Abonneer Log in

Naar meer rechtvaardige Vlaamse fiscaliteit

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 10 (december), pagina 27 tot 32

Stellen dat de roep vanuit Vlaamse hoek om meer fiscale autonomie steeds luider klinkt is vandaag de dag een open deur intrappen. Nu in elk mogelijk akkoord over een verdere staatshervorming een uitbreiding van deze autonomie echter zo goed als onafwendbaar is geworden, loont het de moeite om eens na te gaan wat Vlaanderen in het verleden heeft aangevangen met haar huidige pakket aan fiscale bevoegdheden. We argumenteren dat een degelijke beleidsmonitoring en sterkere kapitaalsbelastingen eerste stappen zijn naar meer rechtvaardige Vlaamse fiscaliteit. In het vervolg van dit artikel leggen we ons toe op de Vlaamse successie- en schenkingsrechten, omdat deze een goed vertrekpunt vormen om te komen tot een meer rechtvaardige Vlaamse fiscaliteit. Knopen we opnieuw aan met de Verlichting of glijden we af naar een Flandre à papa?

TERUGBLIK

In juli 2010 publiceerde de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) een ontnuchterend rapport.1 In dit rapport onderneemt de SERV als eerste een poging om een coherent overzicht te bieden van het door Vlaanderen gevoerde fiscaal beleid sinds de derde staatshervorming eind jaren 1980. Met de stemming van de Bijzondere Financieringswet in 1989 zetten de Belgische gewesten namelijk hun eerste stappen op het pad van de fiscale autonomie. Deze autonomie werd gevoelig uitgebreid door de Lambermonthervorming van 2001.

Vandaag oefenen de gewesten een bijna volledige bevoegdheid uit over twaalf voorheen federale belastingen2 en hebben ze een beperkte bevoegdheid op het vlak van de personenbelasting. Voorts beschikken de gewesten en gemeenschappen over de mogelijkheid om nieuwe belastingen in te voeren op materies die tot hun bevoegdheden behoren. Hierbij dient wel vermeld dat voor de gemeenschappen deze mogelijkheid louter theoretisch is, wegens het ontbreken van een ondubbelzinnige territoriale afbakening van de gemeenschappen, met name in Brussel.

De eigen gewestinkomsten vertegenwoordigden in 2008 respectievelijk 47%, 37% en 55% van de totale middelen van het Vlaamse, Waalse en Brussels Hoofdstedelijk Gewest.3 Deze fiscale autonomie maakt van de gewesten nog geen hoofdrolspeler in het beheren en regelen van de totale fiscale en parafiscale ontvangsten. De gewesten zijn (met inbegrip van de bijdrage voor de Vlaamse zorgverzekering) in 2008 goed voor 5,24% van de totale fiscale en parafiscale opbrengsten in België.4 Er bestaan geen exacte cijfers over het aandeel van de Vlaamse gewestbelastingen in het geheel van de door gezinnen en ondernemingen in Vlaanderen betaalde fiscale en parafiscale lasten. Op basis van een aantal hypothesen raamt de SERV dat het Vlaamse Gewest in 2007 bij benadering voor iets meer dan 4,9% de fiscale en parafiscale lasten in Vlaanderen bepaalde.5

Uit het SERV-rapport blijkt dat het Vlaams fiscaal beleid tot voor de inwerkingtreding van de Lambermonthervorming in 2002 vooral gekenmerkt werd door het streven naar een efficiëntere inning van de belastingen. Ook positief is dat werk werd gemaakt van de afstemming van de successierechten op gewijzigde samenlevingsvormen. Zo kwam er een einde aan de ongelijke tarifering van gehuwden en samenwonenden (zowel wettelijk als feitelijk samenwonenden). Met de verlaging van de tarieven in de successierechten en de afbouw van de onroerende voorheffing op materieel en outillage werden ook enkele eerste stappen gezet in de richting van een beleid dat eenzijdig gericht was op het toekennen van lastenverlagingen.

Na Lambermont kwam, omwille van de gunstige budgettaire situatie, de nadruk van het Vlaams fiscaal beleid echter bijna uitsluitend op het doorvoeren van algemene en doelgerichte lastenverlagingen te liggen. Bekende voorbeelden hiervan zijn de jobkorting, de verlaging van de tarieven in de schenkingsrechten en de meeneembaarheid van de registratierechten. Dit beleid bereikte een hoogtepunt in 2009. In dat jaar leverden de over de jaren heen doorgevoerde hervormingen en maatregelen de Vlaamse gezinnen en ondernemingen een uitzonderlijk hoge lastenverlaging op van 2,2 miljard euro in vergelijking met de situatie bij ongewijzigd beleid.6 Dit bedrag stemt overeen met maar liefst de helft van de dat jaar effectief betaalde gewestbelastingen.7

De Vlaamse Regering heeft de afgelopen twintig jaar slechts één keer een tariefverhoging doorgevoerd in voorheen federale belastingen, namelijk in 1991. Dat jaar werd het tarief van enkele minder belangrijke belastingen (kansspelen en automatische ontspanningstoestellen) verhoogd. Ook het gewestelijk tarief voor de onroerende voorheffing werd toen verhoogd (van 1,25% naar 2,5%). Zelfs nu de crisis de Vlaamse begroting in het rood heeft geduwd, weigert de Vlaamse Regering om nieuwe inkomsten aan te boren en zoekt ze haar heil enkel in besparingen. De afschaffing van de jobkorting buiten beschouwing gelaten, blijft de Vlaamse regering zelfs vandaag nog bijkomende lastenverlagingen toekennen.

Deze eenzijdige nadruk op lastenverlagingen heeft de drie traditionele doelstellingen van elk fiscaal beleid (financiering van openbare diensten en de welvaartstaat, beïnvloeding van het economisch gedrag van gezinnen en ondernemingen en herverdeling van inkomens en vermogens) grotendeels van de Vlaamse politieke agenda verdrongen. Bij deze vaststelling moet wel opgemerkt worden dat een aanzienlijk aantal doelgerichte lastenverlagingen bij hun invoering verdedigd werden omwille van hun veronderstelde invloed op het economisch gedrag van de belastingplichtigen. Voorbeelden hiervan zijn de meeneembaarheid van de registratierechten (zou de mobiliteit op de arbeidsmarkt verhogen) en de invoering van de jobkorting (zou de werkloosheidsval verkleinen). De SERV merkt hierover echter terecht op dat ‘een analyse van de mate waarin deze doelstellingen werden gerealiseerd en van de beoogde baten (…) begint met een degelijke becijfering van de impact ervan. De Vlaamse overheid stelt dergelijke becijfering niet voorop en beschikt blijkbaar ook niet over voldoende data om een dergelijke becijfering uit te voeren’.8 Nog verontrustender is de vaststelling van de SERV dat het op basis van de beschikbare gegevens niet mogelijk is om uitspraken te doen over de verdeling van de geïnde opbrengsten uit de gewestbelastingen tussen de Vlaamse gezinnen en ondernemingen, laat staan over de aandelen van de verschillende inkomens- en vermogensdecielen binnen deze groepen. De Vlaamse Regering moet daarom dringend werk maken van een meer onderbouwde effectenmeting van haar fiscaal beleid.

Het ontbreken van deze gegevens bemoeilijkt vanzelfsprekend een debat over de rechtvaardigheid van de Vlaamse belastingen. Toch vallen er uit de beschikbare data een aantal conclusies over deze problematiek te formuleren. Zo stelden Bart Capéau en André Decoster in een analyse voor het Steunpunt Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen (SBOV) uit 2004 al dat de hervorming van de registratierechten vooral ten goede kwam aan eerder welvarende en grotere gezinnen met oudere kinderen.9

VLAAMSE SUCCESSIE- EN SCHENKINGSRECHTEN

Er bestaan verschillende redenen waarom de Vlaamse successie- en schenkingsrechten de nodige aandacht verdienen van zij die begaan zijn met het bekomen van een grotere rechtvaardigheid in de fiscaliteit.

Ten eerste is er de vaststelling dat in België (en in Europa) omwille van de strenge loonmatigingspolitiek het loonaandeel in het BBP sinds het begin van de jaren 1980 stelselmatig daalt.10 Dit ten voordele van de inkomens uit kapitaal. Het is daarom niet meer dan logisch dat ook in de belastingen een verschuiving plaatsvindt van de lasten op arbeid naar belastingen op het vermogen. Hoewel de successie- en schenkingsrechten stricto sensu geen belasting op vermogen zijn (in hoofde van de begunstigde vormt de erfenis of gift een inkomen), worden ze in de praktijk hier wel onder geklasseerd. Sterker nog, aangezien er in België geen ‘echte’ vermogensbelasting bestaat, vormen de successie- en schenkingsrechten in ons land zelfs één van de belangrijkste belastingen op kapitaal.

Ten tweede vormen de successie- en schenkingsrechten een belangrijk bestanddeel van de Vlaamse inkomsten uit de gewestbelastingen. Hoewel de inkomsten uit kapitaalbelastingen in België amper 1,5% van de totale fiscale en parafiscale opbrengsten vertegenwoordigen en de opbrengsten uit de successie- en schenkingsrechten slechts 1,2% van de in Vlaanderen betaalde belastingen en sociale bijdragen uitmaken11, waren de successie- en schenkingsrechten in 2008 samen goed voor 29% (1,27 miljard euro) van de Vlaamse belastingsopbrengsten.12 Dit betekent dat deze kapitaalbelastingen een significant effect hebben op de Vlaamse begroting. Wat ook blijkt uit volgend gedachte-experiment. Begin november 2010 was de Vlaamse Regering koortsachtig op zoek naar een bijkomende 90 miljoen euro om de begroting 2011 in evenwicht te houden. Uiteindelijk besloot de regering te besparen op wat nog restte van de jobkorting. Zonder blikken of blozen werd 75 miljoen euro bespaard op de rug van de 600.000 Vlaamse werknemers met de laagste inkomens zonder enige vorm van sociaal overleg of compensatie naar deze doelgroep in de begroting voor 2011. Stel echter dat de Vlaamse Regering er voor had gekozen om de gemiddelde aanslagvoet in de successierechten voor erfgenamen in rechte lijn (zonder echtgenoten en samenwonenden) met slechts 1% te verhogen van 5,95% naar 7%. Op basis van de cijfers van 2009 zou deze maatregel een meerinkomst van 83 miljoen euro hebben opgeleverd.13

Een derde reeks argumenten voor voldoende hoge successierechten is van meer fundamentele aard. Het spreekt voor zich dat socialisten hoge erfenisrechten zien als een belangrijk middel tot het bekomen van een grotere herverdeling van de welvaart. Er vallen echter ook liberale argumenten aan te halen om een voldoende hoge erfenisbelasting te bepleiten. Zo druisen hoge erfenissen in tegen alle meritocratische principes. Het afschaffen van erfrechten zoals de dode hand en het instellen van rechtvaardige erfenisrechten was dan ook één van de belangrijkste eisen van de opkomende liberale burgerij tegenover het Ancien Régime. Vanuit deze optiek is het dan ook niet verwonderlijk dat prominente liberalen als Alexis De Tocqueville, John Stuart Mill en Franklin D. Roosevelt allen voorstander waren van hoge erfenisbelastingen.14

Het spreekt voor zich dat de successie- en schenkingsrechten wegens de mogelijkheden tot substitutie idealiter goed op elkaar afgestemd moeten zijn met tarieven die dicht bij elkaar of zelfs gelijk liggen. Dit was het geval in de oude federale regelgeving. Bij het toekennen van fiscale autonomie eind jaren 1980 werden de twee stelsels echter uit elkaar getrokken. De successierechten werden gewestbelastingen, terwijl de schenkingsrechten federaal bleven tot aan de Lambertmonthervorming. Hierdoor bestaan er vandaag sterk uiteenlopende tarieven voor beide belastingen.

De Vlaamse Regering heeft ondertussen grondige wijzigingen aangebracht aan beide stelsels. Deze hervormingen kwamen telkens neer op aanzienlijke tariefverlagingen. Een beperkt aantal van deze verlagingen valt nog te verdedigen als het rechtzetten van bestaande onrechtvaardigheden15; het merendeel is echter niet anders te benoemen dan als fiscale cadeaus aan mensen die een inkomen verwerven zonder dat daar enige prestatie of merite tegenover staat.

De belangrijkste hervormingen in de successierechten zijn het afschaffen van de hoogste tarieven en een drastische inperking van het aantal tariefschalen. De huidige tariefschalen worden ook niet meer toegepast op het geheel van de nalatenschap, maar afzonderlijk voor het roerende en het onroerende gedeelte. Voor familiebedrijven werd een afzonderlijke regelgeving ingevoerd mits naleving van een tewerkstellingsvoorwaarde. Vanaf 1997 konden deze bedrijven genieten van een vlak tarief van 3%, in 2000 werd dat een volledige vrijstelling en in 2009 werd uiteindelijk de tewerkstellingsvoorwaarde opgeschort als tijdelijke crisismaatregel.16

Ook de schenkingsrechten werden sinds 2002 grondig hervormd. In 2004 kwam er een wel zeer drastische verlaging van de schenkingsrechten op roerende goederen met de invoering van een vlak tarief van 3% bij schenkingen in rechte lijn of tussen echtgenoten en samenwonenden en van 7% voor alle anderen (ter vergelijking: voordien betaalde men in rechte lijn in de hoogste tariefschaal 30% en voor schenkingen aan anderen 80%). Voor onroerende goederen bleven de tariefschalen echter behouden, met uitzondering van een aanzienlijke tariefvermindering voor schenkingen van bouwgronden. Voor schenkingen van ondernemingen geldt een vlak tarief van 2%.

Deze aanzienlijke lastenverlagingen werden verdedigd met het argument dat hierdoor minder mensen zouden proberen de successie- en schenkingsrechten te ontduiken en dat daardoor de opbrengsten uit deze belastingen zouden toenemen. Op het moment van de doorgevoerde hervormingen viel hier nog wat voor te zeggen. In de nasleep van de financiële crisis wordt de druk op België echter steeds groter om werk te maken van de opheffing van het fiscaal bankgeheim17 en automatische informatie-uitwisseling met andere EU-lidstaten. Het doorvoeren van deze maatregelen maakt meteen ook het aanleggen van een vermogenskadaster naar Frans voorbeeld mogelijk, waardoor bovenstaand argument voor de tariefverlagingen vervalt en er geen enkele reden meer bestaat voor Vlaanderen om geen werk te maken van een meer rechtvaardige vermogensfiscaliteit binnen haar bevoegdheden.

Mehdi Koocheki
Adviseur studiedienst Vlaams ABVV

Noten
1/ SERV, 20 jaar Vlaams fiscaal beleid - De impact op gezinnen en ondernemingen, 1 juli 2010. Online beschikbaar op http://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/detail/20-jaar-vlaams-fiscaal-beleid-de-impact-op-gezinnen-en-ondernemingen.
2/ De belangrijkste zijn de registratierechten, de onroerende voorheffing, de verkeersbelasting, de successierechten en de schenkingsrechten.
3/ Algoed K. en Van den Bossche W., De Bijzondere Financieringswet in een notendop, pp.28-29. Steunpunt Fiscaliteit en Begroting, juni 2009. Online beschikbaar op http://docufin.fgov.be/intersalgfr/thema/publicaties/documenta/2009/BdocB\_2009\_Q2n\_Algoed\_VandenBossche.pdf.
4/ SERV, p. 5.
5/ Idem.
6/ Dit cijfer moet echter meteen genuanceerd worden aangezien alleen al de inmiddels afgeschafte jobkorting in 2009 goed was voor een kwart van de totale lastenverlaging.
7/ SERV, pp. 6-8.
8/ SERV, p. 9.
9/ SERV, p.63.
10/ ABVV, Sociaal-Economische Barometer 2010, p. 10.
11/ SERV, p. 18.
12/ SERV, p. 15.
13/ SERV, pp. 65-66.
14/ Beckert J., Are We Still Modern? Inheritance Law and the Broken Promise of the Enlightenment, MPIfG Working Paper 10/7. Köln: Max-Planck-Institut für Gesellschaftsforschung. Online beschikbaar op http://www.mpifg.de/pu/workpap/wp10-7.pdf.
15/ Specifiek gaat het over het gelijkstellen van de tarieven voor gehuwden en samenwonenden en het niet belasten van de gezinswoning in hoofde van de langstlevende partner (aan deze laatste maatregel is namelijk een belangrijke gendercomponent verbonden).
16/ Deze maatregel wordt eind 2011 geëvalueerd. De kans is echter reëel dat deze tijdelijke opschorting een definitief karakter krijgt.
17/ België, Luxemburg en Oostenrijk zijn de enige drie EU-lidstaten waar het fiscaal bankgeheim nog bestaat.

fiscaliteit - Vlaamse fiscaliteit - successie- en schenkingsrechten

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 10 (december), pagina 27 tot 32