Abonneer Log in

De socialisten te velde

Politicologen blikken vooruit op 14 oktober

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 7 (september), pagina 4 tot 13

Discussies over de lokale verankering van de sp.a worden vaak herleid tot beschouwingen omtrent sterke socialistische burgemeesters in de centrumsteden. Deze bijdrage poogt aan te tonen dat de realiteit toch meer complex is. We evalueren de positie van de sp.a in de eerste plaats aan de hand van de lokale verkiezingsuitslagen vanaf 1976 en de doorstroming van socialisten naar de colleges van burgemeester en schepenen. In tweede instantie vergelijken we de lokale kiescijfers van de sp.a met de federale en/of Vlaamse. Daarop schetsen we een aantal uitdagingen waarmee lokale sp.a-afdelingen op relatief korte termijn worden geconfronteerd. De meeste van die uitdagingen zijn niet uniek voor de sp.a maar alleszins op het gebied van rekrutering en selectie zijn ze voor deze partij wel bijzonder prangend.

POLITICOLOGEN BLIKKEN VOORUIT OP 14 OKTOBER

De socialisten te velde
Johan Ackaert
Lokale verkiezingen en nationale peilingen
Tom Verthé
Gemeenteraadsverkiezingen in Wallonië en Brussel
Pascal Delwit

DE POSITIE VAN DE SP.A IN DE VLAAMSE GEMEENTEN

De aanhang: status quo +

Figuur 1 geeft de evolutie weer van het aandeel socialistische kiezers naar verstedelijkingsgraad tussen 1976 (de eerste gemeenteraadsverkiezingen anticiperend op de samenvoeging van gemeenten in 1977) en 2006.1 De weergegeven percentages zijn berekend op het totaal aantal geldige stemmen in die gemeenten waar de sp.a een lijst indiende. Voor 2006 bevat het vermelde percentage de gemiddelden van zowel ‘zuivere’ sp.a-lijsten als de combinaties tussen sp.a en Spirit en/of Groen.

Figuur 1: Evolutie aandeel socialistische kiezers

Het meest opvallende gegeven in deze grafiek is de relatieve stabiliteit van de sp.a-aanhang in de gemeenten in een tijdspanne van dertig jaar. De sp.a vatte de samenvoeging van gemeenten aan met een score van 21,3% en kwam daar in 2006 net iets boven uit (21,7%). Op het eerste gezicht veranderde de positie van de sp.a amper. Dit neemt evenwel niet weg dat tot 2000 de trend veeleer neerwaarts was, gevolgd door herstel in 2006. Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat dit ‘herstel’ zich vooral aftekende in die gemeenten waar de sp.a met een kartelpartner naar de verkiezingen trok. Gemiddeld klokten de sp.a-Spirit-kartels af op 24,9%, tegenover 19% voor de ‘zuivere’ sp.a-lijsten.
Daarnaast springen de verschillen naar verstedelijkingsgraad in het oog. Hoewel de socialisten tot in 2000 de strijd om de stad leken te verliezen, kantelde dit in 2006. Ze behaalden in de centrumsteden de beste resultaten en boekten daar ook de meeste vooruitgang. Omgekeerd, socialisten hebben het veel moeilijker in de gordels rond de steden (banlieue- en agglomeratiegemeenten) en in de autonome gemeenten. Toch, de vooruitgang in 2006 was waarneembaar binnen elke gemeentecategorie.

Deelname aan de macht: groei

Onderzoek wees in het verleden uit dat er wel degelijk een relatie bestaat tussen het aandeel kiezers dat partijen werven en de intrede in bestuursmeerderheden: hoe sterker de electorale positie van een partij, hoe meer kans zij maakt om deel uit te maken van het college van burgemeester en schepenen.2 Figuur 2 overloopt de evolutie van de aanwezigheid van de sp.a in de colleges en spreidt deze opnieuw naar de verstedelijkingsgraad.

Figuur 2: Aanwezigheid in bestuursmeerderheden

Hoewel het stemmenaandeel weinig fluctueerde, slaagde de sp.a er beduidend meer in om door te breken naar de schepencolleges. Op 1 januari 1977 maakte de socialistische partij in nog geen kwart van de gemeenten deel uit van de bestuursmeerderheid. Na de verkiezingen van 2006 gebeurde dit in 38% van de gevallen. Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat door het ‘cordon sanitaire’ coalities tot stand kwamen die uit meer partijen bestonden dan in feite (mathematisch) nodig was om een meerderheid te vormen.3 Zodoende nam het aantal sollicitaties bij de sp.a toe om mee in de meerderheid te stappen. Onderzoek wees uit dat de keuze van een coalitiepartner vooral stoelde op pragmatische overwegingen; slechts in beperkte mate sloot de sp.a een bondgenootschap met een partner waarmee de beleidsmatige afstand het kleinst was.4 Figuur 2 wijst ook uit dat die doorbraak het meest frappant was in de steden. Niettemin vond ook in de rand rond de steden en in kleinere gemeenten de sp.a meer haar weg naar het schepencollege.

Toegang tot het burgemeesterschap: status quo

Tot op zekere hoogte zou kunnen worden verwacht dat de grotere doorbraak van de sp.a in de colleges vertaald zou worden in het verwerven van meer burgemeesterssjerpen. Figuur 3 weerlegt deze veronderstelling.

Figuur 3: Evolutie aandeel socialistische burgemeesters

Op dertig jaar tijd veranderde niet veel: het aandeel socialistische burgemeesters nam amper met een paar procenten toe. Een vlottere toegang tot de colleges biedt geen garantie op het verwerven van de tricolore sjerp. In regel valt de burgemeesterssjerp immers in handen van de grootste partij in de schoot van de bestuursmeerderheid en meestal belandt deze uiteindelijk bij de kandidaat met de meeste voorkeurstemmen in die partij.5 Dit status quo geldt voor alle types van gemeenten, met uitzondering van de centrumsteden. In de steden verdrievoudigde het aantal socialistische burgemeesters. Daar kwam de sp.a dan ook als grootste partij uit de lokale stembusslag.

Lokale verkiezingsuitslagen: in het zog van de Vlaamse/federale verkiezingen

Figuur 4 toont op het eerste gezicht aan dat de uitslagen van de sp.a opgetekend bij gemeenteraadsverkiezingen lopen als het voortschrijdende gemiddelde van de percentages behaald bij voorafgaande Vlaamse of federale parlementsverkiezingen. Toch zijn er uitzonderingen: zo verloor de sp.a bijvoorbeeld de gemeenteraadsverkiezingen van 1988 hoewel ze het behoorlijk deed bij de voorafgaande parlementsverkiezingen. Lokale sp.a-uitslagen zijn evenwel uitermate gevoelig voor de federale of Vlaamse electorale positie van de sp.a, zij het dat de breuken minder scherp afgetekend zijn op het lokale niveau dan op het Vlaamse. In het algemeen situeren de lokale uitslagen zich onder de nationale resultaten met de centrumsteden als uitzondering op deze regel. Of anders gesteld: in de steden doet de sp.a het bij de lokale verkiezingen aanzienlijk beter dan bij de parlementsverkiezingen, in suburbane en landelijke gemeenten is het net omgekeerd.

Figuur 4: sp.a lokaal en federaal / Vlaams

HET PLAATSELIJK SP.A-PROFIEL

Deze paragraaf focust op het lokaal profiel van de sp.a. We staan stil bij twee dimensies. De eerste zoekt naar de programmatische eigenheid van sp.a-afdelingen. De tweede is de organisatorische dimensie: de betekenis en rol van plaatselijke sp.a-afdelingen in een lokale gemeenschap. Om deze dimensies vorm te geven doen we een beroep op een interuniversitair project dat veranderingen in de lokale politiek poogde te duiden aan de hand van een (schriftelijke) survey onder de plaatselijke verantwoordelijken van de verschillende nationale partijen in België.6

Programmatisch profiel

Het interuniversitair onderzoek van 2006 probeerde de lokale afdelingen van de partijen te profileren aan de hand van de belangrijkste doelstellingen van de plaatselijke secties, de pragmatische versus ideologische ingesteldheid, de rangorde van verschillende beleidsthema’s en de plaats op de links-rechts as.7

Om met het laatste te beginnen: socialistische partijafdelingen plaatsen zichzelf duidelijk aan de linkerzijde van die as (zij het dat Groen een nog meer uitgesproken links profiel vertoont). Dit suggereert een beeld van partijafdelingen die ideologisch sterk geladen zijn en een uitgesproken programmatische oriëntatie vertonen. Niettemin weerspiegelt deze profilering zich niet volledig in de doelstellingen die afdelingen formuleren.8 Juist 70% van de respondenten gaf aan dat het zo volledig mogelijk realiseren van het verkiezingsprogramma een belangrijke doelstelling van de organisatie was. In de rangorde komt deze ambitie op de tweede plaats. De sp.a-afdelingen werden hierin wel voorbijgestoken door N-VA, Vlaams Belang, Spirit en Groen en houden ter zake gelijke tred met deze van de CD&V. Het grootste doeleinde van sp.a-afdelingen is echter vooruitgang boeken bij volgende verkiezingen: voor juist 80% van de afdelingen is dit het Leitmotiv bij uitstek. Enkel het Vlaams Belang scoort ter zake hoger. Uit het verdere analysewerk van de auteurs kon worden afgeleid dat sp.a-afdelingen veeleer een pragmatisch dan ideologisch profiel aannamen. De derde belangrijkste doelstelling van sp.a-afdelingen is deel uitmaken van de bestuursmeerderheid. Juist 52% van de afdelingen vertolkt deze wens. Dit ligt gedeeltelijk in het verlengde van het eerste doel: vooruitgang boeken bij verkiezingen. In heel wat plaatselijke partijafdelingen (en niet alleen bij de sp.a) wordt het participeren aan de meerderheid beschouwd als een belangrijke hefboom om electorale vooruitgang te realiseren. Dit is echter niet evident. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 won de sp.a in 60,4% van de gemeenten waar ze vanuit de bestuursmeerderheid naar de kiezer trok terwijl dit in 59,8% van de gevallen waar de sp.a het vanuit de oppositie diende waar te maken ook het geval was. Ook een analyse over de gemeenteraadsverkiezingen vanaf 1982 leert dat participeren aan de meerderheid niet noodzakelijkerwijze leidt tot electoraal succes. Dit was enkel (voldoende statistisch significant) het geval in 1988. Toen won de sp.a, vertrekkende vanuit het gemeentebestuur in 51,1% van de gevallen tegenover 38,7% vanuit de oppositie. Nogmaals, dit is niet enkel een probleem van de sp.a en is het voorwerp van debatten over het electoraal rendement van besturen.9

Uiteraard kan worden opgemerkt dat, allicht met uitzondering van de centrumsteden, de impact van ideologie op het lokaal beleid vaak beperkt is. Daarom is het belangrijk om niet alleen te focussen op de plaats van partijen op de links-rechts as, maar ook op de wijze waarop ze lokale beleidsthema’s benadrukken.10 Het betrokken onderzoek leert dat sp.a-afdelingen zich slechts op twee thema’s onderscheiden: sociaal beleid en bejaardenzorg. In feite betreft het hier de klassieke issues van de sociaaldemocratie. Relatief nieuwe thema’s zoals de kwaliteit van de onmiddellijke leefomgeving, veiligheid en de multiculturele samenleving worden door sp.a-afdelingen zeer terughoudend benaderd. Inhoudelijk leunde de sp.a (alvast in 2006) lokaal dan ook sterker aan bij de CD&V en N-VA dan bij Groen of Spirit.

Organisatorisch profiel

Partijen vervullen in een samenleving verschillende functies.11 De eerste functie staat in het teken van het beleid en verwijst naar het bundelen en articuleren van belangen in een gemeenschap en/of het vertegenwoordigen van bepaalde groepen. Binnen het model van een representatieve democratie treden partijen hier op als de antennes die problemen en verwachtingen onder de bevolking registreren. De tweede functie houdt verband met de selectie en rekrutering van het politiek personeel. Tot slot werden partijen traditioneel geassocieerd met communicatie naar de bevolking en het socialiseren van de aanhang in de waarden van partijen en de politieke spelregels. De literatuur suggereert evenwel een verschuiving in de oriëntatie van partijen van het lokale naar meer centrale niveaus (parlementsleden, ministers, voorzitter).12

Benoît Rihoux en Kris Deschouwer probeerden het activiteitspatroon van de afdelingen van de verschillende nationale partijen in kaart te brengen. Binnen het zopas geschetst kader zijn de volgende activiteiten relevant:
- maandelijkse bijeenkomst partijbestuur;
- minimaal jaarlijkse bijeenkomst van de algemene ledenvergadering;
- minimaal jaarlijkse organisatie van een debat;
- minimaal jaarlijkse organisatie van een discussieavond met een mandataris;
- organisatie dienstbetoon.

Uit de cijfers van beide auteurs leidden we de volgende evolutie af in het activiteitspatroon van sp.a-afdelingen (Figuur 5).13

Figuur 5: Activiteitspatroon sp.a-afdelingen

Het aandeel afdelingen dat beschikt over een regelmatig vergaderend partijbestuur blijft op relatief lange termijn vrij constant. Overigens, de sp.a heeft verhoudingsgewijze (vergeleken met andere Vlaamse partijen) nog altijd de meeste werkende lokale partijbesturen. Anderzijds valt het op dat het bijeenroepen van algemene vergaderingen daalde met meer dan 20%. Die afname doet zich, in min of meer dezelfde mate, ook voor bij die activiteiten die een directe interactie tussen bestuur, verkozenen en achterban mogelijk maken. Nogmaals, die trend geldt niet alleen voor de sp.a maar voor quasi alle partijen. Dit heeft verregaande consequenties voor het functioneren van partijen. Het is niet denkbeeldig dat de antennes van partijen gericht op de plaatselijke samenleving meer en meer ruissignalen (zullen) opvangen en dat bijgevolg vragen kunnen worden gesteld over de performantie van de representatieve democratie op lokaal vlak.14

Hoewel alle partijen met dit probleem worden geconfronteerd, is die ontwikkeling voor socialistische partijen nog meer prangend omdat de partij aldaar het vehikel bij uitstek is waarin toekomstige politici worden gerekruteerd, geselecteerd en gesocialiseerd zowel in het waardenpatroon als in politieke vaardigheden. In de meeste West-Europese landen hebben linkse partijen de enorme verdienste kansen geboden te hebben aan mensen uit maatschappelijk minder geprivilegieerde groepen. Onder socialistische partijen is het aandeel arbeiders onder de plaatselijke mandatarissen nu eenmaal hoger dan bij de overige partijen.15 In 1994 beschikte 40% van de socialistische burgemeesters over een universitair diploma. In de huidige zittingsperiode daalde dit aandeel zelfs tot 34,3%.16 Daarbij valt het op dat vooral burgemeesters die uit lagere statusgroepen komen en/of geen universitair diploma behaalden bij hun loopbaanstart veel actiever waren in de partijorganisatie.17 Wie omwille van redenen die verband houden met maatschappelijke stratificatie geen toegang vond tot het hoger onderwijs kreeg binnen sociaaldemocratische partijen vaak een ‘tweede kans’. De partij vervulde hier de rol van de ‘politieke academie van de arbeider’ en was vaak meer dan een coach in de politieke loopbaan.18

UITDAGINGEN

De sp.a stapte duidelijk als winnaar uit de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 en haalde lokaal haar beste score sedert de samenvoeging van gemeenten. Deels als gevolg van die uitslagen, slaagde de sp.a er ook in beter de weg naar de schepencolleges te vinden. Het is niet meteen evident dat socialistische partijen dit succes evenaren op 14 oktober. De vooruitgang van 2006 deed zich immers vooral voor in die gemeenten waar de sp.a in kartelverband met Spirit naar de kiezer trok. Daarnaast verstevigde de sp.a haar positie aanzienlijk in de steden. In suburbane gebieden was de vooruitgang minder spectaculair. Op termijn evolueert de sp.a naar een ruimtelijke duale partij: sterk in de steden, moeite om daarbuiten te overleven.

In de tweede plaats evolueert het sp.a-kiescijfer in de gemeenten mee met de electorale positie van de sp.a bij Vlaamse en federale verkiezingen, zij het dat de schokken als minder bruusk worden ervaren. In 2006 kon de sp.a nog teren op socialistische vooruitgang bij de (federale) parlementsverkiezingen van 2003 en ietwat minder de Vlaamse van 2004. Vandaag is die uitgangspositie, gelet op de voorbije parlementsverkiezingen, veel minder rooskleurig. Overigens, de sp.a zet traditioneel haar parlementsleden massaal in bij lokale verkiezingen. Het verleden leerde dat die tactiek voor die partij geen windeieren opleverde.19 Rekening houdende met het afnemend aantal parlementsleden is het niet onwaarschijnlijk dat ook dit gevolgen heeft voor de komende gemeenteraadsverkiezingen.

Los van de electorale trends, die zeer volatiel kunnen zijn, rijzen op halflange termijn nog meer fundamentele uitdagingen voor het overleven van de sp.a in vooral suburbane en landelijke gemeenten. Net zoals dit het geval is bij de overige traditionele partijen, verschraalt het lokale socialistische ‘partijleven’. Dit heeft, zoals aangetoond in deze bijdrage, verregaande consequenties. Deze hebben niet alleen betrekking op de ‘antennefunctie’ die een partij vervult, maar ook op de rekrutering en socialisatie van toekomstige bestuurders. Massapartijen als de socialistische steunden in het verleden bij het vertolken van de belangen van niet altijd de meest geprivilegieerden op maatschappelijk sterk ingeplante partij- en nevenorganisaties. Wie neemt die functies in het licht van het ineenkrimpen van die netwerken op? Wie neemt op termijn de rol van de ‘partij’ als ‘politieke academie van de arbeider’ op indien deze kanalen opdrogen? Een en ander veronderstelt dan ook een grondige bezinning over de betekenis van het concept ‘partijafdeling’ op zich en de plaats van een partijafdeling en mandatarissen in de ontwikkeling van nieuwe participatiekanalen.

Johan Ackaert
Politicoloog UHasselt

Noten
1/ De verstedelijkingsgraad indiceren we aan de hand van: H. Van Der Haegen, M. Pattyn & C. Cardyn (1982), The Belgian Settlement Systems. In: Acta Geografica Lovaniensa. 22, pp. 251-363. Voor de eenvoud hergroepeerden we de afhankelijke gemeenten, autonome gemeenten en hoofddorpen in een categorie. De (vaak groene) agglomeratiegemeenten omringen de centrumsteden en vormen met de kernstad een ruimtelijk aaneengesloten geheel. De banlieuegemeenten sluiten aan bij de agglomeratie maar zijn de gebieden waar door toedoen van de suburbanisatie zich de meeste groei aftekent en zijn doorgaans op niveau van de individuele inwoner welvarender dan de centrumstad en de omringende agglomeratiegemeenten.
2/ J. Ackaert, P. Dumont & L. De Winter (2008), Hoe oude vormen en gedachten overleven: lokale coalitievorming. In: J. Buelens, B. Rihoux & K. Deschouwer (ed.), Tussen kiezer en hoofdkwartier. De lokale partijafdelingen en de gemeenteraadsverkiezingen van 2006. Brussel: VUBPRESS, pp. 111-138.
3/ P. Dumont, J. Ackaert & L. De Winter (2007), Local coalition strategies in Belgium. Paper presented at ECPR Joint Sessions of workshops in Helsinki, May 7-12, 2007.
4/ J. Ackaert, P. Dumont & L. De Winter (2008), a.w.
5/ In 82% van de Vlaamse gemeenten werd de kandidaat met de meeste voorkeurstemmen burgemeester. Zie: J. Ackaert, K. De Ceuninck, H. Reynaert, K. Steyvers & T. Valcke (2007), Doen (wijzigende) instituties ertoe? De invloed van het gemeente(kies)decreet op de gemeenteraadsverkiezingen van 2006. In: Res Publica, 49, (1), pp. 15-45.
6/ Zie hierover: J. Buelens, B. Rihoux & K. Deschouwer (ed.) (2008), Tussen kiezer en hoofdkwartier. De lokale partijafdelingen en de gemeenteraadsverkiezingen van 2006. Brussel: VUBPRESS.
7/ J. Buelens, P. Dumont, B. Rihoux & B. Heyndels (2008), Het standpunt van de partij: wat is belangrijk voor de lokale afdelingen? In: J. Buelens, B. Rihoux & K. Deschouwer (ed.), Tussen kiezer en hoofdkwartier. De lokale partijafdelingen en de gemeenteraadsverkiezingen van 2006. Brussel: VUBPRESS, pp. 31-47.
8/ In het onderzoek werden de partijafdelingen bevraagd naar het belang van de doelstellingen: voldoende groot ledenaantal werven, deel uitmaken van de meerderheid, het burgemeesterschap verweren, programma uitvoeren, goede sfeer in de afdeling creëren, vooruitgang bij verkiezingen, ideologische eenheid bewaken en specifieke bevolkingsgroepen vertegenwoordigen.
9/ In 1982 was er winst vanuit de oppositie in 65,7% van de gevallen tegenover 61,1% vanuit de meerderheid; in 1994 respectievelijk 30,5% en 37,6%; in 2000 respectievelijk 36,4% en 33,3%. Al deze verschillen waren statistisch niet significant. (Bron: eigen berekeningen).
10/ Het onderzoek stelde de vraag naar het belang van de volgende thema’s: verkeersveiligheid, ruimtelijke ordening, politieke ethiek, burgerparticipatie, mobiliteit, leefomgeving, sociaal beleid, werkgelegenheid, onderwijs, bejaardenzorg, handel en economie, sport, steun aan het verenigingsleven, aanpak van criminaliteit, cultuur, fiscaliteit, multiculturele samenleving, ontwikkelingssamenwerking, taalbeleid, religie.
11/ Zie hierover: W. Dewachter (2003), De mythe van de parlementaire democratie. Leuven: Acco & K. Deschouwer (1993), Organiseren of bewegen. Brussel: VUBPRESS.
12/ R. Katz & P. Mair (2002), The ascendancy of the party in public office: party organizational change in the twentieth-century democracies. In: R. Gunter, R. Montero & J. Linz (ed.), Political parties. Old concepts and new challenges. New York: Oxford University Press, pp. 113-165.
13/ K. Deschouwer & B. Rihoux (2008), De lokale partijafdelingen: van hiërarchie naar stratargie. In: J. Buelens, B. Rihoux & K. Deschouwer (ed.), Tussen kiezer en hoofdkwartier. De lokale partijafdelingen en de gemeenteraadsverkiezingen van 2006. Brussel: VUBPRESS, pp. 19-31.
14/ Die thematiek is niet nieuw maar vormt amper een aandachtspunt bij partijen. Zie bijvoorbeeld: F. De Rynck (1999), Hoe responsief is mijn gemeente? In: Tijdschrift voor de Vlaamse Gemeentesecretaris, 99, 3, pp. 8-99.
15/ H. Reynaert, K. Steyvers & D. Verlet (2006), Van dorpsfiguur tot eerstelijnsbestuurder. De lokale politieke elite in Vlaanderen na 1945. In: S. Fiers & H. Reynaert, Wie zetelt? De gekozen politieke elite in Vlaanderen doorgelicht. Leuven: Lannoocampus, pp. 35-59.
16/ De cijfers van 1994 vinden hun oorsprong in: J. Ackaert (2006), De burgemeestersfunctie in België. Analyse van haar legitimering en van de bestaande rolpatronen en conflicten. Doctoraatsproefschrift. Leuven: Faculteit Sociale Wetenschappen, 496 p. De cijfers voor de huidige zittingsperiode vinden hun oorsprong in eigen berekeningen op basis van individueel gepubliceerde profielen van burgemeesters in Het Nieuwsblad in 2007.
17/ J. Ackaert (2006), a.w.
18/ J. Ackaert (2000), De loopbaan van socialistische burgemeesters: de partij als politieke academie. In: Brood & rozen. Tijdschrift voor de geschiedenis van sociale bewegingen. 2000, 2, pp. 97-113.
19/ J. Ackaert (1988), Nationale schaduwen over de gemeentepolitiek. In: Kultuurleven, 55, (7), pp. 629-635.

verkiezingen - socialisme - sp.a

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 7 (september), pagina 4 tot 13