Abonneer Log in

De traditionele Belgische compromiskunst op het spel?

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 1 (januari), pagina 4 tot 11

Het jaar 2011 was enerzijds een politiek annus horribilis, anderzijds ook het jaar waarin het Belgisch model nog steeds in staat bleek om, ondanks alles en in heel moeilijke omstandigheden, traditionele compromissen te sluiten. Zo werd 2011 niet enkel het jaar van de wanhoop en de impasse, maar ook van de hoop en de doorbraak. Vele honderden dagen lang werd luidop betwijfeld of politici überhaupt nog een uitweg uit de patstelling konden vinden. Was Plan B dan niet onvermijdelijk? Neen, zo bleek. Het kan nog, een klassiek Belgisch akkoord. Maar daarmee is geenszins duidelijk of het einde van de klassieke compromispolitiek voor altijd vermeden is. In een helikoptervlucht overschouwen we aan het begin van een nieuw jaar de politieke uitdagingen die ons en de traditionele Belgische politiek wachten, in de lange aanloop naar 2014. Met bijzondere aandacht voor het conflictbeheer in onze moeilijke federatie.

DONNANT-DONNANT’, VOOR HOE LANG NOG?

Het is niet omdat er een akkoord en regering is, dat de problemen waarmee de vaderlandse politiek kampt ook verdwenen zijn. De vraag is zelfs of ze net door die klassieke uitweg niet bestendigd werden. Of de remedie de kwaal niet heeft versterkt. De tijdelijke redding van de Belgische architectuur, door jonge voorzitters, die oude technieken à la ‘donnant-donnant’ gebruikten, maakt misschien dat het de volgende keer op een andere manier zal moeten gebeuren, omdat het verzet tegen die oude methoden straks te luid klinkt. Maar zo ver zijn we nog niet.

Vanaf de nationale feestdag werd de basis gelegd voor de regeringsvorming. Eerst kwam N-VA buiten de formatie te staan, zonder twijfel hét cruciale kantelmoment na juni 2010. Later liet MR ook het FDF achter. Daarmee bleven de zes klassieke partijen, voor het communautaire aangevuld met de groenen, over om de staat te hervormen en een regering te vormen. Ze deden dat volgens alle klassieke Belgische ingrediënten van de traditionele compromiskunst. Inderdaad, sommige onderdelen van het institutionele of sociaaleconomische luik ogen relatief ingrijpend, schokkerig naar Belgische normen, maar het geheel is een zeer geleidelijke, ingewikkelde en met voorwaarden en nuances voorziene evolutie. Zelfs de ingrijpende begrotingsoperatie is, achteraf gezien, niet indrukwekkend structureel. Er werd overal wat geschuurd en geschaafd, maar er kwam geen ingrijpende verbouwing. Zo werden bijvoorbeeld vele kansen gemist om het (para)fiscaal stelsel te hervormen. De stopzetting van de fiscale stimulans voor ecologische verbouwingen is maar één illustratie van de wijze waarop Di Rupo I soms nogal gemakzuchtig en weinig duurzaam geld vindt. Iedereen was opgelucht toen er een regering verscheen, niemand was oprecht enthousiast dat het net deze regering was.

TRIPARTITES HEBBEN GESCHIEDENIS TEGEN

Deze tripartite heeft haar geschiedenis tegen. Daarmee verwijzen we niet enkel naar de vreselijke formatie, die onvermijdelijk in de kleren kroop. Deze regeringsvorming heeft sporen nagelaten. Er zijn zware woorden gevallen, zoals wel vaker bij de kabinetsopmaak, maar niemand kan de voorbije formatie als normaal bestempelen. Dat de geslagen wonden niet bloeden heeft veel te maken met de wittebroodsweken waarin ook deze regering even vertoeft, met de externe bedreigingen die de ploeg tot samenhang dwingt en vooral met de overvolle agenda die Di Rupo I in een halve legislatuur moet afwerken. Van bij het begin viel in Di Rupo I het ordewoord om weinig te communiceren, maar veel te doen. Zodat de kans op een verdelend woord beperkt wordt. Met de snelle pensioenhervorming eind 2011, in de niet evidente stijl van Van Quickenborne, kwam er een eerste test. De regering slaagde met glans, op een klein verwijt in de richting de pensioenminister na. Maar die vingerwijzing viel geweldig mee, gelet op de heisa die deze noodzakelijke maar al bij al klungelige hervorming had kunnen veroorzaken.

Niet enkel het recente verleden maakt velen bezorgd om het lot van Di Rupo I. Tripartites hebben nu eenmaal een slechte track record en dus ook de geschiedenis op lange termijn tegen. Die leert dat de recentste tripartites - Leburton (1973) en Martens III (1980) - niet lang standhielden, slechts voor een beperkte opdracht werden gevormd of slagkracht misten. In elk geval waren ze niet bestand tegen interne verdeeldheid. Deze voorgangers dateren inderdaad uit de politieke oudheid, en het waren toen moeilijke tijden. Maar dat zijn het vandaag ook. Meer dan ooit. Tripartites worden ook door wie ze vormt of er minister in is, als een kwestie van noodzaak, een laatste optie, als een regering van het verstand omschreven. Niet van het hart. Dat fluistert iedereen die Di Rupo I maakte of bevolkt. Het is een regering die de interne vrede niet kan afkopen, want daarvoor zijn er nu eenmaal geen centen meer. Verbondenheid vinden in de strijd tegen N-VA is dan weer slechts een tijdelijk afweermechanisme. Het is immers geen stabiel, structureel, positief bindmiddel. Geen blijk van geloof in het eigen kunnen of een eigen project. Zelf beter voor de dag willen komen door N-VA aan te vallen is bovendien een zwaktebod. Na enkele maanden wordt het defensief schieten op N-VA en hen uitdagen om dan maar hun alternatieven op tafel te gooien, gewoon vervelend. Zelfs indien dat onterecht is, zullen velen daarin een camouflage van interne twist zien. Fractieleider Patrick Dewael kan nog een keer zijn oratorische duivels ontbinden tegen N-VA, in de dorpsstraat is het applaus minder hoorbaar dan in de Kamer. Ja, N-VA moet in het debat uitgedaagd worden om dan maar het alternatief te laten zien, maar dat kan niet de eerste en laatste verdedigingslijn zijn. De fixatie op N-VA moet deze regering zo snel mogelijk verliezen. Wat dat betreft is ze niet meteen goed gestart.

N-VA VOOR DI RUPO (I) INZET VAN 2014

In de interessante reeks van De Standaard over de regeringsvorming van Di Rupo I, lezen we in de krant van 26 december 2011 dat de premier zelve, tijdens de allereerste ministerraad op 6 december 2011, de regeringspartijen heeft opgeroepen om alles te doen om hun Vlaamse partners de volgende verkiezingen te laten winnen. Di Rupo wil immers een verdere doorbraak van N-VA afblokken. Daarmee maakt Di Rupo N-VA meteen ook tot de inzet van de ‘moeder der verkiezingen’ van 2014. Een strategie die eerder in het gezicht van de traditionele partijen ontplofte. In de schaduw van de kerstboom werd het Sinterklaasgeschenk van Di Rupo voor N-VA op de cover gedrukt: in de stembusslag van 2014 gaat het tussen nog eens vijf jaar Di Rupo II, of iets anders. Wie dat laatste wil weet waar de knop zit: bij N-VA. Dat is een strategisch risico van formaat.

Het verbaast dat de immer voorzichtige Di Rupo zich tot zo’n uitspraken liet verleiden. Het is bijna ondenkbaar dat hij zo naïef was om te geloven dat zijn historische woorden nooit de beslotenheid van de ministerraad zouden verlaten. Het is dus dat Di Rupo wil dat het geweten is: in 2014 gaat om het Di Rupo II. Uiteraard zou het omgekeerde geweldig verbazen, namelijk dat een premier bij het begin van zijn regering aankondigt dat hij na de volgende verkiezingen liever met een andere ploeg aan de slag gaat. Maar dat Di Rupo bij de eerste samenkomsten zijn politiek-strategische inzet op die manier formuleert, maakt dat alles wat tussen nu en het voorjaar van 2014 passeert als een soort electorale test kan dienen.

Het gaat inderdaad niet enkel om het overleven van de regering Di Rupo. Het gaat om het overleven van de klassieke politieke partijen, toch aan Vlaamse kant, en daarmee van het Belgisch overlegmodel. Indien een van de klassieke partijen verder zou verschrompelen, dan kan een tripartite geen redding meer brengen. Het bindmiddel van Di Rupo I is dus niet zomaar anti-N-VA. De zes traditionele partijen zetten in op de redding van de partijpolitieke steunpilaren van het klassiek Belgisch compromismodel. In het verleden is er geen uitdager in geslaagd (niet de VU, niet Agalev/Groen!, niet Vlaams Blok/Belang of LDD) om te doen wat N-VA (vooralsnog één keer) wel kon: ze allemaal samen in het defensief dwingen.
‘Als dit mislukt, weet ik echt niet of we ooit nog een Belgische regering kunnen vormen’, zei een partijvoorzitter volgens diezelfde reeks in De Standaard. Het is misschien wat theatraal geformuleerd, maar deze uitspraak mist geen grond van waarheid. Als N-VA in 2014 de verkiezingen wint, en eventueel nog verder groeit, dan wordt het wel heel moeilijk om te beweren dat een regering met een federale meerderheid in de Kamer voldoende is, zelfs al heeft die er geen in de Nederlandstalige taalgroep. Dat is grondwettelijk perfect verdedigbaar, maar politiek zeer twijfelachtig. Bovendien zal die groei van N-VA van ergens komen: wat restjes LDD oprapen en misschien fors verder knabbelen aan Open Vld of CD&V.

Die eerste beweert wel om het programma van N-VA te realiseren, vooralsnog - maar het is nog geweldig vroeg - voelt Di Rupo I aan als een belastingsregering waar vooral de middenklasse de stijgende druk voelt. CD&V zet in op de realisatie van het communautaire programma, maar daar wachten in de uitvoering van het Vlinderakkoord nog veel valkuilen. Bovendien was N-VA slim genoeg om nog voor de inkt van het Vlinderakkoord helemaal droog was het geweer van schouder te veranderen: ja, BHV blijft een slechte deal en die bevoegdheidsverdeling gaat ook niet ver genoeg, de financieringswet is zelfs een ramp voor Vlaanderen. Maar wat veel belangrijker is, is dat het Belgisch model de Vlaamse welvaart hindert omdat het Vlaanderen te veel doet betalen. N-VA heeft snel de louter communautaire kwesties verlaten en die dimensie in verband gebracht met sociaaleconomische verschillen. Di Rupo I zal op beide fronten dus met N-VA rekening moeten houden. En daar botst de PS op haar eigen achterban, het FGTB en Ecolo en sp.a op Groen!. Ook als sp.a nog verder afkalft is een tripartite wel heel moeilijk te verdedigen. Dan zal Di Rupo I inderdaad lang in lopende zaken hangen, tot er een nieuw soort regering en een nieuwe soort regeringsvorming is afgerond.

In dat verband zijn de woorden van Kris Peeters sprekend. Die zei in De Standaard van 2 januari dat de zesde staatshervorming de laatste is volgens het klassieke overlegmodel. Die methode is voor de Minister-President tot op de draad versleten. Er is een nieuwe methode nodig. Dat kan via artikel 35 van de grondwet, waarbij de deelstaten beslissen wat ze nog samen federaal willen regelen, of via een andere manier met sterke inspraak voor de deelstaten. Velen in de Wetstraat delen de analyse van Peeters. Als er nog eens een communautaire ronde komt, en die komt er zeker, dan zal de procedure anders moeten zijn dan die die gevolgd werd om Di Rupo I te maken. Want daar is de rek nu helemaal uit. Veel te langdradig, met ellenlange discussies over details, en vooral veel te ingewikkeld met ondoorzichtigheid als resultaat. Bovendien is al het ‘laaghangend fruit’ zowat geplukt en raakt elke volgende staatshervorming nog meer het hart van de leftovers. Daar kwam het Vlinderakkoord een paar keer bij in de buurt, maar de Copernicaanse Omwenteling is er deze keer nog niet gekomen. Nog niet. De zesde hervorming bleef weg van de sociale zekerheid. Volgens nogal wat onderhandelaars is dat de laatste keer geweest. Vandaar dat ze in Franstalig België echt geen grap vertellen als ze met hun Plan B boven water komen.

MOEILIJKE TIJDEN, MAAR GEEN REDEN VOOR FATALISME

Maar er is geen reden voor fatalisme of defaitisme. Een oppositie is maar zo sterk als de regering zwak is. En het is voor N-VA niet eenvoudig om haar ijzer nog twee jaar gloeiend in het vuur te houden. Tenminste, als de federale regering een indruk nalaat dat ze ondanks alles toch nog goed bestuur bracht. En er dus eigenlijk minder redenen zijn dan in 2010 om op een alternatief te stemmen, waarvan de regeringspartijen dan nog eens proberen aan te tonen dat het een vrij radicaal alternatief is. N-VA zal in oktober 2012 de grote sprong voorwaarts brengen en haar lokale positie consolideren. Daarmee is ze straks wellicht de winnaar van de verkiezingen. Van de lokale verkiezingen. Velen zullen daarin een nationale opiniepeiling zien, maar eigenlijk is dat oneerlijk en fout. En zelfs dan nog heeft N-VA daar niet gek veel aan in juni 2014, in politieke termen een paar lichtjaren verder. Bovendien is de vraag hoe sterk het merk De Wever dan nog zal zijn. Deze intelligente politicus kent de valkuilen van de populariteit, maar daarmee zijn ze nog niet te ontwijken. Het volk, toch de pers, eet haar favorieten op. Als De Wever meedoet aan de kiesstrijd in Antwerpen en hij wordt burgemeester, dan is dat een job die moeilijk te combineren valt met Vlaams oppositieleider. Er zit nog volk bij N-VA, maar niemand die momenteel aan de enkels van de grote leider komt. Als De Wever de sjerp niet haalt kan dat een eerste nederlaagsmet op zijn winnaarblazoen zijn. En als hij weigert voor die sjerp te gaan zullen velen hem lafheid aanwrijven. Wie van antisocialisme een baseline maakt kan moeilijk die ultieme confrontatie in de grootste stad van Vlaanderen uit de weg gaan. Kortom: ook N-VA zelf moet in 2014 nog in goeden doen zijn, maar haar succes heeft ze minder in eigen handen. Dat ligt bij het falen of scoren van Di Rupo I.

Die staat voor moeilijke tijden. De eerste maanden worden zwaar. Omdat de begroting 2012 op te optimistische groeiverwachtingen is gebaseerd, moet in het voorjaar wellicht 1 à 2 miljard extra gevonden worden. In het beste scenario. Die komen bovenop de al pijnlijke maatregelen die eind vorig jaar genomen zijn en die velen, maar vooral de middengroepen en bedrijven die niet kunnen ontsnappen, treffen. Die extra maatregelen zullen ook de vakbonden zwaar vallen, die al in een verloren pensioenstrijd met de regering verwikkeld zijn. De sociale verkiezingen zal de syndicale ijver niet temperen, integendeel. In die strijd tegen de regering sukkelt alvast de christelijke arbeidersbeweging met de schande van ARCO, behoorlijk nefast voor de geloofwaardigheid. Dat Di Rupo I een klassieke tripartite is bleek toen ter compensatie van ARCO ook de kameraden geholpen werden met overheidssteun voor Ethias. Het is een praktijk waar de bewindslieden alleen schaamte voor mogen voelen.
De federale regering zal ook de botsing met de regionale, voorop de Vlaamse, voelen. Die komt er met de kaasschaafmethode niet meer en moet dus dieper snijden. Met dank aan de Gemeentelijke Holding en de tegenvallende economie. De Vlaamse regeringsploeg, met een federale oppositiepartij (N-VA) zonder veel glans, zal de federale regering niet bijspringen in haar miljardenzoektocht. Binnen het samenwerkingsfederalisme - dat trouwens zwaar getest zal worden bij de uitvoering van het Vlinderakkoord waarvoor nog zoveel akkoorden nodig zijn - zal dat voor fricties zorgen. Dat was al zo bij Leterme-Peeters, dat wordt zeker zo bij Di Rupo-Peeters. De federale regering heeft nog de kerncentrales op de menu staan, de automatische indexkoppeling (n.a.v. de studie die binnenkort verschijnt en de vraag van werkgevers om de loonkosten aan te pakken), de dure energieprijzen, enzovoort. Kortom, genoeg om over te discussiëren. En dan hebben we het nog niet over de uitvoering van de sociaaleconomische hervormingen (vakbonden en PS zullen die proberen uit te hollen in het kader van de implementatie voor mensen op de rand van hun pensioen) en van het Vlinderakkoord, waar nog veel splijtstof in zit. De splitsing van BHV zal er snel komen, vooral omwille van de financiële compensatie voor Brussel, maar de rest uitvoeren is een heikele klus waarvan velen zich afvragen of het in een legislatuur wel goed te doen is. Dus kan de Vlaamse regering niet voor eind 2014, dus pas bij de volgende legislatuur, echt beleid voeren met die nieuwe bevoegdheden. Het is niet evident om daar in de kiesstrijd van 2014 een groot pluspunt van te maken, wegens voor de myopische kiezer allemaal een beetje te academisch.

DE LANGE WEG NAAR 2014

Als Di Rupo I federale verkiezingen in oktober 2012 kan vermijden, en dat zal met een aan de zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het geval zijn, is het een rechte lijn naar 2014. Daarmee zijn alle zes partijen aan elkaar verbonden en tot elkaar veroordeeld, ook sp.a aan het beleid dat N-VA de wind uit de zeilen moet nemen. Als die zesde staatshervorming tegen 2014 goedgekeurd raakt nog voor ze effectief door de deelstaten uitgevoerd kan worden, dan is dat al heel wat en zal de zevende staatshervorming wellicht nog niet voor 2014 zijn: je begint niet aan een zevende vooraleer de zesde goed en wel opgestart is. Daardoor zouden de verkiezingen van 2014 wel eens niet of relatief weinig communautaire kunnen zijn. Voorwaarde is ook dat Wallonië de eigen problemen ernstig aanpakt en, vooral, dat Brussel toont dat ze uit de achterstelling wil geraken. Als beide Franstalige - Brussel is dat feitelijk, ondanks de Vlaamse veto-stem - deelstaten er niet in slagen om hun papieren in orde te krijgen zullen de regionale verschillen, die met Vlaamse middelen deels dichtgereden moeten worden, voor blijvende communautarisering zorgen, nog los van de discussies in de federale arena. En los van de blijvende Vlaamse vraag om hefbomen zoals de vennootschapsbelasting of een regionaal loonbeleid in handen te krijgen. Maar vooral ‘Brussel’ blijft een onophoudelijke bron van communautarisering.

Ook dat biedt kansen aan de tripartite om het eens over iets anders te laten gaan. Tenminste als het Vlinderakkoord helemaal en correct volgens de geest werd afgewerkt. Dan moet N-VA meer doen dan bij elke discussie op de communautaire dimensie wijzen. Dat weten ze bij N-VA, dat kunnen ze ook. En zo krijgt de kiezer in 2014 misschien nog een interessant debat te volgen, met ook een grote kans op gecoördineerde regeringsvorming (federale en regionale regeringen aan elkaar gelinkt). Dan kan de MR in Wallonië en Open Vld in Vlaanderen eindelijk in de regionale regering, waar ze al zo vaak om gevraagd, en zelfs gesmeekt hebben. Zo kunnen regeringen van ‘nationale eenheid’ op alle beleidsniveaus het vernieuwde België implementeren.

En als dat ooit zo ver komt, dan is dat grotendeels dankzij het grote succes van N-VA bij de parlementsverkiezingen van 2010 en de grote druk die daarvan uitging. Maar ook dankzij het absorptie- en adaptatievermogen van de klassieke partijen. Die werden eerder al Vlaamser en groener, en namen een deel van de agenda van het Vlaams Belang weg door forser over migratie te communiceren en te beslissen. Traag en gestaag, en nooit in die mate dat de originelen geen bestaansreden meer hebben. En zo werden de klassieke partijen allemaal wat meer centrum, socialer, vrij markt minded en met normen en waarden. Nu hebben vooral CD&V en Open Vld een deel van het N-VA programma in het regeerakkoord geduwd, niet omdat dat nu zo uitzonderlijk origineel N-VA was, maar vooral omdat een deel ervan nu eenmaal tot de common sense behoort.

Daarbij hebben vooral Beke en De Croo hun vel soms duur verkocht: Beke rond de nationale feestdag en tijdens het Vlinderakkoord, De Croo bij de begrotingsopmaak en sociaaleconomische hervormingen. Hoewel sp.a niet met schaamrood op de wangen uit deze formatie is gekomen, is het niet altijd even duidelijk waar de stempel van de kameraden op geschreven staat. Maar ook hier heeft de traditionele partij sp.a zich aangepast. In een trouwens veranderd politiek landschap: de grote voormalige zuilorganisaties hebben niet langer dezelfde mobiliserende kracht en keren zich soms tegen hun voormalige moederpartij. Hoewel de expertise van het ACW of ABVV nog altijd indrukwekkend is, zijn ze niet langer soulmates van de politici. Het ABVV draait niet langer de rug naar sp.a, zoals tijdens het Generatiepact, ze staan niet meer aan dezelfde ingangspoort. Dus moet sp.a, net als de rest, verder in een wijzigende wereld. Een waarin de klassieke partijen zich telkens opnieuw aanpassen, en finaal, op het einde van de rit, de steunpilaren blijven van de politieke besluitvorming. Met hun traditionele, Belgische, compromistechnieken. Die leveren een akkoord op, maar met partijen die allemaal samen nog niet de helft van de Vlaamse taalgroep vertegenwoordigen. Dat stemt tot nadenken.

MEER OP HET SPEL DAN DI RUPO II

Want het is dubbel. Er is immers ook een anderzijds. Er komen enerzijds akkoorden, een regering, beleid. Maar dat vindt voorlopig geen steun van een Vlaamse meerderheid. Hoe lang zijn dergelijke praktijken nog vol te houden? We weten meer in 2014.

In 2010 slaagde Dehaene er met zijn klassieke recepten rond Pasen niet in om een BHV-akkoord te maken, waarop Alexander De Croo er dan maar veelzeggend de befaamde stekker uit trok. Maar dat was daarmee niet het einde van de Belgische loodgieterij, zo weten we na het regeerakkoord Di Rupo I. Ook in het jaar waarin echt afscheid werd genomen van Jean-Luc Dehaene - namelijk toen in 2011 bleek dat hij als voormalig ACW’er geen superbankier was en dus ook hij Dexia niet kon redden - werd zijn methode nog grotendeels gevolgd. Al werden er strengere eisen aan het compromis gesteld. Maar, op het einde van 2011, dus op het einde van de formatie, voelden velen dat het zo niet verder kan. Dehaene knutselde ingewikkelde akkoorden in elkaar die een combinatie waren van expertise, netwerk en pure machtspolitiek. Vergezocht en creatief vernuft, een uitgebreid adressenboekje en kadaverdiscipline in een relatief stabiele en betrouwbare politieke setting als basisrecepten.
In een wijzigend landschap zijn die adressenboekjes vervangen door accounts. De toponderhandelaars kenden elkaar niet toen ze er aan begonnen en hadden geen diepe netwerken nodig om hun eisen te verwoorden. Bellen naar de bevriende zuildesk is om allerlei redenen moeilijker geworden. Spitsvondige ingewikkeldheid wordt al snel verdacht ondoorzichtig. Een akkoord wordt niet langer beoordeeld naar de mate waarin het op basis van dezelfde tekst tegenstrijdig kan worden uitgelegd. Bovendien beschikken de leiders niet meer over het gezag om hun deals zomaar door het strot van de achterban te rammen. Enzovoort. Zijn de tijden van Dehaene’s politiek voorbij, jaren nadat hij dat einde - wat te vroeg? - zelf had uitgeroepen? Dat moet bij de proof of the pudding nog blijken, in 2014.

Een sleutelvraag dan zal zijn: waar staat N-VA dan (nog)? N-VA is een anders-politieke, geen anti-politieke, partij en dat is een interessante positie. Ook dat zullen de klassieke partijen een beetje moeten overnemen. Dat wil zeggen: wat strengere eisen stellen aan het pragmatisme, het compromis niet omwille van het compromis verdedigen, af en toe een forse duw geven die de social piecemeal engineering overstijgt. Als ze ook die eigenschap kunnen aannemen, is niets verloren voor de traditionele partijen. Daarom zijn 2012 en 2013 zo cruciaal. Met een lichte overdrijving mag worden gesteld dat er meer op het spel staat dan Di Rupo I of N-VA, maar in zekere zin ook de manier waarop aan politiek kan worden gedaan.

Carl Devos
Redactielid Samenleving en politiek

GhIPS, Vakgroep Politieke Wetenschappen (UGent)

regeerakkoord - verkiezingen - Di Rupo I

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 1 (januari), pagina 4 tot 11