Abonneer Log in

Het opgeheven vingertje of de uitgestoken hand?

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 2 (februari), pagina 57 tot 62

‘Burgertje pesten’ door te dreigen met meerdere crises of het opgeheven vingertje werkt averechts uit op de bereidheid om te veranderen richting een duurzame samenleving. Kies voor gedifferentieerde beprijzing van vervuiling, met behoud van enige vrijheid voor burgers om in eigen tempo te veranderen. Biedt ook de uitgestoken hand van praktische, vaak lokale initiatieven om de verandering te organiseren. Geen innovatie zonder organisatie.

VAN VERLAMMING NAAR ENTHOUSIASME

Banken gaan ten onder; voor miljarden is er steun aan meer fortuinlijke banken; bonussen wekken massaal woede, de economie krijgt een klap als in de jaren dertig en mensen verliezen hun baan: in deze stroom van slecht nieuws hebben linkse politici geregeld gewezen op nog slechter nieuws. Er is een kredietcrisis maar ook een klimaatcrisis en een voedselcrisis. Het is alsof uw huis in brand staat en u te horen krijgt dat uw stroom wordt afgesloten. U zult begrijpen dat het grote publiek niet zeer ontvankelijk is geweest voor nog slechter nieuws.

Het is vooral een onhandige poging geweest om een groot probleem onder de aandacht brengen. Het is onhandig want weinig overtuigend. Er zijn overeenkomsten in het ontstaan van de crises. Kort gezegd, als mensen zich bij hun keuzes laten leiden door winsten en bonussen op de korte termijn en de risico’s van hun keuzes voor de lange termijn vergeten, dan kan dat onbedoelde maar grote gevolgen hebben voor een complex systeem als de economie en de ecologie. De bankiers hebben onvoldoende rekening gehouden met het destabiliserende effect van schuldfinanciering terwijl energiegebruikers onvoldoende rekening houden met de schade van broeikasgassen voor het klimaat. Maar dat er tot op zekere hoogte overeenkomsten in de aard van de problemen zijn, wil nog niet zeggen dat er overeenkomsten in de oplossingen zijn, zeker niet bij praktische oplossingen. Het verband tussen hogere kapitaaleisen aan banken via het Basels Comité en tussen handel in emissierechten of het invoeren van CO2-belasting is niet makkelijk te vinden. Het is gezocht.

Maar het is vooral onhandig want onheilspellend. Het beeld van een crisis is toch vooral bedreigend. Dat geldt des te meer als de gewone burgers en de nationale politici machteloos lijken, omdat het aanpakken van het klimaatprobleem niet kan zonder inspanning van landen als China, India en de Verenigde Staten. Sterker nog, in het perspectief dat Chinezen en Indiërs uiteindelijk ook allemaal een auto of een tweede auto willen hebben, komen inspanningen in Nederland en België futiel over. Een bedreiging kan tot verschillende reacties leiden: verlamming, vluchten, ontkennen. Maar met die reacties komt een oplossing en het aanvaarden daarvan niet dichterbij.

Voor een minder onheilspellende en meer activerende visie zullen steeds de uitgangspunten voorop moeten staan. Bij het behoud van milieu en klimaat is solidariteit tussen de huidige en de toekomstige generaties een belangrijk uitgangspunt. Het is een opdracht tot een betere wereld voor onze kinderen en kleinkinderen. Dat betekent dat wij zullen moeten doen wat we onze kinderen en kleinkinderen proberen te leren: de rotzooi achter ons opruimen. We willen niet dat onze kinderen de rekening van de kredietcrisis betalen en dat de staatsschuld hoog oploopt. Evenzo zouden we niet moeten willen dat onze kinderen de klimaatcrisis betalen en de klimaatschuld steeds verder oploopt. Sterker nog, onze opdracht tot het behoud van milieu en klimaat is groter en grootser dan het omgaan met de gevolgen van vergrijzing. Een uitgangspunt is ook dat in een activerende visie de (toekomst)mogelijkheden duidelijk moeten zijn. Een duurzame samenleving ligt binnen ons bereik, niet in één klap maar wel stap voor stap. Er zijn voldoende technieken en maatregelen die zonder hoge kosten de duurzame samenleving vele stappen dichterbij brengen. Het vereist wel coördineren via of samenwerken in nationale en internationale gemeenschappen. Juist dan worden inspanningen hier niet teniet gedaan door gebrek aan inspanningen elders. Juist dan hoeven de kosten van klimaatbeleid niet hoog te zijn.

Een pleidooi voor solidariteit, een optimisme over de toekomst en een geloof in samenwerking in nationale en internationale gemeenschappen: het is duidelijk dat de transitie naar een duurzame samenleving op zichzelf goed in een linkse, sociaaldemocratische visie past.

KOOPKRACHT VERSUS KLIMAAT?

Toch is het niet zo dat duurzaamheid bij uitstek als een kenmerk van de sociaaldemocratie wordt gezien. Dat heeft te maken met prioriteiten van de kiezers. Die hechten in de regel een groter belang aan veiligheid, koopkracht, banen, zorg, enzovoort. In Nederland richt GroenLinks zich specifiek op kiezers die aan duurzaamheid de hoogste prioriteit toekennen. Dat is echter een beperkte elitaire groep. De partij schommelt rondom de 10 van de 150 zetels en een doorbraak naar grotere aantallen lijkt niet in het verschiet te liggen. Ook volkse partijen zullen duurzaamheid moeten omarmen om Nederland weer een koploper te maken. Het heeft ook te maken met de prioriteiten van linkse politici. Als zij spreken over ‘eerlijk delen’ dan spreken zij in eerste aanleg over solidariteit binnen de huidige generaties - koopkracht en banen - en niet over solidariteit met toekomstige generaties. Deels weerspiegelt dit de prioriteiten van de kiezers. Deels weerspiegelt dit een ogenschijnlijk lastig dilemma: klimaatbeleid lijkt ten koste te gaan van koopkracht en banen, ook of met name van mensen met een laag of gemiddeld inkomen. Dit dilemma wordt geregeld verdoezeld. Steevast wordt gewezen dat de introductie van nieuwe duurzame technieken toch een innovatie is en bovendien leidt tot nieuwe banen. Dat is op zich waar maar het verdoezelt dat de introductie van deze technieken per saldo kosten met zich meebrengt. Als het zo voordelig is om zonnecellen of windmolens te introduceren, kan je je afvragen waarom eerst de stoommachine en de benzinemotor zijn uitgevonden en toegepast. Maar gesteld voor het dilemma heeft een deel van de linkse politici nog de aloude reflex te kiezen voor het oude en het bestaande. Zeker de Nederlandse Socialistische Partij (SP) kiest in de regel voor koopkracht en traditionele banen: tegen kilometerbeprijzing en tegen een hogere energiebelasting voor kleinverbruikers.

Maar is het dilemma van klimaat versus koopkracht, van duurzaamheid versus materiële welvaart zo lastig als het schijnt?
Het is niet zo dat mensen met een laag inkomen en slechte positie op de arbeidsmarkt van klimaat- en energiebeleid niets te vrezen hebben. Er is een beeld van tochtige, slecht geïsoleerde huizen, oude auto’s, verjaarde verwarmingsinstallaties, kiloknallers aan goedkoop vlees, banen in traditionele, energie-intensieve industrieën. Dat beeld klopt. Uit de economische literatuur blijkt dat het directe statische effect van koolstof- of energiebelasting relatief slecht uitpakt voor huishoudens aan de onderkant van de inkomensverdeling. Het beeld klopt niet altijd. Zo blijkt een hogere energiebelasting op aardgas voor kleinverbruikers niet regressief uit te werken. Wel is het zo dat spreiding van de inkomenseffecten bij de lagere inkomens relatief groot is, zodat aandacht voor die inkomenseffecten niet achterwege kan blijven. Het is al met al voor mij een reden geweest om het vorige kabinet - Balkenende IV - de opdracht te geven dit door te voeren. Maar die opdracht is tussen wal en schip beland, door de val van dat kabinet en de komst van het nieuwe kabinet-Rutte.

De doorwerking op de economie is zeker zo belangrijk als het statische effect op de koopkracht. Het is juist bedoeling de economie gestaag maar ingrijpend te veranderen. Het directe, statische effect zegt daarom weinig over het uiteindelijke, dynamische effect. Het meest duidelijke voorbeeld is de doorwerking op het aanbod en de aanbodsprijs als de vraag naar vervuilende energie wereldwijd daalt, bijvoorbeeld via emissierechten of belastingen. Bij een brede, internationale reductie van de vraag voor olie zal de aanbodsprijs daarvan dalen. Eenvoudig gezegd, de OPEC en de oliemaatschappijen betalen deels de rekening voor klimaatbeleid. Dat is toch een prettige gedachte. Een ander, praktisch relevanter voorbeeld is een verschuiving in lasten, van arbeid naar vervuilende activiteiten. Enerzijds biedt het de directe mogelijkheid om ongewenste inkomenseffecten teniet te doen of in elk geval te verzachten. Anderzijds biedt het de mogelijkheid de werking van de arbeidsmarkt te verbeteren. Een combinatie van een relatief hoge marginale druk en relatief hoge werkgeverskosten is mede debet aan de lastige, zwakke positie van laaggeschoolden op de arbeidsmarkt. Zij zijn dus gebaat met lagere lasten: de groep van laaggeschoolden zal minder structurele werkloosheid en een hogere participatie kennen. Hiermee zijn niet alleen zij gebaat maar ook de economie en de samenleving als geheel.

Beprijzing van vervuiling maakt onmiskenbaar deel van een linkse visie of uitwerking daarvan. Het biedt belangrijke voordelen boven administratieve of wettelijke maatregelen. Allereerst geeft het de aanzet tot nieuwe ideeën door uitlopende (markt)partijen die niet door de overheid te voorzien zijn. Zo zullen, met decentrale aanpak van beprijzing, ook bedrijven zich volop inspannen om nieuwe manieren van produceren en distribueren te vinden. Alleen met de vindingrijkheid van bedrijven en hun werknemers kan verduurzaming zich breed verspreiden in de economie en samenleving. Verder biedt het juist de mogelijkheid om angst voor onwelvallige inkomens- en werkgelegenheidseffecten te pareren. Sterker nog, mensen met een zwakke positie op de arbeidsmarkt kunnen en zullen gebaat zijn met beprijzing.

Vergroening is meer dan een lastenverschuiving van arbeid naar vervuiling: het vereist een differentiatie van tarieven en dus gebruikersprijzen. Er is daarmee niet één norm zoals bij administratieve of wettelijke voorwaarden, maar er zijn verschillen die burgers en bedrijven ertoe aanzetten hun keuzes te veranderen. Het heeft een economisch voordeel. Met differentiatie kan een belasting met eenzelfde opbrengst een groter effect sorteren: meer groen voor hetzelfde geld. Dat komt door de extra prikkel om andere keuzes te maken. Het heeft ook een maatschappelijk voordeel. Burgers en bedrijven kunnen kiezen. Er is een beloning voor goed gedrag. Dit geeft een gevoel van controle en sluit aan bij een gevoel van ‘fairness’. Zij die hun keuzes onveranderd laten, betalen meer dan zij die goede en goedkopere keuzes maken. Politiek is het gevoel van controle en fairness aantrekkelijk.

Laat ik twee voorbeelden geven van belastingen die in Nederland in hetzelfde jaar zijn ingevoerd: in 2008 is de bijtelling van de leaseauto bij het belastbaar inkomen gedifferentieerd naar drie tarieven en is de vliegtaks op bestemmingsverkeer geïntroduceerd. De eerste is een succes. Het gemor is minder omdat de leaserijder kan kiezen hoeveel bij het inkomen wordt opgeteld. Bovendien adverteren de autofabrikanten met auto’s die in een laag tarief vallen. De tweede is geen succes geweest, en is al in 2010 verdwenen. Het werd toch vooral gezien als een belasting om geld op te halen. Voor veel mensen is er geen goed alternatief voor de nationale luchthaven Schiphol. Bovendien drukte de heffing even zwaar op elk vliegtuig ongeacht het geluid of de broeikasgassen die een vliegtuig produceerde. Er werd daarom toch geprobeerd de belasting te ontlopen door uit te wijken naar luchthavens in België en Duitsland. Dit gebeurde op veel grotere schaal dan verwacht hoewel het geen economische rationale kende: de autorit was vaak (veel) duurder dan de bespaarde vliegtaks. De vliegtuigmaatschappijen moedigden de reizigers aan; in hun advertenties werd steevast vermeld dat bij vertrek over de grens geen vliegtaks betaald hoefde te worden.

De conclusie is dat het dilemma tussen koopkracht en klimaat niet onoverkomelijk hoeft te zijn. Dat geldt in het bijzonder bij beprijzing van milieu- en klimaateffecten. Dit biedt in de regel de mogelijkheid van compensatie voor een initieel effect van prijsveranderingen én de mogelijkheid om de werking van de arbeidsmarkt te verbeteren. Het is daarom te prefereren boven regulering waarin één of meer normen worden vastgelegd. Tegelijkertijd biedt beprijzing het voordeel van decentralisatie van beslissingen en van differentiatie tussen gebruikers. Met name dat laatste voordeel wordt onderschat.

HET OPGEHEVEN VINGERTJE OF DE UITGESTOKEN HAND?

De weerstand tegen de vliegtaks was groot. De ophef over het voornemen om de gloeilamp te verbieden was eveneens groot. De reacties op beiden waren niet ingegeven door een rationele overweging. De hoogte van de taks was stomweg te beperkt, alle doemverhalen over de effecten op vliegverkeer ten spijt, en een spaarlamp was en is voordeliger dan de gloeilamp. De reacties leken meer voort te komen uit een emotionele reflex. De vliegtaks werd ervaren als een belerend vingertje: alsof de vakantie van een genoegen in het leven tot een bron van schuld(gevoel) verwerd. Een verbod op de gloeilamp werd ervaren als een beschuldigend vingertje: alsof burgers te lui en te laks waren om hun gloeilampen te vervangen. Met een opgeheven vingertje werd het leven niet beter: steeds moet men zich afvragen wat ‘verantwoord’ is. Belangrijker nog was dat het vingertje werd geheven door de overheid en in naam van linkse partijen die niet langer het vertrouwen van delen van de bevolking hadden. Delen van de bevolking hebben niet het vertrouwen dat de overheid en linkse partijen voor hun belang opkomen. Sterker nog, zij spreken over burgertje pesten. Ze hebben bovendien niet het vertrouwen dat de overheid en de linkse partijen zelf het goede voorbeeld geven. Vliegen zij niet rond de wereld? Hebben zij al hun gloeilampen vervangen? Hoe het zij, het is de vraag of beleid niet minder belerend en meer tolerant kan zijn. Het zou toleranter kunnen zijn voor verschillen tussen burgers en bedrijven. Zo verschillen zij in hun mogelijkheden om veranderingen door te voeren. Niet dat die veranderingen niet tot stand zullen komen, maar het tempo waarin zal wel verschillen. Er zal steeds een voorhoede moeten zijn die laat zien hoe andere keuzes mogelijk en wenselijk zijn. Zo is de acceptatie van de elektrische auto niet gediend met het verbieden van vervuilende oldtimers maar wel met een zero-emission sportauto als de Tesla Roadster.

Links zou toleranter moeten zijn voor (tijdelijke) verschillen in energiegebruik of milieubelasting onder burgers en bedrijven. Maar het zou tevens moeten helpen om die verschillen uiteindelijk weg te nemen. Niet de morele superioriteit van het opgeheven vingertje maar de emanciperende worsteling tegen macht en onmacht. Daarmee staat links niet belerend boven burgers en bedrijven maar staat het naast hen bij het zoeken naar nieuwe mogelijkheden en bij een strijd tegen barrières die die mogelijkheden in de weg staan. Want u moet zich bedenken dat elke innovatie niet alleen bestaat uit de introductie van een nieuwe technologie maar ook een verandering in organisatie. Dat geldt voor bedrijven maar ook voor huishoudens en ook voor de samenleving. Zo heeft de overgang van vaste telefonie naar de smart phone tijd gekost en is het een strijd waarbij vele slechte maar ook goede ideeën gesneuveld zijn. De apps op de smart phone is als resultaat niet te voorzien geweest. Het is wel een mogelijkheid ons leven anders te organiseren.

En er zijn nog veel veranderingen te organiseren: het aanpakken van energieverspilling in bestaande bouw (in combinatie met stadsverwarming), groen beleggen door pensioenfondsen en maatschappelijk verantwoord bankieren, het nieuwe werken met meer mogelijkheden voor thuiswerken en telecommunicatie, vormen van elektrisch vervoer, enzovoort. Juist het organiseren ervan vraagt om samenwerking tussen burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en publieke instellingen. Zeker van die laatsten mogen en moeten we vragen om voorop te lopen. Al is het maar omdat dit het vertrouwen biedt dat veranderingen geen vormen van ‘burgertje pesten’ zijn. Tegelijkertijd is het interessant om te zien dat veel bedrijven zich goed bewust zijn dat veranderingen vroeger of later nodig zijn. Zij zijn zich aan het voorbereiden op die veranderingen, ongeacht de politieke stemming in de landspolitiek.

De sociaaldemocratie kent een lange traditie van lokale initiatieven en praktische samenwerking; ze sluit uitstekend aan bij organiseren van duurzame veranderingen. De emancipatie van de arbeiders ontstond niet door inkomensherverdeling maar verliep via scholen, betaalbare woningen, goede zorg. Evenzo verloopt de emancipatie van de energiegebruiker via groene bouw en verbouw, elektrisch vervoer en flexibele werkplekken. Het is emancipatie om ons individueel en gezamenlijk te ontworstelen aan oude patronen in consumptie en productie die de leefomgeving belasten, het milieu aantasten en het klimaat veranderen. Nogmaals, dit vereist samenwerking, vaak op lokaal niveau. Juist hierin kan de sociaaldemocratie zich onderscheiden: niet de vrijblijvendheid van liberalen, niet het opgestoken vingertje van groenliberalen maar de uitgestoken hand van de sociaaldemocraten. Dat is de theorie, nu de praktijk.

Paul Tang
Zelfstandig econoom en voormalig lid van de Tweede Kamer voor de PvdA

hernieuwbare energie - energie - milieu

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 2 (februari), pagina 57 tot 62