Log in

'Kunst in deze wereld'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 7 (september), pagina 90 tot 92

Kunst in deze wereld

Nico Carpentier, Eric Corijn, Erwin Jans en Ivo Janssens
Dēmos vzw, Brussel, 2011

De electorale doorbraak van het Vlaams Blok in 1991 en het dreigende racisme brachten Bernard Foccroulle, toenmalig directeur van de Munt, in 1993 tot de oprichting van ‘Kunst en Democratie’. Deze organisatie wou het debat over de plaats van de kunsten in de samenleving aanscherpen. Minister Anciaux daagde later, als minister van Cultuur, de kunstensector uit om verantwoording af te leggen over publieksbereik, participatie en de sociale mix. Nu twintig jaar later is ‘Kunst en Democratie’ van zelforganisatie, over kenniscentrum, in een fusie overgegaan in Dēmos, kenniscentrum voor participatie van kansengroepen aan cultuur, jeugdwerk en sport. Het essay Kunst in de wereld overziet die twintig jaar. Het boek is opgebouwd uit drie delen van telkens circa 60 pagina’s: ‘Wereld’, ‘Kunsten’ en ‘Kunst en Democratie’. Het boek sluit af met een brief ‘uit het Zuiden’ (van de Waalse tegenhanger ‘Culture et Démocratie’).

In deWereldwordt de sociaaleconomische situatie van de wereld van de voorbije 20 jaar geanalyseerd en wordt de plaats en de rol van de cultuursector in die wereld beschreven. Het levert geen originele elementen op. De aangebrachte elementen van ‘een wereld in grondige vernieuwbouw’ klinken bekend in de oren. De globalisering en de verbinding met het lokale, de zogenaamde glokalisering. Het feit dat steden opnieuw belangrijke centra van activiteit worden. De evolutie van de klassieke welvaartstaat naar een actieve welvaartstaat. Er wordt gesteld dat ‘in een samenleving op zoek naar samenhang en solidariteit’ de culturele sfeer een bijzondere plaats krijgt. De cultuursector moet enerzijds de kloof tussen de burger en de politiek (het falen van de representatieve democratie) en anderzijds de sociale uitsluiting mee oplossen. Volgens de auteurs geeft dit aanleiding tot de ontwikkeling van een sociaalartistieke praktijk. Ook de vaststelling dat ‘links de mobiliserende kracht van religie en cultuur, maar ook de diepgang van de sociale crisis van de voorbije jaren, schromelijk heeft onderschat’ zal weinigen verbazen. Dat de (mainstream) media meer en meer een maatschappelijke rol vervullen is voor iedereen duidelijk.
Er wordt wel een zeer goede analyse van de democratie gegeven. Die steunt, volgens de auteurs, op de unieke combinatie van representatie en participatie. Representatie betekent dan machtsdelegatie (bijvoorbeeld na politieke verkiezingen) en participatie is dan bemachtiging (of het innemen van de macht). Dat de participatieve democratie resultaten kan boeken, wordt volgens de auteurs bewezen door het succes van de actiegroepen in het Lange Wapperverhaal. De auteurs pleiten dan ook om meer ruimte voor het participatieve te laten.
De analyse wordt afgerond met de bedenking dat het begrip vrijheid overheerst en dat de ideeën van gelijkwaardigheid, broederlijkheid,rechtvaardig-heid en solidariteit opnieuw moeten worden gehoord.

Deel twee gaat dieper in op de Kunsten. Er worden zeer pertinente vragen gesteld in dit hoofdstuk. Hoe moet een subsidiërende overheid de kunst beoordelen: zelfbedruipend of niet? Kwaliteitsvol/loos? Maatschappelijk zinvol/loos? Op deze vragen wordt niet verder ingegaan. Naast de overheid speelt ook ‘de markt’ meer en meer een belangrijke rol. Is het dan een overheidsopdracht om de niet-rendabele zaken te creëren, te bewaren en te (ver)spreiden? Hoe gaan we om met het begrip artistieke ‘autonomie’, op een ogenblik dat de autonomie van het individu en de staat in crisis zijn? Charles Esche, directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven, wordt geciteerd met wat hij noemt ‘geëngageerde autonomie’. Het is een combinatie van autonomie (de noodzakelijke afstand van de (zelf)reflectie) en engagement (het creëren van een authentieke discussieruimte in relatie met de belangrijkste ideologische en maatschappelijke kwesties van deze tijd). Of de auteurs deze mening delen is onduidelijk.
De stedelijke publieke ruimte vormt voor de kunsten een uitdaging. De Nederlandse filosoof Henk Oosterlinck zegt daarover: ‘Van kunst in de openbare ruimte moeten we naar kunst van de openbare ruimte en kunst als openbare ruimte.’
In de zoektocht naar de plaats van de kunsten in de samenleving komen de auteurs al snel uit bij wat ze noemen ‘de sociaalartistieke praktijk, die de creatie expliciet situeert in een maatschappelijke context.’ Wat deze sociaalartistieke praktijk inhoudt wordt nergens concreet gemaakt.
Een andere belangrijke vraag is het multiculturele karakter van de kunsten. De auteurs stellen terecht dat het interculturele zich traag manifesteert in de (Vlaamse) kunstwereld. Er wordt gesteld dat er nog te vaak ‘over’ diversiteit gepraat wordt en niet ‘te midden van’ diversiteit. Het is ontegensprekelijk een debat dat nog dieper moet worden gevoerd, zeker in het licht van de mening van de grootste partij in Vlaanderen dat we terug moeten naar de ‘traditionele’ Vlaamse waarden.
Wie de plaats van de kunsten in de samenleving bespreekt, kan niet om het probleem van ‘de kunsten en de publieken’ heen. Kan kunst zonder publiek en is de fysieke aanwezigheid bij en de interactie met het kunstwerk noodzakelijk? Tegelijk wordt vastgesteld dat kunst ook publiek uitsluit.
Kunst kan de wereld redden, was vroeger een veel gehoorde stelling. Sociaal onderzoeker Paul Blondeel zegt daarover : ‘Ja, hij (de kunstenaar) is iemand die ‘de wereld redt’ maar met veel minder pretenties dan een tijd geleden’.
Aan pertinente vragen geen gebrek, alleen blijft de lezer op zijn honger zitten om duidelijke antwoorden op deze vragen te lezen. Er worden gul citaten van (cultuur)filosofen vermeld. Maar het blijft onduidelijk of de auteurs deze meningen delen.

In deel 3 brengt Ivo Janssens een overzicht van 20 jaar werking van ‘Kunst en Democratie’. Aanleiding voor deze ‘beweging’ was de fameuze ‘Zwarte Zondag’ (24/11/1991). Op die verkiezingszondag maakte het Vlaams Blok een grote sprong voorwaarts (van 2 naar 12 zetels). De culturele sector reageerde prompt met de campagne: ‘Cultuur eindigt waar racisme begint’. Charta 91 lanceerde een manifest en Hand in Hand organiseerde een succesvolle betoging. In 1993 werd dan de tweetalige organisatie ‘Kunst en Democratie’ opgericht met de volgende doelstellingen:

  1. De verdediging van de rol en de plaats van de kunst en cultuur in de maatschappij.
  2. Het creëren van bruggen tussen de communautaire gemeenschappen.
  3. Het verdiepen van de basisprincipes die cultuur en democratie met mekaar verbinden.

In de daarop volgende jaren werden diverse acties gevoerd tegen extreemrechts, maar evolueerde de werking ook verder richting cultuurparticipatie. Daarbij was de dialoog met de OCMW’s en de ‘Verenigingen waar armen het woord nemen’ een erg vernieuwende en boeiende werkvorm.
Het HIVA bevestigde in een onderzoek de bindende kracht van cultuurparticipatieprojecten voor armoedebestrijding. De nadruk kwam stilaan te liggen bij ‘sociaalartistieke projecten’ die trouwens door het beleid werden erkend. De jongste jaren evolueerde de organisatie veel meer richting het verbeteren van de lokale democratie. Er gaat dan ook veel aandacht naar participatiestrategieën.
Als oorzaken van de toename van sociale ongelijkheid worden vernoemd: de groeiende ongelijke toegang tot de publieke besluitvorming, de dominantie van het bijna ongebreidelde marktkapitalisme en het culturele status-quo (geen vernieuwing, geen machtsverschuiving, onvoldoende antwoorden op sociale ongelijkheid).
De participatiestrategieën die volgens ‘Kunst en Democratie’ kans op slagen hebben zijn o.m. de competentiebenadering (nadruk op de mogelijkheden en talenten van mensen), participatie is meer dan een middel, participatie gebeurt altijd ‘in context’ en er moet worden geïnvesteerd in een ‘culturele habitus’ (waarbij de overheid voorwaarden moet scheppen om cultuur toegankelijk te maken en het individu aan zijn/haar culturele ontwikkeling moet werken). Ivo Janssens eindigt zijn bijdrage met een oproep om het debat te voeren over de relatie tussen cultuur en democratie.

Het boek wordt afgesloten met een ‘Brief uit het Zuiden’. De Franstalige tegenhanger van ‘Kunst en Democratie’ geeft daarin aan welke de belangrijkste uitdagingen zijn voor de nabije toekomst.

Het boek Kunst in de wereld snijdt een zeer belangrijk maatschappelijk thema aan dat een grondig debat verdient. Het boek geeft misschien een goede aanzet voor dit debat, maar mist concrete stellingen om dit debat voldoende te voeden.

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 7 (september), pagina 90 tot 92