Log in

Een groot intellectueel

In memoriam Koen Raes (1954-2011)

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 5 (mei), pagina 1 tot 8

Ik ken Koen Raes uit onze studententijd in Gent, begin de jaren 1970. We zijn ongeveer gelijk in leeftijd. Ik herinner me hem vooral uit de seminarielessen van Jaap Kruithof, een van de filosofische sterspelers van toen. Kleine groepen discussieerden en werkten rond het thema democratie. Koen studeerde tegelijk rechten en moraal. Hij ging voortdurend in debat. Hij was gewoon voor het debat geboren. Druk gebaren makend verzon hij ter plekke de meest ingewikkelde redeneringen. Kruithof genoot van een dergelijke student en de student genoot ervan om de prof te tackelen. Hij was pas een waardige tegenstander. Rad van tong, kritisch, links, consequent. Humoristisch ook. En veel lawaai.

Ik heb hem pas jaren later teruggezien. Je hoorde natuurlijk van hem, want hij wrong zich zonder veel moeite in het publieke debat. Over alles had hij een mening en hij kreeg vaak de kans die op de televisie en in andere media te ventileren. Ook dat lag hem uitstekend. Hij werd een toonaangevend intellectueel van een nieuwe generatie en eigenlijk had hij niet veel concurrentie. Ik bedoel niet dat hij een vakspecialist was. Dat was hij ook natuurlijk, maar hij keek verder en vooral dieper. Hij sprak over wat er maatschappelijk toe doet. Maar hij deed er vooral maatschappelijk toe, hij deed relevante uitspraken, waar mensen mee verder konden.

Koen werd academicus, met een doctoraat over John Rawls bij Kruithof. Ik weet niet zo goed of men hem ook een leerling van Leo Apostel kan noemen. Hij schreef een teder stuk in een boekje dat na het overlijden van de grote Vlaamse filosoof gemaakt werd, met getuigenissen van collega’s die hem gekend hebben. Koen Raes heeft hem goed gekend, vooral na zijn studies en nog het best nadat Apostel vroegtijdig als emeritus de universiteit verlaten had. Dat hij zo weinig bij hem studeerde is merkwaardig, want in zijn studententijd was Apostel juist in de bloei van zijn professoraal leven. Vooral in de seminaries hingen de studenten aan zijn lippen. Koen was daar niet bij, dacht ik. Misschien was hij op dat ogenblik toch meer jurist dan filosoof. Apostel lijkt me eerder een bewonderde vriend dan een leermeester geweest te zijn, hoewel hij zonder twijfel ook veel aan hem geleerd heeft. Koen was medeauteur van een interviewboek met Apostel.

Hoe dan ook, hij sloot eigenlijk veel meer aan bij Jaap Kruithof. Eenzelfde gedrevenheid, eenzelfde verbale kracht, eenzelfde durf, eenzelfde nabijheid bij zijn studenten. Kruithof was in die periode bijzonder populair. Hij begon zijn grote cursus in de Blandijn met een zogenaamd aperitiefje. De studenten kozen een onderwerp en hij ging erop in. Het kon gewoon van alles zijn, letterlijk niets ging hij uit te weg. De studenten stonden er vroeg voor op om te smullen van de improvisatie. Ook Koen Raes sprak en schreef niet alleen over de grote filosofische of maatschappelijke vraagstukken. Yves Desmet scheef terecht dat hij een ethicus van het alledaagse was. Eigenlijk gaf hij daardoor aan dat dagelijkse leven een bijzonder statuut. Filosofie moet over het dagelijkse leven gaan, is een oefening in dagelijks leven. Goede filosofie toont de weg naar het goede leven. Kruithof en Raes waren daar elk op hun manier mee bezig. Het waren geen kamergeleerden die zich uitputten in eindeloze interpretaties van voorgangers. Beide hebben een tijd columns geschreven, die later in boekvorm verschenen. Ze waren niet allemaal van dezelfde hoogte, maar er zaten veel pareltjes bij.

En toch was er een verschil. Koen heeft het zelf aangeduid in een huldeboek voor Jaap Kruithof. Deze was niet bezig met het haalbare. Een compromis was geen optie. Gelijk hebben is gelijk krijgen. Kruithofs denken is een verantwoordelijkheidsdenken, schrijft Raes, geen oplossingsdenken. Hij had dat zelf niet, misschien door zijn juridische opleiding vermoedt hij. Hij wilde wel oplossingen. Kruithof noemde dat Koens neiging tot sociaaldemocratie. Het is de oeroude discussie of een intellectueel zijn handen mag vuil maken, of hij iets meer moet doen dan de anderen een geweten schoppen. Kruithof hield niet van vuile handen en stak graag zijn vingertje omhoog. Dat gevoel van ‘Ik ben de enige consequent linkse persoon in Vlaanderen’, dat had Koen Raes niet. Je voelde je niet gemakkelijk wanneer je iets gedaan had dat botste met zijn analyse. Hij had natuurlijk gezag, ongetwijfeld. Maar anders dan Kruithof had hij niet die predikantenroeping.

En hij zocht wel degelijk een weg om te wegen op de politiek. Hij koos nooit voor echt klein links, maar werd op een bepaald moment communist. Ik ken daar geen details van, maar mij lijkt ook dat wel degelijk een keuze geweest te zijn voor oplossingen. Wellicht zijn er vandaag niet veel mensen die zich nog kunnen voorstellen dat de KP een uitzicht kon bieden op enige werkelijke politieke realisatie. Toch is er in de jaren 1980 een tijd geweest dat dit er in leek te zitten. Er was altijd een harde kern van stalinisten en die heeft het uiteindelijk gehaald. Ze hebben wat er levensvatbaar was gekraakt. Maar er was ook een verzet, een verzuchting, een verjonging. Er was op een bepaald moment zelfs een uitzicht dat die partij een echt linkse en zelfs groene partij zou worden, inclusief een Vlaamse partij. Ik weet niet of Koen dit zo zag, maar het lijkt me toch hoogst waarschijnlijk. En dat hij niet aan de kant van die oude stalinisten stond is evident.

In die periode werd hij hoofdredacteur van het Vlaams Marxistisch Tijdschrift. Hij publiceerde ook een boek over het neoliberalisme en een over socialisme. In Aan hen de keuze legt hij de ideologische wortels bloot van het neoliberalisme. Von Hayek en Nozick spelen daarin natuurlijk een hoofdrol. Maar hij kent toch meer dan dat, ook Ayn Rand bijvoorbeeld, die recent door Hans Achterhuis als een oerbron voor het kapitalisme in het zoeklicht gezet werd. Maar hij toont ook de wortels van de jonge Verhofstadt. Deftig rechts noemt hij het. De uitdrukking ‘neoliberaal bezitsindividualisme’ is voor hem cruciaal. Het boek uit 1983 lijkt me absoluut niet verouderd. In Socialisme in de postmoderniteit hervat hij zijn analyse van het neoliberalisme, maar hij klaagt vooral aan dat het socialisme geen alternatief aanbiedt, ideologisch impotent geworden is. In de inleiding schrijft hij dat het socialisme verdwaald is. Hij voegt daar aan toe dat dit op zich helemaal niet erg is. Het wordt pas erg wanneer de dwaling deugd geworden is. Men klampt zich vast aan zekerheden of men grijpt terug naar nog oudere zekerheden.

Uiteindelijk is hij bij de socialistische partij terecht gekomen. Hij werd op een bepaald moment zelfs verkozen tot gemeenteraadslid in Gent. Kruithof kreeg gelijk en toch weer niet. Er was kennelijk een neiging tot sociaaldemocratie. Hij wou mee aan de weg timmeren en niet aan de kant staan kijken hoe anderen er toch maar niet in slaagden de socialistische doelstellingen te realiseren. Maar het viel hem moeilijk. Een vrij en onafhankelijk denker zet zichzelf niet zo gemakkelijk opzij. Zwijgen omwille van partijdiscipline moet hem zelfs fysieke oprispingen bezorgd hebben. Hij heeft het oprecht geprobeerd, maar misschien was hij dan toch net te veel verantwoordelijkheidsdenker en net te weinig oplossingsdenker. Zo kon hij met geen middel de Agusta-affaire verteren.

Net in die periode heb ik Koen opnieuw ontmoet. Hij was al een tijdje hoofdredacteur van Samenleving en politiek toen hij mij vroeg om in de redactie te komen. Ik vond het een eer. De redactie vergaderde in het begin nog in de lokalen van de studiedienst van de partij, met de fameuze Sevi-boterhammen er bovenop. Duistere en muffe kamers, waar het altijd weer een probleem was om na de vergadering buiten te komen. De Agoragalerij sloot immers om 20 uur. Koen leidde de vergaderingen met professionele hand. Een goede vergadering mocht niet meer dan twee uur duren, zei hij en hij hield er zich aan. Hij zorgde ervoor dat het blad over meerdere nummers in elkaar gestoken werd en deelde vlotjes werk uit. Geen sprake van dat een redactielid zich kon beperken tot een passieve deelname. Je moest mensen contacteren, toch af en toe stukken schrijven en vooral om beurt een edito produceren. Ik vergeet nooit de momenten waarop hij vaststelde dat het volgende edito nog aan niemand toegewezen was. Hij keek streng rond en duwde zijn bril tegen zijn neus. Het hielp niet om toevallig naar je papieren te kijken. Met zachte, maar onweerstaanbare dwang werd je met huiswerk weggestuurd. Iedere redactievergadering werd er ook heftig inhoudelijk gediscussieerd. De deelnemers wisselden, maar Koen was altijd in de discussie gemengd. Altijd spits, erudiet en met visie. Maar het bleef heel gezellig, er werd enorm veel gelachen.

Als nu naar deze periode terugverwezen wordt, is de kans groot dat iemand het heeft over de tijd dat Sampol een blad van de socialistische partij was. Het werd door de partij uitgegeven en voor een flink stuk ook betaald. Het blad was gewoon niet te financieren met de opbrengst van de abonnementen. De hoogste oplage lag rond de 1000 exemplaren en daarvoor werd er op een bepaald moment zelfs een reclamebureau ingeschakeld. Zonder steun van de partij kon het dan ook niet blijven duren. En toch durf ik stellen dat die partij geen druk uitoefende, op een enkele oprisping na wanneer weer iets geschreven werd dat de partij net te veel in haar blootje zette. Koen Raes zou anders niet gebleven zijn. Bij mijn weten werden teksten nooit aangepast omdat de partij dat vroeg of omdat de hoofdredacteur vreesde dat de partij kwaad zou worden.

Na een desastreuze verkiezingsuitslag voor de socialistische partij heeft Koen de overname door de Stichting Gerrit Kreveld onderhandeld. Hij loodste het blad naar een veilige haven, waar het vandaag nog thuis is. In die overdracht zorgde hij ook voor de redactionele onafhankelijkheid. Na een tijd droeg hij het hoofdredacteurschap over. Hij wou gewoon niet te lang blijven. Ik zag hem niet vaak terug en nog slechts een maal bij een Sampol-evenement, toen zijn opvolger op zijn beurt vertrok. Hij was wat stilletjes geworden. Geleidelijk is hij ook uit het publieke debat verdwenen. Hij kwam niet meer in de media en er kwamen ook geen columns meer. Ik weet niet wat er hem overkomen is en het zijn ook mijn zaken niet. Ik weet alleen dat Vlaanderen een groot intellectueel verloren heeft. Ik kan niet verbergen dat dit mij niet alleen met droefheid, maar ook met een zekere wanhoop vervult.

Hierna leest u het allereerste edito van Koen Raes als hoofdredacteur van Samenleving en politiek uit 1994. De tekst is verbazend actueel.

Luc Vanneste
Redactielid Samenleving en politiek

Solidariteit als grondslag

Koen Raes
Hoofdredacteur Samenleving en politiek 1994-2004
Edito, Samenleving en politiek, jaargang 1, nr. 1, januari 1994

Samenleven is niet makkelijk. Het vraagt begrip voor de ander, medemenselijkheid, arbeid, zorgzaamheid, solidariteit. Maar het wordt velen ook niet makkelijk gemaakt. Het moet je maar overkomen om net in die maatschappij te belanden waarin de kloof tussen het mogelijke en het verwerkelijkte en tussen het mogelijke en het wenselijke zienderogen toeneemt. Een maatschappij met enorme mogelijkheden en met enorme onrechtvaardigheden, met heel veel kennis en ook heel veel domheid en onwil. Een maatschappij waarin alle zekerheden als sneeuw voor de zon verdwijnen, maar waar tegelijk zekerheidsprofeten van allerlei slag de mogelijkheden bij voorbaat wensen te koloniseren.
Een van de kenmerken van onze maatschappij is een groeiend schaarstebewustzijn. Nu heeft onze westerse cultuur de ‘strijd tegen de schaarste’ altijd al centraal gesteld. Zij is een door en door economische cultuur, ook in haar mensopvattingen. In het liberaal bezitsindividualisme vormt de strijd tegen de schaarste de grondslag van een egoïstische mensopvatting, terwijl het marxistisch socialisme de ‘opheffing van de schaarste’ als de noodzakelijke voorwaarde zag van een communistische maatschappij. Precies die strijd tegen de schaarste heeft het schaarstebewustzijn nog versterkt door een economische én ecologische crisis.
Zal dit groeiend schaarstebewustzijn ook leiden tot dalende solidariteit vanuit de idee dat wat de één krijgt per definitie van een ander wordt weggenomen?
Als het van de rechterzijde afhangt, is dat perspectief realistisch. De rechterzijde probeert ons een maatschappij voor te schotelen waarin mensen zich terug ‘schuldig’ moeten voelen wanneer zij ziek of werkloos worden en waarin iedere vorm van afhankelijkheid van gemeenschappelijke voorzieningen als een persoonlijke mislukking ervaren wordt. Zij probeert ons met een even onverhuld moralisme te vertellen dat criminaliteit slechts het gevolg is van een teveel aan permissiviteit en dat alleen harde repressie orde op zaken kan stellen. Zij probeert ons te vertellen dat vele mensen gewoon ‘nutteloos’ en ‘overbodig’ zijn geworden omdat haar heilige economie van de winst er niets meer mee kan aanvangen. Zij probeert ons te vertellen dat de democratisering van het onderwijs alleen maar tot vervlakking en nivellering heeft geleid, zoals trouwens alle democratisering in haar ogen. Zij probeert ons wijs te maken dat alleen deregulering water en lucht terug zuiver en voedsel gezonder zal maken. Zij probeert mensen op te zetten tegen elkaar vanuit de waanidee dat het ‘ieder voor zich’ in de strijd tegen de schaarste beter werkt dan samenwerking en solidariteit in een eindige wereld. De rechtse brainwash schijnt zijn effekt niet te missen: het denken wordt aangetast door een vertoog waarin autonomie verward wordt met autarchie en zelfstandigheid met zelfgenoegzaamheid.
De socialistische ideeën daarentegen kregen een flinke deuk. De val en het falen van de planeconomieën, die de apologeten van de economie van de winst zelfzekerder gemaakt hebben in hun nieuwe wereldorde, hebben socialisten met grotere schroom tegen hun eigen idealen en realisaties doen aankijken. Nochtans is er geen reden om aan de waarde van onze beginselen te twijfelen. Wel is het onze overtuiging dat een relevant socialisme vandaag grondig rekening moet houden met het probleem van de eindigheid en dus van de schaarste, en dat het juist daarom solidariteit in het centrum van haar belangstelling en motivering moet stellen. Samenwerken werkt niet alleen, het werkt ook beter.
ALGEMEEN BELANG
Wij wensen ons dus af te zetten tegen de visie van de rechterzijde.
Sociale zekerheid is een recht, geen gunst. Persoonlijke ontwikkeling naar zelfstandigheid voor iedereen is een socialistische doelstelling. Maar dat betekent niet dat omstandigheden van afhankelijkheid van sociale zekerheidsvoorzieningen de mens daarom minderwaardig zou maken. Iedereen loopt immers vroeg of laat de kans in dergelijke omstandigheden terecht te komen. Zij maken niet minder deel uit van het mens-zijn dan toestanden van perfecte gezondheid en materiële zelfstandigheid. Socialisten is het er niet om te doen geweest afhankelijkheid te creëren, maar juist om de mensonterende uitbuiting die kan worden gemaakt van mensen die in nood verkeren een radicale halt toe te roepen.
Criminaliteit is uiteraard een probleem, maar het is een volstrekte misvatting te menen dat harde repressie soelaas biedt. Niet de idealen van een humanistische strafrechtpolitiek waren fout, wél de archaïsche instituties waarin zij werden ingebed. Wij blijven geloven dat er een intrinsieke band is tussen criminaliteitsbeleid en sociaal beleid en dat het moralistisch doorhakken van dit verband alleen maar tot een steeds uitzichtslozer repressie kan leiden.
De democratisering van het onderwijs is inderdaad ten dele mislukt: het is niet gelukt die sociale mobiliteit tot stand te brengen die was verhoopt. Maar dat is voor ons geen reden om tegen een democratisch en democratiserend onderwijs te zijn. Het is integendeel een reden om dit opzet in een geactualiseerd perspectief te hernieuwen.
Een maatschappij waarin grote groepen mensen ‘gemist’ kunnen worden, is niet onze keuze. Wij blijven menen dat het recht op zinvolle arbeid een fundamenteel sociaal recht is, en dat de overheid haar bijdrage moet leveren om het tot stand te brengen waar de economie van de winst te kort schiet. Er is nog zoveel te doen. Er zijn steeds meer dringende en steeds minder vermarktbare noden en behoeften. Er is nood aan het uitbouwen van een sociale economie om die behoeften te bevredigen.
En gelooft men nu echt dat men de nieuwe ecologische uitdagingen of de nieuwe technologische ontwikkelingen kan beantwoorden door minder politiek, minder collectieve voorzieningen, minder staat? Wordt het geen tijd dat men zich weer realiseert dat het individuele recht om het waterkraantje naar believen open en toe te draaien volstrekt betekenisloos zou worden indien men er niet op kon vertrouwen dat er water uit het kraantje stroomt en dat het water ook drinkbaar is?
Omdat collectieve voorzieningen een evidentie zijn geworden, lijken mensen de band niet meer te zien tussen hun persoonlijke vrijheid en de collectieve voorzieningen die er de mogelijkheidsvoorwaarde toe vormen. Het is tijd dat men zich daar weer bewust van wordt. Maar het wordt ook tijd om die collectieve voorzieningen fundamenteel te herwaarderen en te reorganiseren. Niet alles wat zich vandaag als collectieve voorziening aandient, is dat immers in werkelijkheid. En niet iedere collectieve voorziening moet per se door de staat worden uitgebaat, zolang de staat maar de uitbatingsvoorwaarden democratisch weet te controleren. Ten slotte is er nood aan nieuwe collectieve voorzieningen die méér open ruimtes in natuur en stad verzekeren, méér ontmoetings- en discussieruimtes en mogelijkheden garanderen voor méér mensen. Er is nood aan een nieuwe opvatting over openbaarheid en openbare dienstverlening.
HERWAARDERING VAN DE POLITIEK
Wie het heeft over algemeen belang en openbare dienstverlening komt vanzelf bij de politiek terecht; politiek als middel om collectieve doelstellingen waar te maken. Lang niet iedereen echter hanteert die definitie van politiek. Het zou dus goed zijn weer in alle duidelijkheid het onderscheid te maken tussen diegenen die de politiek slechts gebruiken voor het vooruithelpen van hun eigen belangen, die in het verlengde liggen van de economie van de winst of parasiteren op het ‘publieke domein’, en diegenen die de politiek geherwaardeerd willen zien als een praktijk waarin het algemeen belang voorop staat.
In de discussie over de ‘herwaardering van de politiek’ is tot nog toe relatief weinig aandacht gegaan naar de inhoud en de doelstellingen van die politiek. Er is geschreven over de ‘kloof’ tussen burger en politiek, de onoverzichtelijkheid van onze bestuurlijke instellingen, de politieke apathie en het wantrouwen tegenover de ‘politique politicienne’, de uitholling van de parlementaire macht e.d.m. Men keek in de eerste plaats naar de mankementen aan de middelen waarmee politiek bedreven wordt.
Maar net zo belangrijk is natuurlijk de discussie over het object zelf van het politieke handelen, de doelstellingen die eraan ten grondslag (zouden moeten) liggen. Ook hier is er nochtans duidelijk sprake van vervreemding: het is de mensen niet meer duidelijk waartoe politiek uiteindelijk strekt. Het gefragmenteerde wereldbeeld van de mensen en hun individualiserende levensopvattingen, maar ook de technocratisering van het beleid hebben de noties van algemeen belang en van het belang van de algemeenheid doen vervagen. Het zijn echter juist die noties die centraal staan in ieder politiek project, dat meteen een waardengericht project is.
Voor democratische socialisten is dat een fundamenteel probleem. Voor hen is de koppeling van politiek en algemeen belang, van politiek en algemene waardenopties immers steeds wezenlijk geweest. Waar de politiek nog slechts gezien wordt als een strijdperk van particuliere belangen en belangengroepen of als een ‘politieke markt’, dreigt de betekenis van die politiek verloren te gaan. Waar de ‘sfeer van openbaarheid’ wordt herleid tot showbusiness en waar het politiek debat nog slechts onderhoudend entertainment is, verdwijnt het argument. Waar politieke projecten tot produkten verworden en waar de burger niet als participant maar slechts als consument wordt bejegend, verdwijnt de democratie.
DIALOOG
Het probleem van de techniciteit van politieke dossiers heeft vele aspecten. Het is onmiskenbaar dat de maatschappelijke werkelijkheid alsmaar complexer wordt, maar de politiek draagt daar via haar juridische regelgeving beslist ook zelf toe bij. De techniciteit van een politiek dossier kan ook een alibi vormen om problemen niet meer in termen van waardenopties te stellen en zo de militant en de burger monddood te maken: ‘daar begrijpt hij toch niets van’. Bovendien is de techniciteit van een politiek dossier vaak gekoppeld aan het korte termijn-perspectief waarin politieke mandatarissen, kaderleden en militanten vaak aan politiek doen. De beslommeringen rondom de dagelijkse politieke agenda overwoekeren al eens het ruimere verband waarin zij maatschappelijk gesitueerd moeten worden.
Er is met andere woorden zowel nood aan verduidelijking van de algemene verbanden waar concrete, technische dossiers in thuishoren, als aan vulgarisering van vertechniseerde politieke dossiers. De profilering op basis van waarden en normen, idealen en projecten is immers essentieel voor een politieke partij. Het is de kern van waaruit zij haar activiteiten uitbouwt. Dat vereist een intensere dialoog tussen politici, kaderleden en militanten aan de ene kant en academici en intellectuelen in het algemeen aan de andere kant. Een dialoog die maatschappelijke problemen en politieke projecten voor een breder publiek moet ontsluiten.
De tijd van de ‘evidente’ socialistische antwoorden is al lang voorbij. Juist wie trouw blijft aan de emancipatorische, democratische en egalitaire basisintenties van de socialistische beweging zal de bereidheid moeten opbrengen het democratisch-socialistische project grondig te actualiseren. In een context die zich zowel op internationaal als nationaal vlak heeft gewijzigd, zou het een verraad zijn aan die basisintenties niet ook de antwoorden te herformuleren. En dat kan niet zonder een uitgesproken politiek debat. Dat is geen kwestie van opportunisme of van beginselloosheid. Het is een kwestie van eerlijkheid. Vragen over de financieringsbronnen van de sociale zekerheid, de verdeling van de middelen in de gezondheidszorg, de doelstellingen van het onderwijssysteem, de ecologische voorwaarden voor een verantwoorde economische activiteit, de opties in het monetaire beleid, het vluchtelingen- en ontwikkelingsbeleid, armoedebestrijding, arbeidsherverdeling en tewerkstelling hebben geen pasklare progressieve antwoorden.
SAMENLEVING EN POLITIEK
In dat debat wil Samenleving en politiek het voortouw nemen.
Het moet een debat zijn dat op niveau staat en tegelijk politiek relevant is. Dat betekent: een debat met een theoretische onderbouw, maar tegelijk ook met konkrete opties. Er wordt gezocht naar oplossingen die kansen op welslagen hebben. Men moet het aandurven kompromissen te verdedigen en het haalbare als waardevol perspectief te aanvaarden. Het ene doen zonder het andere is gratuite retoriek die misschien wel kortstondig aanspreekt, maar geen blijk geeft van politieke verantwoordelijkheid.
Ook in een andere zin is het geen vrijblijvend debat. Het is een debat waarin men kleur bekent. Dat is noodzakelijk om op een eerlijke en relevante manier aan het debat te participeren. Samenleving en politiek heeft een ondubbelzinnig politiek profiel. Het is een blad dat vanuit democratisch-socialistische optiek politiek nadenkt en over politiek nadenkt. Wij blijven geloven dat solidariteit de grondslag vormt van humane samenlevingen. Wij blijven geloven dat democratische politiek bij uitstek het medium is om die maatschappelijke solidariteit te richten en institutioneel te verankeren. Wij blijven geloven dat politiek een onmisbaar democratisch middel is in de maakbaarheid van de samenleving. En hoewel wij er ons van bewust zijn dat de macht van de politiek niet moet worden overschat, geloven wij in veranderingsgerichtheid terwille van een betere samenleving. Die veranderingsbereidheid willen wij stoelen op een breed maatschappelijk draagvlak. Daarom nodigt dit blad iedereen die deze gedachte genegen is uit om mee te participeren aan de discussie over de samenleving van de toekomst.

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 5 (mei), pagina 1 tot 8