Abonneer Log in

Kurieren am Symptom

Brieven aan Di Rupo I

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 1 (januari), pagina 67 tot 70

Mijnheer de Minister van Pensioenen,
Geachte Vincent Van Quickenborne,
Beste huidige en toekomstige pensioenhervormers,

We kunnen ons vergissen, maar we denken dat u - en met u alle, vaak liberale, medeburgers voor wie gelijkgestelde periodes een spreekwoordelijke rode lap lijken - zich vergist. We zullen u trachten uit te leggen waarom we dat denken.

Er is al vaak, en recentelijk nog tijdens de regeringsonderhandelingen en de blitz-uitvoering van de pensioenmaatregelen uit het regeerakkoord, stevig geboomd over de ‘gelijkstellingen’, maar voor wie toch even niet heel precies meer weet waar het ten gronde om gaat, deze korte toelichting. In het algemeen ontstaan pensioenrechten door te werken, door loon te verdienen en bijdragen te betalen op dat loon. Nu kan het voorvallen dat men gedurende een periode niet werkt of kan werken. Dat levert dan in principe geen pensioen op, maar sommige van die niet-gewerkte periodes worden voor de pensioenberekening toch als een gewerkte periode gewaardeerd: ze worden ‘gelijk gesteld’ met een gewerkte periode. Verder moet men weten dat de hoogte van het pensioen hoofdzakelijk bepaald wordt door de hoogte van het loon dat men verdiende. Tijdens niet-gewerkte periodes is er natuurlijk geen loon, en daarom doen we, om het pensioen voor die gelijkgestelde periode te bepalen, alsof men de ganse tijd hetzelfde loon is blijven verdienen als het laatste verdiende loon. Ziedaar de techniek van de gelijkstelling.

Een gelijkstelling wijst dus op een eerdere inactiviteit. Ten gronde gaat dit debat dan ook over de vraag of, en zo ja hoe, de maatschappij eerdere periodes van inactiviteit valoriseert in de opbouw van pensioenrechten. Omwille van het tijdstip van de oorzaak (inactiviteit) en het gevolg (gelijkstelling) kan het hoogstens in afgeleide vorm ook over het al dan niet ontmoedigen van bepaalde periodes van inactiviteit gaan.

Men kan zich afvragen of inactiviteit op zich wel moet worden geproblematiseerd - de oude discussie of er een plicht tot werken is dan wel een recht op luiheid - maar dat zou ons te ver leiden. Onderliggend aan ons pensioenstelsel ligt alleszins een visie op werk als zijnde een plicht: wil men pensioen, dan moet men in de regel gewerkt hebben ... of men moet een verdomd goede reden hebben om niet te werken. In dat laatste geval bouwt men in het huidige stelsel immers ook pensioenrechten op, via de techniek van de gelijkstelling.1
Als ‘verdomd goede reden’ worden vooral ziekte, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid in rekening genomen, maar in beperkte mate ook zelfgekozen inactiviteit zoals tijdskrediet - brugpensioen is naargelang het geval eerder het ene, dan wel het andere. We gaan hierna in op werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, de conclusies voor andere vormen van onvrijwillige inactiviteit zijn analoog.

Niemand zal betwisten dat werkloosheid en arbeidsongeschiktheid in principe ‘verdomd goede redenen’ zijn om niet aan het werk te zijn. De vraag is echter of er ook in concreto sprake is van bijvoorbeeld werkloosheid, want het volstaat niet om niet te werken om werkloos zijn: men moet ook werk willen, actief werk zoeken en daadwerkelijk geen werk vinden. Iemand is pas officieel werkloos als aan die voorwaarden is voldaan. Dat betekent dat wie de gelijkstelling voor werkloosheid in vraag stelt, eigenlijk de waarachtigheid van het werkloos zijn - de realiteit van het werk willen, zoeken en niet vinden - betwist. Gegeven dat in dit land niet de Rijksdienst voor Pensioenen, maar andere overheidsdiensten (RVA, VDAB, ...) bevoegd zijn om de waarachtigheid van de werkloosheid te controleren, zeggen de pensioenverantwoordelijken met het in vraag stellen van de gelijkstelling niets minder dan dat die diensten hun werk niet doen.
Hetzelfde geldt voor arbeidsongeschiktheid. Er zijn artsen en administraties bevoegd voor het nagaan van de waarachtigheid van de ongeschiktheid. Ook hier is het niet aan de pensioenverantwoordelijken om dat te herevalueren of in vraag te stellen: tornen aan gelijkstellingen op dit vlak, is de competentie van de bevoegde diensten en minstens de deontologie van artsen contesteren.

Van twee dingen evenwel één. Ofwel is de kritiek op die administraties terecht - ze deden hun werk echt niet (goed), ze kwalificeerden iemand ten onrechte als werkloos of arbeidsongeschikt - en dan straft u door de gelijkstelling aan te pakken een gepensioneerde voor een fout, een falen van die administraties, en dit dan nog op een moment dat die gepensioneerde daar niets meer aan kan veranderen.
Is daarentegen de kritiek niet terecht (handelden die administraties correct en beoordeelden ze iemand terecht als werkloos of arbeidsongeschikt), lijkt het u dan billijk om die gepensioneerde - die destijds dus echt geen werk vond, die we ook via arbeidsbemiddeling niet aan werk konden helpen, of die destijds echt medisch niet in staat was om te werken - jaren nadien, tijdens zijn pensioen, daar voor te straffen (straffen is misschien niet eens een juist woord, vermits je in het strafrecht in principe niet kan worden veroordeeld voor zaken waar je geen schuld aan hebt)?

En lijkt u, in het licht daarvan, de maatregel om de 3de periode van werkloosheid ‘slechter’ gelijk te stellen ook niet vreemd? Als men oordeelt dat de administraties slecht werken, en dat er dus redenen zijn om aan te nemen dat de werkloosheid geen echte, legitieme werkloosheid was, waarom dan wachten tot die 3de periode om in te grijpen? Waarom zelfs überhaupt wachten tot het pensioen?! In het andere geval, als alles wel goed werkt, en dus mag worden aangenomen dat de werkloze echt werkloos was, waarom dan die 3de periode slechter gelijkstellen? Vindt u misschien dat iemand minder echt werkloos wordt als het echt niet vinden van werk langer blijft duren?

Men zal tegenwerpen dat het regeerakkoord in casu niet het gelijkstellen als dusdanig beoogt. De 3de periode blijft immers gelijkgesteld, men past enkel het referentieloon aan op basis waarvan de pensioenrechten voor die periode zullen worden berekend (in plaats van het laatst verdiende loon komt nu een veel lager bedrag). Alsof dat het rechtvaardiger maakt. Alsof werkloosheid een gunst is en geen beproeving. ‘In our society it is murder, psychologically, to deprive a man of a job or an income’.2 Vanuit dat perspectief is volwaardige gelijkstelling, aan het laatst verdiende loon, het minste wat een maatschappij moet garanderen. Ook meer down to earth blijkt het een betwistbare maatregel: door afgesneden te zijn van werk, verliest men (tijdelijk) de mogelijkheid om verder een deftig inkomen (en bijhorende pensioenrechten) te verwerven. Men verliest verder ook de (kans op) toekomende loonsstijgingen. In dat opzicht - we hebben het hier over onvrijwillige inactiviteit! - is het bevriezen van de inkomenssituatie zoals ze was vóór men het werk verloor, al was het maar op het vlak van de pensioenberekening, een minimum.

Alsof dit nog niet volstaat, worden de gelijkstellingen ook met een andere, nog cynischere logica bestreden. Het luidt dan dat door inactiviteit - waar de werkloze en arbeidsongeschikte bij goed werkende controle-instanties tot nader order slachtoffer van is - qua pensioen ongunstiger te behandelen (o.a. door de pensioenrechten op een lager fictief loon te berekenen), de betrokkene aangespoord zou worden om toch te werken.

In alle ernst: wie dat gelooft moet wel in meerdere kerken een reguliere bezoeker zijn. Ten eerste veronderstelt dit dat iemand die echt werk wil, echt zoekt en echt niets vindt, door die slechtere gelijkstelling nog echter gaat willen, nog echter gaat zoeken en plots wél gaat vinden. En dat de arbeidsongeschikte plots weer zal kunnen werken. Bovendien moet men geloven dat zo een wonderbaarlijk effect nu, onmiddellijk, zal optreden als gevolg - of beter: als voorspel - van iets dat eventueel pas 30 jaar later, bij pensionering, zal gebeuren. Merk op dat ook hier weer de werking van de werkloosheids- en arbeidsbemiddelingsdiensten in vraag wordt gesteld: blijkbaar doen zij hun werk niet goed en zijn er maatregelen in Godbetert de pensioenberekening nodig om dat recht te zetten.
Gelijkstellingen problematiseren en afbouwen getuigt dus niet van veel inzicht: u bestraft overmacht en de kans dat u daarmee de arbeidsmarkt (fundamenteel) bijstuurt is onbestaande. Dit onderwerp verdient een beter discours. Wanneer reële overmachtsituaties de betrokkene een kans op pensioenopbouw via werk en loon ontnemen, dan past het een humaan hoogstaande maatschappij daar solidair in bij te springen.

Dat hier in dezelfde adem een pleidooi voor performante, correct werkende, streng controlerende werkloosheids- en invaliditeitsadministraties aan gekoppeld moet worden, is evident. Gelijkstellingen vinden slechts een draagvlak als we er van op aan kunnen dat wanneer de bevoegde instanties iemand die ‘verdomd goede reden’ toeschrijven, er geen twijfel over kan bestaan dat dit ook echt zo is. Een pleidooi vóór gelijkstellingen gaat dus van nature hand in hand met een pleidooi voor doeltreffende controles op werkzoekgedrag, met strenge en correcte medische controles, etc. Zo niet spreidt men het bedje voor hen die de gelijkstellingen onderuit wil halen.

Anderzijds spreekt het net zo voor zich dat gelijkstellingen afbouwen wezenlijk onrechtvaardig is: men straft wie aan het werk wil maar er geen vindt of het om medische redenen niet kan; men breekt hoogstaande solidariteitsmechanismen af onder het mom van activering, zonder enige reële impact op de activiteit van een persoon. En het is een gemakkelijkheidsoplossing: minstens zo erg als het aanpakken van de 3de periode is immers het feit dat wij er niet in slagen mensen naar werk te geleiden voor ze in die 3de periode terechtkomen, dat onze arbeidsmarkt bepaalde mensen niet meer wil. De (ondertussen gepensioneerde) werkloze is dan de sitting duck, en de complexere oorzaken blijven ongemoeid.

Met vriendelijke groet,

Steven Janssen
Algemeen-directeur Sigedis vzw en voormalig sp.a-kabinetschef
(De auteur schrijft de bijdrage in eigen naam)
Arne Schollaert
Directeur studiedienst sp.a en redactielid Samenleving en politiek

Noten
1/ Een andere uitzondering op de ‘je moet werken’-regel zijn de afgeleide rechten (bijvoorbeeld overlevingspensioen).
2/ Coretta Scott King (1983), The Words of Martin Luther King, Jr., p.45.

regeerakkoord - pensioen

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 1 (januari), pagina 67 tot 70