Abonneer Log in

Is technocratisch ook democratisch?

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 10 (december), pagina 43 tot 49

Wie zich beperkt tot de massamedia voor zijn informatie hoort maar één mantra: regeringen van technocraten zijn een noodzakelijk kwaad, niet erg democratisch maar toch beter dan de chaos. Niet één stem die stelt dat hier een antidemocratische evolutie aan de gang is. Toch moet sociaal verzet zijn pijlen blijven richten op de verkozen parlementsleden en niet op die technocraten!

RECHTZETTING

Er bestaan nog heel wat misverstanden over de manier waarop regeringen werken in de Europese parlementaire democratieën. Dat het voor de gewone burger allemaal onduidelijk is, valt nog enigszins te begrijpen. Van journalisten wordt echter een minimale professionele kennis verwacht over de werking van de democratische instellingen.
Ministers worden in geen enkel Europees land ‘verkozen’. Integendeel, zij worden ‘benoemd’ door hun parlementen, meestal door goedkeuring van een regeringsverklaring door de eerste minister in het parlement. Berlusconi en Papandreou werden nooit ‘verkozen’ tot eerste minister. Dat zo stellen in de berichtgeving dient afgekeurd te worden, omdat het een verkeerde indruk geeft. Berlusconi en Papandreou werden wel ‘verkozen’, niet als minister, maar als parlementslid.

REGERINGEN ONTSTAAN ALTIJD UIT POLITIEKE ONDERHANDELINGEN, DAT IS NORMAAL!

In de meeste Europese landen ontstaan nieuwe regeringen op basis van de aangepaste politieke krachtsverhoudingen in het nieuw verkozen parlement.
In Zwitserland (geen EU-lidstaat) werkt dat anders. Daar nemen alle partijen boven een bepaald percentage altijd deel aan een ‘consensusregering’. In dat systeem worden ook afspraken gemaakt voor het jaarlijks alterneren van de functies van eerste minister en president tussen de partijen.
Ook in Groot-Brittannië werkt het anders. Dat land heeft geen proportioneel kiesstelsel, zodat de grootste partij - al heeft die nooit vijftig procent van de stemmen - er alleen een regering kan vormen. Dat dit systeem van permanent bestuur door de grootste minderheid niet openlijk wordt veroordeeld, is een schandvlek op de Europese gedachte. De huidige meerderheidscoalitie tussen de Conservatieven en de Liberaal-democraten is een uitzondering. Ze kon alleen maar lukken omdat deze partijen een identiek sociaaleconomisch programma hebben.
We staan er ondertussen nauwelijks bij stil dat regeringen van technocraten de regel zijn in de Verenigde Staten. De president benoemt zijn ministers persoonlijk. Ze vormen niet eens een regeringsploeg. De meeste Amerikanen hebben er geen benul van dat zij door technocraten worden bestuurd. Ze hebben nooit iets anders gekend.

TECHNOCRATISCHE MINISTERS WAREN OOIT DE REGEL

Uit de traditie van door de partijen onderhandelde regeringsmeerderheden is een andere traditie gegroeid. Het is bijna steeds de voorzitter van de grootste partij in de coalitie die eerste minister wordt en haast uitsluitend verkozen parlementsleden die lid van een regering worden. Deze praktijk is echter niet op een wettelijke verplichting gebaseerd. Ministers worden benoemd door het parlement (beëdiging door het staatshoofd is dikwijls een formele vereiste, de democratische legitimiteit komt echter altijd van het parlement). Ministers moeten dus helemaal geen verkozen politici zijn. Ze moeten wel worden aanvaard door een parlementaire meerderheid.

Wat nu een traditie is, was dat aanvankelijk niet. Tot voor de Eerste Wereldoorlog was het aanstellen van wat we nu ‘technocraten’ noemen de gewoonte, niet de uitzondering. Staatshoofden (al dan niet verkozen) zochten zelf kandidaat-ministers, waarbij ‘competentie’ de voorrang had op populariteit. ‘Competentie’ moet je natuurlijk in de toenmalige maatschappelijke context zien. Een bankier, die de financiën van de staat in evenwicht bracht, was immers ook competent omdat hij dat deed door op een ‘efficiënte’ manier fabrieksstakingen voor betere arbeidsvoorwaarden de kop in te drukken. Electorale populariteit was dan dikwijls een element dat eerder tegen de betrokkene pleitte om voor een mandaat van minister in aanmerking te komen. Bovendien, tot aan de Eerste Wereldoorlog waren parlementsleden, met uitzondering van de socialisten, zelf allemaal bedrijfsleiders of steenrijke magnaten. Technocratische ministers werden door hen eerder als collega’s beschouwd.

Daar kwam een grote verandering in door het succes van de socialistische partijen in de Europese parlementen rond de eeuwwisseling, maar vooral door hun machtsdeelname na de Eerste Wereldoorlog. Deze partijen stonden uiteraard zeer wantrouwig tegenover bankiers en ondernemers in de regeringen, om evidente ideologische redenen. Zij kozen hun competente ministers liefst uit eigen rangen. Na de Tweede Wereldoorlog zijn externe technocraten eerder uitzonderingen geworden, hoewel ze nooit helemaal verdwenen zijn.

OOK IN BELGIË

Een nieuw fenomeen vanaf de jaren 1970 was het aanstellen van experten uit eigen rangen (bijvoorbeeld Jean-Luc Dehaene, Herman Van Rompuy), van de studiebureaus van de partijen (wat eveneens een nieuw fenomeen was) of van academici uit politiek bevriende universiteiten (vooral een fenomeen in landen als Oostenrijk, België, Nederland en Frankrijk, maar het deed zich in mindere mate in alle Europese landen voor; bijvoorbeeld Marc Eyskens).
Het Ministerie van Financiën en van Begroting werd na de oorlog een aantal keer door iemand uit de financiële sector waargenomen. Het Ministerie van Economie door iemand uit de bedrijfswereld of van werkgeversorganisaties. Soms zocht men het dus ook in eigen rangen. Onder meer de hierboven al vermelde Jean-Luc Dehaene en Marc Eyskens werden voor het eerst minister zonder ooit verkozen geweest te zijn. Daarna werden ze wel lijsttrekkers. Hun eerste mandaat werd dan de springplank voor hun politieke carrière. Meer recente voorbeelden zijn Vlaams minister-president Kris Peeters en Vlaams minister Philippe Muyters. Soms liep dat wel eens faliekant mis. Mieke Offeciers keerde in 1993 na amper één jaar als Minister van Begroting terug naar haar toenmalige werkgever, het Vlaams Economisch Verbond.

Hoewel af en toe ook wel buitenstaanders werden aangezocht door sociaaldemocratische partijen (bijvoorbeeld Patrick Janssens uit de reclamesector), meestal in een poging het electoraal potentieel te vergroten, zijn het toch vooral de conservatieve partijen geweest die regelmatig een beroep deden en doen op ‘externe expertise’. Dat is ook logisch. Conservatieve partijen vinden meer natuurlijk gelijkgestemde zielen in de bedrijfswereld dan progressieve partijen. Er zijn zeker uitzonderingen maar de maatschappelijke realiteit is nu eenmaal dat conservatieve partijen uit een veel grotere vijver kunnen vissen. Het economisch systeem is niet voor niets op hun maat gesneden.

WIJ ZIJN POLITIEK ‘ONAFHANKELIJK’ (LEES: ‘AARTSCONSERVATIEF’)

Die conservatieve technocraten stellen dan wel dat ze politiek neutraal, kleurloos of objectief zijn, of dat ze ‘boven de politiek’ staan, in feite betekent dat dus gewoon ‘aartsconservatief, elitair, antisociaal, repressief’. Je hoort hen ook beweren dat ze moeilijke, harde, moedige beslissingen gaan nemen, wat in gewone mensentaal betekent dat ze tegen de wil van de publieke opinie zullen ingaan.
Er is echter een wezenlijk verschil met wat nu gebeurt. Tot nu werden deze zogenaamde ‘technocraten’ door de politieke partijen zelf opgezocht en gecontacteerd, vanuit een politieke strategie van de partijen om bijvoorbeeld hun politiek profiel te verruimen, om expertise te verwerven. Daarbij maakten de partijen een evidente ideologische preselectie. Men zocht logischerwijze naar ‘technocraten’ die de politieke doelstellingen van de betrokken partijen deelden.
Ook al ging het dan over personen die minister werden zonder voorafgaand ‘verkozen’ geweest te zijn als parlementslid, toch hadden zij een democratische legitimiteit vanuit de electorale representativiteit van de partijen die hen ‘rekruteerden’. Deze technocraten kregen dus ook altijd een duidelijk partijlabel opgeplakt van zodra ze lid van een regering werden.
Dat is nu niet meer het geval. In Italië wordt resoluut gekozen voor een regering van technocraten die volledig ‘boven de politiek’ staan, lees ‘die antidemocratische beslissingen gaat nemen’. Maar zelfs deze regeringen bestaan enkel dankzij de goedkeuring van het verkozen parlement.

ONDEMOCRATISCH? HET HANGT ER MAAR VAN AF…

Zijn regeringen met technocraten dan democratisch? Ja en neen. Het hangt er maar van af hoe je het bekijkt. Ook een regering met technocraten moet de meerderheid van het verkozen parlement achter zich krijgen. Bovendien, het werk van een parlementslid - meerderheid en oppositie - is fundamenteel anders dan dat van een minister. Wetgevende en uitvoerende macht zijn niet voor niets gescheiden werelden. De scheiding der machten is een basisprincipe van de moderne democratie.
Zolang een regering de meerderheid van een verkozen parlement achter zich heeft, is er geen fundamenteel democratisch probleem, toch niet op het formele vlak. Als een dergelijke regering een beleid voert dat ingaat tegen de politieke beloftes van de voorgaande verkiezingen is dat wel een democratisch probleem voor de verkozenen, echter niet voor de betrokken technocraten.
Er stelt zich natuurlijk wel een fundamenteel probleem van legitimiteit wanneer partijen verworden tot slaafse volgers van de ‘markt’. In een land als de VS bijvoorbeeld kan je stellen dat alle vormelijke vereisten van parlementaire democratie zijn vervuld. De ‘markt’ heeft er echter wel voor gezorgd dat er geen partijen bestaan die opkomen voor de rechten van de gewone man (ze bestaan wel, maar zijn een verwaarloosbaar marginaal fenomeen).

EEN REGERING BEOORDEEL JE NIET OP ZIJN VORM MAAR OP ZIJN BELEID

Monti en Papadimos

Wat dan met de huidige regering geleid door technocraten in Italië? Die is inderdaad een gevaar voor de democratie, zowel voor Italië zelf als voor de rest van de EU. Hier wordt immers een nieuw precedent geschapen dat navolging zal krijgen, tenminste als de conservatieve partijen het voor het zeggen krijgen (wegens de politieke realiteit moet ik daar jammer genoeg ook de meeste sociaaldemocratische partijen bij rekenen).
De regering van bankier Mario Monti is voor elke rechtgeaarde mens onaanvaardbaar. Niet omdat ze uit technocraten bestaat, zelfs niet omdat Monti een bankier is. Ze is onaanvaardbaar omdat deze regering staat voor een beleid van ‘financiële stabilisering’, wat Orwelliaans is voor sociale afbraak en massale verschuiving van de risico’s naar de bevolking en van de winsten naar de privésector (of liever naar de grote bedrijven; voor de kleine zelfstandige wordt dit ook een ramp).
Het kabinet-Monti bestaat volledig uit ‘onafhankelijken’, een topdiplomaat, een topmilitair, academici, topindustriëlen en de leider van de aartsconservatieve katholieke Gemeenschap van Sant-Egidio. Allen delen ze een rechtse, reactionaire kijk op de maatschappij. Blijkbaar bezitten consumentenorganisaties, ngo’s, vakbonden, kortom organisaties van de civiele maatschappij onvoldoende expertise of onvoldoende politieke ‘neutraliteit’ om als ‘technocraten’ in aanmerking te komen.
Zij die nu moord en brand schreeuwen omdat dit een regering van technocraten en bankiers is, vergissen zich zeker niet van analyse maar wel van argumenten. Deze regering is een sociale ramp omwille van zijn ideologisch programma.
In de context van het ideologische debat over de regering-Monti is het uiteraard relevant om te kijken naar de antecedenten van deze man (en van zijn medeministers). Daaruit blijkt waar hij voor staat: brutaal kapitalisme op kosten van de bevolking.

De Griekse situatie is niet helemaal te vergelijken met de Italiaanse. Waar Monti onmiddellijk heeft aangedrongen op een regering van uitsluitend technocraten, heeft Lukas Papadimos net het omgekeerd gedaan en geijverd voor deelname van politici van links en rechts. Bovendien is de economische situatie van beide landen anders. Het zijn echter vooral de gelijkenissen tussen beide landen die ons moeten verontrusten.

De Trilateral Commission, een grote kapitalistische samenzwering?

Zowel de Italiaanse eerste minister Monti als zijn Griekse collega Papadimos zijn leden van de Trilateral Commission. Over deze organisatie lees je zelden iets in de media. Dat is nochtans niet omdat ze er niet van op de hoogte zouden zijn, zowat alle bazen van de grote Europese en Amerikaanse mediaconcerns zijn er immers lid van. Om het ontstaan van deze organisatie te begrijpen moet men vertrekken in 1921, bij de oprichting van de Council on Foreign Relations (CFR), een denktank die Amerikaanse captains of industry samenbracht en met de regering van de Amerikaanse president Roosevelt meewerkte voor een economisch ontwerp van de wereld na de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog kwam daar de Bilderberggroep bij. Dit losse samenwerkingsverband ontstond in 1954 omdat de Amerikaanse economische elite van de CFR vond dat ook de Europese elite er moest bij worden betrokken. Dat leidde in 1973 uiteindelijk tot de toevoeging van Japan, de ‘derde’ poot van de Trilateral Commission.

Er bestaan heel wat mythes over deze organisaties, als zouden ze een soort ‘schaduwregering’ van de wereld zijn. Samenzweringstheorieën zijn sinds 9/11 immens populair op internet. Die ‘theorieën’ halen nooit de elementaire regels van bewijsvoering. Deze organisaties ijveren inderdaad voor de belangen van de economische elites van de wereld. Daar is echter niets geheimzinnigs aan. Het zou ons eerder moeten verbazen als dergelijke overlegorganen niet zouden bestaan. Ze zijn wel discreet en weten zichzelf uit de media te houden.
Maar de Trilateral Commission heeft zelfs nog niet de moeite genomen om Mario Monti als hun Europees Voorzitter van de frontpagina van hun website te halen. Ik verdenk er de leden van die organisaties zelfs van dat ze zich verkneukelen in de onzin die over hen wordt geschreven. Dat moet ons echter niet minder onrustig maken over de intenties van Monti en Papadimos. Het zijn de ideologische keuzes, die men in deze organisaties bespreekt, waartegen de strijd zich moet richten. Deze personen delen de opinie van hun collega’s dat democratie best functioneert als de bevolking zich beperkt tot periodisch kiezen van een aantal gepreselecteerde vertegenwoordigers die men voor de rest hun ‘werk’ laat doen. Een van hun eerste allesbehalve geheime publicaties was The Crisis of Democracy. De analyse van de Trilateral Commission was dat er ‘te veel’ democratie was, dat ‘te veel’ burgers zich moeiden met de regering. Je kan het boek nog steeds kopen op Amazon.com.

Latijns-Amerika, jaren 1970, weet je nog?

Daar wringt dus het schoentje. Monti, Papadimos en konsoorten staan voor een democratie naar de vorm ontdaan van de inhoud, waar de burger alleen staat en elke collectieve organisatie machteloos is. Collectieve organisatie van de economische elite hoort in dat concept uiteraard wel oppermachtig te zijn. De sociale organisaties doen er goed aan Latijns-Amerika in de jaren 1970 te bestuderen. Daaruit kan je leren dat er een meer efficiënte manier bestaat om sociale emancipatie tegen te houden dan militaire dictatuur, namelijk een torenhoge schuldenlast voor de overheid creëren, de troeven van de staat voor een spotprijs van de hand doen en zo enorme winsten creëren voor de bedrijven (in feite gewoon geld van de overheid naar de bedrijven versassen).
Wat de regeringen Monti en Papadimos nu doen is er voor zorgen dat, zodra de burgers gaan reageren door terug voor progressieve krachten te stemmen, het geen verschil meer uitmaakt. De betrokken overheden zullen zo tot over hun oren in de schulden zitten dat er toch geen geld meer zal zijn voor sociale liflafjes.

TECHNOCRATEN ZIJN NU EENMAAL NOODZAKELIJK, TOCH?

Een ander mantra van de massamedia is dat technocraten nodig zijn om het puin te ruimen dat de politici - de ‘politiek’ - achterlieten. Er bestaat nochtans niet zoiets als ‘de politiek’, net zomin als ‘de politici’. Partijen hebben verschillende meningen, dragen andere verantwoordelijkheden in meerderheidscoalities of in de oppositie.
De parlementaire democratie is verre van efficiënt. Overleg gaat traag en levert onduidelijke resultaten. Besluitvorming laat lang op zich wachten. Maar is dat zo abnormaal? Zijn snel genomen beslissingen zonder overleg beter? De geschiedenis levert daar geen bewijzen voor.
Wat men parlementaire democratieën ook kan verwijten (dikwijls terecht), ze hebben wel altijd de legitimatie van de kiezer. Dat is altijd beter dan een regering van technocraten. Dat de massamedia de huidige evolutie nu zo schaapachtig promoten als ‘de oplossing’, is de mensen een rad voor de ogen draaien. De oplossing die de regering-Monti te bieden heeft, is slechts een ‘oplossing’ voor bepaalde sectoren en personen in de Italiaanse maatschappij, niet voor de gewone Italiaan. Idem dito voor de Griekse regering.

SOCIALE ACTIE BLIJFT RELEVANT

Een bekend argument van parlementsleden is dat ze de druk voelen van de ‘markten’ om hun instemming te geven met deze technocratische regeringen omdat anders de chaos zou heersen. Is dat zo? Chaos voor wie? Een ander argument is ook dat de EU-lidstaten stabiliteit nodig hebben. Dat is ook wat de Italiaanse eerste minister Monti predikt. Stabiliteit voor wie? De stabiliteit van een pensioen dat onvoldoende is om je basisbehoeften te voldoen of de stabiliteit van de kwartaalopbrengsten van de grote banken? De stabiliteit van lage, in de tijd beperkte (of geen) werkloosheidsuitkeringen of van lage, in de tijd onbeperkte (of geen) vermogensbelastingen?

ALLEEN MEER DEMOCRATIE BIEDT EEN OPLOSSING

De enige oplossing komt van ‘meer democratie’, iets wat we van deze bankiers-technocraten niet moeten verwachten. De huidige evolutie is niet meer of niet minder dan een poging om de parlementaire democratie van zijn inhoud te ontdoen, de vorm te behouden maar er een lege doos van maken, vrije verkiezingen voor een parlement dat niets te zeggen heeft. Dit kadert in een strategie om een ander beleid door progressieve politieke meerderheden voor tientallen jaren onmogelijk te maken.

Nochtans, als democratisch project is het neoliberalisme mislukt. Het kan nergens bogen op de instemming van de bevolking. Daarom ook het ideologische belang dat rechtse partijen hechten aan die grote overheidsschulden. Zo maakt men de sociale eisen van de toekomst onmogelijk. Een van de grote verwezenlijkingen van de naoorlogse sociale strijd is dat vandaag geen enkele politieke partij het zich nog kan veroorloven om openlijk voor antisociale ideeën op te komen. Dat moet nu omfloerst gedaan worden: ‘toch jammer van die mooie programma’s waar we echt achter staan, maar er is geen geld meer. We kunnen niet anders.’ Dit soort taal wordt eigenlijk al een tijd gebruikt. Men heeft het dan graag over ‘sociale misbruiken’, ‘profiteurs’. Massale belastingsfraude is uiteraard nooit een sociaal misbruik.
Sociaal protest heeft niets van zijn historische relevantie verloren. Het is essentieel dat de protesten zich blijven richten op de verkozenen. Zij geven de steun zonder dewelke Monti en konsoorten niet kunnen regeren. Zij moeten de boodschap krijgen dat zij bij de volgende verkiezingen de rekening gepresenteerd zullen krijgen. Het is de enige druk die politici verstaan (hier geldt de veralgemening ‘politici’ wel). Aan de progressieve krachten de taak om er voor te zorgen dat die terechte volkswoede zich niet vertaalt in een stem voor rechtse populistische partijen.

Lode Vanoost
Voormalig volksvertegenwoordiger (1995-2003) voor Groen! en essayist.

Noot
Sinds 2004 is Vanoost niet meer politiek actief en ook geen lid van een partij. Dit is een persoonlijk standpunt. Dit stuk is een uitgebreide versie van een bij www.dewereldmorgen.be verschenen artikel: Technocraten aan de macht ondemocratisch? Niet noodzakelijk.

technocratie - financiële crisis - Italië

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 10 (december), pagina 43 tot 49