Abonneer Log in

Arabisch sociaal protest van revoltes naar revoluties

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 3 (maart), pagina 80 tot 87

Er waait een nieuwe wind door de Arabische wereld en overal weerklinkt de roep naar vrijheid, onafhankelijkheid en verandering. In de volgende bijdrage is het niet mijn bedoeling om op specifieke scenario’s voor de verschillende landen in te gaan. Enerzijds wil ik de islamfactor (meestal overbelicht in onze berichtgeving) enigszins nuanceren, anderzijds ga ik dieper in op de economische achtergrond van de opstand (meestal onderbelicht in onze berichtgeving). Enkele korte bedenkingen bij een politieke aardverschuiving.

Met de verdrijving van de Tunesische president Ben Ali (14/01) herwon het sociaal protest, dat al enkele jaren woedde doorheen de hele Arabische wereld, aan kracht. In Egypte werd president Mubarak, na 18 dagen van vreedzaam maar vastberaden protest, gedwongen af te treden (11/02). In Jordanië, Algerije en Jemen staken mensen zichzelf in brand in navolging van Mohammed Bouazizi, de man die het vuur aan de lont stak in Tunesië. In Libië, Bahrein, Irak en Marokko komen mensen op straat en eisen hervormingen: democratisch burgerschap los van religie, sekte of etnische achtergrond. De toekomst van deze protesten ligt allesbehalve vast en de kansen om naar een democratie te evolueren verschillen van land tot land. Toch kunnen we nu reeds wijzen op enkele belangrijke facetten van de veranderingen die de Arabische wereld ondergaat. In tegenstelling tot de mislukte ‘importdemocratie’ in Irak, want zonder enige politieke legitimiteit, heeft de relatieve verzwakking van de VS in de regio - grotendeels het gevolg van de neoconservatieve waanzin - het nu mogelijk gemaakt dat een autochtone, door het volk gedragen roep naar democratie vorm krijgt.

De aspiraties van de Arabische volkeren verenigen politieke eisen voor vrijheid en economische verlangens voor gelijkheid en rechtvaardigheid. De claim dat de Tunesische en Egyptische bevolkingen enkel op straat zijn gekomen tegen dictators die zich te lang aan de macht vastklampten of zichzelf en hun naaste omgeving te veel en te duidelijk hebben verrijkt, verhinderen ons de dieperliggende aard van de protesten te vatten. De dynamiek van de opstanden doorheen de hele Arabische wereld, en niet alleen de revoluties in Egypte en Tunesië, zijn onlosmakelijk verbonden met de aard van het hedendaags kapitalisme in de regio. De economische crisis die de Arabische landen treft, weerspiegelt de gevolgen van de economische politiek van de laatste decennia en stelt eveneens de vraag naar welke belangen de Arabische autocraten dienen en hoe zij de economische dominantie van de VS helpen in stand te houden. Daarom is de strijd tegen het despotisme in de regio ook altijd een klassenstrijd met anti-imperialistische ondertoon. Dit heeft niks te maken met ‘haat tegen het Westen’ maar met de vraag wiens belangen de Arabische staten eigenlijk dienen.

DE ISLAMFACTOR

Het is opvallend hoezeer de Egyptische revolutie gelezen wordt doorheen de zeer verouderde bril van de Iraanse islamitische revolutie van 1979. Het is alsof, naast de immense tegenstellingen en verschillen tussen de twee landen, de klok tussen 1979 en 2011 heeft stilgestaan en dat er geen enkele evolutie plaatsvond. Mensen willen misschien vrijheid maar ‘de’ islam (de ayatollahs in Iran en de Moslimbroeders in Egypte) zal anders beschikken. Het feit dat de Moslimbroeders gedurende lange tijd achter de feiten aan liepen op het Tahrir-plein was koren op de molen van de aanhangers van de ‘islamitische complottheorie’. ‘Zie je wel’, leken ze te stellen, ‘nu zijn ze stil om straks de macht naar zich toe te trekken’. De Moslimbroeders bleken tijdens de revolutie net zeer voorspelbaar, rationeel en… al bij al politiek banaal. Zoals gewoonlijk bliezen ze warm en koud, twijfelend tussen een hoop op het verdwijnen van Mubarak en angst voor de macht en de stem van het volk. Conservatieven doen, per definitie, niet graag mee aan revoluties en het Moslimbroederschap vormt daar geen uitzondering op. De westerse obsessie met de islam sinds 9/11 verhindert ons om de factor ‘islam’ in de huidige gebeurtenissen beter te kaderen en vooral om cruciale veranderingen in de Arabische wereld te zien!

De revolutie werd gestart en geleid door een generatie jongeren die meer pluralistisch en individualistisch zijn dan hun voorgangers. Sociologisch zijn zij de kinderen van na de Arabische demografische explosie, kinderen die steeds meer opgroeien in kerngezinnen, onderwijs genoten maar die tegelijkertijd door een torenhoge werkloosheid geconfronteerd worden met sociale marginalisering, een gebrek aan vrijheid en toekomstperspectieven. Dit gebrek aan vrijheden en mensenrechten botste steeds meer op onbegrip bij jongeren die eerst via de satellietzenders (Al Jazeera), daarna via het internet (blogs en email) en uiteindelijk via de sociale netwerken (Facebook, Netlog en Twitter) een groter venster op de wereld kregen.

De ordewoorden van de Tunesische en Egyptische betogers waren concreet en pragmatisch: ‘Dégage Ben Ali’, ‘Irhal Mubarak’ en ‘Weg met het systeem’ (an-nidham). Overal weerklonk het woord ‘huriyya’ (vrijheid). De eisen waren seculier: vrijheid en democratie! Deze jongeren zijn op geen enkele manier geïnspireerd of gefascineerd door Iran of door Saoedi-Arabië. Zij die in Egypte het Tahrir-plein bezet hielden, zijn sociologisch dezelfden die in Iran in 2009 (en nu opnieuw) tegen Ahmedinejads herverkiezing demonstreerden.1 Veel van deze jongeren zijn misschien gelovig maar scheiden dit van hun politieke eisen. Religieuze praktijken en overtuigingen worden steeds meer een persoonlijke keuze wat wijst op secularisering. De honderdduizenden op straat hebben op geen enkele manier gewacht op leiding of advies van de clerus, de Moslimbroeders of andere religieuze groepen.2 Sheikh Ahmed al-Tayyib, hoofd van één van de meest prestigieuze instellingen van de sunnitische islam, de al-Azhar universiteit, wachtte lang vooraleer een standpunt in te nemen. Voor één keer stond hij niet 100% achter Mubarak maar kwam niet veel verder dan een oproep tot kalmte en dialoog. De grootmoefti van de republiek probeerde zelfs de acties van Mubarak een religieuze grondslag te geven en trachtte op vrijdag 4 februari, de zogenaamde ‘dag van het vertrek’, moskeeën dicht te houden.3

Hetzelfde geldt overigens voor de Egyptische Christenen, de Kopten. De Koptische Kerk, bij monde van haar paus, Chenouda III, ging regelrecht achter Mubarak staan en verbood Kopten deel te nemen aan de betogingen. De Koptische kerkelijke bureaucratie was voor haar maatschappelijke invloed onlosmakelijk verbonden met en afhankelijk van Mubarak. De voornamelijk jonge Kopten luisterden niet. Ze willen participeren in het publieke politieke leven buiten de kerk, als burger en niet in de eerste plaats als Kopt. De massale deelname van Kopten aan de betogingen zijn dan ook een revolte tegen de kerkelijke omkadering… net zoals de moslimjongeren zich losmaken van het islamitische religieuze establishment.

Zoals reeds aangehaald, reageerde het Moslimbroederschap pragmatisch, elke directe confrontatie uit de weg gaand. De Moslimbroeders stonden op het Tahrir-plein maar deden tegelijkertijd mee aan de onderhandeling met vicepresident Omar Suleiman. Ze beschermden de betogers tegen de knokploegen van Mubarak maar weerhielden de betogers ervan om de gebouwen van de televisie en radio te bestormen.

Anders was het voor de Salafisten, een hedendaagse radicaalfundamentalistische stroming binnen de islam die in de tijd van de profeet Mohammed en de eerste generaties moslims de hefbomen wil vinden om het heden te organiseren. Deze zeer conservatieve strekking wil het maatschappelijk leven (politiek, economisch, cultureel en sociaal) ondergeschikt maken aan de geboden en verboden van de religie. De Salafisten, zoals altijd bevreesd voor ‘fitna’ of ‘interne verdeeldheid’, riepen op om de revolutie te beëindigen. Daardoor ondersteunden zij de facto Mubarak die er ook gretig gebruik van maakte. De paradox was dat het regime, dat onlangs nog de Salafisten beschuldigde van het aanwakkeren van sektarische gevoelens en betichtte van het plegen van de aanslag op de Koptische Kerk op Nieuwjaar 2011 en daardoor enkele Salafistische satellietzenders verbood, ineens gebruik maakte van Salafistische sjeiks om de revolutie te counteren.4 Dit betekent dat Mubarak in zijn laatste dagen bereid was om samen te werken met de meest fundamentalistische franje van de islamitische mobilisatie om zichzelf aan zijn presidentiële troon vast te klampen. Dit wansmakelijk spel is eigenlijk een verder zetten van een strategie van verdeel en heers die hij de laatste 30 jaar perfectioneerde.

De islamisten die in de islam een politieke ideologie zien die alle maatschappelijke problemen kan oplossen, politieke organisaties zoals de MB in Egypte of de PJD in Marokko, zullen zeker en vast een rol spelen in de toekomstige politiek constellaties maar zij zullen niet de enigen zijn. De huidige revoltes hebben een politieke ruimte geopend waarbinnen de tweedeling secularisme versus islam(isme) minder belangrijk zal zijn. Liberalen, islamisten, sociaaldemocraten, communisten en groenen zullen daar een rol in spelen. De jonge generatie die wil breken met het opgelegde status quo heeft daarin een cruciale rol te vervullen. De krachtsverhoudingen liggen in alle landen anders waardoor er zeker geen eenduidig scenario vastligt.

De gewelddadige groepen die zich inspireerden op de ideologie van al-Qaeda of Ben Laden zijn in deze Arabische revoltes compleet passief gebleken. Zoals specialisten al geruime tijd wisten, hebben deze gewelddadige groepen geen sociale basis, geen politiek project en zijn dus totaal losgekoppeld van de grotere politieke bewegingen. Al-Qaeda acolieten zwerven waarschijnlijk rond in het gebied tussen Pakistan en Afghanistan, in de Sahara ten zuiden van Algerije en zelfs in London, maar stonden niet op de Avenue Bourguiba of op het Tahrir-plein. Dertig jaar van gewelddadige strijd, moord op duizenden mensen hebben hen alleen dichter bij de westerse islambashers en de neoconservatieven gebracht dan bij de verzuchtingen van de Arabische volkeren. Ze moesten met lede ogen aanzien hoe 18 dagen van vreedzaam maar standvastig protest verwezenlijkte waar zij al decennia van dromen. Al-Qaeda, dat zichzelf wil tonen als een voorhoede van de islamitische wereld in haar strijd tegen het Westen, is eerder verwikkeld in een achterhoedegevecht die enkel nog zin heeft voor zichzelf en… de islambashers en neocons.

De oorlogen in Irak en Afghanistan die onder Bush’s ‘Freedom Agenda’ werden gevoerd, leverden enkel meer instabiliteit en verzet op. Arabieren en moslims moesten worden bevrijd, zo vonden de neoconservatieven, door hen via een ‘shock and awe’ bommentapijt van het Amerikaanse leger de democratie te brengen. Het resultaat is lamentabel: een humanitaire crisis zonder weerga in Irak, nieuwe politieke systemen die in vorm democratisch lijken maar die in de werkelijkheid de klok terugdraaien en waarin sektarische affiliaties belangrijker worden dan een inclusief universeel burgerschap. Maar ook daar is er hoop. Net zoals in Bahrein, komen de Irakezen vandaag op straat om zich tegen het sektarisch systeem uit te spreken en te pleiten voor een inclusieve, universele democratie. Zelfs in Libanon verwerpen steeds meer jongeren, Soenniet, Sjiiet, Maroniet, Druze of ongelovig, het confessioneel systeem.

REVOLUTIES HEBBEN EEN GESCHIEDENIS

Op 31 oktober 2010 schreef de bekende Egyptische blogger en linkse activist Hossam Hamalawy de volgende woorden: ‘Er hangt iets in de lucht in Egypte. Het zou wel eens een hete herfst voor Mubarak kunnen worden, zoals ik, en steeds meer mensen om me heen aanvoelen. Geen dag gaat voorbij zonder te lezen of iets te horen over een staking. Niemand weet wanneer de explosie zal plaatsvinden, maar het lijkt alsof iedereen die ik ontmoet of tegen aanloop, vindt dat het onvermijdelijk is geworden’.5 Het was Hossam Hamalawy niet ontgaan dat sinds 2004 de Egyptenaren steeds meer hun stem lieten horen in stakingen, sit-ins en andere vormen van burgerprotest. Dit verzet, hoewel verdeeld en gefragmenteerd, had van bij het begin een sociaaleconomische en politieke dimensie. De moeilijke economische omstandigheden (een gevolg van bewuste economische keuzes van het regime), het gebrek aan kansen voor een groot deel van de (zelfs hoogopgeleide) jongeren maar eveneens de opgekropte frustratie van generaties Egyptenaren die snakten naar meer waardigheid, rechtvaardigheid en vrijheid vormden de voedingsbodem voor de Egyptische revolutie.

Diezelfde voedingsbodem is in bijna alle andere Arabische landen aanwezig. Sinds 2006 kent de hele Arabische wereld een golf van protest: in Jordanië komen regelmatig verschillende sociale groepen op straat, in Algerije vonden er in 2010 meer dan 9000 betogingen plaats, in Marokko zijn er regelmatig onlusten en relletjes doorheen het hele land. Dit culmineerde zelfs in een regelrechte veldslag tussen de bevolking van de stad Sidi Ifni en het leger in 2008. In Tunesië was de regio van Gafsa, in datzelfde jaar, maandenlang het theater van een confrontatie tussen de politiek en een grote sociale protestbeweging.

Enkele decennia van neoliberale ontwikkelingsmodellen hebben de Arabische economieën op een zeer ongelijke manier in het globale kapitalisme geïntegreerd. Het neoliberalisme heeft met haar privatiseringen, fiscale dereguleringen en afbraak van de welvaartsvoorzieningen de Arabische economieën veel kwetsbaarder gemaakt voor de economische crisis. De lofuitingen voor het ‘Tunesische mirakel’ of voor de ‘Egyptische economische duurzaamheid’, zoals het IMF nog stelde in februari 20106, was gebaseerd op het simpele geloof dat groei van het BNP gelijk stond met vooruitgang voor de hele bevolking. Het neoliberalisme leverde inderdaad indrukwekkende groeicijfers op maar dit verborg de inherente klassenpolitiek die ermee gepaard ging. In elk land verrijkte een elite zich op een ostentatieve manier, onlosmakelijk verbonden met de belangen van westerse bedrijven en staten (wapenhandel en olie), terwijl de grootste delen van de bevolking steeds meer in moeilijkheden kwamen. Als verklaring voor de opstanden wordt vaak de corruptie van de dictators en hun entourage gebruikt. Dit verhaal verdoezelt echter meer dan het verklaart. De verrijking van een kleine elite en hun westerse evenknieën en de gelijktijdige verarming van de midden- en lagere klassen is niet zozeer het gevolg van ‘foute’ individuen die het ‘geld stalen’ van de mensen maar is een logisch en inherent gevolg van de neoliberale uitbuiting zelf. Uiteraard hebben Ben Ali en Mubarak zichzelf verrijkt op de rug van hun bevolking maar zij zijn daarmee enkel de verpersoonlijking van een specifieke klassenpolitiek die de regerende coalities (sterk verschillend van land tot land) in stand hielden.

De economische situatie die naar het massale protest leidde doorheen de Arabische wereld, is, met andere woorden, een normale functie van neoliberale kapitalistische accumulatie. In bijna alle landen van de regio zijn de heersende klassen erin geslaagd de dividenden van de economische verandering naar zich toe te trekken terwijl door een subsidiepolitiek van de basisproducten de loyaliteit van de bevolking werd afgekocht. Het repressieve karakter van de staten moest ervoor zorgen dat het ongenoegen als gevolg van de verarming in de kiem werd gesmoord. Dit verklaart ook waarom het sociaal protest zich ook altijd moet keren tegen het autoritaire karakter van de staat.

De opstanden en revoluties in de regio hebben eveneens een zeer belangrijke regionale dimensie. De overheersing van de VS in de wereldeconomie wordt in de eerste plaats in stand gehouden door haar controle, direct of niet, over de olievoorraden. Deze politiek wordt ondersteund door de autocratieën in de Golf door de controle over de olie niet te laten afhangen van de democratische wil van volkeren.7 De alliantie tussen de VS en Israël is een onderdeel van deze politiek want de VS ziet in Israël een ideale partner die de Amerikaanse hegemonie helpt te bestendigen. Vandaar ook dat Israëls belangen samenvallen met deze van de Arabische dictators en autocraten en niet deze van de Arabische volkeren. De Amerikaanse betrachting om een vrijhandelszone op neoliberale basis van Rabat over Tel-Aviv tot Bagdad te creëren, is een belangrijk bouwsteen om de Amerikaanse hegemonie te bestendigen.

De Arabische leiders hielden deze politiek-economische status quo niet alleen in stand maar, indien nodig, ‘wasten ze onze vuile was’ (folteringen die ‘wij’ uiteraard niet willen uitvoeren). Het ondersteunen van Arabische autocraten was dus een hoeksteen van de Amerikaanse en Europese politiek.

Er gaapt een enorme kloof tussen de idealen van democratie en vrijheid zoals verkondigd door de VS en de EU en hun daadwerkelijke politieke, militaire en economische steun aan de autocraten en dictators van de regio. Politici in de VS en de EU haasten zich om, in een toppunt van hypocriete pantomime, een mea culpa te slaan… en dit op wapenbeurzen waar Europese politici, inclusief onze eigen minister van defensie, hun verkooptalenten laten gelden voor lucratieve wapendeals.

EEN OPEN BESLUIT

Het antidemocratisch karakter van vele van de Arabische staten is niet het gevolg van ‘slechte dictators’ die hun volk graag onderdrukken, noch is het een toeval en evenmin is ‘de islam’ een verklaringsfactor. Het is eerder de politieke vorm die het neoliberaal kapitalisme aanneemt in landen waar de ongelijkheid sterk groeit en dit in een regio die van geopolitiek cruciaal belang is voor de hele wereld. Daarom houdt de eis voor meer democratie in de Arabische wereld eveneens een klassenvraagstuk in die niet opgelost is door het vertrek van de dictator. Vandaar ook dat er dagelijks betogingen, stakingen en sit-ins blijven plaatsvinden.

De Arabische politiek kan niet langer gereduceerd worden tot het dilemma ‘stabiliteit of fundamentalisme’, maar wat de toekomst zal brengen, blijft onzeker. Wat mensen van Marokko tot Irak willen, is een democratische arena en zelfbeschikkingsrecht om over hun eigen toekomst te beslissen. De politieke machtsverhoudingen liggen in alle landen anders en de uitkomst van de nationale en internationale krachtmetingen laten zich niet vatten in één scenario. Liberalen, islamisten, sociaaldemocraten, communisten en groenen zullen daar een rol in spelen. De jonge generatie die wil breken met het opgelegde status quo en met de geopolitieke spelletjes die hen al decennia reduceren tot objecten van macht, heeft daarin een cruciale rol te vervullen. De raz-le-bol van deze generatie werd misschien nog het best verwoord door het pamflet van de Free Gaza Youth. Dit opende met de volgende schreeuw: ‘Fuck Israël. Fuck Hamas. Fuck Fatah. Fuck de VN. Fuck UNRWA. Fuck USA! Wij, de jongeren van Gaza, zijn Israël, Hamas, Fatah, de bezetting, de schendingen van de mensenrechten en de onverschilligheid van de internationale gemeenschap beu! We willen schreeuwen en door deze muur van stilte, onrecht en onverschilligheid breken, zoals een Israëlische F16 door de muur van het geluid breekt’. En terwijl de camera’s van de internationale media van land naar land hoppen (en nu in Libië beland zijn) om de laatste scoops en shots te verzamelen, blijft de strijd verder duren. In Tunesië, Egypte, Algerije, Marokko en Irak blijven de mensen verandering eisen, blijven ze staken en betogen. De muur van angst is doorbroken, en de woorden die de Tunesische dichter al-Chebbi in 1933 schreef, klinken actueler dan ooit: ‘Lorsqu’un jour le peuple veut vivre, Force est pour le destin de répondre, Force est pour les ténèbres de se dissiper, Force est pour les chaînes de se briser’.

Sami Zemni
Professor Politieke Wetenschappen (UGent). Hij coördineet de Midden-Oosten en Noord-Afrika Onderzoeksgroep van de Vakgroep Studie van de Derde Wereld.

Noten
1/ Het was uiteraard om redenen van propaganda dat spirituele leider Khamenei de Egyptische revolutie verwelkomde en vergeleek met de islamitische revolutie van 1979. Enkele dagen later riep hij op tot executie van zijn ‘eigen betogers’ Karroubi en Moussavi.
2/ Dit is eveneens het geval in de houding ten aanzien van de doden ten gevolge van zelfverbranding. Deze vorm van zelfmoord (verboden binnen de islam) wordt door de mensen zelf gezien als een martelaarschap, los van elke theologische discussie.
3/ Er waren uiteraard enkele uitzonderingen. De woordvoerder van al-Azhar, al-Tahtawi, nam ontslag en koos de kant van het volk. Ook enkele minder bekende sheiks en imams kwamen op het Tahrir-plein.
4/ Van hen komt het idee dat de revolutie een Amerikaans-Zionistisch complot zou zijn om Egypte te verzwakken en verdelen. Er lijken ernstige aanwijzingen te zijn dat de aanslag op de Koptische Kerk het werk zou zijn van de veiligheidsmensen rond de voormalige eerste minister en rechterhand van Mubarak, al-Adli.
5/ http://www.arabawy.org/2010/10/31/something-in-the-air/
6/ De openingszin van het rapport leest: ‘De Egyptische economie is bestand tegen de crisis’. Zie: http://www.imf.org/external/np/ms/2010/021610.htm
7/ Dit verklaart ook waarom het grootste deel van de arbeid in de Golf uitgevoerd wordt door migranten die vaak elk burgerrecht ontbreken en die beschouwd kunnen worden als moderne slaven!

Arabische Lente - revolutie - Egypte

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 3 (maart), pagina 80 tot 87