Log in

De crisis van de traditionele partijen (en hoe ze te verhelpen)

Wim Vermeersch
25 juli 2012

Er is reeds menig woord geschreven over de crisis van de traditionele partijen. Hun macht is tanende doordat het tijdperk van de ideologieën sinds de val van de Muur ten einde is gekomen, doordat we in een tijdperk van doorgedreven individualisering leven, … het zijn maar enkele van de verklaringen die we dan meestal horen. Ook Nederlands socioloog, politicoloog en PvdA-ideoloog Bart Tromp waagde zich aan de kwestie. Deze dwarse, linkse denker, die in 2007 overleed, schreef bijna tien jaar geleden het artikel ‘De crisis der partijen en enkele voorstellen deze te overwinnen’ (in: Politieke partijen op drift, Wiardi Beckman Stichting, Amsterdam, 2003). Het blijkt bijzonder visionair.

Crisis van de traditionele partijen

Wat de crisis van de traditionele partijen wordt genoemd, slaat voor Bart Tromp op de veronderstelling dat er geen collectieve belangen meer bestaan waarvan een politieke partij de representant is. Tromp verwerpt de these van ‘individualisering’. Die is, volgens hem, in hoge mate misleidend en symboliseert de door reclame en marketing gekaapte droom van individuele vrijheid. Probleem is dat de individualiseringsthese klakkeloos is aanvaard door grote partijen. Ze zijn hun verkiezingscampagnes dienovereenkomstig gaan inrichten. Deze illusie treft de sociaaldemocratische partij het hardst, want die is juist aangewezen op de mobilisatie van collectieve belangen. Concurreren op een ‘kiezersmarkt’ van afzonderlijke individuen leidt onvermijdelijk tot het opgeven van een eigen politieke identiteit. De crisis van de traditionele partijen is, aldus Bart Tromp, zo gezien geen onvermijdelijkheid, maar in belangrijke mate het resultaat van een verkeerde electorale en inhoudelijke strategie.

De campagnepartij

Bart Tromp detecteert een algemeen ‘moderniserings’proces (let op de haakjes), waarbij waardegeoriënteerde partijen steeds meer de contouren vertonen van instrumentele partijen: er bestaan geen politieke problemen meer, alleen technische; alle problemen kunnen pragmatisch worden opgelost. Ook de these van het ‘einde van de ideologieën’ verwerpt Tromp. Wij verkeren de laatste twintig jaar net in een uiterst ideologisch klimaat, met de dominantie van één bepaalde ideologie, de neoliberale. Zulke dominantie is dodelijk voor de politiek, want een partij die geen programma heeft, zal naar andere mechanismen zoeken om zich te handhaven.

Enter: de campagnepartij. Zij is niet geïnteresseerd in de verwezenlijking van een programma, laat staan in een politiek project van lange adem. Zij ziet de zin van haar bestaan niet in de vertegenwoordiging van de belangen van bepaalde groepen. Zij zoekt vanuit de politiek, niet vanuit de maatschappij, naar stemmenmaximalisering. Mede daarom is de verworven electorale steun niet structureel en krijgen we zulke wisselende verkiezingsresultaten.

Zo’n campagnepartij ontwikkelt zich steeds meer in een specifieke organisatorische richting. Partijleden zijn een belemmering. Ze beperken de flexibiliteit waarmee gereageerd moet worden op de wensen van de kiezersmarkt zoals die door de opiniepeiler wordt gemeten. De ideale campagnepartij heeft dan ook geen leden (Bart Tromp voorziet hier het fenomeen van de PVV, de partij met één lid: Geert Wilders). Zij bestaat uit een kleine groep beroepspolitici en een professionele staf die de meningen van de kiezers permanent optekent, test, en vervolgens ‘boodschappen’ verzendt aan groepen kiezers. De rekrutering van nieuwe beroepspolitici wordt uitbesteed aan headhuntersbureaus; de verkiezingscampagnes aan reclamebureaus. Bart Tromp kijkt voor een eigentijds beeld van zo’n campagnepartij niet ver van huis: voor hem ontwikkelt zijn eigen Partij van de Arbeid (PvdA) al decennia in deze richting. Tromp huivert van de kiezerspartij die zo min mogelijk vergadert en zoveel mogelijk activiteiten organiseert, die een netwerk van honderdduizend donateurs verkiest boven tienduizend eigen partijleden. Vooral Wouter Bos moet het ontgelden.

Plebiscitaire democratie als remedie?

Deze plebiscitaire tendens ondermijnt de idee van een programmapartij. De nadruk verschuift van inhoud naar persoon. Deze vorm van democratie leidt tot bevoordeling van degene met de meeste machtsmiddelen (geld, tijd, bekendheid, familienaam). Het is de ultieme capitulatie van de medialogica. De uitslag wordt bepaald op basis van beeldvorming door individuele, anonieme kiezers. Wat interesseert is niet de representatie van kiezers, maar de legitimatie van gekozenen. We krijgen een zakenkabinet, een coalitie van personen, niet van partijen. Zo’n politieke configuratie is mogelijk omdat er van politieke meningsverschillen geen sprake meer is. En als er al inhoudelijke verschillen tussen partijen zouden zijn, kunnen deze gemakkelijk worden overbrugd. De logica van de campagnepartij leidt tot programmatische convergentie; partijen concurreren om hetzelfde electoraat in het politieke midden.

Dit is, volgens Bart Tromp, de logica van het plebiscitair syndroom: de ontmanteling van de autonome politieke partij, met als alternatief ‘het populisme van de sterke man’, de vervanging van een langetermijnprogramma door het ene luidruchtig gelanceerde ideetje na het andere, de transformatie van partijleden in klapvee.

De gevolgen van deze ‘partijvernieuwing’

We komen tot het punt dat Bart Tromp wenst te maken: het plebiscitair syndroom biedt allerminst een oplossing voor de bestaande problemen van de democratie. Integendeel. Het betekent een verdere degradatie van de politieke partij tot campagnepartij en levert geen enkel soelaas voor de problemen waarvoor ze een oplossing heten te bieden. Evenmin zullen ze leiden tot een stabieler politiek stelsel. Het is juist de onderlinge inwisselbaarheid die onvoorspelbaar kiezersgedrag produceert. De remedie versterkt de kwaal. Door zichzelf programmatisch afhankelijk te maken van de vluchtige stemming onder het electoraat zal zij na verloop van tijd een steeds minder herkenbare positie innemen.

De campagnepartij zal ook steeds meer afhankelijk worden van private belangen. We krijgen een monetarisering van de politiek. Campagnes vergen steeds meer geld; men komt steeds minder op voor de belangen van de kiezers en steeds meer voor die van de geldverschaffers. Een dergelijk op personen toegespitst kiesstelsel maakt volksvertegenwoordigers kwetsbaar voor een georkestreerde aanval van goed georganiseerde belangengroepen.

Een laatste consequentie van de werking van het plebiscitair syndroom, zo besluit Tromp, is het ontstaan van een façadedemocratie. Wanneer de formele instituties die de democratie garanderen alleen nog maar georganiseerd worden naar de vereisten van op entertainmentingestelde media, is het onvermijdelijk dat het echte politieke proces geheel en al onzichtbaar wordt. Het plebiscitair syndroom eist ‘openheid’ op alle fronten, maar erkent tegelijkertijd niet het bestaan van specifieke belangen. Populisten pretenderen dat front- en backstage elkaar overlappen, maar verbannen de echte politiek naar de duistere backstage. Politieke democratie en feitelijke besluitvorming worden op die manier twee gescheiden circuits.

België, het land der verkiezingen

U begrijpt het goed: de oplossingen voor de crisis van de traditionele partijen die binnen het stramien van het plebiscitaire syndroom vallen, eindigen voor Bart Tromp allemaal in drijfzand. Ze werken niet alleen averechts, maar verhevigen ook deze crisis. Een revitalisering van de politieke democratie vereist juist een versterking van de rol van politieke partijen als dragers van concurrerende politieke ideologieën en behartigers van collectieve belangen. We lezen een pleidooi voor een beginselpartij, die inzet op ideologie. Weg met de campagnepartij.

Voorwaar niet eenvoudig, denken we dan, bijvoorbeeld in een land als België waar - na 2006, 2007, 2009 en 2010 - in oktober 2012 en in 2014 (de zoveelste ‘moeder der verkiezingen’) opnieuw enkele verkiezingen voor de deur staan.