale wetgeving geen oplossing bieden, dan moet het systeem van rechtspersoonlijkheid en ‘burgerschap’ van ondernemingen misschien maar eens in vraag worden gesteld. Het is immers precies daaraan dat ondernemingen hun macht en slagkracht ontlenen. De rechtspersoonlijkheid van ondernemingen en de daarmee samenhangende vrijheid van handelen zal ongetwijfeld bijgedragen hebben tot de technologische en economische vooruitgang, maar ze heeft ons ook in een gevaarlijke situatie gebracht, waarbij het algemeen belang het onderspit dreigt te delven in een ongelijke strijd tussen vertegenwoordigers van de bevolking en economische entiteiten die in principe louter eigenbelang nastreven, zich kunnen beroepen op allerlei rechten maar aan niemand anders dan (een deel van) hun aandeelhouders echt verantwoording verschuldigd zijn. Dit machtsonevenwicht staat een deugdelijk bestuur en een democratische besluitvorming in de weg, en men zou dan ook verwachten dat het bijsturen ervan een prioritair aandachtspunt van de socialistische beweging zou zijn. We zijn echter zodanig gewend aan het samenleven met ondernemingen dat het in vraag stellen van de aard ervan niet evident is. Dat neemt niet weg dat er wel wat voorstellen circuleren. Een snelle doorlichting van de literatuur ter zake levert volgende bloemlezing op:

  • Ondernemingen verbieden om aandelen te bezitten in andere ondernemingen. Hierdoor wordt hen de mogelijkheid ontnomen om grote machtsgroepen en quasi monopolies uit te bouwen en ook om constructies op te zetten die verantwoordelijkheden kunnen afleiden.
  • Een verbod invoeren voor ondernemingen om zichzelf op te heffen. Hierdoor wordt vermeden dat een onderneming zich bankroet laat verklaren als ze in grote financiële of juridische problemen zit.
  • Aandeelhouders verantwoordelijk stellen voor de volledige schuld van een onderneming in plaats van alleen voor het bedrag van hun inbreng.
  • Ondernemingen verbieden om deel te nemen aan het maatschappelijk debat of democratisch proces door politieke campagnes te ondersteunen of geld te geven aan ‘goede doelen’, om te vermijden dat ze via die weg invloed uitoefenen op het maatschappelijke gebeuren of afhankelijkheidsrelaties creëren.
  • Ondernemingen verbieden activiteiten te ontplooien die buiten hun nauw omschreven statutaire doelstellingen vallen.
  • Grenzen stellen aan de maximum grootte van een onderneming en aan de concentratie van activiteiten in gevoelige sectoren (media, energie, telecommunicatie, transport).
  • Ondernemingen slechts tijdelijke licenties geven en financiële waarborgen eisen ter dekking van de risico’s van de activiteitsuitoefening.
  • Ondernemingen niet erkennen als onderhandelingspartner over zaken zoals belastingen (cfr Electrabel) en andere wettelijke verplichtingen.

Het zijn slechts enkele ruwe (soms wilde) ideeën, die ieder op zich natuurlijk heel wat uitdieping en afweging van voor- en nadelen nodig hebben. Sommige van bovenstaande maatregelen worden nu al toegepast op beperkte schaal in specifieke omstandigheden en sectoren, ook in België. Andere maatregelen zijn een stuk ingrijpender en zouden tot aanzienlijke veranderingen in het financieel en economisch systeem leiden. De meeste maatregelen zijn waarschijnlijk politiek niet erg haalbaar op korte termijn, onder meer omdat ze alleen op internationale schaal kunnen worden doorgevoerd. ‘Politiek niet erg haalbaar op korte termijn’ is echter niet hetzelfde als ‘onmogelijk’, en het bijstellen van de machtspositie van ondernemingen - of tenminste het ernstig ter discussie stellen ervan - verdient, gezien de grote impact op het algemeen belang en op de bestuurbaarheid van de maatschappij, een prominente plaats op de agenda van internationaal Links. De uitgebreide rechtspersoonlijkheid van ondernemingen en hun ‘burgerschapsstatus’ met alle daaruit voortkomende rechten worden al te vaak als vanzelfsprekend en onontkoombaar beschouwd. Dat zijn ze niet. De onderneming zoals we die nu kennen is geen natuurverschijnsel maar een menselijke constructie, en kan dus ter discussie worden gesteld en veranderd.

Dirk Van Braeckel 5
Redactielid Samenleving en politiek

Noten
1/ Ambrose Bierce (1911), The Devil’s Dictionary, Dover Publications Inc., New York, 1993, p. 19.
2/ Jane Anne Morris (2000), Strip Coporations of their Cloaking Device, in Defying Corporations, defining democracy - A book of history & strategy, ed. Dean Ritz, pp. 263-264.
3/ Een typische definitie uit het einde van de 18de eeuw die deze nieuwe zienswijze weergeeft: ‘a collection of many individuals united into one body, under a special denomination, having perpetual succession under an artificial form, and vested, by policy of the law, with the capacity of acting, in several respects, as an individual, particularly of taking and granting property, of contracting obligations, and of suing and being sued, of enjoying privileges and immunities in common, and of exercising a variety of political rights , more or less extensive, according to the design of its institution, or the powers conferred upon it, either at the time of its creation, or at any subsequent period of its existence’. (Steward Kyd, A Treatise on the Law of Corporations, 1793-1794).
4/ Chris Warren (2005), Meet the corportion. It has no conscience. It’s pathological. And it’s in your neighbourhood. How can we stop the juggernaut?, Sierra Magazine, september/oktober 2005.
5/ Met dank aan Jos Leys (Dexia Chair in Ethics & Finance, K.U.Leuven), Jan Vandenhove (Senior Researcher bij Vigeo) en Jeanne Boden (Directeur ChinaConduct) voor hun constructieve commentaren op de ontwerpversie.

fiscaliteit - ondernemingen - rechtspraak

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 10 (december), pagina 41 tot 47