Log in

'Makke schapen. Over volgzame burgers en vluchtige politiek'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 6 (juni), pagina 84 tot 87

Makke schapen. Over volgzame burgers en vluchtige politiek

Paul Kalma
Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2012

Paul Kalma was directeur van de Wiardi Beckman Stichting, het studiebureau van de Nederlandse PvdA. Hij vertrok er om kamerlid te worden, maar kreeg bij de laatste verkiezingen geen verkiesbare plaats meer. Volgens eigen zeggen omdat hij te weinig partijdiscipline aan de dag legde. Hij durfde zelf positie in te nemen, zelf te denken. Een enkele keer hield hij zich ook aan het partijprogramma, op een moment dat zijn partij dit zelf niet deed. Kalma schrijft hier eerder terloops over, het is zeker geen groot thema, laat staan een jammerklacht. Hij analyseert vooral het onvermogen van de PvdA om richting te geven en problemen op te lossen. Het is een bestuurderspartij geworden, die heersende beleidsmodes volgt. Politiek verloor aan herkenbaarheid en betekenis, maar ook aan relevantie. Rechts-populistische partijen en zelfs het bedrijfsleven namen de zeggenschap over. Daar is geen groot maatschappelijk verzet tegen gekomen.

De bankencrisis gaf nauwelijks aanleiding tot een debat over verantwoordelijkheid van de banken. Bezuinigingen lijken voor iedereen vanzelfsprekend. De neoliberale economie heeft gefaald, maar wordt niet echt in vraag gesteld. Iedereen gaat gewoon door, de banken niet in de laatste plaats. Begrotingsdiscipline op Europees niveau gaat voorbij aan echte oorzaken. Landen als Griekenland ondergaan technocratisch geweld. Misschien was de crisis juist de redding van het neoliberalisme, doordat staatsschulden de aandacht afleidden! Er is natuurlijk nog verzorgingsstaat over, maar de economische en sociale ongelijkheid neemt terug toe. De spelregels die in het verleden ongelijkheid beperkten (belastingheffing naar draagkracht) worden steeds minder nageleefd, zelfs in het voordeel van de rijkeren aangepast. Het gebeurt achteloos en levert geen protest op. ‘In dit deel van de wereld winden we ons nog op, maar niet over hoofdzaken. Makke schapen zijn we, met af en toe wat woedeaanvalletjes.’ (17) Op die manier wordt het maatschappelijk contract - de idee dat de samenleving er als geheel moet op vooruit gaan - steeds minder nagekomen. Er ontstaat een cultuur van de ongelijkheid. Wie niet meekan is een loser, op wie neerbuigend wordt neergekeken. Maatschappelijke achterstand is zaak van persoonlijk falen. Dat zorgt voor een verharding van het maatschappelijk klimaat. Dwang komt in de plaats van ondersteuning, strafrecht wordt een strijdmiddel.

Hoe kon dat omslaan? De machtsverhoudingen op economisch en financieel vlak zijn natuurlijk verschoven. Maar de gelatenheid is deels te verklaren door de afstand tussen burgers en organisaties die hen vertegenwoordigen (vakbonden en partijen). Daardoor kreeg de machteloosheid een uitweg bij extreemrechts. Het is overigens niet alleen een zaak van afstand, maar ook van relevantie: de gevestigde politiek liet verantwoordelijkheden vervagen en raakte bevoegdheden kwijt. Er blijven alleen nog smalle marges voor een beleid over. Dit gebeurde overal in de wereld, maar in Nederland kwam daar een eeuwenoude regentenmentaliteit bovenop, die geen plaats meer overliet voor geven van richting en oplossen van problemen. Het is een lange traditie, die ervan uitgaat dat burgers alleen maar het recht hebben om geregeerd te worden.

De sociaaldemocratie leerde leven met de markteconomie en kon die economie ook voor een stuk aanpassen. Het ging vanaf een bepaald moment niet meer om kapitalisme of socialisme, maar om een kapitalisme met een menselijk gezicht. In de jaren 1980 werd die gemengde economie echter afgebroken (Reagan en Thatcher) en de progressieve partijen boden weinig tegenspel. En voor ze het wisten was de sociale markteconomie een op winst gefixeerde aandeelhouderseconomie. Het werd met berusting aanvaard. Het bankwezen raakte op drift, de democratie werd ondergeschikt aan de financiële belangengroepen, de aandeelhouders deden hun opmars. Overheidsschulden kregen absolute prioriteit, ook op de hervorming van de financiële wereld die de problemen heeft veroorzaakt. Men kijkt weg van negatieve effecten van bezuinigingen. Het marktdenken overleeft de kredietcrisis, terwijl de verzorgingsstaat ingeperkt wordt en de arbeidsmarkt geflexibiliseerd wordt.

Het neoliberalisme is springlevend. We zijn gewoon geraakt aan bezuinigingen, maar het heeft zich vooral ‘in de werkelijkheid vastgezet’ (94). Het wilde ook niet dat de overheid zich met de markt inliet, maar omgekeerd liet het zich wel in met de overheid. Privatisering werd ook doorgevoerd in onderwijs, gezondheidszorg en het gevangeniswezen. En in de overheidsdiensten werd ‘public management’ de bon ton. Overheden worden bedrijven, burgers worden klanten, ook al willen die burgers allerminst klant zijn. Politieke partijen worden beleidsorganisaties, in wie de burgers geen vertrouwen meer hebben. Burgers worden politieke consumenten. Professionele doelstellingen in onderwijs, zorg en gezondheid verdragen zich echter slecht met het primaat van financiële berekening. Ook in Nederland kreeg marktdenken de overhand.

Natuurlijk is er adequaat bestuurd, maar de politici geraakten vast in bestuursfunctie. Ze hoorden alternatieve geluiden niet meer. Dat moet toch ooit tot meer verzet aanleiding geven? Die politieke sprakeloosheid is aan verandering toe, is geen natuurverschijnsel. De PvdA zag op een bepaald moment niet eens meer het rechtse offensief dat steeds groter werd! De sociaaldemocratie werd meegezogen in de neoliberale consensus. De traditionele partijen ‘(…) zijn steeds meer gaan functioneren als een soort bedrijven die beleid produceren en dat één keer in de vier jaar in de verkoop doen.’ (125) De links-rechts-tegenstelling vervaagde, waardoor ruimte kwam voor populisme. Wouter Bos kon het tij niet blijvend keren. Hij voerde geen hervormingsprogramma door, er wordt geen richting meer gegeven, alleen bijgestuurd.

Paul Kalma wil zich daar niet bij neerleggen en probeert een alternatief uit te werken, hoewel hij zich haast om dit reformistisch te noemen. ‘De sociaaldemocratie zal een ambitieuzer, verder reikend programma moeten formuleren. Het ontbreken van zo’n programma verklaart haar verminderde electorale aantrekkingskracht, haar gevoeligheid voor beleidsmodes en haar afstand tot maatschappelijke organisaties en bewegingen. Ze dient oplossingen aan te dragen voor de grote problemen van deze tijd - op sociaal, economisch, ecologisch en cultureel gebied.’ (211) Zijn alternatief is gebaseerd op drie uitgangspunten: het maatschappelijk contract moet worden hersteld; de onderwerping van de economie aan het financiële moet worden doorbroken; we moeten af van de idee dat het alleen zou gaan om het verwerven van rijkdom, want het gaat vooral om de besteding van die rijkdom. Dit wordt in tien stellingen uitgewerkt: (1) Terugkeer gelijkheidsideaal; (2) Bezuinigen begint met eerlijk delen - van de rijkdom; (3) Beperk de handel in geld en in bedrijven; (4) Coöperatief kapitalisme; (5) Milieu, energie en macht; (6) Meer verscheidenheid in de Europese Unie; (7) Na de markthype: maatschappelijk en publiek initiatief; (8) Cultuurpolitiek: de waarde van het niet-bruikbare; (9) Democratie onder druk; (10) Afscheid van de bestuurderspartij. Blijven we makke schapen? Op de kaft van het boek staat een kunstwerk afgebeeld. Een rode figuur die languit op het gras ligt en een trechter in de mond houdt. Hij wordt gevoed en lijkt zich verder van niets aan te trekken. Kalma pleit daartegenover voor samenwerking, erkennen van afhankelijkheid en waardering voor het immateriële.

Kalma wil een alternatief aanreiken. Zijn partij is te veel bestuurderspartij geworden en gelooft niet meer in de kracht van de burgers. Deze hebben het dan ook laten afweten. Een partij moet richting geven en problemen oplossen. Akkoord, ben ik geneigd te schrijven. Het beeld van een socialistische partij die dat opgegeven heeft, lijkt ook voor ons land op te gaan. Het was op een bepaald moment niet eens meer nodig om lid te zijn. Een partij moest een kiesvereniging zijn, geen ledenpartij. Militanten? Je kunt je folders evengoed met de post meegeven, toch? Het zogenaamde neoliberalisme had op een bepaald moment het hoogste woord. Wie tegen de stroom inging werd meewarig bekeken. Het reëel bestaande socialisme had toch getoond tot wat voor excessen dat zou leiden? De excessen van het kapitalisme werden in de schaduw gesteld. En ja, ik begrijp Kalma wanneer hij klaagt dat het vandaag nog moeilijk is om een alternatief te formuleren. Iedereen heeft de schande van de banken gezien, iedereen beseft dat het aandeelhouderskapitalisme gewoon pervers is … en toch aanvaarden we dat de banken gered moeten worden met de inspanningen van de mensen die ze eerst beroofd hebben. Omdat we wat beschaamd zijn dat we zover in die logica meegegaan zijn? En toch, ik zal wel naïef zijn, maar ik denk dat bijvoorbeeld de strijd van de Vlaamse socialisten tegen de energielobby een hoopvol teken is. Ik denk dat die partij stilaan de draad weer opneemt. Of daarmee de tien punten van Kalma gerealiseerd worden, weet ik niet. Maar ik durf hopen dat we eraan begonnen zijn.

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 6 (juni), pagina 84 tot 87