Abonneer Log in

De geografische spreiding van kandidaten op de Vlaamse kieslijsten (2003-2010)

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 5 (mei), pagina 60 tot 72

INLEIDING

De verkiezingen krijgen steeds meer een uitgesproken nationaal karakter. Of het nu gaat om lokale, regionale, federale of Europese verkiezingen: de campagnes, opiniepeilingen en resultaten lijken steeds meer bepaald te worden door nationale trends. Deze evolutie is trouwens niet typisch Belgisch. De Italiaanse politicoloog Caramani spreekt van een algemene tendens tot nationalisering in de West-Europese landen. Op die manier wordt het lokale en territoriale aspect, dat sterk domineerde in de electorale competitie doorheen de 19de eeuw, steeds minder belangrijk.1 Verder wordt het nationale karakter van onze politiek ook nog eens versterkt door een toegenomen mediatisering en personalisering van het verkiezingsgebeuren. Campagnenieuws en zelfs persoonlijke verhalen over kandidaten zijn niet meer weg te denken uit de televisiejournaals en kranten. De Vlaamse zenders bekampen elkaar met uitzendingen die ‘het ultieme debat’ tonen tussen de partijvoorzitters van de Vlaamse partijen. Daarbij komen dan steeds weer dezelfde gezichten terug. In 2007 werden Guy Verhofstadt en Yves Leterme zo vaak in de televisiestudio’s tegen elkaar uitgespeeld dat men op de duur begon te geloven dat België was overgestapt van een parlementair naar een presidentieel systeem. Samenvattend vervullen de media een significante rol in bovenvernoemde evolutie. Maar daarnaast spelen de politici zelf het spel lustig mee. De kieshervorming in 2002 waarbij de oude arrondissementele kieskringen vervangen werden door provinciale kieskringen zorgde voor een gevoelige electorale schaalvergroting. Vanaf de federale verkiezingen van 2003 begonnen de provinciale boegbeelden dan ook de lijsten te domineren. De aanzienlijke hoeveelheid literatuur over nationalisering, personalisering en electorale schaalvergroting verraadt de hoge relevantie van dit onderwerp.

In schril contrast daarmee staat de beperkte aandacht die in het hedendaagse onderzoek uitgaat naar het lokale karakter van de kieslijsten. Het lokale aspect mag dan misschien aan belang inboeten, het blijft wel degelijk een rol van betekenis spelen. De malaise binnen Open Vld naar aanleiding van het Oosterweeldossier illustreert de potentiële impact van een lokale afdeling op de gehele partijorganisatie. De lokale achtergrond van zowel kandidaten als verkozen parlementsleden is om verschillende redenen een interessant onderzoeksthema. Ten eerste draagt de geografische diversiteit van een verkozen parlement in aanzienlijke mate bij tot het representatieve karakter ervan. Die geografische diversiteit wordt tot op zekere hoogte gegarandeerd door de indeling van het Belgisch grondgebied in kieskringen, maar wordt daarnaast ook sterk beïnvloed door de geografische spreiding die partijen aanbrengen op hun kieslijsten. Ten tweede hebben ook de politieke partijen een tweetal motieven om te streven naar een mooie geografische spreiding wanneer zij hun lijsten presenteren aan de kiezer. Enerzijds bestaat er een duidelijke electorale overweging: om het volledige electoraat uit de kieskring aan te spreken, trachten partijen kandidaten op de lijsten te plaatsen uit alle mogelijke hoeken binnen de kieskring. Anderzijds is er tevens een organisatorische drijfveer: om de interne partijcohesie te bewaren, moeten alle lokale afdelingen hun eigen kandidaten kunnen terugvinden op de definitieve kieslijst. De statuten en interne reglementen van de meeste partijen bepalen immers dat de uiteindelijke lijsten ter goedkeuring aan een congres worden voorgelegd. Zo veel mogelijk spreiden is dus de boodschap.

In wat volgt gaan we na in hoeverre de Vlaamse politieke partijen daarin zijn geslaagd van 2003 tot 2010. Om deze vraag te beantwoorden doen we een beroep op de data van het KANDI-onderzoek, waarin vanaf de federale verkiezingen van 18 mei 2003 op systematische wijze de achtergrondgegevens van alle Vlaamse kandidaten en gekozenen bij de opeenvolgende federale en Vlaamse verkiezingen werden geregistreerd. Op basis van deze aanzienlijke hoeveelheid data werd het profiel van de kandidaten en verkozen parlementsleden uitvoerig in kaart gebracht. De opeenvolging van verschillende verkiezingen liet ook toe een aantal duidelijke trends te ontwaren op het vlak van onder andere leeftijd, geslacht, beroepsprofiel en lokale verankering. De resultaten van dit onderzoek laten ook toe om de representativiteit van de kieslijsten te beoordelen.

In hoofdzaak tracht dit artikel drie verschillende onderzoeksvragen te beantwoorden. Ten eerste evalueren we de geografische spreiding van de kieslijsten bij de Kamerverkiezingen van 2003, 2007 en 2010 en de Vlaamse verkiezingen van 2004 en 2009. Daarbij vormen zowel het aantal gemeenten als de bevolkingscijfers het referentiepunt. In het tweede deel gaat deze analyse nog een stap verder: zijn de eventuele verschillen tussen de Vlaamse partijen op het vlak van spreiding terug te brengen tot uiteenlopende socio-economische profielen van de vertegenwoordigde gemeenten? Zijn er bij de ene partij bijvoorbeeld gevoelig meer kandidaten van het platteland terug te vinden? Hiervoor wordt een beroep gedaan op de VRIND-classificatie van Vlaamse gemeenten. Ten slotte komt ook de relatie tussen lokale achtergrond en electoraal resultaat aan bod. Verschillende auteurs maken de veronderstelling dat partijen zo veel mogelijk het evenwicht dienen te bewaren op het vlak van geslacht, demografische achtergrond, belangengroepen en dus ook geografische spreiding. Een misstap kan grote gevolgen hebben: de achterban pikt het resultaat van de lijstvorming niet en het komt tot een open confrontatie tussen lokale afdelingen en het nationale niveau, en dat in volle aanloop naar de stembusslag. Partijen blijven bijgevolg voortdurend op hun hoede om de ideale geografische balans te behouden. Maar levert al die moeite in feite wel iets op? Is het zo dat een grotere aanwezigheid van kandidaten uit een welbepaalde streek samenhangt met een beter verkiezingsresultaat in die streek? Op basis van de data van het KANDI-onderzoek trachten we verderop deze vraag te beantwoorden.

DE ONDERZOEKSPOPULATIE

Het onderzoek omvat de kandidaten van de Vlaamse partijen die tussen 2003 en 2010 over parlementaire mandatarissen beschikten. Over vijf verkiezingen worden de lijsten van negen aparte politieke partijen geanalyseerd, wat resulteert in een onderzoekspopulatie van 6492 kandidaatstellingen. Open Vld, CD&V, sp.a, Groen! en Vlaams Belang dienden bij elke verkiezing volwaardige lijsten in. N-VA vormde bij de verkiezingen van 2004 en 2007 een kartel met CD&V, en figureerde dus enkel in 2003, 2009 en 2010 als onafhankelijke partij. LDD kwam voor het eerst op in 2007, terwijl SLP enkel in 2009 lijsten aan de kiezer kon presenteren. Voor elke kandidaatstelling werd de aangegeven woonplaats geregistreerd.

DE GEOGRAFISCHE SPREIDING VAN KANDIDATEN BIJ DE VLAAMSE PARTIJEN

Local roots’ van kandidaten zijn nog steeds van belang, zowel vanuit het oogpunt van de kiezer, de partijen als uit een meer algemeen democratische invalshoek. We verwachten dan ook dat de Vlaamse partijen inspanningen leveren om een zo breed mogelijk geografisch spectrum van kandidaten te presenteren. Op basis van de gegevens uit het KANDI-onderzoek kunnen we de geografische spreiding bij de verschillende partijen evalueren.

Tabel I geeft een overzicht van de spreiding van kandidaten per partij, uitgedrukt in het aantal op de kieslijsten vertegenwoordigde gemeenten. Daarbij fungeert het totaal aantal kandidaten dat de partijen op een lijst kan plaatsen als referentiepunt. Een partij kan bij een verkiezing voor de Kamer 159 kandidaten op haar lijsten plaatsen, terwijl er 308 Vlaamse en 19 Brusselse gemeenten zijn. Een perfecte geografische spreiding is bijgevolg mathematisch onmogelijk. De optimale spreiding uitgedrukt in aantal gemeenten zou dus betekenen dat de partij kandidaten uit 159 verschillende gemeenten op de lijsten plaatst. Het bovenste gedeelte van de tabel geeft de resultaten in absolute cijfers weer, in het onderste deel vinden we de relatieve scores terug. Een eerste vaststelling is dat er relatief weinig significante schommelingen zijn in het aantal gemeenten dat op de lijst vertegenwoordigd wordt, zowel tussen de partijen onderling (uitgezonderd LDD en SLP) als bij eenzelfde partij over de jaren heen. Een mogelijke verklaring hiervoor is de hoge mate van recyclage van kandidaten: uit eerder onderzoek bleek dat bij de federale verkiezingen van 2010 maar liefst 67,5 % van de kandidaten al eerder kandidaat was in 2003, 2004, 2007 en/of 2009.2 Ook bij eerdere verkiezingen bleek dit percentage vrij hoog. Aangezien de partijen steeds in dezelfde pool van kandidaten vissen, is het niet verwonderlijk dat er weinig variatie zit op de geografische spreiding.

Tabel I: Geografische spreiding van kandidaten, uitgedrukt in aantal gemeenten (absolute en relatieve cijfers)

Als we kijken naar de verschillen tussen de partijen onderling, zijn het vooral CD&V en Open Vld die elke verkiezing opnieuw de hoogste scores laten optekenen. Van de drie traditionele partijen scoort sp.a dus het minst goed wat betreft vertegenwoordiging van gemeenten. Opvallend zijn ook de lagere scores van LDD en SLP. LDD nam enkel deel aan de laatste drie verkiezingen, SLP diende slechts bij één verkiezing lijsten in. De lage percentages in Tabel II verraden dat beide partijen niet te kieskeurig mochten zijn met hun kandidaten en vooral getracht hebben volledige lijsten in te dienen in alle kieskringen. Zowel LDD als SLP zijn geen constant gegeven in het Vlaamse partijlandschap, en lijken zich niet te kunnen beroepen op een evenwichtig verspreide lokale verankering. Maar vanuit dat perspectief zijn de resultaten van N-VA dan weer zeer opmerkelijk: de partij kwam enkel in 2003, 2009 en 2010 op met aparte lijsten, maar scoorde daar meteen wel zeer hoog op het vlak van geografische spreiding. In 2010 moest N-VA zelfs amper onderdoen voor de klassieke koplopers CD&V en Open Vld.

Tabel II: Geografische spreiding van kandidaten, uitgedrukt in bevolkingscijfers (absolute en relatieve cijfers).

In 2008 telde de stad Antwerpen 472.071 inwoners, in de gemeente Herstappe waren er dat 84. Daarom geeft de geografische spreiding uitgedrukt in aantallen gemeenten uiteraard geen volledig beeld. Tabel II drukt de spreiding op de kieslijsten uit in termen van bevolkingscijfers. De bevolkingscijfers van de gemeenten die door minstens één kandidaat op een kieslijst vertegenwoordigd werden, tellen we op en vinden we terug in het bovenste deel van de tabel. De relatieve cijfers - ten opzichte van de totale bevolking van gemeenten die op een Vlaamse lijst kunnen stemmen - worden gepresenteerd in het onderste deel. Wat betreft de verschillen tussen de partijen onderling worden de belangrijkste conclusies uit de vorige tabel bevestigd: CD&V en Open Vld behalen opnieuw de hoogste geografische spreiding van de onderzochte Vlaamse partijen. Uit Tabel II blijkt dat de lijsten voor de Vlaamse verkiezingen beduidend meer gespreid zijn dan bij de verkiezingen voor de Kamer. Deze conclusie geldt voor alle Vlaamse partijen. Dit is voor een groot deel te verklaren door het hoger aantal kandidaten op lijsten voor het Vlaams parlement: een hoger aantal geeft de partijen de mogelijkheid de kandidaten te spreiden over een hoger aantal gemeenten, wat duidelijk ook gebeurde bij de Vlaamse verkiezingen van 2004 en 2009.

De gegevens uit Tabel II tonen aan dat de Vlaamse partijen wel degelijk regionaal gespreide kieslijsten opstellen, al zijn er significante verschillen tussen de partijen te zien. Dat blijkt ook wanneer de ruimtelijke spreiding van de kieslijsten cartografisch weergegeven wordt. Figuur I toont de regionale spreiding op de kieslijsten voor het Vlaamse parlement in 2009 voor vier partijen: sp.a, Open Vld, N-VA en SLP. De keuze voor de verkiezingen van juni 2009 laat toe om het beeld te schetsen voor twee ‘traditionele’ partijen, liberalen en socialisten aan de ene kant, en aan de andere kant twee electorale nieuwkomers: SLP en N-VA. SLP trekt dan voor het eerst alleen naar de kiezer, terwijl dat bij de N-VA voor het eerst is sinds 2003. Beide partijen beschikken wel over lokale mandatarissen. De kaarten tonen telkens welke gemeenten op de lijst vertegenwoordigd worden. De intensiteit van de kleur geeft daarbij aan in hoeverre een gemeente ‘oververtegenwoordigd’ is, of er met andere woorden meer kandidaten uit die gemeente op de lijst staan dan het bevolkingsaantal ervan wettigt.

Figuur I: vertegenwoordiging van de gemeenten op de kieslijsten van Open Vld, sp.a, SLP en N-VA bij de Vlaamse verkiezingen van 2009.

= Open Vld

= sp.a

= SLP

= N-VA

De variatie onder de Vlaamse partijen is voor een deel te wijten aan organisatorische aspecten: niet elke partij kent een even sterke en evenwichtige lokale verankering over alle Vlaamse gemeenten. Het is dan ook niet meer dan normaal dat bepaalde partijen het moeilijker hebben om een volwaardige geografische spreiding te realiseren. Het verschil tussen N-VA en SLP bij Figuur I is wat dat betreft frappant. N-VA kan als (relatieve) nieuwkomer een spreiding over het grondgebied realiseren die niet hoeft onder te doen voor de traditionele partijen. SLP beperkt zich grotendeels tot de stedelijke centra. Maar partijen kunnen ook los van organisatorische redenen van elkaar verschillen. Zo heeft de ene partij misschien een meer uitgesproken stedelijk karakter, terwijl de andere eerder tracht de vertegenwoordiging van de landelijke streken te accentueren. De vergelijking tussen sp.a en Open Vld, toch twee partijen met een lange geschiedenis, laat ook verschillen optekenen. Meer dan liberalen, rekruteren de socialisten vooral uit (groot)stedelijke gebieden. De kaart van sp.a laat ook meer ‘blinde vlekken’ zien dan de liberale tegenhanger.

De historische achtergrond van een partij speelt hierin ook mee. Het is immers niet ondenkbaar dat een partij meer kandidaten rekruteert uit een regio waar men traditiegetrouw goede electorale resultaten behaalt. Uit geografisch onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat Vlaams Belang en Groen! electoraal het sterkst staan in de stedelijke regio’s. De liberale partij vindt het grootste deel van haar aanhang rond de steden Gent en Brussel waar de tertiaire sector sterk aanwezig is, terwijl de socialistische familie geconfronteerd wordt met grote geografische verschuivingen: de aanhang verschuift van de stedelijke naar de meer perifere gebieden en ook de migrantenpopulaties zijn een belangrijke nieuwe doelgroep. Ten slotte is de geografische spreiding van het christendemocratisch electoraat het meest stabiel. Die stabiliteit kan echter niet verhinderen dat de christendemocratische familie gradueel verzwakt en zich steeds meer terugplooit op de perifere en traditioneel landelijke gebieden.3

VAN PLATTELAND NAAR CENTRUMSTAD: DE GEOGRAFISCHE ACHTERGROND VAN KANDIDATEN

In deze paragraaf brengen we de analyse een stap verder: worden gemeenten met een welbepaald socio-economisch profiel systematisch over- of ondervertegenwoordigd op de kieslijsten anno 2010? Voor de theoretische inbedding doen we een beroep op de VRIND-classificatie: een ruimtelijke indeling van de Vlaamse overheid terug te vinden in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Dit document kadert in het Vlaams ruimtelijk beleid, en biedt als overzichtelijke en wetenschappelijk onderbouwde indeling van het Vlaamse grondgebied een theoretische houvast. De VRIND-classificatie verdeelt de 308 Vlaamse gemeenten over acht verschillende categorieën. Deze indeling is gebaseerd op een wetenschappelijke studie naar de hiërarchie van de stedelijke kernen in Vlaanderen. Daarbij werd onder andere rekening gehouden met de stedelijke dynamiek, trends in de stedelijke ontwikkeling en het ruimtelijk potentieel van bepaalde gebieden.

Tabel III: Gemeentetypes uit de VRIND-classificatie

Tabel III biedt een overzicht van de verschillende gemeentetypes uit de classificatie, met bijhorend het aantal gemeenten en de absolute en relatieve bevolkingscijfers. Om een volledig beeld te krijgen van de geografische achtergrond van de verschillende partijen worden de 19 Brusselse gemeenten als een aparte categorie aan de classificatie toegevoegd. Om de representativiteit van de ingediende kieslijsten te evalueren, wordt de proportie kandidaten van elk gemeentetype vergeleken met het aandeel van elk gemeentetype in de totale bevolking van de 308 Vlaamse en 19 Brusselse gemeenten. Op die manier wordt duidelijk welke groep van gemeenten al dan niet onder- of oververtegenwoordigd worden na de lijstvorming. De resultaten zijn om de vergelijkbaarheid te bevorderen enkel gebaseerd op de Kamerverkiezingen van 2003, 2007 en 2010. In tegenstelling tot de federale verkiezingen, verlopen de Vlaamse verkiezingen in een provinciale kieskring Vlaams-Brabant. De Vlaamse partijen kunnen daarnaast campagne voeren voor zes Vlaamse zetels in de Brusselse gemeenten. Maar die zes gegarandeerde Brusselse zetels in het Vlaams parlement zijn niet gebaseerd op de Brusselse bevolkingscijfers en zouden een te sterk vertekenend effect hebben.

*Tabel IV: Verdeling van kandidaten-Kamerleden over de categorieën van de VRIND-classificatie (federale verkiezingen 2003, 2007 en 2010). *

De cijfers uit Tabel IV vallen te interpreteren als indexcijfers: een cijfer groter dan 1 wijst op een oververtegenwoordiging van kandidaten uit dit gemeentetype, een cijfer kleiner dan 1 op een ondervertegenwoordiging. Uit de resultaten blijkt dat elk gemeentetype relatief volwaardig vertegenwoordigd werd op de kieslijsten sinds de federale verkiezingen van 2003, behalve de 19 Brusselse gemeenten. De verklaring ligt voor de hand: de Nederlandstalige bevolking vormt er slechts een minderheid en de Vlaamse partijen mikken veeleer op de stemmen van de Vlaamse rand rond Brussel. Dat neemt niet weg dat de resultaten nog steeds zeer opvallend zijn: ongeveer 64,2 % van de bevolking in het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde woont in de 19 Brusselse gemeenten. Buiten sp.a en Groen! rekruteert echter geen enkele partij meer dan een vierde van zijn kandidaten op de lijst voor BHV uit het Brusselse. Zolang de kieskring niet gesplitst wordt, blijft BHV dan ook de geografische spreiding van de Vlaamse kieslijsten sterk verstoren.

Buiten de lage scores voor de Brusselse gemeenten stellen we geen systematische onder/oververtegenwoordiging van bepaalde gemeentetypen vast voor alle partijen samen. Opvallend is wel de zware ondervertegenwoordiging van Gent en Antwerpen - onder de noemer grootsteden - op de lijsten van CD&V, Open Vld en N-VA. De plattelandsgemeenten - gerekend tot de categorie buitengebied - worden daarentegen volwaardig vertegenwoordigd op zowat alle lijsten. Dat is op zich wel een opvallende vaststelling: de kieshervorming van 2002 en de bijhorende vergroting van de kieskringen voor de verkiezing van de Kamer - en later ook het Vlaams Parlement - zou volgens criticasters vooral de kleinere plattelandsgemeenten treffen. Deze cijfers spreken die intuïtie dus tegen. Tussen de partijen onderling zijn de verschillen dan weer wel frappant. Groen! ontpopt zich als de partij met het meest stedelijk karakter op de kieslijsten: zowel voor de grootsteden, centrumsteden als grootstedelijke rand behaalt de groene partij een hoge score. Daartegenover staan CD&V en Open Vld die naar voren komen als beste vertegenwoordigers van het platteland en de minder verstedelijkte regio’s: CD&V plaatste 33% meer kandidaten uit buitengebied op lijsten dan proportioneel gezien nodig was, terwijl de Vlaamse liberalen het zogenaamde kleinstedelijk provinciaal gebied sterk aan bod liet komen. Het profiel van LDD, Vlaams Belang en vooral N-VA is veel minder duidelijk: die laatste laat zowel buitengebied als grootstedelijke rand uitgebreid aan bod komen.

CORRELATIE TUSSEN HET VERKIEZINGSRESULTAAT EN DE AANWEZIGHEID VAN KANDIDATEN

Uit het voorgaande blijkt dat de Vlaamse politieke partijen een evenwichtige ruimtelijke spreiding van kandidaten weten te realiseren. In de inleiding werd er gemakshalve van uitgegaan dat partijen een electorale drijfveer hebben om een geografische diversiteit op hun kieslijsten te realiseren. Op deze manier spreken ze immers een breder electoraat aan en worden meer stemmen behaald over de gehele kieskring. Er bestaat echter weinig tot geen onderzoek waarin men tracht deze theoretische veronderstelling ook empirisch hard te maken. De relatie tussen het verkiezingsresultaat en de geografische spreiding van kieslijsten kan op verschillende niveaus onderzocht worden. In eerste instantie het individuele stemgedrag van de kiezer: hoe zwaar weegt de lokale achtergrond van een kandidaat door om er uiteindelijk op te stemmen? Het effect van een geografische spreiding op het uiteindelijke verkiezingsresultaat kan daarnaast ook geanalyseerd worden op een meer geaggregeerd niveau: behalen kieslijsten met een meer evenwichtige spreiding aanzienlijk betere resultaten? In dat geval is het noodzakelijk een index te ontwerpen die de geografische spreiding van een kieslijst adequaat berekent.

In wat volgt wordt een derde mogelijke werkwijze gevolgd: we berekenen de correlatie tussen aan de ene kant het verkiezingsresultaat in een bepaalde streek en aan de andere kant de relatieve aanwezigheid van kandidaten uit die streek. Terwijl de gemeenten tot hiertoe het analyseniveau uitmaakten, wordt in deze paragraaf noodgedwongen met kantonale cijfers gewerkt. Dit is immers het laagst mogelijke niveau van verkiezingsuitslagen dat openbaar terug te vinden is. We berekenen de relatieve aanwezigheid van kandidaten uit een kanton enerzijds en het relatieve electorale resultaat van een partij in dat kanton ten opzichte van de provinciale score anderzijds. De relatieve aanwezigheid van kandidaten is de verhouding tussen het aantal kandidaten uit een kanton op de kieslijst en het aantal kandidaten waar het kanton op basis van bevolkingscijfers recht op heeft. Werken met de relatieve electorale score (het verkiezingspercentage in het kanton in verhouding tot het totaalpercentage in de provincie) houdt rekening met de meer algemene trends in de verkiezingsuitslag en historisch gegroeide verschillen tussen de provincies onderling.

Tabel V: Correlatie tussen het relatieve kantonale resultaat en de relatieve aanwezigheid van kandidaten uit het kanton.

De resultaten van deze analyse worden weergegeven in Tabel V. Voor alle verkiezingen en alle partijen bedraagt de correlatie 0,38 (n = 3448). Zelfs wanneer wordt uitgesplitst, zowel per verkiezing als per partij, is het duidelijk dat er een sterke en zeer significante samenhang bestaat tussen de relatieve aanwezigheid van kandidaten en het relatieve electorale resultaat. Alle correlaties in Tabel V zijn significant op een niveau α = 0,01. De sterkte van de samenhang verschilt wel van verkiezing tot verkiezing: vooral voor de Vlaamse verkiezingen van 2009 en de Kamerverkiezingen van 2010 valt een hoge correlatiecoëfficiënt op te tekenen. De gevoelig lagere scores voor de Kamerverkiezingen van 2003 en de Vlaamse verkiezingen van 2004 doen vermoeden dat de samenhang over de jaren heen sterker is geworden. Tussen de resultaten van de politieke partijen onderling stellen we minder variatie vast. Enkel bij LDD is het verband minder sterk, maar wel even significant als bij alle andere partijen, die een correlatiecoëfficiënt behaalden tussen 0,36 en 0,42.

Deze resultaten vertellen echter niets over de causale relatie tussen de twee onderzochte variabelen. We kunnen dus niet met volledige zekerheid stellen dat een relatieve oververtegenwoordiging van kandidaten uit een kanton daadwerkelijk leidt tot een relatief hoog electoraal resultaat in dat kanton. Het is eveneens goed mogelijk dat partijen traditioneel sterker scoren in bepaalde kantons, en daardoor een hogere organisatorische densiteit ontwikkelen in deze groep van gemeenten. Een hoger aantal kandidaten op de lijst kan daarvan een mogelijk gevolg zijn. De eerste verklaring lijkt echter een meer valabele verklaring te zijn voor deze samenhang. De resultaten bewijzen in ieder geval dat politieke partijen er goed aan doen voldoende aandacht te besteden aan de geografische spreiding van hun kieslijsten.

CONCLUSIE

In tijden van doorgedreven mediatisering en personalisering lijken de lokale aspecten van ons politiek systeem zwaar aan belang te moeten inboeten. Door het uitgebreide medianetwerk krijgt elk lokaal probleem meteen een nationaal karakter en wordt het dan ook een nationaal politiek thema. Als het uitbrengen van een stem niet langer gebaseerd is op de beleidsprestaties of het dienstbetoon van de lokale volksvertegenwoordiger/burgemeester maar op de populariteitscurve van een Bart De Wever of een Yves Leterme, dan is het niet verwonderlijk dat de lokale verkiezingsuitslagen in West-Vlaanderen en Limburg steeds meer in elkaars verlengde liggen. Toch is die trend niet allesoverheersend. Hoewel het hier gaat over een breed sociologisch fenomeen dat zich voordoet over de West-Europese landsgrenzen heen, zijn er een aantal institutionele mechanismen die de tanende invloed van de lokale aspecten kunnen tegenhouden.

Ten eerste speelt het kiessysteem hierin een belangrijke rol: een indeling van het grondgebied in zeer kleine kieskringen zorgt logischerwijze voor een sterkere lokale reflex bij de verkozen parlementsleden dan de invoering van één nationale kieskring. Een parlementslid moet in het eerste geval immers enkel de lokale achterban tevreden houden om herverkozen te worden. De voorwaarde is dan wel dat de politicus in kwestie een degelijke plaats op de lijst in de wacht sleept. Daarmee zijn we aanbeland bij de tweede reddingsboei voor het verdedigen van de lokale belangen: de lijstvorming binnen de politieke partijen. Indien de partij opteert voor een sterk gedecentraliseerde procedure voor het opstellen van de lijsten, is de kans natuurlijk stukken groter dat ook de kleinere gemeenten aan bod komen. Heeft het nationale partijbestuur echter de touwtjes stevig in handen bij de lijstvorming, dan is er minder oog voor geografische spreiding. En uiteraard staan kiessysteem en lijstvorming niet los van elkaar: in een kiessysteem waar weinig oog is voor de lokale geografische ruimte en waar bekendheid in de nationale media de beste garantie biedt om verkozen te worden, gaan partijen natuurlijk geen moeite doen om onbekende plattelandskandidaten op de lijst te plaatsen.

Met de invoering van de grotere provinciale kieskringen in het kader van de kieshervorming van 2002 kan er onmogelijk van zeer kleine kieskringen gesproken worden. Maar ook het tweede mechanisme lijkt afwezig te zijn: hoewel een aantal Vlaamse partijen statutair heel wat ruimte laat voor inspraak van leden en lokale afdelingen, blijkt in de praktijk vaak dat de centrale partijleiding nog steeds de touwtjes stevig in handen houdt.4 Uit bovenvermelde cijfers blijkt nochtans dat het zo erg nog niet gesteld is in Vlaanderen: zowat alle politieke partijen - uitgezonderd LDD en SLP - slagen er in relatief sterk gespreide lijsten op te stellen voor iedere stembusslag. Maar aangezien een hoog percentage van de kandidaten bij elke verkiezing gerecycleerd wordt, valt er zeer weinig variatie in geografische spreiding op te tekenen. Wanneer we kijken naar de verschillen tussen de partijen onderling, lijken CD&V en Open Vld de traditionele koplopers, op de voet gevolgd door N-VA dat zowel voor als na het kartel met CD&V kieslijsten kon indienen met een stevige geografische spreiding. Ook de analyse op basis van de VRIND-classificatie doet vermoeden dat de Vlaamse partijen wel degelijk inspanningen leveren om zoveel mogelijk verschillende gemeenteprofielen aan bod te laten komen bij de lijstvorming. Zowel de centrumsteden als de plattelandsgemeenten mogen bij de meeste partijen echter nog nadrukkelijker aanwezig zijn bij de volgende verkiezingsedities. Van alle partijen heeft Groen! de lijsten met het meest stedelijke karakter, terwijl CD&V en Open Vld veel oog hebben voor kandidaten van op het Vlaamse platteland.

Ondanks de vrij grote kieskringen en de vrij sterk gecentraliseerde procedures van lijstvorming is er dus toch een aanzienlijke mate van geografische spreiding op de kieslijsten van Vlaamse politieke partijen. Een valabele verklaring hiervoor is dat de partijen gedreven worden door een dubbele strategische incentive. Enerzijds is er een electorale overweging: hoe meer spreiding op de lijsten, hoe sterker het resultaat van de lijst. Uit onze analyse blijkt dat een sterke concentratie van kandidaten uit een bepaald kanton wel degelijk samenhangt met een relatief sterk resultaat in dat kanton. Deze significante correlatie stellen we bij alle partijen vast. De sterkte van deze samenhang lijkt gestaag te zijn toegenomen sinds de federale verkiezingen van 2003, wat een argument is voor de partijen om ook in de toekomst geografisch gespreide lijsten op te stellen. Maar de mogelijke electorale bonus is heus niet de enige motivatie. Anderzijds is er ook een organisatorische drijfveer aan het werk. Partijen laten best iedere regio binnen Vlaanderen aan bod komen op de kieslijst om de neuzen in eenzelfde richting te krijgen bij de verkiezingen. De lijstvorming is immers niet alleen een instrument om alle parlementsleden in het gareel te houden, het is eveneens een potentiële bron van interne onvrede, dissidentie en zelfs afscheuringen die het imago van de partij zwaar kunnen besmeuren. Ondanks het gebrek aan institutionele mechanismen die de spreiding van kandidaten garanderen, is er dus toch een redelijke geografische spreiding van kandidaten op de kieslijsten. De centrale partijinstanties voorzien zelf in een degelijke spreiding, gedreven door de eigen electorale en organisatorische belangen.

Gert-Jan Put, Frederik Verleden, Bart Maddens & Ine Vanlangenakker
Centrum voor Politicologie, KULeuven

Noten
1/ Daniele Caramani, The nationalization of politics: the formation of national electorates and party systems in Western Europe. Cambridge, Cambridge University Press, 2004, pp. 1-4.
2/ Ine Vanlangenakker, Gert-Jan Put en Bart Maddens, Een vergelijkende analyse van de profielen van de kandidaten voor de verkiezingen van 2003, 2004, 2007, 2009 en 2010. Leuven, Centrum voor Politicologie, 2010.
3/ Pierre Marissal, Pablo Medina Lockhart, Gilles Van Hamme en Christian Vandermotten, Atlas van België: Politieke geografie. Gent, Academia Press, 2007.
4/ Bram Wauters, Leden en hun inspraak binnen politieke partijen, in: Res Publica, 2003, nr. 1, pp. 65-66.

verkiezingen - politiek - partijwerking

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 5 (mei), pagina 60 tot 72