Abonneer Log in

Naar een eerlijke fiscale bijdrage op vermogensinkomsten

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 10 (december), pagina 4 tot 9

Nadenken over en voorstellen uitwerken voor een meer eerlijke fiscaliteit is een permanente opdracht voor progressieven. Sp.a pleit al lang voor een hervorming van de inkomensfiscaliteit om de scheeftrekking tussen de fiscale bijdragen op arbeidsinkomsten en vermogensinkomsten te herstellen door een verschuiving van de fiscaliteit: minder op arbeidsinkomsten en meer op vermogensinkomsten. De begrotingsuitdaging waar we voor staan zorgt voor een momentum dat fiscale hervormingen mogelijk maakt die in ‘normale tijden’ zeer moeilijk hoog op de politieke agenda te plaatsen zijn. We willen dan ook nu werk maken van de invoering van een vermogenswinstbijdrage geïnspireerd op wat in Nederland bestaat.

Het is wat ons betreft zonneklaar dat wanneer we in het kader van de begrotingssanering een extra bijdrage vragen aan de gezinnen, er wordt gekeken naar de inkomsten uit vermogen. Op termijn kunnen de extra inkomsten worden aangewend om de fiscale bijdragen op arbeidsinkomsten te verlagen. Met een inspanning van de twintig procent hoogste inkomens kan de factuur van de overige tachtig procent verlaagd worden.

WAAROM ONZE INKOMENSFISCALITEIT HERVORMEN?

In ons land, net zoals in de meeste andere landen, maken de bijdragen op basis van het inkomen van de gezinnen het leeuwendeel uit van de overheidsinkomsten. Twee belangrijke uitgangspunten zijn daarbij dat wiens financiële draagkracht groter is meer bijdraagt, en dat gezinnen met eenzelfde financiële draagkracht een gelijke bijdrage leveren. Als we in het kader van de begrotingsuitdaging ook een inspanning vragen van de gezinnen, is het vanzelfsprekend dat men van deze uitgangspunten vertrekt. Voor de bepaling van iemands draagkracht maakt het in principe niet uit welke de bronnen zijn van dat inkomen (arbeid of vermogen) en hoe de inkomsten uit die verschillende bronnen zich tot elkaar verhouden: een euro is een euro. In de huidige Belgische praktijk doet de bron van het inkomen er echter heel veel toe.

Arbeidsinkomsten leveren een hoge en progressieve bijdrage aan de financiering van ons sociaal welvaartsmodel. Voor een gezin met 2 kinderen en een gemiddeld inkomen gaat 48 procent van het loon naar fiscale en sociale bijdragen.1 Het gemiddelde tarief per inkomensdeciel in de personenbelasting loopt op van 0,6% voor het eerste inkomensdeciel tot 36,6% voor het tiende deciel.2 En ook de sociale bijdragen zijn, weliswaar in veel mindere mate, progressief.3 Daartegenover staat dat België één van de meest liberale fiscale systemen heeft als het op vermogensinkomsten aankomt. De bevrijdende roerende voorheffing bedraagt 15% of 25% en sommige vermogensinkomsten (zoals meerwaarden op aandelen) worden helemaal vrijgesteld. Volgens PricewaterhouseCoopers worden vermogensinkomsten in België fiscaal heel wat voordeliger behandeld dan in onze buurlanden.4 PWC vergeleek de fiscaliteit van een belegging van 5 miljoen euro waarvan de helft belegd is in aandelen en de andere helft in obligaties. In België is dat 15%, in Nederland 26%, in Duitsland en het VK 30%, en in Frankrijk zelfs 37%. Topfiscalist Axel Haelterman bevestigt die analyse in het weekblad Trends: ‘België is op dat vlak zowat een belastingparadijs’.5

De sterk verschillende fiscale behandeling van arbeidsinkomsten en vermogensinkomsten, hollen het draagkracht- en gelijkheidsbeginsel uit. Een gezin met twee kinderen en een gemiddeld arbeidsinkomen dat geen inkomsten uit vermogen heeft, draagt 48% bij. De buren die eenzelfde bruto-inkomen uit hun beleggingsportefeuille halen en geen arbeidsinkomen hebben, dragen 15% bij. Ze hebben dezelfde financiële draagkracht maar hun bijdrage is verre van dezelfde. De meeste gezinnen bevinden zich uiteraard ergens tussenin deze twee uitersten en hebben zowel een inkomen uit arbeid als een inkomen uit hun vermogen. Al is dat tweede voor de meesten (erg) beperkt in vergelijking met hun inkomen uit arbeid. Het financieel vermogen van de gezinnen is immers veel ongelijker verdeeld dan het inkomen uit arbeid. Zo zijn de 10 procent hoogste inkomens goed voor 30 procent van alle inkomsten uit arbeid6, maar voor 53% van het financieel vermogen en zelfs 62% van het financieel vermogen met marktwaarde.7 Voor die 10 procent hoogste inkomens is het aandeel van vermogensinkomsten in hun totale inkomen dan ook groter dan bij een doorsnee gezin, en zeker in vergelijking met de vele gezinnen die amper of niet over vermogensinkomsten beschikken. Het is duidelijk dat dit de globale progressiviteit van ons bijdragesysteem sterk aantast. En aangezien het netto financieel vermogen van de Belgische gezinnen behoorlijk groot is, mag dit effect niet onderschat worden. In geen enkel Europees land is het netto financieel vermogen van de gezinnen groter dan in België: 212,1% BBP tegenover gemiddeld 128,5% BBP in de EU-15.8

Dit zijn geen nieuwe vaststellingen. Ik pleit dan ook al veel langer voor een hervorming van de inkomensfiscaliteit om de scheeftrekking tussen de fiscale behandeling tussen arbeidsinkomsten en vermogensinkomsten recht te trekken door een verschuiving van de fiscaliteit: minder op arbeidsinkomsten en meer op vermogensinkomsten. Maar het is wat mij betreft zonneklaar dat wanneer we in het kader van de begrotingssanering een extra bijdrage vragen aan de gezinnen, er wordt gekeken naar de inkomsten uit vermogen. Zo zal de inspanning voornamelijk gedragen worden door diegenen die over de grootste financiële draagkracht beschikken, zal de globale progressiviteit hersteld worden en zal de mate waarin het gelijkheidsbeginsel geschonden wordt, afnemen.

De hervorming van de fiscaliteit van vermogensinkomsten moet wat mij betreft ook resulteren in een eenvoudiger en eenvormiger systeem. Zoals gezegd is het huidig stelsel een amalgaam van tarieven en vrijstellingen. Volgens de Hoge Raad van Financiën ‘slaat [dit] een grote bres waarvan de fiscale spitstechnologie gebruik maakt’.9 Zo worden allerhande financiële producten ontwikkeld om belastbare inkomsten om te zetten in niet-belastbare meerwaarden. De uitgesproken niet-eenvormigheid van de fiscale behandeling van vermogensinkomsten zorgt er bovendien voor dat gezinnen met eenzelfde inkomen uit vermogen geen gelijke fiscale bijdrage leveren zonder dat er sprake is van een gedragssturende doelstelling. De HRF bestempelt de niet-eenvormigheid dan ook als een probleem en raadt een eenvormige behandeling van vermogensinkomsten aan.

HOE PAKKEN ONZE NOORDERBUREN HET AAN?

Een interessante inspiratiebron met het oog op de hervorming van onze vermogensinkomstenfiscaliteit is het Nederlandse systeem. De Nederlandse inkomstenbelasting bestaat uit drie boxen. Box 1 betreft het inkomen uit werk, periodieke uitkeringen en inkomen uit eigen woning en is vergelijkbaar met onze inkomstenbelasting; Box 2 betreft het inkomen uit aandelen die als aanmerkelijk belang worden beschouwd; en onder Box 3 - de zogenaamde vermogensrendementheffing - vallen alle overige vermogensinkomsten. In Box 3 wordt de bijdrage op de vermogensinkomsten berekend op basis van een forfaitair rendement op het vermogen waarbij een eerste schijf van het vermogen is vrijgesteld. De grondslag is zeer ruim: het ganse vermogen met inbegrip van afgezonderde particuliere vermogens zoals trusts en vergelijkbare vehikels, maar met uitzondering van de eigen woning, pensioenvoorzieningen, aandelen die behoren tot een aanmerkelijk belang en bezittingen voor persoonlijk gebruik (auto, inboedel). Het forfaitair rendement is wettelijk vastgelegd overeenkomstig de historische en dus langetermijngemiddelde opbrengstvoet. In Nederland is dat 4%. Vervolgens wordt dat forfaitair rendement belast aan een tarief van 30%10, wat overeen komt met de gemiddelde aanslagvoet in de personenbelasting. Zoals gezegd worden noch pensioenvoorzieningen noch de eigen woning samen met de andere vermogensbestanddelen in Box 3 belast. Pensioenen worden belast in Box 1 wanneer ze worden uitgekeerd11, de (forfaitaire inkomsten uit de) eigen woning worden eveneens in Box 1 belast gezien de link met de hypotheekrenteaftrek die in Box 1 wordt verrekend. Het inkomen uit aandelen die behoren tot een aanmerkelijk belang worden dan weer belast in een aparte Box 2. In dat geval is er geen forfaitaire heffing maar worden verkoopswinsten en dividenden belast wanneer ze worden gerealiseerd en op basis van het werkelijk rendement. Deze aparte regeling werd ingevoerd om te vermijden dat ondernemers ongewenst aandelen van hun eigen onderneming zouden moeten verkopen om een forfaitaire belasting te kunnen betalen. Ten slotte zijn bepaalde beleggingen zoals beleggingen met een ecologisch, sociaal of cultureel label en beleggingen in durfkapitaal vrijgesteld tot een bepaald bedrag. De totale opbrengst van de vermogensinkomstenbelastingen (Box 2 en 3) bedroeg 4,8 miljard euro in 2007. De modale spaarder werd daarbij in belangrijke mate ontzien: slechts 1 op 5 Nederlanders betaalde een vermogensrendementheffing. En van diegenen met een belastbaar vermogen in Box 3 waren de 10% rijksten goed voor 62,6% van de totale opbrengst.

Een belangrijke kritiek op het Nederlandse systeem is dat de belasting en het werkelijke rendement van elkaar zijn losgekoppeld waardoor de effectieve belasting regressief is: hoe hoger het werkelijke rendement, hoe lager de effectieve belasting. Deze kritiek is terecht maar kan enigszins genuanceerd worden. Hogere rendementen gaan gepaard met hogere risico’s. Wie dus een bovengemiddeld rendement nastreeft riskeert met een lager dan gemiddeld rendement te eindigen. We kunnen stellen dat dit zich op lange termijn enigszins uitvlakt. Een tweede kritiek betreft de praktische problemen die zich zouden stellen om dergelijk systeem in België in te voeren zoals het fiscaal bankgeheim en de waardering van de verschillende vermogensbestanddelen, in het bijzonder de onroerende goederen. Wat het bankgeheim betreft is het voor mij duidelijk. Daar moeten we van af, zelfs als we onze vermogensinkomstenfiscaliteit zouden laten voor wat ze is. Het fiscaal bankgeheim is immers één van de grootste hinderpalen in de strijd tegen de fraude. De problematiek van de waardering lijkt me dan weer overtrokken. Als het in Nederland kan - overigens met bijzonder weinig geschillen - waarom dan niet in België? Bovendien zijn de kadastrale inkomens, die gebaseerd zijn op waardering in 1975, sowieso aan herziening toe. Volgens de OESO is de toegewezen waarde van woningen gemiddeld lager dan de helft van de werkelijke waarde, en gezien de steeds groter wordende kloof tussen de huurprijzen en het kadastraal inkomen zijn de winnaars van ons systeem de eigenaars van meerdere woningen die ze aanbieden op de huurmarkt.12 Een derde kritiek is meer algemeen van aard: een verhoging van de fiscaliteit op vermogensinkomsten zou kapitaalvlucht bewerkstelligen. Een evolutie naar wat in de rest van Europa gangbaar is, zal echter geen bijzondere stimulans teweeg brengen om vermogens te gaan verplaatsen. Bovendien stel ik vast dat de internationale uitwisseling van fiscale (bank)inlichtingen de voorbije jaren sterk is toegenomen. Ook België schakelt zich sinds de financiële crisis en de daaruit voortvloeiende internationale druk willens nillens in die logica in, na decennialang op de vier wielen te hebben geremd. Het wordt dan ook steeds moeilijker om je vermogen in het buitenland te verstoppen. Het zal met die kapitaalvlucht zo’n vaart niet lopen. Ten slotte, en niet onbelangrijk in de Belgische context, is er de discussie over gerealiseerde minwaarden op aandelen. Telkens iemand de onbeperkte meerwaardevrijstelling in ons land ter discussie stelt, wordt de problematiek van de minwaarden naar voor geschoven en als onoverkomelijk voorgesteld. Dit wordt echter irrelevant in het kader van een forfaitaire vermogensrendementheffing: stijgende en dalende aandelenkoersen worden weerspiegeld in de heffingsgrondslag waardoor de vermogensrendementheffing zowel met de latente meer- als minwaarden rekening houdt.

Het Nederlandse model is dus eenvoudig en eenvormig, met een ruime stabiele grondslag en minimale arbitragemogelijkheden, dat relatief hoge en stabiele opbrengsten genereert en tegelijk de modale spaarder ontziet. Het is uiteraard onmogelijk en evenmin wenselijk een buitenlands belastingsysteem van vandaag op morgen klakkeloos over te nemen. Op weg naar de invoering van wat ik een vermogenswinstbijdrage wil noemen, moeten nog een aantal politieke en technische hindernissen worden genomen zoals de opheffing van het fiscaal bankgeheim en de waardering van bepaalde vermogensbestanddelen. Er zullen ook een aantal politieke knopen moeten worden doorgehakt waaraan een ongetwijfeld boeiend debat vooraf zal gaan. Op welk percentage wordt het forfaitaire rendement vastgelegd? Als we een langetermijngemiddeld rendement beogen, spreken we dan over 10 jaar of over 50 jaar? En wensen we dat het forfaitair rendement op regelmatige basis wordt herzien? Kiezen we voor een vlak tarief overeenkomstig met het gemiddeld tarief in de personenbelasting of voor een progressieve tariefstructuur? Hoe zorgen we ervoor dat de eigen woning buiten schot blijft?

CONCLUSIE

Voor sp.a is een fundamentele hervorming van de vermogensinkomstensfiscaliteit één van de prioriteiten van de volgende federale regering. De zeer ongelijk verdeelde vermogensinkomsten hebben de voorbije decennia genoten van een veel te gunstig fiscaal regime waardoor arbeidsinkomsten quasi volledig voor de financiering van ons sociaal welvaartsmodel hebben gezorgd. De verschillende behandeling van arbeid- en vermogensinkomsten zorgt niet alleen voor de uitholling van het draagkracht- en het gelijkheidsbeginsel, het brengt de houdbaarheid van ons model in gevaar. Het netto financieel vermogen groeit op lange termijn sneller dan het BBP13, terwijl het aandeel van de lonen in het BBP de voorbije 20 jaar stelselmatig terugliep.14 Met andere woorden: we zijn voor de financiering van ons sociaal welvaartsmodel bijzonder afhankelijk van wat steeds minder opbrengt en ontzien wat steeds meer oplevert. Dat is om problemen vragen. Het is dan ook hoog tijd om te evolueren naar wat gangbaar is in de rest van Europa en vermogensinkomsten aan een eerlijke fiscale bijdrage te onderwerpen. Op termijn is het de uitdrukkelijke bedoeling met die meerinkomsten de lasten op arbeid te verlagen en zo de scheeftrekking tussen de fiscale behandeling van arbeidsinkomsten en vermogensinkomsten recht te trekken. Op korte termijn staan we evenwel aan de vooravond van een begrotingssanering die de grote saneringsoperaties van de voorbije 40 jaar overtreft. Als we in dat kader een extra bijdrage vragen aan de gezinnen, dan is het wat sp.a betreft duidelijk dat de inkomsten uit vermogen worden aangesproken door de invoering van wat ik een vermogenswinstbijdrage wil noemen, geïnspireerd op het Nederlandse model.

Dirk Van der Maelen
Federaal parlementslid en ondervoorzitter van sp.a

Noten
1/ OESO (2009), Taxing wages.
2/ Van Cauter en Van Meensel (2006), Het herverdelende karakter van de belastingen en de sociale bijdragen.
3/ Decoster, De Swerdt en Verbist (2007), Indirect taxes and social policy: distributional impact of alternative financing of social security, CES Discussion Paper 07.11.
4/ België? Een belastingparadijs!, Cash, 13/04/2006.
5/ Haal de centen waar ze zitten, Trends, 24/09/2009.
6/ Van Cauter en Van Meensel (2006), Ibid.
7/ Vuchelen en Rademaekers (1998), Het Belgisch gezinsvermogen, 1992-1997.
8/ Cijfers Eurostat voor 2007. Geen gegevens beschikbaar voor Griekenland en Luxemburg.
9/ Hoge Raad van Financiën (2007), Belasting op arbeid, werkgelegenheid en concurrentievermogen.
10/ Dergelijk systeem kan worden beschouwd als een vermogensbelasting van 1,2% (= 30% x 4%), maar dan wel met de wetenschap dat in die redenering alleen het vermogen maar niet de vermogensinkomsten worden belast. Het is het ene of het andere. Het is met andere woorden geen vermogensbelasting die bovenop de bestaande vermogensinkomstenbelastingen komt.
11/ In Nederland is het niet mogelijk het volledige bedrag in één keer uitbetaald te krijgen.
12/ Hoj (2009), How to reform the Belgian tax system to enhance economic growth.
13/ Ondanks twee serieuze beurscrisissen (die van de technologieaandelen en de recente bankencrisis) steeg het netto financieel vermogen van de gezinnen met 93,8% tussen het laatste kwartaal van 1992 (begin van de statistieken) en het laatste kwartaal 2009, terwijl het (nominaal) BBP over dezelfde periode toenam met 83,8%.
14/ NBB (2007), Jaarverslag 2007 - Economische en financiële ontwikkeling.

fiscaliteit - vermogensbelasting

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 10 (december), pagina 4 tot 9