Log in

Samen taalgrenzen verleggen

Net voor het zomerreces keurde de Vlaamse Regering een talennota goed. De nota is een conceptnota, een kapstok waaraan de komende maanden/jaren een aantal decreten opgehangen worden die het talenbeleid op en rond de school zullen veranderen. We willen hiermee inspelen op een omgeving die de afgelopen jaren sterk veranderd is en die de volgende tien jaar in versneld tempo zal veranderen. In dit artikel wil ik graag toelichten hoe de talennota hier rekening mee wil houden.

We moeten onze kinderen in Vlaanderen en Brussel voorbereiden op de wereld van morgen. Ik heb het dan over veranderingen in de wereld én in de wijken van onze steden. Een verschuiving van de economische macht van de VS en Europa naar nieuwe groeilanden, met een gevaar voor segregatie binnen Europa tot gevolg, en een groeiende demografische diversiteit in onze steden, met een nu al voelbare segregatie in ons onderwijs, en in onze samenleving, tot gevolg. In beide gevallen ligt het antwoord op segregatie in ontmoeting. En dus in een grotere mobiliteit - sociaal, cultureel én economisch. Talenkennis is een voorwaarde voor culturele, sociale en economische mobiliteit. Taal is niet alleen een vak, het is ook het vehikel voor het overdragen van kennis en vaardigheden van andere vakken, voor het vormen van een individuele identiteit, en voor communicatie, ontmoeting en gemeenschapsvorming.

NEDERLANDS ALS FUNDAMENT

Deze talennota bouwt verder op de fundamenten van de vorige. Die zette vooral in op de kennis van een ‘rijk Standaardnederlands’. Die werd een voorwaarde voor het leren van andere talen. Dat is ze nog. Zonder een uitstekende kennis van de onderwijstaal is niet alleen elke opleiding moeilijk, maar ook elke job achteraf, en elke volwaardige deelname aan de samenleving. De noodzakelijke inspanningen om kinderen, die met dat Nederlands wat achterop fietsen, terug in het peloton te krijgen, worden daarom volgehouden en zelfs versterkt. Wie te ver achterop zit, hoeft de rest niet op te houden, maar wacht best even op het volgende peloton. En wie voorop rijdt, moet ook de kans krijgen om verdere voorsprong te nemen, door de kans te krijgen vroeger andere talen te leren. Dat betekent dat elke school op termijn een talenplan zal moeten hebben. Met de onderwijskoepels wordt daarom tegen april 2012 een kwaliteitscharter ontwikkeld, als leidraad voor het voeren van een inclusief en divers talenbeleid. Daarvoor moeten mensen tot taalcoördinator gevormd worden, niet als afzonderlijke job, maar als specialisatie.

Opgroeien in een rijke taalomgeving

Voor heel kleine kinderen is het erg belangrijk in een rijke taalomgevingop te groeien. De talennota sluit hier aan bij de visietekst van Kind en Gezin over het omgaan met taal en meertaligheid bij heel jonge kinderen. Dat kinderen geboren worden in een gezin waar geen Nederlands gesproken wordt, hoeft geen probleem te zijn. Belangrijk is dat kinderen met een rijke taal opgroeien, welke die taal ook is. Beter een rijke thuistaal dan een arm Nederlands dus. De groeiende taaldiversiteit vraagt van kinderverzorgers en kleuterleiders een aantal basiscompetenties die in de opleiding opgenomen worden. Die vaardigheden zijn dubbel: ze moeten positief met een meertalige omgeving omgaan - hoe meer taal, hoe beter - en ze moeten zelf zoveel mogelijk en zo goed mogelijk Nederlands in hun omgang met de kinderen gebruiken. We gaan goede voorbeelden verzamelen en verspreiden en geschikt materiaal ontwikkelen. En we stimuleren projecten over voorlezen, in de thuistaal én in het Nederlands.

Minder kinderen is meer aandacht

In de kleuterklas ligt een sleutel bij de omkadering en de grootte van de klassen. Samen met de talennota keurde de Vlaamse Regering een nieuwe omkadering voor het basisonderwijs goed. Die zal vooral in de kleuterscholen voelbaar zijn. Pessimisten gaan er al van uit dat de 1300 extra leraren voor het basisonderwijs het tekort aan leraren zal doen groeien. Ik wil de opleiding én de job aantrekkelijker maken, en voor zoveel mogelijk mensen openstellen die daar zin in hebben. In hun opleiding of in hun navorming of bijscholing zal taalstimulering Nederlands, zowel voor taalarme kinderen als voor een groeiend aantal anderstalige kinderen, voorop staan.

Meten, oriënteren en remediëren

Meer en beter gevormde leraren alleen zullen niet volstaan. Daarom worden die extra inspanningen bij de overgang van kleuter naar lager onderwijs gemeten. Sinds 1 september 2010 moeten kinderen die te laat of niet regelmatig genoeg naar het kleuteronderwijs gegaan zijn, een taalproef afleggen om naar het lager onderwijs te mogen overgaan. Of ze moeten de derde kleuterklas overdoen. Omdat we merken dat de taalkennis bij de instroom bepalend is voor die bij de uitstroom, voeren we een screening op taalvaardigheid voor alle kinderen in, en een diagnostische taaltest voor wie dat nodig heeft. Die taaltest is niet bedoeld om kinderen uit te sluiten, maar om achterstand uit te sluiten. Kinderen die het nodig hebben, zullen een begeleidingstraject volgen. We willen kinderen dus met een minimale achterstand aan de start van het lager onderwijs krijgen.

Onthaalonderwijs

Dat is de reden waarom we voor kinderen met een andere thuistaal, die zich voor het eerst in het leerplichtonderwijs in een Nederlandstalige lagere school inschrijven, onthaalonderwijs organiseren. Zij krijgen eerst een taalbad van vier weken dat, naargelang het resultaat ervan, verlengd kan worden met nog eens vier weken. Daarna worden ze in de klas geïntegreerd. We denken dat dit goed is voor de kinderen zelf, en voor de leraar die ze na het taalbad moet opvangen. Ook na dat taalbad kan de school op extra ondersteuning rekenen. En van de ouders wordt een extra engagement gevraagd: kinderen met te veel achterstand zullen verplicht extra lessen Nederlands, aansluitend op de schooluren, moeten volgen. De ouders zelf zullen worden gestimuleerd om Nederlandse taallessen te volgen, liefst op de school zelf van hun kinderen, en om het Nederlands ook in de gezinstijd en vrije tijd van hun kinderen een plaats te geven.
Ook op latere leeftijd komen anderstalige tieners ons land en ons onderwijs binnen. Voor hen blijft het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers bestaan. Na dat onthaaljaar kan een vervolgtraject intensief Nederlands met een opleiding gecombineerd worden die tot een kwalificatie leidt. Voor wie met taalachterstand kampt, wordt een grotere flexibilisering ingevoerd die hen kan ondersteunen. Een flexibilisering die pas op volle kracht zal zijn na de hervorming van het secundair onderwijs. Met de Centra voor Volwassenenonderwijs willen we een aanbod Nederlands op school en aansluitend op de schooluren realiseren.

Een taalbrede school

Je kunt geen leeromgeving creëren zonder rekening te houden met de leefomgeving van de kinderen. Een taalbeleid moet integraal zijn, en bijgevolg de school met omgeving en thuis verbinden. We erkennen dat een rijke moedertaal het leren van een rijke schooltaal ten goede komt, en dat die thuistalen dus een plaats in het talenbeleid van de school moeten krijgen, niet als vak, maar als context. De expertise, via de onthaalbureaus en integratiecentra opgebouwd, zullen ten dienste van het onthaalbeleid in scholen staan. Tegenover de openheid van scholen voor de thuistaal van ouders wordt een engagement van de ouders verwacht om de schooltaal van hun kinderen aan te leren en te gebruiken. Daarvoor worden taallessen Nederlands op de school zelf aangeboden. Om het leesplezier van kinderen en jongeren aan te wakkeren, zal onderwijs met cultuur een actieplan rond ‘lezen op school en thuis’ uitwerken. In 2013 organiseert Canon Cultuur een themajaar rond voorlezen. En via projectsubsidies lokaal flankerend onderwijs zal in taalstimulerende activiteiten geïnvesteerd worden. Bij de afgeslankte sectorale decreten (Jeugd, Sport, Cultuur, Stedelijk beleid…) zal taalstimulering een transversaal aandachtspunt zijn.

ANDERE TALEN ALS CULTURELE RIJKDOM EN VOORWAARDE VOOR SOCIALE EN ECONOMISCHE MOBILITEIT

Op 4 oktober 2010 moest ik als Vlaams Minister van Jeugd in het kader van het Belgisch voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie een congres over Youth on the Move voorzitten. Ik kreeg de dag zelf een foto van de drie jonge dames doorgemaild die Vlaanderen op dit congres vertegenwoordigden, met de boodschap ‘Youth has no fear for the unknown! We dare to take risks so we can change the World.’ Is het Engels dan niet 100% correct, de boodschap is dat zeker…
Een week voordien had ik in een interview voor een erkenning van het Engels als de Europese lingua franca gepleit, als gemeenschappelijke taal voor de Europese Unie. In een context van Europese eenmaking leek het me vanzelfsprekend dat, als je elkaars verhalen wil begrijpen, je elkaars taal moet spreken, of een gemeenschappelijke andere taal. Europa koestert immers de ambitie dat we, naast de eigen moedertaal, twee andere Europese talen spreken. Zou het niet logisch zijn dat een van die drie talen overal in Europa dezelfde zou zijn ? Als het antwoord op die vraag ‘ja’ is, lijkt me het antwoord op de vraag welke taal dat dan moet zijn ook duidelijk.
Een pleidooi voor het zoeken naar een gemeenschappelijke taal en een gemeenschappelijke toekomst werd meteen vertaald als een pleidooi voor meer Engels ten koste van het Frans. Er werd meteen ook verwezen naar de immersiescholen Nederlands in Franstalig België, maar men vergat te zeggen dat in de andere 98% van de scholen steeds meer kinderen Engels als tweede taal kiezen. Een studie van Philippe Van Parijs in 2007 toont overigens aan dat het Engels in Wallonië en Brussel vandaag al de tweede taal is.

Andere talen op 2 sporen

Voor een kwart van de kinderen in Vlaanderen is het Nederlands al een tweede taal, en het Frans en het Engels zijn derde talen. In Brussel, waar de dominante omgevingstaal het Frans is, verdringt het Engels in een informele context zelfs het Nederlands naar een derde plaats. We rijden daarom, wat andere talen betreft, op twee sporen. Een spoor binnen en een spoor buiten het curriculum.

Jong geleerd…

We willen kinderen zo vroeg mogelijk voor talen sensibiliseren. Scholen kunnen daarbij op de prikkels inhaken die we aan ouders voor het gebruik van een rijke thuistaal willen geven. Het gaat dan niet om taallessen maar taalattitudes. De leraar kan daarbij op de taaldiversiteit in zijn klas inspelen. Op de talenwebsite willen we daarvoor een aparte link maken, met een e-prikbord voor goede praktijken. Het omgaan met thuistalen wordt in het talenbeleid vóór het leerplichtonderwijs geïntegreerd. Het (speels) aanleren van thuistalen zelf - en van vreemde talen - wordt door een aanbod buiten de lestijden mogelijk gemaakt. Kinderen apart nemen tijdens de lesuren om met hen de thuistaal te onderhouden of te verdiepen, doen we niet. We denken dat dit (taal)zwakke kinderen verzwakt. Door thuistalen een plaats te geven bij sensibilisering, en aansluitend op de schooluren, valoriseren we die thuistalen, ook ten aanzien van andere ouders die die talen niet spreken, en maken we (taal)sterke kinderen sterker. We zijn er zo van overtuigd dat we de heilzame effecten van Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur in het talenbeleid van onze scholen verankeren, zonder te knabbelen aan de noodzakelijke uren Nederlands voor anderstalige kinderen die het moeilijker hebben.
Tot nog toe kon Frans pas vanaf de derde graad van het basisonderwijs gegeven worden. Behalve in Brussel, waar scholen dat vanaf de eerste graad kunnen aanbieden. Er zijn objectief gezien weinig redenen om kinderen, die goed Nederlandstalig zijn, tot hun elfde te laten wachten om Frans te leren. Daarom kunnen scholen dit in de toekomst vanaf de tweede graad, als hun leerlingenpopulatie daar klaar voor is (lees: als hun Nederlands op peil is). Dat kunnen scholen zelf bepalen. Taalinitiatie in een derde taal kan in het Engels en het Duits.

Meer talen en meertalig onderwijs in het secundair

De ambitie om in het secundair onderwijs Frans en Engels ambitieuzere eindtermen te geven, stond al in het regeerakkoord. Vanaf de tweede graad kan een vierde taal naar keuze aangeboden worden, als daar een draagvlak voor is: een gedragen vraag en een gegarandeerde kwaliteit op het vlak van aanbod. Hier komen alle Europese talen en de belangrijkste talen van de BRIC-landen voor in aanmerking, dus ook Chinees, Russisch en Hindi. Voor de einddoelen kijken we uit naar het Europees Referentiekader.

Vlaanderen moet zowat de laatste regio zijn die geen twee- of meertalig onderwijs aanbiedt. Schoorvoetend werden de afgelopen jaren een aantal pilootprojecten CLIL (Content and Language Integrated Learning) toegelaten. De evaluatie van die programma’s was voldoende positief om CLIL structureel een kans te geven. Ten laatste in 2013 krijgen we CLIL-scholen in plaats van CLIL-projecten. Maximum een vijfde van de zaakvakken in het secundair onderwijs kan dan in het Engels, het Frans of het Duits gegeven worden. Daarvoor wordt een CLIL-standaard ontworpen, die bepaalt aan welke voorwaarden een school moet voldoen om CLIL met de nodige kwaliteit aan te bieden. Ook in Brussel en de Rand rond Brussel, waar tweetalig onderwijs om andere dan pedagogische redenen gevoelig lag en ligt, is CLIL vanaf dan mogelijk. Voor mij is dit een belangrijke kentering, een opstap naar volwaardig tweetalig onderwijs. Als de resultaten van de CLIL-scholen meevallen, kan het percentage zaakvakken in de tweede taal opgetrokken worden. Vallen ze tegen, waar ik niet van uitga, kunnen ze beperkt worden.
Op vraag van Europa onderzoeken we de oprichting van een Europese School type II. Zo’n school hanteert dezelfde principes van meertalig onderwijs als andere Europese scholen, maar is toegankelijk voor iedereen.
Scholen die dat willen en kunnen, krijgen de mogelijkheid om, aansluitend op de schooluren, vreemde talen op school aan te bieden. Hiervoor komen ook andere talen dan de potentiële vierde taal in aanmerking. Gekoppeld aan de thuistaal, kan dit aanbod voor een grotere betrokkenheid van anderstalige ouders bij de school van hun kinderen zorgen, en voor prikkels bij andere kinderen om die exotische thuistaal van hun vriendjes te leren…
De school kan dat moeilijk alleen: in de integratie- en inburgeringssector en in de CVO’s vinden ze hiervoor competente partners.

M³: MENSEN, METHODE, MIDDELEN

Iedereen taalleraar

Motivatie en leermethode zijn dé sleutels voor succes op elk leerdomein, ook op dat van de talen. Omdat taal niet alleen een leergebied is, maar ook een instrument voor het leren van andere vakken, wordt in de lerarenopleiding de klemtoon op inclusief, adaptief en taalontwikkelend onderwijs gelegd. Iedere leraar is een taalleraar. Gedurende drie jaar zal daar een prioritair nascholingsaanbod voor georganiseerd worden. En bij de evaluatie van de lerarenopleiding zal met die taalcompetenties rekening gehouden worden.

Meten = weten

Kinderen die hun schoolloopbaan met een taalachterstand starten, boeken doorgaans evenveel leerwinst als andere kinderen. Maar ze halen die achterstand nauwelijks in. Die kinderen hebben dezelfde talenten, maar minder kansen. Daarom is de overgang van kleuter- naar lager onderwijs, en die van lager naar secundair onderwijs zo bepalend. Om een beeld te hebben van welke taalbagage kinderen bij de start van het lager onderwijs hebben, werd een SALTO-toets ontwikkeld, als screeningsinstrument voor de taalvaardigheid in het eerste leerjaar. Een expertencommissie buigt zich nu over een variant voor het eerste jaar secundair.
Dat rugzakje, ‘drager’ of ‘portfolio’ mag letterlijk genomen worden. Elk kind moet op termijn een eigen talenportfolio hebben… die wordt samen met de netten ontwikkeld. Dat kan een afzonderlijke portfolio zijn, of een onderdeel van een algemene competentieportfolio, waar naast de schoolse ook de elders verworven competenties in opgenomen worden. Een beetje vergelijkbaar met een globaal medisch dossier. Voor een goed gebruik ervan wordt voor de leraren een duidelijke handleiding gemaakt. En, omdat we ook willen dat die portfolio relevant is voor zijn eigenaar in het kader van bijvoorbeeld inburgering of op de arbeidsmarkt, wordt die met de VDAB en de CVO’s overlegd.

Verandering van spijs doet eten

Een talenbeleid is geen kant-en-klare maaltijd, maar een experimenteren met de beschikbare ingrediënten op basis van een reeks gemeenschappelijke regels en afspraken… Met scholen die uit een heterogene populatie opvallende leerwinsten halen, worden daarom rondetafelgesprekken georganiseerd om te weten te komen wat hiervoor de kritische succesfactoren zijn. Uit een bundel met goede praktijkvoorbeelden kunnen anderen leren. KlasCement zal de bestaande talenwebsite verbeteren. En we willen investeren in de ontwikkeling van games voor talenonderwijs en in het ontwikkelen van een online platform voor NT2-lessen voor kinderen.
Onze jongeren worstelen met het plezier om te leren. Niet met het leren zelf. Dat geldt ook voor talen. Innovatie is zoeken naar middelen om ervoor te zorgen dat de nieuwsgierigheid van kinderen gestimuleerd wordt, en kinderen, als ze groter worden, goesting blijven hebben om geprikkeld te worden door talen, en om talen te leren. Goed onderwijs is een onderwijs dat zin heeft en geeft.
We hebben studenttutoringprojecten, waarbij studenten in de lerarenopleiding zich over kans- en vaak ook taalarme kinderen ontfermen. Die projecten moeten vanaf 2012 een vaste stek in het diversiteitsbeleid van de hogescholen krijgen én in het gelijke onderwijskansenbeleid van de partnerschool.
Zo bestaat reeds de mogelijkheid om de kwaliteit van het vreemdetalenonderwijs te verhogen door het ‘buurlandenbeleid’ te activeren en door met de Franse en Duitstalige Gemeenschap samen te werken op het vlak van uitwisseling van native speakers als leraren. Dat is voor zowel de taalleraren als de leerlingen een potentieel verrijkende ervaring. Toch komt er in de praktijk te weinig van terecht. Waarom, daar hebben we vandaag het raden naar. Een ambtelijke werkgroep moet hiervoor de drempels in kaart brengen en oplossingen aanreiken.

De (groot)stad als laboratorium

De kansen én bedreigingen van taaldiversiteit concentreren zich in onze steden. Hier zijn de uitdagingen voor het (talen)onderwijs het grootst, én de uitval van diegenen die in een kans- en taalarm gezin opgroeien. In Brussel gaan we de expertise op vlak van begeleiding van scholen bundelen. Die expertise is vooral gericht op het omgaan met een context waarin de schooltaal voor een grote minderheid of zelfs een meerderheid van de kinderen een tweede of derde taal is.
De talennota maakt ruimte voor onderwijsexperimenten, aangepast aan een concentratie van nieuwe stedelingen, met eigen codes, met een andere bagage in de rugzak dan diegene waarvoor onze onderwijsmethodieken vandaag zijn bedacht: blank, middenklasse, Nederlandstalig. In Brussel, Gent en Antwerpen wordt gedurende drie jaar in telkens drie scholen met een grote concentratie van ongelijke onderwijskansen onder wetenschappelijke begeleiding een experiment opgezet waarbij gezocht wordt naar een onderwijsmodel dat beter op de leefwereld en belevingswereld van die kinderen aansluit. Het experiment moet de kritische succesfactoren op de werkvloer ontwikkelen op het vlak van coaching, omkadering, ontwikkeling van lesmateriaal, enzovoort.
Goesting. Het mooiste woord van 2004 in Vlaanderen drukt uit wat voor een goed talenonderwijs bepalend is. Zaakvakleraren die goesting in een rijk Nederlands hebben. Taalleraren die zich elke dag de goesting herinneren waarmee ze die taal zelf geleerd hebben… Leraren die hun leerlingen goesting doen krijgen in woorden, zinnen, talen. Een goed talenonderwijs houdt rekening met de leefwereld en de taal van de leerlingen, en prikkelt hen om via taal en via talen die leefwereld te verrijken en te verruimen.

Pascal Smet
Vlaams Minister van Onderwijs

onderwijs - taal - gelijke kansen

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 7 (september), pagina 24 tot 30