Abonneer Log in

Hoe 'traditioneel' zijn socialistische kiezers?

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 8 (oktober), pagina 32 tot 39

In dit onderzoek nemen we het Vlaamse en Waalse socialistisch kiespubliek onder de loep. We focussen daarbij op de traditionele achtergrondkenmerken van socialistische kiezers en op stemmotieven of houdingen die in de literatuur geassocieerd worden met een socialistische stem. Enerzijds onderzoeken we de impact van traditionele socio-structurele kenmerken en van een voorkeur voor een grotere overheidsinterventie of meer invloed voor de vakbond. Anderzijds bekijken we ook de rol van meer moderne thema’s als migratie en ethische vrijheden.

In de literatuur vinden we verschillende referenties dat het klassengebonden stemgedrag aan relevantie verloren heeft. Er is dan ook een zoektocht gestart naar hoe dit vacuüm is opgevuld of opgevuld kan worden. In de wetenschappelijke literatuur worden verschillende verklaringen naar voor geschoven. Centraal hierin staat het zogenaamde issue voting en het daaraan verwante issue ownership. Het idee dat hierachter schuilt is dat partijen en (door de personalisering van de politiek ook) individuele politici worden geassocieerd met bepaalde thema’s. Doordat de identificatie met een bepaalde klasse of achterban is vervaagd en het belang van religie in de politiek sterk is afgenomen, wordt de verklaring voor een socialistische stem meer gezocht bij partijstandpunten over belangrijke en relevante thema’s.

Door de daling in het klassengebonden stemgedrag, d.w.z. van de arbeidersstem voor de socialistische partij, en de nieuwe aantrekkingskracht van de socialistische partijen voor de middenklasse, worden socialistische partijen vaak gezien als partijen in spagaat. De socialistische partijen hebben, om beide kiespublieken aan te spreken, een ideologische spreidstand nodig. Daarnaast duidt ook de aantrekkingskracht die rechtse, populistische partijen op de arbeidersklasse uitoefenen op het tanende belang van het klassengebonden en socio-economische stemgedrag.1 In vele landen dienen socialistische partijen langs twee kanten in concurrentie te treden. Aan de rechterzijde trekken arbeiders naar populistische partijen, terwijl postmaterialistische kiezers naar de links-liberale en groene partijen lonken. Ook in België is deze problematiek terug te vinden.

Recent werd deze trend als problematisch voorgesteld door Erik De Bruyn (Rood!).2 De Bruyn leverde kritiek op het feit dat hoger opgeleiden aan de macht zijn binnen de sp.a en niets meer doen om de belangen van de arbeiders te beschermen. De sp.a-leiding is meegestapt in een liberaal verhaal en is verankerd in het centrum. De Bruyn pleit daarom voor een loftsocialisme, waarbij het socialisme heerst in de lofts en niet omgekeerd.3 Het is dus duidelijk dat de spagaatproblematiek, de ideologische twijfels en het probleem van de electorale zwaktes de traditionele verankering aantasten en een krachtige partijlijn in de weg lijken te staan.

Klassengebonden stemgedrag is de afgelopen decennia steeds minder belangrijk geworden. Volgens de logica van issue voting is het niet zozeer de positie binnen een sociale klasse, maar veeleer de standpunten van kiezers op bepaalde thema’s die hun stemgedrag bepaalt. Traditioneel gezien draait de kern van de socialistische partijen om socio-economische thema’s. Dit lijkt enigszins problematisch gezien de verschuiving naar onder meer postmaterialistisch en socio-cultureel stemgedrag. Toch is dit niet helemaal waar. Een recente publicatie van Walgrave en De Swert4 toont aan dat ook andere thema’s, zoals drugsbeleid, euthanasie en mobiliteit, geassocieerd worden met de socialistische partijen. We gaan hieronder in op drie belangrijke stemmotieven voor socialistische partijen: socio-economische items, ethische thema’s en migratie.

SOCIO-ECONOMISCHE THEMA’S

Traditionele socialistische thema’s hebben doorgaans te maken met de sociale zekerheid, en de greep van de overheid op de markt. Voor een politieke partij zijn de eigen thema’s uiteraard het belangrijkst, omdat deze tijdens de verkiezingsstrijd worden uitgespeeld om de eigen achterban te mobiliseren. Men kan als partij wel opschuiven naar het centrum, maar enkele thema’s en stellingen zullen steeds terugkomen omdat ze nu eenmaal fundamenteel zijn voor de partij. Aan Waalse kant argumenteert de socialistische partij zelfs dat ze niet zoveel is opgeschoven en nog steeds is gericht op de arbeidersklasse.5 Onderzoek toont bovendien aan dat de drie thema’s die door partijleden van sp.a als de belangrijkste worden gezien nog steeds socio-economisch zijn, namelijk werkgelegenheid, gezondheidszorg en pensioenen.6 Het verzet tegen privatisering, de steun voor vakbonden en het sociaal overleg en de tussenkomst van de overheid, zijn allen programmapunten die in een hedendaags politiek landschap relevant zijn en die de partij haar socialistisch ‘karakter’ geven.

De steun aan vakbonden is dan weer zeer verankerd in het verleden. In de recente geschiedenis stimuleerde de partij betogingen van arbeiders en stakingen door de vakbonden.7 Vandaag de dag is de positie van de vakbonden binnen de politiek minder duidelijk. Hoewel het ABVV nog steeds nauw verbonden is met de socialistische partij, zijn er de laatste jaren eveneens spanningen ontstaan.8 Iemand als Erik De Bruyn meent bijvoorbeeld dat vakbond en partij geen bondgenoten meer zijn in de strijd voor een socialistische staat.9

Een stem op een linkse partij blijft dus een stem voor een sterke sociale zekerheid. Bovendien is het ook een stem voor een sterke staat, waar het sociaal overleg een grote rol blijft spelen, de belangen van de werknemers worden beschermd en de staat de vrije markt beperkingen oplegt. Hoewel de teneur in de literatuur voor een groot stuk is dat deze partijidentificatie minder zal meespelen dan vroeger, verwachten we toch dat socialistische kiezers een uitgesproken links profiel hebben op deze thema’s.

ETHISCHE THEMA’S EN INDIVIDUELE VRIJHEDEN

Ethische thema’s en individuele vrijheden zijn thema’s waar er een meer positieve houding verwacht wordt van socialistische kiezers. Op het vlak van individuele vrijheden, waaronder het recht op abortus, legalisering van drugs en de mogelijkheid tot adoptie door holebi’s, wordt verwacht dat socialistische kiezers hier positiever tegenover staan dan de kiezers van andere partijen.10 Eerder onderzoek toont aan dat sp.a-kiezers er wel postmaterialistische ideeën op nahouden, maar dat de meesten toch meer belang hechten aan materialistische thema’s.11
Deze ethische thema’s kunnen bijzonder gevoelig van aard zijn en zijn persoonlijker dan economische thema’s. Het is dan ook zo dat sommige auteurs er op wijzen dat de partijtop hier intern losser optreedt en een stem op basis van de eigen overtuiging eerder gaan tolereren in plaats van de eigen partijlijn aan alle mandatarissen op te leggen.12 Ook onder het kiezerskorps wordt op dit vlak een grotere verdeeldheid verwacht. Het debat rond legalisering van drugs kan niet in de klassieke termen van economisch links en rechts worden bekeken. De versoepeling van de drugswet in België kwam er onder de paarse regering. Dit herbevestigt dat de traditionele dichotomie tussen links en rechts niet houdbaar is voor ethische kwesties en bepaalde maatschappelijke thema’s.13
Men kan dus verwachten dat het ethisch progressieve kamp in de meerderheid zal zijn binnen socialistische partijen. Daarnaast kan een groep kiezers eerder ethisch conservatief zijn, en het socio-economische laten primeren op de ethische thema’s.

MIGRATIE

Migratie is, mede door een stijging in het aantal immigranten, een belangrijk politiek thema geworden in de meeste West-Europese democratieën. Lipset14 beschreef reeds in de jaren 1960 hoe de arbeidersklasse zich op levensbeschouwelijke en maatschappelijke kwesties eerder aangetrokken voelde tot de rechterzijde. Aangezien de sociale breuklijn toen in de meeste landen veruit de belangrijkste was, bood de verdeeldheid tegenover die thema’s geen voedingsbodem voor een rechtse arbeidersklasse. Door het afkalven van het belang van socio-economische thema’s en de groei van een sterke middenklasse, is er bij de arbeidersklasse meer aandacht voor ideologische en maatschappelijke thema’s. De rechterzijde kan daarop inspelen en op die manier de arbeidersklasse naar zich toetrekken.

Socialistische partijen nemen in hun partijprogramma’s een duidelijk standpunt in voor de multiculturele samenleving. De PS, anderzijds, wenst over bepaalde problemen het debat beperkt te houden, in de hoop extreemrechts monddood te maken. De mandatarissen en partijtop getuigen duidelijk van een kosmopolitische visie, terwijl hun kiezersbasis eerder etnocentrisch denkt. Om die reden wordt migratie binnen de literatuur als een problematisch thema voor de socialistische partijen voorgesteld.15 Een groot deel van de basis staat sceptisch tegenover de multiculturele samenleving. Vaak wordt er gewezen op het feit dat een toestroom van immigranten de socio-economische positie van de autochtone arbeidersklasse in gevaar kan brengen, wat de negatieve houding ten opzicht van migratie verklaart.16

DE DATA: PARTIREP

De mate waarin deze drie thema’s een effect hebben op het al dan niet kiezen voor een socialistische partij, wordt geanalyseerd aan de hand van de PARTIREP-data (zie www.partirep.eu). Deze zijn het resultaat van een survey in drie golven voor de verkiezingen van juni 2009. Er wordt gebruik gemaakt van de eerste golf van deze data. De eerste bevraging kwam er tussen februari en april 2009. Deze dataverzameling gebeurde in opdracht van vier Belgische universiteiten, met name de Universiteit Antwerpen, de Vrije Universiteit Brussel, de Université Libre de Bruxelles en de Katholieke Universiteit Leuven. Er werden 2331 inwoners van Vlaanderen en Wallonië die stemgerechtigd waren voor de verkiezingen van 7 juni 2009 bevraagd. De bevraging beslaat verschillende domeinen uit het politieke landschap en handelt zowel over de verkiezingen van 2009, als over bredere onderwerpen zoals participatie, attitudes en politieke kennis.

ANALYSE

In de analyses (zie Tabel 1) zien we dat er relatief weinig demografische variabelen zijn die er toe doen: vrouwen en mannen zijn in gelijke mate geneigd om te zeggen dat ze voor een socialistische partij in Vlaanderen of Wallonië zouden stemmen. Het feit dat vrouwelijke politici bij sp.a veel zichtbaarder zijn, zoals voormalig voorzitster Caroline Gennez, maakt blijkbaar weinig uit voor de kiesintenties. Ook qua leeftijd zien we geen verschil: sp.a en PS slagen er in jongeren en ouderen in gelijke mate aan te trekken. Dit is voor de meeste Belgische partijen zo, met de uitzondering van Groen!, die een jonger, en CD&V, die een ouder publiek aanspreken.17 Wat wel verschilt, is de mate van religiositeit: sp.a-kiezers zijn minder vaak katholiek, en gaan minder vaak naar een eredienst dan kiezers van andere partijen. De PS-kiezers gaan ook minder vaak naar de erediensten, maar zijn niet minder vaak katholiek.

Tabel 1. Voorspellen van het socialistisch kiespubliek in Vlaanderen en Wallonië.

Verder controleerden we ook voor de sociaaleconomische status van de respondent: volgens het klassieke profiel verwachten we dat lager opgeleiden en arbeiders meer geneigd zijn om voor de socialistische partijen te stemmen. Dit wordt niet bevestigd aan Vlaamse zijde en slechts in beperkte mate aan de Waalse kant. De sp.a-kiezers worden in gelijke mate gerekruteerd bij de hogere klasse (industriëlen, zelfstandigen met meer dan zes werknemers, vrije beroepen, hoger kader en middenkader), de middenklasse (landbouwers, vaklui, zelfstandigen met minder dan zes werknemers, kantoor- en andere bedienden die niet behoren tot het middenkader), de arbeiders en ‘niet-actieven’ (gepensioneerden, werklozen, studenten, etcetera). Ook voor opleidingsniveau vinden we hier geen verschil. Aan Waalse zijde is er ook geen verschil voor klasse, maar wel voor opleidingsniveau. PS-kiezers zijn vaker lager opgeleid dan kiezers van andere partijen. Op zich hoeft het geen probleem te zijn dat de socialistische partijen zich niet of minder exclusief op de arbeiders en lager opgeleiden richten, zoals sommigen durven beweren: het leidt tot een groter kiezerspotentieel. Aan de andere kant moeten partijen zich dan wel op andere vlakken profileren, zodat ze toch een duidelijk kiezerspubliek kunnen aanspreken. Tabel 1 toont verder nog dat socialistische kiezers niet vaker een groot gezin hebben dan gemiddeld. Ten slotte zien we wel dat socialistische kiezers zich meer links positioneren dan de andere kiezers, in Wallonië nog iets sterker dan Vlaanderen. Het is echter onduidelijk hoe zij dit definiëren, maar links en rechts blijken wel duidelijk aanknopingspunten voor het kiezerspubliek.

Wat de houdingen betreft, zijn de verschillen tussen socialistische kiezers en niet-socialistische kiezers groter, alsook tussen sp.a en PS. In tegenstelling tot wat we verwachtten zijn socialistische kiezers niet voor meer overheidsingrepen (‘De post moet niet geprivatiseerd worden’ en ‘De overheid moet een grotere rol spelen in de economie’). De vakbond, daarentegen, moet wel meer macht krijgen (‘De vakbonden moeten meer invloed hebben op de grotere economische beslissingen’). Dit effect blijft in Wallonië als we het lidmaatschap van de vakbond in rekening brengen, maar dit lidmaatschap op zich is niet significant. In Vlaanderen verdwijnt dit effect na toevoeging van het vakbondslidmaatschap, en zijn de sp.a-kiezers iets vaker lid van een vakbond (1.637\*, zelfde model als Tabel 1). In Wallonië pleiten PS-kiezers dus voor meer invloed van de vakbond, in Vlaanderen zijn de sp.a kiezers vaker lid van een vakbond (in vergelijking met andere kiezers).

Als we dan naar de houding tegenover migratie kijken, dan zien we dat sp.a kiezers meer pro-migratie zijn dan andere Vlamingen (‘België moet zijn grenzen open houden voor migratie’, ‘Het is normaal dat vreemdelingen die hier vijf jaar of langer verblijven ook gemeentelijk stemrecht hebben’ en ‘Immigratie draagt bij tot de welvaart van ons land’). Bij de Waalse kiezers zien we geen verschillen. Hier is dus ook een duidelijk verschil tussen beide landsdelen. Voor ethische vrijheden zien we de omgekeerde beweging: terwijl sp.a kiezers niet afwijken van het Vlaamse gemiddelde, zijn Waalse kiezers ethisch conservatiever (‘Een vrouw moet voor abortus kunnen kiezen’, ‘Het drugsbeleid moet worden versoepeld’, ‘Het is normaal dat homoseksuele en lesbische koppels het recht hebben om kinderen te adopteren’). Op zich is dat wel verrassend aangezien beide partijen aan de wieg van het homohuwelijk staan in België. De analyse toont dat de kiezers van de Vlaamse socialisten een meer progressieve houding hebben op een aantal postmaterialistische thema’s. Bij de Franstalige socialisten, daarentegen, zijn de kiezers net meer conservatief.

CONCLUSIE

Deze studie had als doel om het kiesprofiel van de socialistische kiezers in België te analyseren. Er werd vertrokken vanuit de vaststelling dat een traditionele visie op socialistische kiezers steeds meer onder druk komt te staan. De link tussen arbeiders en socialistische partijen is niet langer vanzelfsprekend. Het postmaterialisme, zoals beschreven door Inglehart19, wordt gezien als een belangrijke verklaring voor het tanende belang van klasse. We zagen ook dat postmaterialisme maar de helft van het verhaal is. Aan de andere kant duiken ook socio-culturele motieven op, zoals migratie. Dit is de reden waarom er in de studie veel aandacht wordt besteed aan issue voting, waarbij we focussen op de positie van kiezers op die specifieke thema’s. Deze thema’s werden opgedeeld in verschillende subgroepen. De eerste hadden te maken met het socio-economische, de tweede met individuele vrijheden en de derde met migratie.

We zijn dus vertrokken vanuit het idee dat klassengebonden stemgedrag tanende was en dat dit vervangen is door het opkomend belang van nieuwe thema’s. We kunnen stellen dat deze studie hier geen eenduidig antwoord op biedt. In Vlaanderen kan men bijvoorbeeld niet meer spreken van een arbeiderspartij, al blijft het socio-economische wel belangrijk. Toch zien we hier migratie en ethische vrijheden opduiken als thema’s die ook belangrijk worden gevonden. Aan Waalse zijde kan er wel nog gesproken worden van een traditionele arbeiderspartij en daar blijft ook het socio-economische een belangrijk stemmotief.

Langs Vlaamse kant zien we niet meteen verrassingen. Het vrijzinnige karakter van het kieskorps blijft een belangrijk iets, maar noch de klasse noch de opleiding speelt echt een cruciale rol. De socialistische partij is, zoals ook vele andere studies al enkele jaren zeggen, al lang geen arbeiderspartij meer. Dit wil niet zeggen dat de core business, het socio-economische, niet meer belangrijk is, alleen moet men dit nu koppelen aan een ander doelpubliek, dat ook de postmaterialistische thema’s belangrijk vindt. Mogelijk heeft het voorbije voorzitterschap van Caroline Gennez de balans te sterk doen doorslaan naar de postmaterialistische kant en is het economische luik uit het oog verloren. Het ongenoegen daarover binnen de partij uitte zich in de exit van Erik De Bruyn. Het kan zijn dat het grootste deel van de arbeiders de partij de rug hebben toegekeerd, maar zij die zijn overgebleven behouden wel het rode profiel, net als de middenklassers die nu het grootste deel van het kieskorps uitmaken. Nieuwbakken voorzitter Bruno Tobback zal dus niet enkel moeten focussen op een betere en geloofwaardigere communicatie, maar moet zich zeker ook bezighouden met een hernieuwing van de socialistische ideologie en het zoeken naar een evenwicht tussen nieuwe en traditionele kiezers om beide groepen aan boord te houden.

Aan Waalse zijde duiken er wel meer traditionele elementen op, hoewel ook PS niet meer de arbeiderspartij van weleer is. Het postmaterialistische profiel komt nog niet voor onder de kiezers, hoewel ook de PS zich op dit vlak probeert te profileren, wat duidelijk was tijdens de acht jaren Paarsgroen en Paars. Uit deze analyse wordt niet meteen duidelijk waarom de PS zich electoraal wel kan handhaven en de sp.a niet. Misschien is het wel zo dat het linkse kieskorps in Wallonië niet moet hebben van het postmaterialistische Ecolo en dat de lager opgeleiden, die ethisch-conservatief zijn en niet al te happig op de multiculturele samenleving, geen rechts of extreemrechts alternatief hebben.

Hoe dan ook is er een merkbaar verschil tussen de Vlaamse en de Waalse socialisten, terwijl dit veel minder het geval is voor hun respectievelijk kiespubliek. Dat de PS allerhande schandalen zonder enige moeite electoraal kan overleven, terwijl de sp.a in vrije val blijft moet een andere verklaring hebben. Toch maakt dit duidelijk dat men moet trachten zowel te appelleren aan de arbeidersklasse als de middenklasse, maar de eigenheid en het profiel op het vlak van de core business, het socio-economische, zal moeten verscherpen. In tijden van sloganeske politiek en kortetermijndenken is het aan links om na te denken over de lange termijn, radicaal te durven herbronnen en weg te gaan van het door de media aangevuurde moddergooien. Vlaanderen heeft nood aan een socialistische partij met toekomstvisie, en bijgevolg een toekomst.

Ellen Quintelier, Jeroen Verhelst en Ruth Dassonneville
Centrum voor Politicologie, K.U.Leuven

Noten
1/ B. Wauters, ‘Blauwe kielen zonder rode vanen? De veranderende vertegenwoordiging van de arbeidersklasse in de Kamer’, Gezien, gehoord, vertegenwoordigd?: Diversiteit in de Belgische politiek, K. Celis, P. Meier en B. Wauters (ed.), Gent, 2010, pp. 86-87.
2/ E. De Bruyn, Rooddruk voor een nieuw socialisme, Berchem, 2009.
3/ E. De Bruyn, ‘Dossier: Populisme - Pleidooi voor loftsocialisme’, Rekto-Verso, p. 32, 2008.
4/ S. Walgrave en K. De Swert, ‘Where does Issue Ownership Come From? From the Party or from the Media? Issue-Party Identifications in Belgium, 1991-2005’, The Harvard International Journal of Press/Politics, 12(37), 2007, pp. 44-45.
5/ M. Dechamps, S. Noirhomme en J-P. Robinet, ‘Pistes pédagogiques’, clivages et partis, 2008, 135 p.
6/ K. Abts en P. Vander Weyden, De basis spreekt: Onderzoek naar de leden, mandatarissen en kiezers van sp.a, 2010, Leuven, p. 46.
7/ T. Boucké en C. Devos, ‘Socialisme, op zoek naar de maakbare samenleving’, p. 194.
8/ R. Van Cauwelaert, SP.A-ABVV: De definitieve breuk?, Knack, 23 januari 2009.
9/ E. De Bruyn, ‘Erik De Bruyn vraagt het woord op 1 mei’, 26 april 2011.
10/ K. Abts en P. Vander Weyden, Ibid., pp.79-81.
11/ C. Devos, H. Van Liefferinge en D. Verlet, Op het kruispunt van de politiek: Links en rechts in Vlaanderen, Gent, 2003, p. 13.
12/ R.S. Katz en P. Mair, How Parties Organize: Change and Adaption in Party Organizations in Western Democracies, 1994, p. 310.
13/ C. Devos, H. Van Liefferinge en D. Verlet, Ibid., p. 40.
14/ S.M. Lipset, Political Man: The Social Bases of Politics, New York, 1963.
15/ V. De Coorebyter, ‘Clivages et parties en Belgique’, CRISP, 2008, pp. 92-93.
16/ P. Burns en J.G. Gimpel, ‘Economic Insecurity, Prejudicial Stereotypes and Public opinion on Immigration Policy’, Political Science Quarterly, 115, pp. 201-225.
17/ E. Quintelier en M. Hooghe, ‘Verenigingen, lidmaatschap en kiesgedrag: is de verzuiling nu helemaal voorbij?’ In: Kris Deschouwer, Pascal Delwit, Marc Hooghe & Stefaan Walgrave (red.), De Stemmen van het Volk. Een analyse van het kiesgedrag in Vlaanderen en Wallonië op 7 juni 2009. Brussel: VUB Press, 2010, pp. 99-121.
18/ Een meer uitgebreide analyse is te vinden in Verhelst J., Socialistische partijen in België: Een analyse van sp.a - en PS-kiezers, Master thesis, Leuven.
19/ R. Inglehart, Culture Shift in Advanced Industrial Society, Princeton, 1990.

sp.a - PS - electoraat

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 8 (oktober), pagina 32 tot 39