Abonneer Log in

Tijdingen uit de polder: waarom het populisme hoogtij viert

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 4 (april), pagina 70 tot 77

De wereld staat in brand. Terwijl ik dit schrijf vliegen de berichten over een naderende nucleaire holocaust in Japan mij om de oren. In Bahrein schieten de Saoedische huurlingen gewonde sjiieten dood in een ziekenhuis. Aan de kust van Libië sterven vrijheidsstrijders in het hellevuur van Kadhafi, terwijl de G8 nog over een nofly-zone bakkeleit.

Als u dit leest zullen deze crises zijn overgewaaid of geëscaleerd, maar in ieder geval zullen ze u een eeuwigheid geleden lijken. Terwijl er toch hooguit een dikke maand tussen schrijfwerk en ‘leesplezier’ zal zitten. Door het immer voortdurende mediabombardement en de grote snelheid waarin deze kleine, platte wereld van de 21ste eeuw voortdendert over de kale, ruwe steppe van de geschiedenis, lijkt ons, simpele en eenvoudige stervelingen, nauwelijks een rustmoment gegund om de zaken eens goed tot ons te nemen en in alle rust de vraag te stellen waar het met onze (internationale) samenleving naartoe gaat. De ene na de andere crisis of laatste ontwikkeling vergt onze onmiddellijke, versplinterde aandacht. En als we in die tien seconden focustijd een politicus horen praten, denken we: soit, die heeft meel in de mond, of: hij kan toch niks bereiken met zijn povere mandaat.

Dit is, dames en heren lezers, waarom populisme op dit moment zoveel opgang doet. De wereld zit in een turbulente tijd. Cliché, maar een cliché die veel waarheid heeft. De geschiedenis heeft altijd een zekere dynamiek, zoals de Spaanse politicus Felipe González ooit zei dat die als een losgeslagen paard door de nacht galoppeert. Of wat dichter bij huis, uw landgenoot Rik Coolsaet, die spreekt over een stroomversnelling in de geschiedenis.

DE BREUKLIJNEN

Ik spreek liever over een breuklijn in de tijd. Een breuklijn die zo ergens in 1989 begon en verschillende wendingen nam, zoals in 2001, 2002, 2005 en 2008. Ik heb het niet over schurende aardkorstplaten maar over fundamentele breuken in de geopolitiek. Ook zijn er barsten in de ‘verticale’ ordening van de instituten die zo kenmerkend zijn voor onze samenleving en de economie in de 20ste eeuw. Er verschijnen uit het niets kloven die de diepte in gaan tussen burger en overheid. En o ironie - een prettige bijkomstigheid van de geschiedenis is altijd weer die ironie - het populairste begrip in polderend bestuurlijk Nederland is momenteel ‘draagvlak creëren’.

De breuklijnen in de tijd, wie kent of voelt ze niet. We beléven ze alleen niet heel erg bewust, merk ik sinds ik in 2008 aan mijn avontuur van denktank Prospect begon, een onafhankelijk platform van twintigers en dertigers die willen nadenken over de langetermijnuitdagingen van de (westerse) samenleving.

Een korte persoonlijke geschiedenis is op zijn plaats om de redenen voor oprichting van een denktank te verduidelijken, maar ook om aan te geven hoe dynamisch het politieke en maatschappelijke landschap in Nederland momenteel is. Na mijn studie geschiedenis en journalistiek ben ik van 2002 tot 2005 medewerker geweest van Jozias van Aartsen, toenmalig fractievoorzitter van de liberale partij VVD in de Tweede Kamer. Ik mocht zijn tas dragen, de agenda bijhouden, bijeenkomsten organiseren en af en toe een speech schrijven.

TASSENDRAGER EN PENNENLIKKER

Saai was het allerminst in de politiek. Geert Wilders maakte wilde bokkensprongen, toen al, Ayaan Hirsi Ali was een ondeugend maar bijzonder intelligent en hardvochtig Kamerlid, en de Nederlandse politiek was nog steeds in turmoil door de moord op Pim Fortuyn in mei 2002, en de Opstand van de Kiezer direct daarna. In deze tassendragerperiode vond ook een andere politieke activist de dood: Theo van Gogh. En stapte Wilders uiteindelijk met een prachtige tirade tegen Turkije uit de VVD, om zijn toen kansloos ingeschatte eenmanspartijtje te beginnen.

Na de leerzame periode in de politiek besloot ik de inhoud op te zoeken. Met het oog op mijn internationale belangstelling solliciteerde ik voor het diplomatenklasje van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Eenmaal binnen, mijn kop vol politieke reflexen en enige kennis van de samenleving, belandde ik in een wereld waarin het Binnenhof simpelweg irrelevant leek - laat staan de rest van het kikkerlandje.
Bij Buitenlandse Zaken, liefkozend BZ genoemd door de ‘familieleden’ van het corps diplomatique, overheerste een sterke angst voor de buitenwereld. Niet het buitenland, nee, dat was de buitenwereld niet. Nee, de binnenlandse situatie, met de lastige burger die niets begreep van Europees beleid en al helemaal niets van Ontwikkelingssamenwerking. Of dan die Kamer! Pfff, het glazen huis van de democratie, met al die nitwits die geen kaas hadden gegeten van hoe de wereld werkelijk in elkaar stak. En dan die rare Wilders, ‘zeg Joop, die ken je toch, kan je niet eens subtiel bij hem aangeven dat hij zijn haar moet fatsoeneren? Dat komt slecht over op onze contacten in het buitenland!’

Tijdens mijn periode bij BZ merkte ik een geweldige mentale afstand tussen ambtelijk en politiek Den Haag. Natuurlijk moet er een goede scheiding tussen die twee werelden zijn, maar er was bij de slimme, goed opgeleide en ervaren diplomaten met wie ik werkte nauwelijks sprake van een besef van de dynamiek en de spelregels binnen het parlement. Sommigen noemen het arrogantie, maar ik stelde dat er meer aan de hand was, zeker toen in juni 2005 de Nederlandse kiezer in overgrote meerderheid de Europese Grondwet per referendum (een unicum) naar de prullenbak verwees (ook een unicum).
De schrik zat er goed in. Van père fondateur was Nederland ineens de risee van de Europese Unie geworden. De ambtenaren op BZ begrepen het NEE ook niet echt. We hadden toch overal de tekst van de Grondwet door miljoenen brievenbussen geduwd? Er was toch een mooie folder gemaakt, al dan niet persoonlijk overhandigd door de minister-president? We hadden toch langzamerhand wel duidelijk gemaakt dat Europa ‘best belangrijk’ was? (Misschien gelooft u het niet, maar ‘best belangrijk’ was de officiële slogan van de overheidscommunicatie over de Europese Unie)

Met mijn politieke instinct en scherpe pen (‘Joop, je schrijft te journalistiek, we leven hier in een organisatie van papier en je moet zaken zorg-vul-dig opschrijven!’) kon ik niet zoveel binnen BZ. Dus ik hing na twee jaar mijn diplomatenpaspoort aan de wilgen en stak een potlood achter mijn oor. In 2007 was ik een jaar lang politiek redacteur bij het nieuwe gratis dagblad De Pers, een krant die vooral ‘achter het nieuws wilde zitten’ en scherpe, eigen keuzes in de verslaggeving wilde leggen.
Ik verkneukelde me om eigenzinnige, diepgravende artikelen over Europa, globalisering en de verandering van de maatschappij te gaan schrijven. Maar in plaats daarvan rende ik van rel naar rel, van hype naar hype. Ik was terug in de Kamer maar niet om Mooie Stukken te schrijven. Geen inhoud maar actie! ‘Rita Verdonk stapt uit de VVD-fractie. Ga NU voor haar deur liggen!’, verordonneerde mijn chef Haagse redactie me op een gegeven moment. Uiteindelijk werd mijn jaarcontract niet verlengd, ondanks enkele primeurs en rake analyses over het kabinet en de militaire missie in Afghanistan. ‘Je bent te beschouwend’, lichtte de hoofdredacteur zijn besluit toe.

Ik vertel u deze geschiedenis (die ook in mijn boek Change - hoe de netwerkgeneratie Nederland gaat veroveren wordt beschreven) omdat ik u duidelijk wil maken hoe Nederland zijn eigen ‘breuklijn’ ervaart. En die ervaring komt in schokken. In verwarring. En in de opkomst van heldere, nieuwe verhalen over de toekomst in de vorm van populisme.

EEN GLIBBERIG PAD

In mijn tijd in de Kamer zag ik van dichtbij hoe een conservatieve, bijna reactionaire man langzaam ontspoorde, terwijl de politiek soms stuurloos leek, met een gebrek aan visie op de toekomst. Bij BZ ervoer ik de spanning die de snel veranderende wereld bij de vierde macht, de ambtenarij opriep. Bij de rijksoverheid was en is een grote angst voor de samenleving an sich. Als journalist ondervond ik de grote druk om snel te scoren en het gebrek aan momenten voor reflectie, zelfs bij de ‘kwaliteitskrant’ waar ik werkte.

Na deze drie heftige ervaringen, die zich in een tijdsbestek van vijf jaar ontrolden, stond ik voor een tweesprong. Als ‘jonge denker’, betrokken bij de samenleving maar niet geïnteresseerd in een politieke functie, restten mij twee opties. Ik kon allereerst - en dat was het meest aantrekkelijke vooruitzicht - bij een denktank in Brussel of Londen gaan werken. Om mijn fascinatie voor Europa en globalisering volledig te kunnen botvieren in een vrije, academisch-journalistieke omgeving.
De tweede keuze was mij niet te voegen in de situatie in Nederland, met een saaie baan in de academia of een communicatiefunctie bij een lobbykantoor, maar juist het heft in eigen hand te nemen, in eigen land. Als er onafhankelijke en dynamische denktanks waren in Brussel (gericht op de EU) en in het Verenigd Koninkrijk, waarom dan niet in Nederland? Ik zag daarvoor drie goede redenen: allereerst leek het me plezant om zélf bij zo’n club te werken, ten tweede was het Nederlandse politieke debat nogal mager en in zichzelf gekeerd, en ten derde waren de jongeren totaal niet betrokken bij de politiek.

Ik koos voor de moeilijke, glibberige weg van het starten van een denktank, denktank Prospect. Op dat pad zit ik nu ruim drie jaar. Soms waren er muren en waaide een gure wind me bijkans omver. Soms waren er prachtige uitzichten en zag ik vele stippen aan de horizon.

EEN NATIE OP DRIFT

Sinds ik in 2008 begon als zelfstandige en langzaam maar zeker vorm kon gaan geven aan Prospect - inmiddels een netwerk van liefst 1400 ‘jonge denkers’ met geregeld bijeenkomsten onder elkaar of bij ‘oude organisaties’ - lijkt het met de instituten in Nederland alleen maar bergafwaarts te gaan, of het nu gaat over ledenaantallen, budgetten of functioneren. En kan ik sommige namen (Wilders) en thema’s (integratie, islam) in het publiek debat niet meer zien. Of lezen. Of horen.

Nederland heeft net als veel andere westerse landen grote problemen zich aan de vier Megatrends van deze tijd aan te passen. Het gaat hier om een structurele transformatie van álle structuren in onze samenleving, een proces dat in de jaren 1980 is begonnen en met een enorme versnelling bezig is na het einde van de Koude Oorlog.
De eerste Megatrend die onze samenleving heeft veranderd, is Europa. Sinds de val van de Muur in 1989 heeft een ongelofelijk proces van verdieping en verbreding van het Europese project plaatsgevonden. In vijftien jaar tijd groeide de EU van 12 naar 27 lidstaten. Sinds 2002 lopen we met euro’s rond in de zak, nu in 17 landen. Er is een interne markt tot stand gebracht met een half miljard inwoners, waarin een grote vrijheid van verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen is ontstaan. Intussen is wel de grens tussen wat nationaal en wat Europees is behoorlijk vervaagd.
De tweede Megatrend is globalisering. Sinds de jaren 1980 en zeker na het einde van de Koude Oorlog is de economische en culturele integratie met een onstuitbare opmars bezig. Sinds begin 2011 is China de tweede economie ter wereld en groeien ook de andere opkomende machten als India en Brazilië in een ongekend tempo. Zelfs Afrika is uit de extreme armoede gekomen en lijkt langzaam naar functionerende markteconomie te gaan. Al deze veranderingen leiden tot Hoop in het Oosten en tot Vrees in het Westen, zoals de schrijver Dominique Moïsi mooi heeft gezegd.
Van dit grote internationale niveau gaan we naar twee minstens zo relevante Megatrends die zich op microniveau afspelen. De derde Megatrend is de ICT-revolutie. In slechts vijftien jaar tijd is het leven grotendeels digitaal geworden. We begonnen voorzichtig met mailen en discussiegroepjes op Netscape, maar nu zijn internet, de mobiele telefoon en de bijbehorende sociale media niet meer weg te denken uit ons systeem. Hoe oud is Facebook? Zeven jaar. Tien procent van de wereldbevolking is lid van deze community. Hoe oud is YouTube? Zes jaar, er worden dagelijks twee miljard filmpjes bekeken. Hoe oud is Twitter? Vijf jaar, en deze microblog heeft inmiddels honderden miljoenen gebruikers en miljarden, miljarden berichten opgeleverd.
Het gaat me niet om de snelheid van de komst van al deze media en toepassingen, maar om de snelheid van de acceptatie. We lijken dingen die vijf jaar geleden niet eens bestonden volkomen geaccepteerd te hebben.
Verbonden aan de ICT-revolutie is horizontalisering een vierde Megatrends die zich op persoonlijk niveau afspeelt. Dit is een sociologische term die er kort gezegd op neerkomt dat mensen zich niet meer in grote, verticale organisaties en verbanden willen opsluiten. Nee, ze willen zich voornamelijk nog in netwerken en losse verbanden verbinden en accepteren geen gezag meer, noch van de overheid, van grote bedrijven of van oude media. Door horizontalisering verplaatst de macht van het individu zich van het institutioneel niveau naar het persoonlijke niveau.

Deze Megatrends maken van de westerse samenleving anno 2011 een onoverzichtelijke en chaotische maatschappij. Iedereen wil het woord hebben, de waarheid is ver te zoeken, een duidelijke sturing afwezig. Het is iedereen al helemaal onduidelijk hoe de toekomst eruit zal zien, zowel voor de instituten als voor de gemiddelde burger.

NIEUWE KADERS, OUDE KADERS

Geen wonder dat in deze verwarring lieden die het overzicht plegen te hebben, en terug kunnen grijpen op het verleden, een goede kans maken om in de spotlight van de media te komen. In een platte en stuurloze samenleving voelt niet iedereen zich thuis, en zeker niet de oude, blanke generaties zoals de X-ers en de babyboomers. Het zijn met name deze leeftijdsgroepen die geloven in praatjesmakers als Geert Wilders met de belofte ‘Nederland Nederlandser te maken.’ Daarmee bedoelt het witharige enfant terrible niet zozeer het uitbannen van de buitenlander, maar wel het afschaffen van Europa en de hoofddoek (Wilders spreekt over ‘kopvodden’), het herstellen van onze nationale soevereiniteit, het volledig intact laten van de huidige verzorgingsstaat.

Nu zijn er meer partijen die inspelen op de onderhuidse emotie die de ‘gewone burger’ heeft: hij/zij snakt naar een stukje duiding, naar behoud van zijn/haar verworven rechten, naar een sterke economie én naar een niet-bemoeizuchtige overheid. De christendemocraten van het CDA pleitten in het vorig kabinet voor een ‘canon van de geschiedenis’, een ‘instituut voor de volksvlijt’ en een ‘nationaal historisch museum’. De SP, de neocommunistische partij die salonfähig is geworden, was in het verleden mordicus tegen de invoering van de euro, eigenlijk tegen alles wat uit Brussel kwam, maar óók tegen hoofddoekjes en aantasten van de verzorgingsstaat. Zelfs de sociaaldemocraten (PvdA) en de liberalen (VVD) voeren een nationalistische agenda en piekeren niet over het hervormen van de arbeids- en woningmarkt of andere elementen van de verzorgingsstaat. Zo pleitte in 2008 toenmalig PvdA-voorman Wouter Bos voor een ‘beschaafde vorm van nationalisme’ en is de partij wantrouwig ten opzichte van verdere Europese integratie. De VVD wil geen enkele aanpassing van de hypotheekrenteaftrek, vecht niet voor versoepeling van het ontslagrecht maar wel voor het afschaffen van de bijstand voor immigranten.
Maar niemand is beter in staat het ongenoegen van de burger te verwoorden dan Geert Wilders, met zijn eenmanspartij en een aanhang van miljoenen. Hij staat pal tegenover ‘het systeem’ en de Haagse hoge heren die hun zakken volladen met bonussen en mooie baantjes. Wilders moet niets hebben van nieuwerwets gereutel over het belang van internationale samenwerking of modernisering van de verzorgingsstaat. Zijn soms racistische betoog heeft veel weg van een pleidooi om terug te keren naar de jaren 1950, waarin we als blanken onderling lekker met een glaasje pils op een zonovergoten plein konden genieten van een oerhollands bestaan. Laat de wereld lekker voor wat-ie is en vooral niet bij ons aan de deur kloppen.

DAADKRACHT

Door de verkiezingen van 2010, waarin een krappe meerderheid van rechtse en conservatieve partijen in staat is gesteld een (gedoog)coalitie te vormen, is er nu een duidelijk discours aan de macht die de rust in Nederland wil herstellen. Weg met de Megatrends, vooruit met onze economie en behoud van alle zekerheden van de twintigste eeuw. Dat is in feite de boodschap van het kabinet Rutte-Verhagen, genoemd naar de leiders van VVD en CDA die met gedoogsteun van Wilders Nederland momenteel Nederlandser maken. Het nieuwe kabinet heeft de verkiezingen voor de Eerste Kamer (de Senaat) van maart 2011 overleefd, ondanks de crisisbezuinigingen die in het vooruitzicht zijn gesteld. Misschien hielpen de cadeautjes: we mogen op sommige wegen 130 kilometer per uur gaan rijden, de (linkse) publieke omroep wordt drastisch bekort, cultuursubsidies gaan eraan, ontwikkelingssamenwerking wordt flink teruggebracht, en gaat u maar door.

Aan daadkracht ontbreekt het dit kabinet niet, en gelukkig maar. Hoewel absoluut geen aanhanger van het gedachtegoed van Rechts (een compleet versleten term, maar goed), is het een uitstekende zaak dat de verstofte en verstarde polder in Nederland eens flink wordt opgeschud. Zelf ben ik lid van D66, het sociaal-liberale alternatief dat in de geschiedenis soms populair, dan weer compleet uit was bij het kiezersvolk. De laatste jaren kan deze ‘hervormingspartij’ op een marginale, maar niet onbelangrijke steun van zo’n zeven procent rekenen. Hetzelfde percentage geldt die andere kosmopolitische hervormingspartij GroenLinks.

STUURLOOS

In mijn boek Change - hoe de netwerkgeneratie Nederland gaat veroveren uit 2009 poneerde ik de stelling dat Links en Rechts in de 21ste eeuw vervangen zullen worden door een nieuwe politieke tegenstelling: Soevereiniteitsdenken versus Kosmopolitisme. Het moge duidelijk zijn dat de eerste stroom momenteel dominant is in Nederland. Alleen is het waanzinnig naïef, gevaarlijk zelfs, om te denken dat de eigen identiteit kan worden gewaarborgd door politiek Den Haag, en dat de verzorgingsstaat in de huidige vorm nog te hanteren is.
De samenleving is door de vier hierboven genoemde Megatrends dermate veranderd, platter en grenzelozer geworden, dat het pleiten voor sturing vanuit een politiek centrum een gotspe is. De maatschappij is niet langer ‘maakbaar’, zoals we in het hippietijdperk dachten. De verzuiling is in Nederland nu echt zo goed als voorbij en mensen worden geen lid meer van collectiviteiten als vakbonden of politieke partijen. Het begrip ‘achterban’ doet me pijn in de oren.

We zullen juist moeten accepteren dat de samenleving in hoge mate stuurloos is geworden. De toekomst draait om netwerken, zowel de fysieke als de digitale. Europa en globalisering maken de nationale marges voor eigengereid optreden wel héél smal. Grenzen zijn een fictie en zitten vooral in ons hoofd. De kracht van het individu is zoveel groter in een netwerk dan in een instituut, zeker nu digitale media tot snelle verbindingen en initiatieven kunnen leiden. Overheden, grote bedrijven en maatschappelijke organisaties lopen achter de feiten aan en kunnen zich nog nauwelijks voorstellen wat zich op het niveau bij de ‘eindgebruiker’ afspeelt.

OMGAAN MET

CHANGE

Mijn Belgische partner woont nu al vijf jaar in Amsterdam en hij begrijpt nog maar weinig van Nederland. Evenmin trouwens van België. In beide landen overstijgt de verwarring en het gekibbel op politiek terrein het denk- en interesseniveau van de gemiddelde mens. Provincialisme, groepsdenken, populisme en geharrewar zijn evident aanwezig in beide systemen. Ondanks het feit dat onze landen zó van elkaar verschillen; ik kan dat weten als ervaringsdeskundige. De beroemde socioloog Bart Hofstede toonde al decennia geleden aan dat de culturele afstand tussen Nederland en België groter is dan tussen Nederland en Frankrijk.

Zoals in Vlaanderen het regionalistische denken en de angst voor de (buitenl)ander overheerst, zo is in Nederland de gemiddelde burger op zoek naar bescherming en naar geruststelling over de toekomst. Dit proces speelt zich in vele andere westerse landen in vergelijkbare vorm af. In de Verenigde Staten heerst een culture war en strijden ouderen om behoud van hun entitlement. In Frankrijk is Le Pen jr. populairder dan hervormingspresident Sarkozy. Zuidelijke lidstaten van de Unie liggen dikwijls plat omdat massaal wordt geprotesteerd tegen inkorten van ruime sociale voorzieningen, zoals een vroege pensioenleeftijd.

Europa is in 2011 nog niet toe aan een kosmopolitische hervormingsagenda. Wij kunnen op het oude continent niet omgaan met Change en worden daardoor steeds meer een Avondland. Ik denk, vrees, dat deze politieke situatie de komende jaren steeds verder zal verslechteren. We worden door vergrijzing en globalisering gedwongen de verzorgingsstaat te moderniseren, de EU verder te versterken en uit te bouwen, massale immigratie mogelijk te maken en de samenwerking met het Oosten aan te gaan. Maar daar kiezen we niet voor, omdat dit noodzakelijke langetermijnverhaal niet wordt gehoord door politiek en media.

Het populisme is momenteel aan een onstuitbare opmars bezig en zal slechts door drie zaken kunnen worden gekeerd. Allereerst dienen de hervormingsgezinde politici de handen ineen te slaan en met een krachtig, aansprekend alternatief te komen: ‘de stip aan de horizon’. Progressieve krachten maken nu vooral gebruik van povere retoriek als ‘dit kabinet is asociaal!’ - in plaats daarvan moeten zij een duidelijke, vernieuwende visie op het Nederland van 2030 formuleren. Ik heb wel oren naar het samengaan van D66 en GroenLinks, met medeneming van meer liberale elementen uit de PvdA en VVD. Deze nieuwe, sterke partij zou zaken als een faciliterende overheid, levenslang leren, hernieuwde immigratie, actieve Europese politiek en drastische hervorming van de woning- en arbeidsmarkt moeten propageren. Dat is een electoraal bijzonder riskante manoeuvre, maar allez, we zitten toch niet in de politiek om vooral naar de kiezerspolls te luisteren?
Een belangrijke reden voor deze visionaire agenda zal mijn generatie van twintigers en dertigers zijn. Die vormt een potentiële belangrijke steunpilaar, zoals de millennials in de Verenigde Staten die daar de verkiezing van Barack Obama mede mogelijk hebben gemaakt. De netwerkgeneratie is immers wars van nationalistische en conservatieve reflexen en gelóóft juist in vooruitgang, wegvallende grenzen en het zelfstandig inrichten van het eigen leven.
Ten slotte moet een intellectueel leiderschap ontstaan van scherpe wetenschappers, sociale ondernemers en betrokken journalisten. In een platte samenleving hoeven de duiding van maatschappelijke ontwikkelingen en een glasheldere toekomstvisie immers niet meer uit de politieke wereld te komen. Ik geloof sterk in thought leadership, een klasse van onafhankelijke en vrije geesten, samengesteld vanuit de hele samenleving. In de complexe structuren van de twintigste eeuwse verzorgingsstaat waren het vooral de gevestigde partijen en belangenclubs die, gesteund door hun achterban, het hoogste woord voerden. Nu deze organisaties steeds irrelevanter worden, dienen alle frisse denkers hun plek in het publiek debat in te nemen. Zo zal het populisme worden getemd en zal het oude continent dat Europa heet weer de broodnodige dynamiek krijgen.

Joop Hazenberg
Voorzitter van de Nederlandse denktank Prospect

Noot
Meer informatie op www.changegeneration.nl en www.denktankprospect.nl. Joop Hazenberg is tevens auteur van het boek Change - hoe de netwerkgeneratie Nederland gaat veroveren. Hij schrijft op dit moment zijn nieuwe boek, De machteloze staat, over de teruglopende invloed van politiek en overheid op de samenleving.

Nederland - populisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 4 (april), pagina 70 tot 77