Abonneer Log in

De Vlaamse socialisten en de staatshervormingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 8 (oktober), pagina 13 tot 23

Het is niet ongewoon dat de Vlaamse socialisten het verwijt toegestuurd krijgen onvoldoende hun stempel te drukken op de totstandkoming van de staatshervormingen en meer bepaald op de Vlaamse autonomie die zich langs die weg ontwikkelt. Deze visie is niet enkel terug te vinden bij antisocialistische segmenten van de Vlaamse Beweging, die de partij een onverschillige of zelfs vijandige houding toedichten, maar ze klinkt ook door in de historiografie. Een deel van de historici minimaliseert zonder meer de bijdrage van de sociaaldemocratie. Ook binnen de socialistische partij hoort men deze kritiek, niet enkel als een stem uit het verleden, toen de linkervleugel ter zake een traditie uitbouwde, maar ook vandaag nog laten bekende Vlaamse socialisten niet na zich publiekelijk in deze zin te uiten. Zo verkondigde oud-minister Luc Van den Bossche onlangs nog dat de sp.a een regionale reflex mist en ze haar kans verkeken heeft om een Vlaamse koers te volgen, terwijl ere-gouverneur Herman Balthazar de partij verwijt te hebben meegeholpen aan de groei van het separatistische Vlaams-nationalisme én aan de Franstalige onwil om in het Nederlands een equivalente taal te erkennen.1

In deze bijdrage willen we deze uitspraken toetsen aan de lijnen die uit de reconstructie van de staatshervormingsgeschiedenis te voorschijn komen. We doen dit chronologisch om telkens de concrete maatschappijpolitieke context en de interactie met de medespelers in het verhaal te kunnen betrekken.2

AANWEZIG IN DE ONTSTAANSFASE

Laat ons er vooraf even aan herinneren dat de Vlaamse socialisten niet geheel afwezig waren in de ontstaansfase van het federale denken. Dat de Waalse beweging in het begin van de 20ste eeuw als eerste het federalisme als politieke eis op de politieke agenda zette, is gekend. De vrees voor een veralgemeende tweetaligheid en voor de dominantie van het klerikale Vlaanderen deed ook de Waalse socialist J. Destrée in de richting van een ver doorgedreven scheiding van Vlaanderen en Wallonië nadenken. De radicale flaminganten van hun kant gaven de hoop op taalwetten in het unitaire België op en zagen de oplossing voor de Vlaamse kwestie eveneens in een scheidingsscenario. Vanaf het midden van de jaren 1930 ging het fascistisch nationalisme van katholieke integralistische signatuur dit Vlaamse federale denken beheersen. De Vlaamse ‘minimalisten’ bleven echter lange tijd huiverig voor het federale project, zij het dat in hun schoot wel de idee van culturele autonomie en bestuurlijke scheiding groeide.

Bij de Vlaamse socialisten werd de strijd voor de lotsverbetering van de arbeiders slechts voorbijgaand in verband gebracht met de nationaliteitenkwestie. Het verzet tegen de Franstalige bourgeoisie kwam immers vooral van Vlaamse kleinburgers die zich weinig om de arbeidersklasse bekommerden. In het industrieel weinig ontwikkelde Vlaanderen voelden de socialisten zich bovendien beschermd door hun veel sterkere Waalse partijgenoten. Het ‘vertaalsocialisme’ namen ze er op de koop bij.

Een aantal Vlaamsgezinde tenoren lieten in het Interbellum echter ook een ander geluid horen. Ideologisch ondersteund door het kosmopolitisch georiënteerd flamingantisme van A. Vermeylen, was er onder meer C. Huysmans die het nationaliteitenvraagstuk in het socialistisch strijdprogramma integreerde en ook voorzitter H. De Man legde de band tussen vrijheidsnationalisme en socialisme. De eerste Vlaamse socialistische congressen (en vooral dat van 1937) werden versnellingsmomenten. België bestaat uit twee nationaliteiten met elk een eigen cultuur, luidde het. De culturele tweeledigheid van België werd naar voor geschoven en ook de aanpassing van de centrale administratie aan de tweeledigheid was nodig. De departementen van onderwijs en cultuur dienden gesplitst. Kortom, even voor de Tweede Wereldoorlog gaven Vlaamse socialisten uit intellectuele kringen nagenoeg dezelfde inhoud aan het denken over de Belgische staatsstructuur als de andere gematigde flaminganten. Het voortouw namen ze niet, maar volgen deden ze wel.

HET NAOORLOGSE UNITARISME

Tussen de bevrijding (1944-45) en het begin van de jaren 1960 stond het federaliseringsproces zo goed als stil. De oorzaken kennen we. De collaboratie van segmenten van de Vlaamse Beweging met de nazibezetter had het Vlaams-nationalisme en dus ook het federale project uit het politieke centrum verdreven. Het unitaire België had opnieuw volledig de overhand. Franstaligen grepen de collaboratie bovendien aan om heel de Vlaamse Beweging in diskrediet te brengen en het flamingantisme te onderdrukken. Enkel de Vlaamse culturele organisaties, met inbegrip van het socialistisch gerichte Vermeylenfonds, zetten zich tegen dit antiflamingantisme af. De sociaaldemocratie concentreerde zich in deze periode volop op de uitbouw van de verzorgingsstaat, de herverdeling van de welvaart, de staatsinterventie in de economie en het sociale overlegmodel. De Waalse socialistische federalisten lieten weliswaar van zich horen, maar konden niet echt doorbreken in de leiding van de partij die vooral actief was binnen het unitaire België.

Aan Vlaamse kant was dat niet anders. De leiders van vakbond en partij waren als overtuigde unitaristen vooral bekommerd om de eenheid en de sterkte van de arbeidersbeweging. Hun behoefte aan steun van Waalse partijgenoten was overigens niet afgenomen. Naarmate Vlaanderen meer industrialiseerde, werd duidelijk dat de socialistische vakbeweging beconcurreerd en overvleugeld werd door de christelijke. De Vlaamse socialisten wilden tevens laten zien dat ze even goede Belgen waren als de Walen en de Brusselaars, die zich vooral als verzetslieden profileerden. De nieuwe generatie Vlaamse socialisten die uit het verzet kwam, dreef dus de flaminganten naar de achtergrond en bepaalde in de naoorlogse periode het profiel van de BSP in Vlaanderen. De traumatische oorlogservaringen deden hen een hard standpunt innemen tegenover de repressie en epuratie. Het oude antiklerikalisme kreeg bovendien een nieuw elan. De koningskwestie en de schoolstrijd maakten de angst voor de minorisatie van de vrijzinnigen in Vlaanderen er immers niet minder om.

Dat een Vlaamse socialist (P. Vermeylen) de betwiste talentellingen ten uitvoer legde en op die manier de uitbreiding van het verfransende Brussel toeliet, lag in het verlengde van de Belgische heroriëntatie van de sociaaldemocratie. Niet dat er geen protest was. De Antwerpse burgemeester L. Craeybeckx speelde zelfs een vooraanstaande rol in de actie voor de afbakening van Brussel, een essentieel element in de latere staatshervormingslogica. De oprichting van eigen onderwijs- en culturele instellingen in Brussel werd door een aantal socialistische intellectuelen uit Vlaanderen en Brussel (H. Fayat) eveneens ondersteund. In het licht van de latere staatshervormingen was dit eveneens van belang: de basis werd immers gelegd voor de tweeledigheid van Brussel op gemeenschapsvlak. Een flamingantische onderstroom was met andere woorden ook in de BSP blijven bestaan.

HET FEDERALISME BREEKT DOOR, MAAR NAUWELIJKS IN DE BSP (1963-1973)

Spoorde het Vlaamse socialisme in de voor- en naoorlogse periode dus vrij goed met het federale denken dat al dan niet in de gematigde delen van de Vlaamse Beweging aanwezig was, in de jaren 1960 en het begin van de jaren 1970 is dat in veel mindere mate het geval. In die jaren groeit er een klimaat dat het federale denken een boost geeft. Vlaanderen kent eindelijk een economische bloei en de Vlaams voelende sociale en politieke middenlagen breiden zich uit. De Vlaamse nationalisten bouwen opnieuw aan een eigen partij (VU) en ook binnen de CVP eisen de flaminganten hun plaats op. De Waalse beweging met de Mouvement Populair Wallon van A. Renard op kop, trekt na de grote staking van 1960-61 resoluut de federalistische kaart. Aan ‘le déclin wallon’ kan immers het best verholpen worden door een zelfbesturend Wallonië dat niet langer moet optornen tegen het conservatievere Vlaanderen. In Brussel komt dan weer het FDF op dat in een gefederaliseerd België een eigen gewest wil uitbouwen. De eerste grondwetsherziening (1970) wordt een compromis tussen unitaristen en (gematigde) federalisten. Veel meer dan een taalkundige, culturele en economische regionalisering houdt ze niet in, maar ze legt wel de fundamenten van het toekomstige federale België: deelgebieden ingedeeld in gewesten en gemeenschappen, de bevestiging van het taalhomogeniteitsbeginsel en tegemoetkomingen aan de Waalse vrees voor politieke minorisering vanwege het demografisch sterkere Vlaanderen.

Hoe reageerden de Vlaamsen socialisten nu op al deze ontwikkelingen? Geleid door dezelfde naoorlogse generatie, verenigd rond de gemeenschappelijke zuilbelangen en bevreesd voor de minorisering in een katholiek Vlaanderen, werkte dezelfde strategie nog steeds door: het Vlaamse socialisme was het best gediend als er eenheid onder de arbeiders heerste en dus door een unitaire partij in een unitaire staat. Klerikalisme, collaboratie en radicaal flamingantisme bleven bij de meesten op één lijn zitten.

Tegen het einde van de jaren 1960 werden er echter wel enkele aanpassingstekenen zichtbaar. Gezien de doorbraak van het federale denken in andere partijen en vooral bij de Waalse socialisten, kon het Vlaams socialisme niet helemaal achter blijven. De behoudende maar ook Vlaamsvoelende jurist A. Vranckx kreeg de taak om aan de voorbereidende overlegrondes mee te werken. Hij maakte deel uit van de BSP-delegatie aan de Rondetafelconferentie en van het college van ministers onder de regering Harmel-Spinoy (1965-66) dat de grondwetsherziening voorbereidde. Decentralisatie en regionalisatie waren de bevoegdheden waarop hij zich tijdens deze eerste fase van de staatshervorming toelegde. De ‘communautaire’ portefeuilles in de regering Eyskens (1969-71) waren echter in handen van zijn Waalse partijgenoten.

Vooral in de linkervleugel van de partij was er ondertussen aangedrongen om een Vlaams socialistisch congres bijeen te roepen. Het kwam er in 1967 in Klemskerke. Een minderheid kwam er op voor een gematigd federalistisch programma, dat in akkoord met de Waalse partijgenoten tot een voorstel tot gewestvorming met drie leidde. De afsplitsing van de Vlaamse socialisten in de Brusselse agglomeratie luidde dan weer het begin in van het autonomiseringsproces in de partij. De ‘Rode Leeuwen’ eisten namelijk het recht op om over een eigen vertegenwoordiging te beschikken, los van de door de Franstaligen beheerste federatie. Voor de structurele aanpassing van de partij aan de hervormingen was de introductie van het covoorzitterschap (1971) en de statutaire erkenning van een Vlaams overlegcomité eveneens van belang. Van scheuringen, zoals die bij de CVP en daarna bij de PVV hadden plaats gehad, en waardoor in het Belgische federale model enkel autonome partijen zouden gaan functioneren, was nog geen sprake. De de facto vleugelvorming gaf echter duidelijk aan dat er binnen de BSP wel een aantal verspreide initiatieven aan de rand van de officiële unitaire partij te bekennen vielen, die naar de doorbraak van het federale denken verwezen.

DE DOORBRAAK VAN EEN FEDERAAL INGESTELDE GENERATIE (1973-)

Deze doorbraak houdt zonder meer verband met de gewijzigde politieke context rond 1973. Niet alleen hadden de federalisten in de Vlaamse, Waalse en Brusselse partijen aan electorale macht gewonnen, maar de communautaire kwestie verdween ook niet van de politieke agenda zolang er geen akkoord bereikt werd over het statuut van Brussel. Vlaamse voorstanders van een tweeledig model met Brussel als hoofdstedelijke brug, stonden tegenover Franstalige verdedigers van een volwaardig Brussels gewest. Vlaanderen zelf was ook veranderd. Mede onder invloed van de protestgeneratie van de jaren 1960 was er nu sprake van ontkerkelijking, secularisering en het begin van ontzuiling. Zich Vlaams profileren was voortaan gemakkelijker voor de socialisten. Bovendien waren linkse socialisten onder leiding van M. Deneckere, samen met de partijjongeren, al meerdere jaren bezig om een overtuigend argumentarium op te bouwen. Ze wezen er terecht op dat het aantal leden, sympathisanten en kiezers voor wie de communautaire problematiek van belang was (ambtenaren, bedienden, leraren, etcetera) sterk was toegenomen. Zich Vlaams opstellen was dus een strategie om het stemmenaantal te handhaven en uit te breiden. In een federaal België was het zonder meer belangrijk de Vlaamse kaart uit te spelen. Socialisten konden zich immers niet verzoenen met een rechts, conservatief Vlaanderen maar moesten zorgen voor een meer sociaal, meer democratisch en economisch gestuurd Vlaanderen. Beginselvast socialisme en beginselvast flamingantisme waren facetten van eenzelfde overtuiging. Een sterk Vlaams socialisme zou ook de eenheid van de arbeidersbeweging op een nieuwe, stevige basis vestigen. Trouwens, waarom zouden de Waalse socialisten bereid blijven om de linkerzijde in Vlaanderen zonder tastbare tegenprestaties te beschermen?

Ondanks veel scepticisme in de traditionele partijstructuren en in de vakbond, die hem te Vlaams vonden, koos covoorzitter W. Claes toch voor K. Van Miert als zijn opvolger. Hij kreeg de steun van andere Vlaamsgezinden in de partij zoals W. Calewaert, J. Ramaeckers, B. Cools, R. Boel, M. Galle en L. Tobback en introduceerde vervolgens een aantal Vlaams denkende jonge Turken in de partij (N. De Batselier, L. Van den Bossche, L. Van Velthoven, M. Colla, F. Willockx). Hij en zijn medestanders slaagden er in om vanaf nu de sociaaldemocratie een eigen Vlaams gezicht te geven, met open pluralistische, Europese en pacifistische dimensies. Deze Vlaamse profilering en de aanvallen op francofoon radicalisme leidde uiteindelijk tot de breuk met A. Cools, die eind 1978 de PS oprichtte. Ondanks veel tegenkanting vanuit de vakbond (G. Debunne) aanvaardden de Vlaamse socialisten eenparig de splitsing van de partij en richtten in maart 1980 de SP op.

Deze onverkort Vlaamse opstelling maakte ook de weg vrij voor een actieve en complexloze medewerking aan het federaliseringsproces. Tijdens het Congres te Mechelen van 11 juni 1978 werd er nu onomwonden gepleit om rekening te houden met de consequenties van de staatshervorming. Van Miert koos ook voor het overleg met de Vlaamse partijvoorzitters (W. Martens en H. Schiltz) tijdens de Egmont-onderhandelingen. Aan dit Pakt, dat de drieledige gewestvorming institutionaliseerde, de gemeenschapsvorming verruimde en doortrok tot in Brussel en de faciliteitengemeenten en het inschrijvingsrecht in de Rand instelde, werkte hij loyaal mee. Het verzet tegen het inschrijvingsrecht deed het akkoord ten onder gaan. Samen met de voorzitters van CVP en VU verdedigde hij het Plan. Aan de invulling van de daarop volgende staatshervorming onder leiding van W. Martens (1980) werkte de SP even loyaal mee. Vlaamse en Waalse gewesten konden nu decreten uitvaardigen en de gemeenschappen werden bevoegd voor persoonsgebonden materies. Eigen raden en executieven werden ingesteld. In de proportioneel samengestelde Vlaamse Executieve zetelden twee socialisten: M. Galle en J. Ramaeckers. De SP leverde ook de voorzitter van de Cultuurraad: R. Boel. Brussel bleef nog steeds in de koelkast. De Vlaamse staatssecretaris voor Brussel in de federale regering werd een Rode Leeuwin: L. De Pauw-Deveen. Kortom, de SP liet duidelijk zien dat ze als staatsdragende partij aan de grondwetsherzieningen deelnam.

DE VLAAMSE SOCIALISTISCHE FEDERALISTEN OP EEN HOOGTEPUNT (1988-1996)

In de voor het federaliseringsproces belangrijke fase die zich tussen 1988 en 1996 afspeelde, profileerde de SP zich als een partij die niet enkel op een constructieve manier wilde meewerken met de andere Vlaamse partijen, maar die ook een duidelijke eigen inbreng wilde doen. Dat de jonge Turken ondertussen naar de top waren doorgestoten, had daar zeker ook mee te maken. Voortaan had de SP een partijideoloog die het federalisme als een onomkeerbaar, positief en dynamisch proces zag. In 1983 verwoordde De Batselier deze visie, die hij later nog verschillende keren zou actualiseren. De verschillende economische situatie in Vlaanderen en Wallonië maakte volgens hem de overheveling van de hefbomen van de economie naar de gewesten nodig en er diende tevens een einde gesteld aan de veel te dure compensatiepolitiek in de unitaire staat. Eigen financiële verantwoordelijkheid en een precies afgebakende en wederkerige solidariteit sloten hier bij aan. Met uitzondering van defensie, monetair beleid, buitenlandse politiek en sociale zekerheid kregen de deelgebieden volledige autonomie. Er kon dus niet naast gekeken worden: De Batselier en zijn medestanders namen inzake federalisme nu ver doorgedreven standpunten in. Over hoe dat Vlaamse deelgebied er moest uitzien, bestond er eveneens een duidelijk beeld: veel aandacht voor de overheid die voor een kwalitatieve, ecologisch verantwoorde groei moest zorgen met zorg voor tewerkstelling, voor de sociaal zwakkeren, maar ook voor de modernisering van het industrieel beleid en voor een corrigerende functie ten overstaan van het marktprincipe en het privé-initiatief. Op levensbeschouwelijk vlak moest Vlaanderen tot en met pluralistisch zijn.

Tijdens de onderhandelingen van 1988-89 speelde voorzitter Van Miert overtuigend zijn rol, terwijl De Batselier en Van den Bossche samen met H. Schiltz en Ph. Moureaux in de werkgroepen vorm gaven aan de institutionele hervormingen die gewesten en gemeenschappen heel wat nieuwe bevoegdheden gaven. Mits grondwettelijke garanties, werd de onderwijsbevoegdheid nu ook overgeheveld. De SP sloot zich ook aan bij de ingewikkelde wet die de problematiek van de faciliteitengemeenten van Voeren en de Rand pacificeerde en bij het compromis dat van Brussel een nagenoeg volwaardig gewest maakte, maar met sterke waarborgen voor de Vlaamse minderheid en autonome gemeenschapscommissies bevoegd voor onderwijs, cultuur, welzijn en gezondheidszorg. Aan de complexe berekeningen over de financiering van de gewesten en gemeenschappen, waarbij naar aanvaardbare verdeelsleutels werd gezocht, leverde De Batselier eveneens een centrale bijdrage. Het duurde tot 1993 vooraleer de zgn. derde fase van de staatshervorming was afgerond. Aan deze Sint-Michiels-onderhandelingen, die aan de regio’s autonome parlementen gaven met eigen kieskringen en de provincie Brabant splitste, nam de nieuwe voorzitter, de federalist F. Vandenbroucke actief deel.

De SP had in de regeringsonderhandelingen van 1988 belangrijke portefeuilles bedongen. De sociaal en economisch gerichte ministeries die De Batselier in de Vlaamse regeringen bezette, stelden hem in staat om een aantal aspecten van het socialistische beleid te realiseren. Als voorzitter speelde Van Velthoven een vooraanstaande rol bij de omvorming van de Vlaamse raad tot een volwaardig parlement (De Batselier zou die taak overigens vanaf 1996 verderzetten). Van Velthoven had in 1991 tevens een minimumprogramma tot stand gebracht dat als leidraad diende bij de onderhandelingen van de derde fase. Aan het Vlaamse parlementaire werk gaf de SP in deze periode dus zeker mee vorm. Dat was ook het geval in de Brusselse regering, in de raad en de commissie van de Vlaamse Gemeenschap in Brussel en als minister van Brusselse aangelegenheden in de Vlaamse regering. Zo bracht A. Van Asbroeck de eerste Vlaamse beleidsbrief en het eerste beleidsplan voor Brussel tot stand. Het taalbedreigde gebied in de Rand rond Brussel kreeg eveneens heel wat aandacht. Tobback stelde als minister van Binnenlandse Zaken zijn medewerker L. De Witte als gouverneur van Vlaams-Brabant aan, hij zelf zou later als burgemeester van Leuven ook op de problematiek wegen en de door de Franstaligen betwiste omzendbrief die van de taalfaciliteiten niet langer een automatisme maakte, kwam eveneens van een SP-minister, van L. Peeters die als burgemeester van Kapelle-op-den-Bos vertrouwd was met de concrete problemen in de regio. Het beleid ter beveiliging van het Vlaamse karakter van de Rand werd binnen de SP-ers van Brabant een traditie waaraan men zou blijven vasthouden.

BOTSEN OP DE GRENZEN VAN HET (CON)FEDERALISME? (1996-)

Bekijken we tot slot de recentere periode van nabij, dan blijken er heel wat problemen op de duiken in de relatie tussen socialisme en federalisme. Niet dat ze sterk tot uiting komen tijdens de staatshervorming van 2000-2001. De paarsgroene regering Verhofstadt wilde aan de communautaire kwestie geen prioriteit geven, maar werd wegens de financiële problemen van het Franstalige onderwijs onder druk gezet om het financieringsdebat te heropenen. De SP verzette zich niet tegen het compromis dat de premier op onderwijsvlak vond, noch tegen de uitbreiding van de fiscaliteit van de gewesten, en zeker niet tegen de regionalisering van de gemeente- en provinciewetten en de versterking van de positie van de Vlamingen in het Brussels parlement. Gezondheidszorg en sociale zekerheid bleven overigens federale materies. De partij was ook mee verantwoordelijk voor de heftigheid waarmee de splitsing van BHV vervolgens op de agenda kwam. Ze had de premier gevolgd in zijn kieskringhervorming die tot gevolg had dat de kieskring BHV dringend aangepast diende te worden. Ze volgde Verhofstadt ook in zijn poging om een akkoord met de Franstaligen tot stand te brengen, ook al ging dat vrij ver in de toegevingen aan de Rand-Franstaligen. Onder druk van radicalere flaminganten kwam men toen niet tot een oplossing (2005).

Neen, de echte problemen ontstonden naar aanleiding van wat als de core business van de SP (later sp.a) behoorde: de sociale problematiek met de gezondheidszorg, de sociale zekerheid, de pensioenen, arbeid en tewerkstelling, werkloosheidsuitkeringen en solidariteit in het algemeen. Nog meer dan vroeger was dit het centrale thema van het socialistisch programma geworden. Zoals elders in het neoliberale West-Europa had de Vlaamse socialistische partij zich neergelegd bij het overwicht van de markteconomie op de politiek en maakte ze van de solidaire samenleving haar prioriteit. De pragmatische Derde Weg, die de individuele vrijheid wilde verzoenen met de bekommernis om sociale gelijkheid en rechtvaardigheid, vond eveneens ingang. Pogingen om deze doelstellingen via frontvorming met progressieve christenen, groenen en Vlaamse nationalisten te realiseren mislukten. De christelijke arbeidersbeweging liet de CVP (later CD&V) niet los, terwijl de groenen veeleer een splijtzwam tussen de Vlaamse progressieven vormden. Electoraal had de SP het dus geenszins gemakkelijk. Door de achteruitgang van de industriële sector kalfde haar arbeidersachterban af, terwijl het Vlaams Blok met zijn hard antimigrantenstandpunt ook met stemmen ging lopen. Grote delen van de arbeidersklasse waren ondertussen geïncorporeerd in de breder wordende middenklasse. Het SP-electoraat bestond dus meer en meer uit verschillende groepen loontrekkenden met elk hun eigen belangen. Een miserabilistisch socialisme was dus niet meer van deze tijd. Het moest zich ook richten op de middengroepen en de solidaire hogere groepen. Gelijkwaardigheid realiseren en via solidariteit de samenleving aan elkaar houden, zo luidde de opdracht die het Toekomstcongres (1998) de partij meegaf. Tegen een federalisme dat ook de sociale sector wilde overhevelen, kwam nu verzet. Leden van de meer nationaal georganiseerde vakbonden en mutualiteiten, samen met een groep Belgischgezinden vonden in de gematigde federalist Willockx het boegbeeld van een meerderheid. Het resultaat: de SP sloot zich wel aan bij de andere vier Vlaamse Resoluties, maar niet bij de Resolutie die de financiering van de gezondheidszorg en het gezinsbeleid wilde splitsen (1999).

Deze Resoluties kenden een lange wordingsgeschiedenis. Toen via het Sint-Michiels-akkoord de basis gelegd werd voor een eigen Vlaams beleid, een eigen politieke klasse die zich voor een eigen achterban moest legitimeren, gingen er meer en meer stemmen op om de Vlaamse machtspositie te versterken in een staat die in de richting van een tweeledig confederaal model moest gaan, met autonome deelstaten en een Brussels Gewest dat op federaal, Europees en internationaal vlak door beide deelstaten mee bestuurd diende te worden. De afbouw van de sociale zekerheidstransfers naar Wallonië behoorde eveneens tot dit nieuwe Vlaamse eisenprogramma. Pleidooien voor transparantie in deze geldstromen en voor een verantwoordelijkheidsfederalisme en voor geresponsabiliseerde regio’s, klonken luider door. Om de hoge werkloosheidscijfers in Wallonië en Brussel weg te werken moest er een sterk activeringsbeleid gevoerd worden. Deze Vlaamse eisen werden nog veel harder verwoord toen in 2007 het kartel van CD&V en N-VA erin slaagde de paarse regering naar huis te sturen. De onmiddellijke splitsing van BHV zonder Vlaamse toegevingen stond centraal in hun campagne. Vooral de harde Vlaams-nationalistische (met separatistisch einddoel) en de sociaalconservatieve N-VA-taal sloeg in het kiezerskorps aan. De weerbarstige en denigrerende houding van de Franstaligen hielp daar ontegenzeggelijk bij. De partij rekruteerde niet enkel in het extreemrechtse Vlaams Belang, maar ook in de andere ‘traditionele’ partijen. Voor de sp.a werd de politieke constellatie nu bijzonder moeilijk. Haar aanhang zakte tot onder 15%, een ongekend historisch dieptepunt. Het politieke klimaat schoof bovendien ostentatief naar antisocialistisch rechts op en maakte het voor de sp.a vanuit een verzwakte positie geenszins gemakkelijk om haar sociale boodschap en het geradicaliseerde nationalistische federale discours te verzoenen.

Over de wijze waarop de sp.a dit poogde te doen in de getroebleerde periode die (hopelijk) achter ons ligt, bestaan geen eenduidige teksten, maar de Vlaamse regeringsonderhandelingen, de uitspraken van ministers, van voormalig voorzitter Gennez en andere onderhandelaars zoals Vande Lanotte, laten ons toch toe om een aantal hoofdlijnen te distilleren. Wat de territorialiteitsprincipes betreft, sluiten ze zich aan bij de Vlaamse eisen: de splitsing van BHV op electoraal en gerechtelijk vlak met zo weinig mogelijk toegevingen aan de Franstaligen en geen uitbreiding van het Brussels Gewest. Veel complexer zijn de standpunten inzake het sociale beleid. Wat de sociale zekerheid betreft, evolueerde men naar een tussenweg. De inkomensvervangende pijler (werkloosheid, pensioenen) blijven een exclusief federale bevoegdheid. Er spelen immers te veel variabele factoren mee om te kunnen splitsen zonder aan de solidariteit te raken. Daar waar het om objectieve sleutels gaat, zoals bij de kinderbijslag, kan er wel overgeheveld worden. Zonder de solidariteit te verbreken, zou het beheer van de ziekteverzekering ook naar de deelstaten kunnen gaan. In Brussel botst deze overheveling echter op een probleem: op basis van een taalgroep of op vrijwillige basis kan men niet voor de sociale zekerheid laten kiezen. Dat staat haaks op de solidariteitsgedachte. Het Brusselse model moet dus aangepast. Tegen het concept van het verantwoordelijke federalisme is men evenmin gekant. De sp.a wil met andere woorden mee zoeken naar het evenwicht tussen solidariteit en financiële responsabilisering voor het gevoerde beleid, waardoor Wallonië de kansen om aan zijn economisch reveil verder te kunnen werken niet hoeft te mislopen. Op de regionalisering van het arbeidsmarktbeleid had F. Vandenbroucke vroeger al ingezet. Omdat de regio’s inderdaad zo sterk verschillen, kunnen ze best een eigen, aangepast beleid voeren, zowel wat de aanpak van de werkloosheid als de toepassing van de regelgeving betreft. De focus mag vooral op de activering van de werklozen liggen. Dat de sp.a de laatste jaren meer opschuift naar de rationaliteit van de eigen verantwoordelijkheid en de emoties van verbondenheid en meedogen in deze meer individualistisch geworden samenleving minder centraal stelt, kan uit deze standpunten afgeleid worden. Aan een gemeenschappelijke toekomst in een federale staat met wederzijdse solidariteit blijft de partij echter vasthouden.

Op het ogenblik dat we dit schrijven (eind juli 2011), is het te vroeg om te weten of we binnen afzienbare tijd al dan niet een nieuwe fase in het staathervormingsproces zullen kennen en/of in welke mate de sp.a op het eventuele resultaat zal kunnen wegen. Waar de prioriteiten van de partij liggen, is echter wel goeddeels duidelijk.

GEMISTE KANSEN?

Is dit nu het verhaal van de gemiste kansen geworden? De rode draad die er m.i. vooral in doorloopt is dat van Vlaamse socialisten die in Vlaanderen een socialistisch project tot stand willen brengen. De inhoud van dit project evolueert, zoals trouwens elders in West-Europa. Van 1945 tot diep in de jaren 1990 houden ze vast aan het neokynesiaanse model met zijn verzorgingsstaat en een sterk regelende overheid in de sociaaleconomische sectoren. Sociale rechtvaardigheid, gelijke kansen, democratie, openheid, verdraagzaamheid en pluralisme zijn de basiswaarden die men vanaf de tweede helft van de jaren 1970 in een solidaire samenleving centraal stelt. Tegen de eeuwwisseling schuift het model in sociaalliberale richting op en krijgt ook het rechten en plichten-discours een plaats.

Aanvankelijk vindt men zichzelf te zwak om het doel te bereiken. In het unitaire België laat men zich leiden door de sterkere Waalse en Brusselse socialisten. Ook als het federale gedachtegoed ingeburgerd geraakt en Vlaanderen een zekere autonomie verwerft, blijft een meerderheid deze weg bewandelen. Het betekent inderdaad dat de aansluiting bij bepaalde groepen gemist wordt. Het gebrek aan een Vlaams bewuste houding gekoppeld aan een verouderd antiklerikalisme stootte zowel progressieve christenen als linkse federalisten af, terwijl eigenlijk heel het potentieel van de Vlaamse nieuwe sociale bewegingen vrijwel niet aangeboord bleef.Pas in de tweede helft van de jaren 1970 zag men in dat men de boot ging missen en kon een nieuwe, dynamische generatie een krachtige inhaalbeweging maken. Gesteund op een electoraat dat rond 25% schommelde, werd het federalisme omarmd en slaagde de partij er vrij goed in om het socialistisch project te laten sporen met het toenmalige federalisme. Vanaf het einde van de jaren 1990 lukte dat minder goed. Een sterk naar rechts opschuivend Vlaanderen dat naar maximale autonomie streeft, spanningen binnen de partij (zowel bij de leden als in de partijtop), een neerwaartse electorale spiraal en de moeizame zoektocht naar een evenwicht tussen het denken over solidariteit en over confederalisme met een evoluerend en ingewikkeld socialistisch staatshervormingsproject als resultaat: deze aspecten beheersen in grote mate de geschiedenis van de sp.a tijdens het laatste decennium.

Hoe de sociale kwestie in een progressief perspectief doen opgaan in de Vlaamse problematiek zonder de kracht van de sociaaldemocratie te verzwakken: het is het dilemma waarmee de BSP, SP en sp.a in de afgelopen decennia af te rekenen had en de partij met wisselend succes op zoek deed gaan naar strategieën die aangepast werden aan een steeds autonomer wordend Vlaanderen.

Els Witte
Professor emeritus politieke, hedendaagse geschiedenis en ere-rector VUB

Noten
1/ De Standaard, 5 april 2011; H. Balthazar, De socialisten hebben de Vlaamse problematiek veel te lang verkeerd ingeschat, in De Nieuwe Gemeenschap, maart-april-mei 2011, pp. 23-25.
2/ Dit overzicht in vooral gebaseerd op E. Witte, A. Meynen en J. Craeybeckx, Politieke geschiedenis van België van 1830 tot heden (Antwerpen, 2005); H. Van Velthoven, Waarheen met België ? Van taalstrijd tot communautaire conflicten (Brussel, 2011); Vooruitlopen op het Vlaamse socialisme. Vijfentwintig jaar Links (Leuven, 1984); op de desbetreffende lemmata in de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging(Tielt, 1998); op de biografieën of memoires van C.Huysmans, H. Vos, H. Fayat, L. Craeybeckx, A. Vranckx, P. Vermeylen, K. Van Miert, N. De Batselier en F. Willockx ; op de politieke jaaroverzichten in Res Publica en de aan de socialistische partij(en) gewijde Courriers hebdomadaires van de CRISP; op recente interviews of bijdragen van vooraanstaande socialisten in De Standaard, De Morgen, Knack en Samenleving en politiek.

sp.a - staatshervorming - regionalisering

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 8 (oktober), pagina 13 tot 23