Abonneer Log in

De Arabische opstanden en de Palestijnse antikoloniale strijd

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 6 (juni), pagina 25 tot 32, + pagina 41

‘HET VOLK WIL HET REGIME WEG!’

De recente opstanden in de Arabische wereld hebben dat deel van de wereld zo door elkaar geschud dat het nog jaren kan duren vooraleer we begrijpen wat er aan de hand is. Voor sommigen is het een droom die onverwacht werkelijkheid wordt, voor anderen een nachtmerrie. Tegelijkertijd worden er wanhopige pogingen ondernomen om de aard van de snel opeenvolgende ontwikkelingen te bepalen. Waarnemers, commentatoren, wetenschappers en zogenaamde experts geraken het niet eens over wat er precies gebeurt. We komen termen tekort - revolutie, onrust, protest, revolte, opstand, lente, rebellie, ontwaken, intifada, renaissance - om de golf van verandering te typeren die in de vorm van een domino-effect de Arabische wereld heeft overspoeld, van Marokko tot Bahrein, en die in de hele wereld weerklank heeft gevonden. Laten we niet stilstaan bij vaak voorbarige, oppervlakkige en conjuncturele verklaringen, maar laten we ondubbelzinnig zeggen wat we vandaag meemaken: een formidabel en symbolisch moment waarop het volk zijn kracht toont en zonder angst de confrontatie aangaat met repressieve en corrupte regimes, van republikeinse of monarchistische signatuur. Die strijd wordt het best samengevat in de strijdkreet ‘Het volk wil het regime weg!’ (‘Al-sha’b yurid isquat al-nizam!’); het volk wil een einde maken aan de intimidatie en het geweld, en komt op voor zijn waardigheid, zijn rechten, sociale rechtvaardigheid en echte democratie. Een inspirerend voorbeeld voor ons allemaal.

Aan de basis van de opstanden ligt een harde sociale en economische realiteit, met onaanvaardbare inkomensverschillen, een falend huisvestingsbeleid, massale werkloosheid en stijgende voedselprijzen, in een regio waar de meerderheid van de bevolking jonger is dan 30 jaar. Ook de ‘ontwikkelde wereld’ kampt vandaag met die problemen, maar in de Arabische wereld is de omvang ervan groter en worden ze in de hand gewerkt door autoritaire regeringen. Het volk wil niet alleen komaf maken met onderdrukkende regimes, maar ook de structurele gevolgen blootleggen van een decennialange roofzuchtige economische politiek op basis van de Washington Consensus. Volgens die Consensus dienen alle derdewereldlanden in het postkoloniale tijdperk hetzelfde neoliberale economische beleid in de praktijk brengen. De Arabische opstanden leggen ook de vinger op die wonde: de manifestanten hekelen de regeringen en de internationale instellingen die dat beleid propageren, ervan profiteren, en dictatoriale regimes in de regio legitimeren en financieren. De officiële reacties van de VS, de EU, Israël en Saoedi-Arabië waren aanvankelijk dan ook onhandig en vol ongeloof; de ironie en de hypocrisie ervan zijn de onpartijdige waarnemer niet ontgaan. De standpunten varieerden van ‘voorzichtig’ contradictoir tot hernieuwde steunbetuigingen aan de (partnerships met) autoritaire regimes. Maar na de aanvankelijke verwarring over het lot van traditionele bondgenoten zoals Ben Ali, Mubarak of Gaddafi zien we dat de VN en de Arabische Liga thans hun steun betuigen aan coalities, met de bedoeling om hen een bepaalde koers op te leggen en de uitkomst van de revolutionaire dynamiek te bepalen. Er wordt ons gezegd dat zij het volk willen ‘beschermen en helpen’, zodat het krijgt wat het ‘wil’, vermoedelijk democratie, maar dan niet ‘van buitenaf opgelegd’ zoals in Irak of Afghanistan, maar via ‘onze steun’.

Merkwaardig genoeg worden Arabieren de voorbije maanden, en voor het eerst sinds lang, met andere ogen bekeken. Weg is de invalshoek van de ‘oorlog tegen het terrorisme’, de ‘botsing van de beschavingen’, het religieus fundamentalisme of ‘het aparte karakter’ van het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Arabieren worden getypeerd als jonge of oude mannen en vrouwen die vechten voor vrijheid, rechten en gelijkheid. Op zich betekent dit al een doorbraak, omdat zij niet langer, zoals zo vaak is gebeurd na 11 september 2001, worden afgeschilderd als terroristen, of religieuze fundamentalisten, of rijke oliesjeiks omringd door vrouwen die een boerka dragen. Met andere woorden: het islamofobe karakter van de heersende beeldvorming over Arabieren wordt aangetast. Wellicht ligt daar ook een verklaring waarom sommige Arabische zenders, zoals Al-Jazeera English, er in slaagden om voorheen ontoegankelijke nieuwsmarkten, zoals de Amerikaanse, aan te boren: meer en meer mensen geraakten geïnteresseerd in het ‘Arabisch ontwaken’.

Gewone mensen zorgen vandaag voor een sociaal-politieke verandering in de Arabische wereld. De havelozen in de steden, de armen op het platteland, stammen, vrouwen, jongeren en de middenklassen in de steden nemen het initiatief en creëren politieke en sociale ruimte om een eigen koers uit te stippelen. De manier waarop dat gebeurt, wekt bij velen nog het meeste verbazing: overal in de samenleving ontstaan losse netwerken die op grote schaal samenwerken, zonder dat er sprake is van een duidelijke leiding of van solide banden met politieke partijen of vakbonden. Maar hoewel in de regio nog nooit een verandering van die omvang is vertoond, moeten we toch beseffen dat er in het Midden-Oosten en Noord-Afrika ook al eerder revoluties en opstanden plaatsvonden, en sociale en antikoloniale strijd werd geleverd. Om de huidige opstanden te kunnen begrijpen, moeten we terugkijken naar die gebeurtenissen.

‘DENIAL AIN’T JUST A RIVER IN EGYPT’

Terwijl overal in de Arabische wereld wordt gedemonstreerd, voeren de Palestijnen verder hun eigen strijd. Ook zij trachten een regime ten val te brengen; in dit geval een regime dat hen van hun land probeert te beroven en zich schuldig maakt aan etnische zuiveringen. Dat regime, het Israëlische regime, dat de facto de hele Jordaanvallei controleert en in het Westen op handen wordt gedragen, wordt gewoonlijk beschouwd als ‘de enige democratie in het Midden-Oosten’. Israël bestempelt zichzelf als een ‘Joodse en democratische staat’, een ongelooflijk tegenstrijdige term, een aanslag op onze geestelijke vermogens. Het brutale, schaamteloze en discriminatoire karakter van de Israëlische staat is niet zozeer een kwestie van hoe die staat zichzelf definieert of hoe anderen dat doen, maar van een algemeen aanvaarde ‘wettelijke’ praktijk. Het is immers onduidelijk hoe op grond van een geïnstitutionaliseerde vorm van etnische en religieuze uitsluiting, aan beide zijden van de Groene Lijn van 1967, de sociale en politieke rechten van alle inwoners kunnen worden gegarandeerd, ongeacht hun geloof, ras of geslacht. Het gaat onder meer om wetten die de Palestijnen verbieden naar hun land terug te keren, die toelaten hun eigendom in beslag te nemen en hun land te koloniseren. Van een recht op zelfbeschikking is in die omstandigheden geen sprake meer. Om nog niet te spreken van het feit dat Israël, sinds 1948, een woud aan resoluties van de Algemene Vergadering van de VN en van de VN-Veiligheidsraad naast zich neer heeft gelegd. Laat staan dat Israël rekenschap zou hebben afgelegd voor een lange lijst van schendingen van de mensenrechten of oorlogsmisdaden; met de stilzwijgende instemming van de internationale gemeenschap overigens. Hoe dan ook, Israël zal moeten kiezen: Joods of democratisch.

Intussen is het business as usual. Israël koestert een koloniaal regime, palmt land in en voedt de anti-Palestijnse en anti-Arabische sentimenten. Erger nog, dit systeem vindt haar wortels in een twijfelachtige ideologie, die de realiteit ontkent en een houding van ‘hear no evil, see no evil, say no evil’ predikt. De etnische zuivering van 750.000 Palestijnen tussen december 1947 en september 1949 - de Nakba (catastrofe) - en de kolonisering van het land worden gezien als de noodzakelijke voorwaarden voor de oprichting, annex overleving, van de staat Israël. De Nakba was een tragedie. Negentig procent van de bevolking werd uit hun woningen verdreven (bloedbaden en verkrachtingen incluis), hun bezittingen werden geplunderd of in beslag genomen door Joodse immigranten die voor het eerst in Palestina arriveerden en kolonisten werden. De nieuwe staat maakte de terugkeer van de Palestijnen de facto onmogelijk door 531 dorpen en 11 wijken volledig te verwoesten, in wat later officieel werd bestempeld als een ‘transfer’. In 1967 deden de Israëliërs de etnische zuivering en de verwoestingen nog eens over. Meer dan 300.000 Palestijnen werden hun land uitgezet, d.w.z. 25% van de bevolking van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook. Het aantal Palestijnse vluchtelingen bedraagt vandaag 6 miljoen mensen, volgens het Palestijnse Centraal Bureau voor Statistiek. Hen wordt het onvervreemdbare recht op terugkeer ontzegd.

Die politiek maakt deel uit van het streven om een nieuwe samenleving van kolonisten te creëren. Dat streven impliceert dat je de inheemse bevolking wegveegt en de sporen van een andere beschaving uitwist. Theodor Herzl, één van de grondleggers van het zionisme, schreef in het manifest van de beweging: ‘Wanneer ik een oud gebouw wens te vervangen door een nieuw gebouw, moet ik het eerst vernielen voor ik kan gaan bouwen’. Of, zoals Patrick Wolfe het zo kernachtig heeft samengevat, ‘settler colonialism destroys to replace’. De Nakba was niet alleen een catastrofe voor de Palestijnen, maar ook voor de Israëliërs. Dit zwarte hoofdstuk in hun geschiedenis blijft hun voornaamste bron van angst en de reden waarom zij de werkelijkheid blijven ontkennen.

Nakba is overigens geen zaak van het verleden. Nakba gebeurt vandaag. Onteigeningen, verwoeste woningen, etnische zuiveringen en moorden zijn dagelijkse kost voor de Palestijnen. Neem bijvoorbeeld de steeds terugkerende vernietigingen van volledige dorpen van Bedoeïnen in de Negev-woestijn. Deze dorpen - 45 in totaal, 76.000 mensen - worden door Israëlische planologen als ‘niet bestaand’ beschouwd, en dus blijven zij verstoken van water en elektriciteit, en riskeren zij op elke moment ‘legaal’ te worden ontmanteld. Een gelijkaardige situatie doet zich voor op de Westelijke Jordaanoever, in Oost- Jeruzalem en in de Gazastrook. Volgens informatie van het Israëlische Comité tegen de Vernietiging van Woningen zijn in die gebieden meer dan 24.813 huizen gesloopt sinds 1967. Israël heeft recent ook toegegeven dat zij, tussen 1967 en 1994, 160.000 Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever de Israëlische nationaliteit heeft ontnomen, d.w.z. Palestijnen die naar het buitenland reisden werden bij hun terugkeer de toegang tot hun geboorteland ontzegd, zonder ‘een bepaalde reden’. Om nog niet spreken van de vreselijke slachtpartij die plaatsvond in Gaza tussen 24 december 2008 en 18 januari 2009, waarbij 1417 mensen het leven verloren, volgens informatie van het Palestijnse Centrum voor Mensenrechten in Gaza. Dit essay is niet de plek om te praten over (nog) andere schendingen van de mensenrechten en oorlogsmisdaden. Zij halen de media niet, maar zij hebben gevolgen voor het leven van talloze Palestijnse families en individuen. Zij moeten leren leven met de onteigeningen en de kolonisering. Israël zou niets liever zien dan dat zij hun land verlaten. Maar als de Palestijnen iets hebben geleerd in al die moeilijke jaren, dan is het juist dat zij in hun land moeten blijven om het Israël lastig te maken: to exist is to resist, zoals een graffiti op de Muur van de Apartheid in Betlehem stelt.

Mark Twain formuleerde ooit de humoristische woordspeling ‘Denial ain’t just a river in Egypt’. Israël is er het levende bewijs van. De pijnlijke waarheid is dat we te maken hebben met een koloniaal regime dat het verwerven van meer land laat primeren op elke andere overweging. Israël weigert in te zien wat voor iedereen duidelijk is, met name dat hoe langer je de confrontatie met die pijnlijke waarheid uitstelt, hoe verder je verwijdert geraakt van een oplossing, een eerlijke verzoening. Het is een verwarrende gedachte. Want de Nakba erkennen betekent dat je bereid bent om dat deel van het verleden én de huidige kolonisering, aan beide zijden van de Groene Lijn, onder de loep te leggen. Het betekent eveneens dat je de idee van het bestaansrecht van Israël als de historische oorzaak van het probleem loslaat.

Niet alleen Israël ontkent op systematische wijze de problemen. Ook het Egypte van Hosni Mubarak deed dat, weliswaar in een totaal andere context. Dat zag je in de toespraken van Mubarak tijdens de laatste dagen van zijn bewind. Na twee weken van escalerend protest en weerzinwekkende repressie en geweld, verscheen Mubarak op de staatstelevisie om te zeggen dat hij niet zou opstappen, alsof hij niet door had wat er op het terrein gebeurde. Het was verontrustend om te zien hoe deze man de (verantwoordelijkheid voor de) problemen ontkende en zich wanhopig aan de macht vastklampte, een beeld dat de Palestijnen maar al te goed kennen wanneer zij met de reacties van het Israëlische regime worden geconfronteerd. Maar in Egypte verzet de grote meerderheid van de bevolking zich tegen de dictatuur van één man en zijn trawanten, terwijl het verzet in Israël uitsluitend uitgaat van de Palestijnen - en enkele Joodse stemmen. De rest van de Israëlische bevolking zwijgt en steunt op die manier het beleid van het regime.

MANDEN MET EIEREN EN ‘DEMOCRATISCHE’ EXPERIMENTEN

De Palestijnse antikoloniale strijd heeft het politieke bewustzijn in de Arabische wereld sterk beïnvloed. Ook bij de recente opstanden heeft de lange traditie van verzet van het Palestijnse volk inspirerend gewerkt, zoals door veel manifestanten, organisatoren van manifestaties, basisactivisten, vakbondsmensen en bloggers is beklemtoond. Anderen merken dan weer op dat het Palestijnse voorbeeld de laatste jaren niet echt inspirerend is geweest. De bittere machtsstrijd tussen Hamas en Fatah verzwakte de Palestijnse zaak. Er was minder aandacht voor de repressieve politiek van Israël; de media focusten meer op de onderlinge verdeeldheid, die in belangrijk mate van buitenaf werd aangewakkerd. Daarmee is niet gezegd dat de Palestijnse ‘leiding’ en de Palestijnse politieke partijen geen schuld hebben aan de huidige situatie.

Die omslag kwam er na de verkiezingen voor het Palestijnse parlement in 2006. Twee derden van de zetels gingen naar Hamas. Voor de architecten van het ‘vredesproces’, met name de VS, de EU en Israël, was er sprake van een dilemma. De verkiezingen - een ‘democratisch’ experiment - hadden duidelijk niet het gewenste resultaat opgeleverd, hoewel zij door waarnemers van het Europees Parlement als ‘uiterst professioneel, overeenkomstig de internationale normen, vrij, transparant en geweldloos’ werden bestempeld. De EU en de VS besloten om geen contacten met de Hamas-regering te onderhouden en ook de hulp aan de Palestijnse Autoriteit te bevriezen (Fatah wenste niet in te gaan op het voorstel om mee te regeren). Bovendien probeerden zij Hamas openlijk te isoleren en uit het regeringspluche te verdrijven. De ‘gematigden’ binnen Fatah, geleid door president Mahmoud Abbas, mochten wel op westerse steun rekenen. Israël, van haar kant, deed wat van haar kon worden verwacht: zij bevroor de Palestijnse belastingsgelden, arresteerde acht Hamas-ministers en meer dan 20 Hamas-parlementsleden, en nam in de daaropvolgende jaren zijn toevlucht tot ‘gerichte moorden’ op andere leden van Hamas. Fatah ging dan weer de werking van de ministeries actief saboteren. Zij trachtte de macht te heroveren door Hamas onder druk te zetten en te isoleren, en diplomatieke manoeuvres met de VS, Israël en Egypte op te starten. De voorbije jaren was verzoening onder de Palestijnen dan ook vaak geen optie, zoals de politieke analist Mouin Rabbani heeft opgemerkt. De keuze was duidelijk. Ofwel accepteerde Fatah door de VS gesponsorde bilaterale onderhandelingen met Israël, waardoor zij de controle over de Westelijke Jordaanoever kon behouden en een Palestijnse staat misschien in zicht kwam; ofwel verzoende Fatah zich met Hamas, hetgeen kon uitmonden in nieuwe internationale sancties en, misschien, nog meer steun voor Hamas.

Staar je echter niet blind op het conflict tussen Fatah en Hamas. Beter is te beseffen dat de Palestijnse politieke gemeenschap uiteen is gevallen als een direct gevolg van verkruimelende instellingen die verzuimen de belangen van alle Palestijnen te vertegenwoordigen. Twee kwesties zijn belangrijk in dat verband. Een. Het flagrante onvermogen van de PLO om een democratisch verkozen, uiterst representatieve Palestijnse Nationale Raad samen te stellen. Reeds vanaf haar oprichting in 1964 rezen er twijfels of de PLO wel bekwaam zou zijn om, zoals zij zelf beweert, op te treden als de ‘enige wettige vertegenwoordiger van het Palestijnse volk’. Twee. De breuk tussen de leiding van de PLO en de Palestijnse diaspora bleek volstrekt niet meer te lijmen nadat de PLO akkoord ging met de Oslo-akkoorden. In de ogen van veel Palestijnen was de PLO niet langer hun legitieme vertegenwoordiger, aangezien zij het recht op terugkeer had opgegeven. Door de oprichting van de Palestijnse Autoriteit, te vergelijken met de Vichy-regering of Kwazulu Bantoestan, werd de PLO naar de zijlijn gemanoeuvreerd en vervreemdde zij verder van haar achterban. Fatah - de grootste fractie in de PLO - en anderen legden al hun eieren in het mandje van de Amerikanen en de Israëliërs. Zij werden verblind door de uiterlijke tekenen van de macht - een pseudo-staatsbureaucratie met enkele economische bevoegdheden - en capituleerden op essentiële punten van de Palestijnse bevrijdingsstrijd.

Het is merkwaardig dat twee dagen voor de Egyptische revolte vertrouwelijke PLO-documenten (Palestine Papers) werden gelekt in Al-Jazeera. In die documenten viel in detail te lezen welke toegevingen de PLO naar verluidt bereid was te doen aan Israël. Niet dat een hele reeks kwesties die in de Papers opdoken niet bekend waren bij de Palestijnen. Maar, zoals Ali Abunimah, medeoprichter van Electronic Intifada, opmerkt: ‘Er is een verschil tussen de gedachte dat je iets weet en de bevestiging van die gedachte in officiële documenten’. Die toonden aan in welke mate Fatah, de Palestijnse Autoriteit en de PLO ‘medeplichtig’ waren aan een aantal ‘oplossingen’: het compromis m.b.t. de vluchtelingen en het recht op terugkeer, de stilzwijgende instemming om de grenzen van 1967 te wijzigen, de toegevingen inzake de kolonisering van Oost-Jeruzalem, of de veiligheidssamenwerking met de VS en Israël, bedoeld om Hamas te isoleren, en dus de mogelijkheid van een eenheidsregering te ondergraven. Ondanks al die toegevingen wezen de Israëliërs de voorstellen af en werd met de publicatie van de Papers aangetoond dat het ‘afwijzingsfront’ zich in Tel-Aviv bevond. Misschien ergerde en verontrustte dat de Palestijnen nog het meest: zij werden herinnerd aan de zinloosheid van onderhandelingen en het hele ‘vredesproces’, omdat er van hun rechten vrijwel niets in huis komt.

‘WAT GEBEURT ER? HET VOLK REVOLTEERT, DAT IS WAT ER GEBEURT’

Op 25 januari, toen Al-Jazeera al voor de derde dag op rij uitpakte met de Palestine Papers, kwamen de Egyptenaren in opstand tegen hun leiders. Na 18 dagen van moedig protest, begaf het regime het. De revolutionaire dynamiek opent weer perspectieven voor solidariteit in de regio en daarbuiten. Velen zien het huidige momentum als de tweede fase van de dekolonisering, een opportuniteit om komaf te maken met despotische regimes en de banden te verbreken met hen die die regimes steunen. Vandaag betogen Palestijnen om de strijd van hun buren te steunen. En trekken zij ook lessen uit die strijd. Maar toch vindt niet iedereen op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza het een goed idee om solidair te zijn met Tunesië en Egypte. Er is geweld gebruikt tegen manifestanten. In Ramallah bijvoorbeeld, werd door de veiligheidstroepen eind januari geen toelating verleend voor een eerste steunmanifestatie voor Tunesië. Manifestanten die toch de straat opgingen, werden uiteengedreven op bevel van de Palestijnse Autoriteit. Ook in de weken daarna werden anti-Mubarak manifestanten in verschillende steden op de Westelijke Jordaanoever bedreigd en uiteengeknuppeld, terwijl de Palestijnse Autoriteit pro-Muburak marsen organiseerde. Jonge activisten die via Facebook opriepen om te protesteren, werden opgepakt en ondervraagd. De Palestijnse televisie maakte geen melding van die incidenten. Zij tonen echter aan dat er veel gelijkenissen bestaan tussen het optreden van Arabische autoritaire regimes en de toenemende onvrijheid onder de Palestijnse Autoriteit, al spreekt men daar zelden over. Amina Hass beschrijft bijvoorbeeld hoe het veiligheidsapparaat van de Autoriteit systematisch, willekeurig en op onwettige wijze, mensen oppakt en foltert. Bijna dertig procent van de begroting van de Palestijnse regering wordt besteed aan veiligheid; geen enkel ander land ter wereld telt zoveel politieagenten in verhouding tot de aantallen burgers. Bovendien blijft Mahmoud Abbas aan de macht, ondanks het feit dat zijn mandaat reeds meer dan twee jaar geleden is verstreken en in het parlement in Ramallah in de voorbije drie jaar geen enkele wet is goedgekeurd.

De Arabische opstanden vinden plaats tegen de achtergrond van oprukkend kolonialisme, onteigeningen, gebrek aan basisrechten, politieke versplintering, werkloosheid en stijgende voedselprijzen. In die context rijst voor de Palestijnen de delicate vraag: tegen wie moeten zij in opstand komen? Moeten zij zich organiseren en opstaan tegen hun eigen mensen of moeten zij andere manieren vinden om de nationale bevrijdingsstrijd te voeren? Men kan inderdaad stellen dat de Palestijnen vandaag moeten optornen tegen drie regimes: Israël, de Palestijnse Autoriteit op de Westelijke Jordaanoever en Hamas in de Gazastrook. Wellicht zal de bevrijdingsstrijd prioriteit krijgen, zo was het vaak in het verleden. Toch is de bevolking zwaar gefrustreerd, zoals bijvoorbeeld bleek uit het Manifest van de Jeugd voor Verandering in Gaza, dat begin dit jaar werd gelanceerd. De eerste zin van dat document luidt: ‘Fuck Israel. Fuck Hamas. Fuck Fatah. Fuck UN. Fuck UNWRA. Fuck USA. Wij, de jeugd van Gaza, zijn het zat: Israël, Hamas, de bezetting, de schendingen van de mensenrechten en de onverschilligheid van de internationale gemeenschap.’

Vervolgens werd Hosni Mubarak aan de dijk gezet, waarna de alarmbellen gingen rinkelen bij het Palestijnse establishment, in Israël, in de hele regio, en ook in het Witte Huis en in Brussel. President Abbas en de Palestijnse Autoriteit waren hun beschermheer kwijt, want Mubarak had een sleutelrol vervuld bij het beleg van Gaza in 2007 en bij het ondergraven van de verzoening tussen de Palestijnen, zoals de Palestine Papers hebben duidelijk gemaakt. De toestand werd nog ingewikkelder toen de opstanden oversloegen naar Syrië. Ook Hamas diende nu het hoofd te bieden aan een gelijkaardige situatie, nadat het weigerde om de kant te kiezen van de dictator Bashar Al-Assad. Met de regimeverandering op komst in Egypte en de onzekere situatie in Syrië; legden Fatah en Hamas hun geschillen bij en tekenden zij het akkoord van nationale verzoening op 27 april. Dat was voor iedereen een volslagen verrassing. Toen Mahmoud Abbas werd gevraagd naar de ‘werkelijke reden’ van die plotse verzoening, antwoordde hij: ‘Wat is er gebeurd? Het volk is in opstand gekomen, dat is wat er is gebeurd. Meer zeg ik niet’. Wellicht het zoveelste signaal dat regimes in de regio bang zijn geworden van het volk dat niet langer bang is. Intussen lijkt Israël met verbijstering vast te stellen hoe ‘stabiele’ regimes worden ontmanteld en nieuwe, praktische vormen van solidariteit met de Palestijnen in de maak zijn. Kortom, hoe de regionale context verandert.

Niemand weet waar het akkoord tussen Fatah en Hamas zal toe leiden. We zien wel dat de vorming van een eenheidsregering, aangekondigd voor ‘enkele dagen’ na het akkoord van Caïro, is uitgesteld tot midden juni (dit artikel werd eind mei ingeleverd). Men heeft, in zeer algemene en onduidelijke bewoordingen, beloofd om samen te werken. Maar beide partijen hebben tot dusver verzuimd om de officiële tekst van de overeenkomst bekend te maken. Er rijzen dan ook verschillende vragen. Hoe zal de buitenwereld reageren op het akkoord? En welke druk zal er van die kant worden uitgeoefend? Kan het akkoord worden uitgevoerd onder de bezetting? Zullen Fatah en Hamas ‘het monopolie van de macht delen’? Zorgt de nieuwe regering voor hervormingen binnen de PLO en kondigt zij verkiezingen aan voor een Palestijnse Nationale Raad die alle Palestijnen vertegenwoordigt? Indien ja, dan vragen wij ons af hoe dat in zijn werk gaat? En wat dan de aanhang van Fatah en Hamas zal zijn? En of zij werkelijk alle Palestijnen zullen vertegenwoordigen? En of dit proces zal uitmonden in zelfbeschikkingsrecht voor het Palestijnse volk?
De verkiezingen vinden plaats in september 2011. Toevallig is dat ook het moment waarop de Palestijnse Autoriteit de VN zal vragen om de staat Palestina te erkennen; tegelijk is het ook de twintigste verjaardag van de start van het Israëlisch-Palestijnse ‘vredesproces’. Erkenning van de staat Palestina zal op zich geen einde maken aan de Israëlische bezetting en het koloniaal bestuur. Daarom moet het onvervreemdbare recht op zelfbeschikking van het volledige Palestijnse volk, d.w.z. van alle Palestijnen, of ze nu leven in bezet gebied, in Israël of in vluchtelingenkampen, een onderdeel vormen van die erkenning.

‘ZO ZIET DE BEVRIJDING ER UIT’

De drieënzestigste herdenking van de Nakba leverde dit jaar buitengewone beelden op van duizenden vluchtelingen uit Libanon, Syrië, Egypte en Gaza die door het niemandsland trokken naar de grenzen van Israël. Zij klopten op de achterdeur van het land, zij gingen naar huis, en lieten hun recht op terugkeer opnieuw gelden. Ook zij hebben geen schrik meer. Palestijnse manifestanten die op de bezette Hoogvlakte van de Golan over de grenshekken klauterden, naar het marktplein van de naburige dorp Majdal Shams, zeiden: ‘Zo ziet de bevrijding er uit’. Anders dan vorige jaren waren er nu veel manifestanten, meer zelfs dan we ons kunnen herinneren. Ook op andere plekken, in Haifa, op de Westelijke Jordaanoever en op plaatsen waar Palestijnen hun woningen hebben moeten verlaten, werd er gedemonstreerd. Bij die gelegenheid werden minstens 14 manifestanten door het Israëlische leger gedood; daarnaast geraakten ook nog eens tientallen ongewapende burgers gewond.

Niets hebben die gebeurtenissen te maken met de eenheidsregering die er aan komt, of de komende verkiezingen, of de ‘vredesprocessen’. Zij werden eerder geïnspireerd door de Arabische opstanden en mogelijk gemaakt door ontelbare basisorganisaties en groepen burgers. Achter deze en andere demonstraties van de laatste maanden - en jaren - opereren vooral Palestijnse organisaties en individuen die ontgoocheld zijn door de bestaande politieke partijen. Zij zijn overal aan het werk in de vluchtelingenkampen, vechten tegen discriminatie in Israël, plegen verzet tegen de kolonisering en zorgen ervoor dat de Boycott, Divestment and Sanctions (BDS)-campagne breder wordt gedragen. Een nieuwe generatie treedt aan in de Palestijnse politiek. Zal zij er ook in slagen om het Israëlische regime op de knieën te krijgen?

Omar Jabary Salamanca
Doctorandus aan de Vakgroep Derde Wereld Studies, Universiteit Gent
vertaling: Jan Vermeersch

Palestina - Fatah - Hamas - Arabische Lente

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 6 (juni), pagina 25 tot 32, + pagina 41