Abonneer Log in

De kiemen van de hongersnood in Somalië

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 7 (september), pagina 31-32 en 41 tot 44

Sinds de eeuwwisseling is er geen enkel jaar voorbijgegaan zonder dat er ergens op de aardbol een voedselcrisis werd uitgeroepen. Somalië heeft over de laatste tien jaar meermaals deze twijfelachtige eer gehad. Erger nog, sommige gebieden worden er al ruim drie jaar beschouwd als humanitaire ramp omwille van de continue voedselonzekerheid waarin de mensen leven. Deze keer echter is het anders: voor het eerst in jaren is er officieel sprake van een hongersnood, zo stelden de VN op 20 juli jl. In een open brief riep Ban Ki-moon de internationale gemeenschap op om haar steun te betuigen aan de noodlijdende bevolking van Somalië. Naast een aangrijpend relaas over een vrouw die vier van haar zes kinderen de hongerdood zag sterven, gaf de secretaris-generaal van de VN een overzicht van de problemen waarmee de humanitaire wereld geconfronteerd wordt in Somalië waaronder gebrek aan geneesmiddelen en geld, onveiligheid en overbevolkte kampen. Maar, zo stelde hij verder, we moeten vooruit denken en oplossingen vinden voor de onderliggende oorzaken van hongersnoden, want de klimaatverandering zal er ongetwijfeld toe leiden dat dergelijke rampen in de toekomst veelvuldig zullen voorkomen. Dat er een verband bestaat tussen hongersnood en klimatologische omstandigheden valt nauwelijks te ontkennen. Zo wordt de langdurige droogte die de Hoorn van Afrika momenteel teistert gelinkt aan La Niña, een klimaatfenomeen ter hoogte van de Stille Oceaan met effecten op wereldschaal. Maar halsstarrig vasthouden aan de premisse dat droogte en klimatologische veranderingen dé oorzaak zijn van hongersnoden is incorrect, zelfs ronduit nefast.

HONGERSNOOD EN BEVOLKINGSAANGROEI

In 1961, het jaar van de onafhankelijkheid, bedroeg de jaarlijkse Somalische graanproductie zowat 250 duizend ton, wat toen overeen kwam met 90% van de jaarlijkse voedselbehoefte van de drie miljoen inwoners; het land was bijna volledig zelfvoorzienend. Vijftig jaar later is het bevolkingsaantal - naar schatting tien miljoen Somaliërs - ruim verdrievoudigd, maar over dezelfde periode is de toename in graanproductie echter veel geringer geweest: voor de periode 2000-2009 bedroeg het jaarlijkse gemiddelde 325 duizend ton, een toename van slechts 30% in vergelijking met 1961. Ter vergelijking, Kenya en Ethiopië hebben over dezelfde periode een verdubbeling van hun graanproductie gekend, Soedan zelfs een verdrievoudiging. Anno 2011 is de eigen productie in Somalië met andere woorden ruim onvoldoende geworden om de bevolking adequaat van voedsel te voorzien. Het hoeft dus niet te verwonderen dat doorheen de voorbije jaren voedselschaarste er endemische proporties heeft aangenomen, meer dan in andere landen uit de regio.

De discrepantie tussen een belangrijke bevolkingsaangroei enerzijds en een beperktere toename van de voedselproductie anderzijds is zeker niet specifiek voor Somalië en evenmin een nieuw gegeven. Reeds in 1798 beschreef de Britse econoom Thomas Malthus in zijn An Essay on the Principle of Population hoe bevolkingsaangroei gekenmerkt wordt door een exponentiële toename, terwijl de voedselproductie veeleer een lineair patroon volgt; een bevolking zou steeds sneller gaan groeien; voedselproductie niet. Volgens Malthus kon dit niet anders dan leiden tot armoede en periodes van toegenomen sterfte ten gevolge van hongersnood, ziekte en oorlog. Om dergelijke rampen te vermijden zag hij slechts één alternatief, zijnde het geboortecijfer te doen dalen door onder andere contraceptie, abortus en het verhogen van de huwelijksleeftijd.

Malthus’ stellingen zijn in de voorbije 200 jaar meermaals voer geweest voor hevige discussies. Zelfs vandaag nog kan men spreken van believers - voor wie de wereld onherroepelijk uitgeput raakt - en non-believers - voor wie technologische innovatie alle problemen zal oplossen. Wat er ook van zij, het basisprincipe dat er een zeker evenwicht moet bestaan tussen bevolkingsaangroei en voedselproductie valt amper te betwisten. Dit concept indachtig, werden sinds de jaren 1970 dan ook diverse programma’s rond familieplanning opgestart in Sub-Sahara Afrika, precies met de bedoeling het geboortecijfer te doen dalen. Desalniettemin is het gemiddeld aantal kinderen per vrouw in Afrika doorheen de voorbije vijftig jaar amper veranderd.

Is de huidige toestand in Somalië dan simpelweg te herleiden tot een ‘Malthusiaanse catastrofe’ die veroorzaakt wordt door een buitensporige bevolkingsaangroei en aangewakkerd werd door een ernstige droogte? Allicht niet. Zoals gezegd is de binnenlandse graanproductie over de laatste jaren ruimschoots onvoldoende geworden om de tien miljoen Somaliërs van voedsel te voorzien, maar toch lijkt er meer aan de hand.

KOOPKRACHT EN TOEGANG TOT VOEDSEL

De Indische nobelprijswinnaar Amartya Sen poneerde ooit dat hongersnoden niet voorkomen in goedwerkende democratische systemen. Paradoxaal genoeg lopen er in zijn eigen land van herkomst, dat prat gaat op het etiket van grootste democratie ter wereld, ruim 200 miljoen mensen rond die ondervoed zijn. Maar volgens Sen bevestigt dit net zijn statement: een democratie slaagt er namelijk in om een voedselcrisis in te dijken en op die manier een hongersnood te vermijden. Anders gezegd, in een democratie kunnen mensen ondervoed zijn, maar ze sterven niet de hongerdood.

In zijn boek Poverty and Famines analyseert hij in detail de context van de grote Bengaalse hongersnood van 1943 die in oostelijk Indië, toen nog onder Brits bewind, het leven kostte aan ettelijke miljoenen mensen. Volgens hem was er op dat moment geen sprake van een buitengewone voedselschaarste. De oogst van 1942 was weliswaar ondermaats, maar enkele jaren voorheen had de regio te kampen gehad met nog slechtere oogsten die nochtans niet geleid hadden tot hongersnoden. Echter, het grote verschil in 1943 was dat de voedselprijzen op een jaar tijd verviervoudigd waren, terwijl de lonen slechts met 35% waren gestegen. De excessieve stijging van de voedselprijzen werd door Sen toegeschreven aan enerzijds geruchten over voedseltekort die zouden hebben geleid tot massaal hamsteren, en anderzijds een hoge inflatie te wijten aan de oorlogseconomie die ontstaan was in oostelijk Indië. Wat de oorzaak moge geweest zijn, het resultaat was dat graan relatief gezien driemaal duurder geworden was en dat bijgevolg de gewone Bengaal zich in 1943 geen eten meer kon verschaffen.

Sen stelt dus dat een hongersnood niet zozeer te wijten is aan voedselschaarste, maar wel aan onvoldoende koopkracht. Een logisch gevolg hiervan is dat de armere bevolkingsgroepen de eerste slachtoffers zijn, terwijl kapitaalkrachtige gezinnen amper door de honger getroffen worden. Het is precies hierdoor dat meerpartijendemocratieën geen hongersnoden kennen, redeneert Sen. Armere bevolkingsgroepen vormen namelijk een groot electoraat, die politieke partijen graag gunstig gezind houden. Een hongersnood moet dus te allen prijze vermeden worden.

Het belang van Sens stellingen in de jaren 1980 was dat ze hongersnoden voorspelbaar maakten. Een hongersnood was niet meer louter het gevolg van droogte, maar veeleer een opeenvolging van economische, politieke en klimatologische ontwikkelingen waardoor, in fine, sommige delen van de bevolking geen toegang meer hadden tot voedsel. Indien men deze dynamieken kon ontrafelen, dan kon men misschien risicoperiodes vroegtijdig identificeren, en op die manier hongersnoden vermijden. Zo werd in 1985 onder impuls van de Amerikaanse overheid het Famine Early Warning System (FEWS NET) opgericht, met als opdracht de voedselproductie en marktprijzen in Afrikaanse en Midden-Amerikaanse landen op te volgen. Op basis van die gegevens kan dan per land het niveau van voedselzekerheid worden ingeschat. Momenteel is het systeem operationeel in 31 landen, waaronder ook Somalië. Heeft dit waarschuwingssysteem dan gefaald?

AANWIJZINGEN VOOR EEN NAKENDE HONGERSNOOD

Reeds in november vorig jaar werd gewag gemaakt van een mogelijke langdurige droogte in 2011 ten gevolge van het fenomeen La Niña. Er werd toen vooral gevreesd voor de regio’s in centraal Somalië waar de bevolking leeft van veeteelt. Waterschaarste door een aanhoudende droogte zou kuddes fataal kunnen zijn en zou dus de inkomsten van vele gezinnen vernietigen; de situatie waarin die bevolkingsgroepen leefde werd daarom beschouwd als extreem voedselonzeker. Men was daarentegen minder bezorgd om de meer zuidelijke regio’s rond de rivieren Juba en Shabelle, waar de bodem vruchtbaarder is en er meer aan landbouw wordt gedaan. De toestand in die gebieden werd ingeschat als matig voedselonzeker, wat in Somalië overeenkomt met een ‘normale’ situatie.

De geruchten over een mogelijke aanslepende droogte hebben toen echter een effect gehad op de marktprijzen in het zuiden van het land. Men begon op grote schaal te hamsteren waardoor op één maand tijd - tussen oktober en november 2010 - in de regio’s Midden- en Neder-Shabelle de prijzen voor witte maïs en rode sorghum respectievelijk met maar liefst 56% en 23% stegen. Ook in de centrale regio’s was een stijging merkbaar, maar die bleef veel beperkter (18% voor witte maïs; 1% voor rode sorghum). Tegen januari 2011 waren de prijzen voor graangewassen in de meeste zuidelijke gebieden van Somalië al anderhalve keer toegenomen tot zelfs verdubbeld in vergelijking met drie maand eerder; de stijging in de centrale regio’s was nog steeds veel geringer.

Begin dit jaar verschenen verschillende rapporten van de VN waarin opnieuw gewaarschuwd werd voor de extreem onzekere situatie waarin vele bevolkingsgroepen in Somalië leefden. Deze toestand zou nog een drietal maanden aanhouden, maar, zo hoopte men, een normale Gu regenperiode tussen april en juni zou nadien verbetering brengen. Indien de regen zou uitblijven, dan zou er een ernstige voedselcrisis volgen, die vooral de centrale regio’s zou treffen. Voor de meeste zuidelijke regio’s werd de toestand opnieuw minder erg ingeschat: de bestaande voorraden zouden voor vele gezinnen voldoende geweest zijn om 12 maanden te overbruggen aangezien de Gu oogst - de voornaamste oogst - van 2010 zeer goed was geweest (gemiddeld werd een derde meer binnengehaald dan normaal). Wie toch te weinig voedsel had, kon trouwens migreren naar minder getroffen gebieden. Men besloot letterlijk dat een ‘full scale famine’ niet in de lijn der verwachtingen lag.

Maar de regens bleven daadwerkelijk uit. Een analyse van historische gegevens uit Ethiopië en Kenya toont zelfs aan dat er voor vele gebieden uit die twee landen sprake is van de ergste droogte sinds 1950; waarschijnlijk geldt dit ook voor Somalië maar hiervoor zijn geen gegevens voorhanden. Na een Deyr oogst - de ‘kleine’ oogst - eind 2010 waarvan de graanproductie slechts 20% van een normaal jaar bedroeg, volgt nu een Gu oogst die al even slecht is. De prijzen zijn hierdoor nog verder blijven stijgen, in het bijzonder in Midden- en Neder-Shabelle waar graangewassen in juni jl gemiddeld 150% duurder waren dan 12 maanden eerder; over dezelfde periode is de koopkracht er ruim 40% gedaald.

Paradoxaal genoeg is Neder-Shabelle net de grootste producent van graangewassen in zuidelijk Somalië, goed voor 80% van de maïs- en 36% van de sorghumproductie. Het is ook de regio waar de twee mislukte oogsten toch nog net iets beter waren dan elders. Mocht de hongersnood hoofdzakelijk te wijten zijn aan voedselschaarste, dan zou men toch verwachten dat Neder-Shabelle alvast niet de meest getroffen regio zou zijn. En toch, het is net dit gebied dat samen met enkele naburige regio’s sinds 20 juli officieel te kampen heeft met hongersnood. Het lijkt er dus op dat de hongersnood meer verband houdt met de gedaalde koopkracht in de zuidelijke regio’s dan met de droogte an sich.

EEN COMPLEXE RAMP

De overeenkomsten met de Bengaalse hongersnood van 1943 zijn opvallend: angst voor een nakende hongersnood, hamsteren van voedsel, stijging van de voedselprijs. Maar in vergelijking met oostelijk Indië is de oogst in Somalië een stuk slechter. Toch valt ook dit aspect in zeker zin te relativeren. De graanproductie is dit jaar inderdaad 75% lager dan normaal, maar sinds 1991 leeft Somalië voor 40% van import; recentelijk was dit cijfer zelfs 60% geworden. De totale beschikbaarheid aan voedsel ligt dus eigenlijk niet driekwart maar eerder rond de 30% lager. Het gevolg is echter dat, om zich voedsel van buitenaf te kunnen verschaffen, de bevolking veel meer afhankelijk is van goed werkende markten en handel. Daar ligt net het probleem in conflictsituaties aangezien de handel in een dergelijke context dikwijls ineenstort. Het is dus niet verwonderlijk dat de gebieden die nu het meest getroffen worden door de hongersnood precies het middelpunt vormen van de strijd tussen de Somalische regering en de al Shabaab milities. Deze laatste, een groep radicaalislamitische strijders die sinds 2009 grote delen van zuidelijk Somalië veroverd heeft, weigert reeds twee jaar lang uitdrukkelijk alle invoer van graangewassen uit het buitenland onder het mom dat deze de Somalische boeren ruïneert. Een invoerverbod zou volgens al Shabaab leiden tot een verhoging van de lokale productie en zo de Somalische boeren ten goede komen. Aanvankelijk leken ze gelijk te krijgen want de oogst van 2010 was inderdaad zeer goed. Naar alle waarschijnlijk was dit echter meer te wijten aan goede regens dan aan het bestaande importverbod. De rampzalige oogsten van dit jaar daarentegen hebben de situatie volledig doen kantelen; het zijn nu precies die regio’s waar buitenlands voedsel geweerd wordt die het meest getroffen zijn door de crisis. Vanzelfsprekend steeg de druk op de milities om hun verbod in te trekken, maar begin september was dit nog steeds niet het geval.

De link tussen hongersnoden en conflicten is al uitvoerig beschreven. De Britse antropoloog Alex de Waal beweert zelfs dat alle grote hongersnoden zich in zekere zin voordeden in een context van oorlog of van politieke strijd. Mensen die regelmatig te kampen hebben met voedselschaarste ontwikkelen namelijk strategieën die hen toelaten om dergelijke periodes te trotseren; deze strategieën zijn divers: mannen gaan werk zoeken in de steden, volledige gezinnen migreren naar gebieden waar voedsel voorradig is, een deel van de dieren wordt verkocht, enzovoort. Het belang van deze praktijken is zeer groot; ze kunnen namelijk het verschil betekenen tussen een voedselcrisis en een hongersnood. Echter, net daarom is het boycotten ervan zo doeltreffend als strijdmiddel in conflicten. Indien men handel verhindert en migratie verbiedt, dan kan men een hele bevolking op de knieën krijgen. Extreem kan het zelfs gebruikt worden als middel om een genocide te veroorzaken, wat volgens sommigen bijvoorbeeld het geval was in Oekraïne in 1932-33.

WIE TREFT SCHULD?

Ook al is de huidige crisis in Somalië geen genocide, toch is de verantwoordelijkheid van de strijdende partijen vrijwel onomstotelijk. David Marcus, een Amerikaanse rechtsgeleerde, onderscheidt vier gradaties van aansprakelijkheid van machthebbers in het ontstaan van hongersnoden: incompetentie, onverschilligheid, roekeloosheid en opzet; de twee laatste beschouwt hij als criminele feiten. Het feit dat al Shabaab buitenlands voedsel weigert terwijl dagelijks honderden sterven, zou men kunnen bestempelen als roekeloosheid. De machteloosheid van de huidige Somalische regering zou dan weer als incompetentie kunnen worden beschouwd. Maar moeten we - de vele recente solidariteitsacties ten spijt - de houding van de rest van de wereld dan ook niet kwalificeren als onverschilligheid? Sinds 1991 is de toestand in Somalië bijna continu een humanitaire ramp geweest. Het land had in 2011 de twijfelachtige eer om voor het vierde opeenvolgende jaar aangeduid te worden als meest failed state ter wereld, met een onwaarschijnlijke ‘faal score’ van 113,4 op 120. Toch bleven geïndustrialiseerde landen vanaf de zijlijn toekijken en tot voor kort werd zelfs meer aandacht besteed aan de piraterij in de Golf van Aden dan aan de ramp die zich op het vasteland ontvouwde. Het Westen mag dan nog miljoenen investeren in warning systems, indien deze waarschuwingen niet gevolgd worden door een adequate respons zijn ze in wezen waardeloos.

CONCLUSIE

Naar alle waarschijnlijkheid heeft een combinatie van droogte, overdreven bevolkingsgroei, hoge voedselprijzen en de oorlog de aanhoudende voedselcrisis doen aanzwellen tot een echte hongersnood. De droogte zou in die zin slechts de druppel geweest zijn die de emmer heeft doen overlopen. De vraag is of na deze crisis de emmer snel geledigd zal worden?
Stalin zou ooit gezegd hebben dat ‘de dood van één individu een tragedie is, dat van een miljoen mensen een statistiek.’ Een dergelijke tragedie vond plaats op 17 december 2010 toen Mohammed Bouazizi zichzelf in brand stak uit protest tegen het corrupte Tunesische machtsapparaat; nog geen jaar later heeft dit evenement geleid tot de val van regimes in Tunesië, Egypte en Libië. Enkele duizenden kilometers verder, staat het leven van miljoenen mensen op het spel; laten we hopen dat dit niet louter een statistiek in de geschiedenisboeken wordt.

Olivier Degomme
Doctor-assistent UGent, Wetenschappelijk directeur ICRH **
(International Centre for Reproductive Health)**

Somalië - Afrika - hongersnood

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 7 (september), pagina 31-32 en 41 tot 44