Abonneer Log in

De nieuwe werkweek: bigger, longer & uncut?

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 8 (oktober), pagina 17 tot 21

De boodschap dat we langer moeten werken heeft in de hoofden van beleidsmakers en een deel van de publieke opinie haast onaantastbare proporties aangenomen en het wordt wie nuances wil aanbrengen in dat verhaal niet gemakkelijk gemaakt. Maar vergeet voor even dat debat. Een nieuw mantra is ondertussen volop in de maak: we moeten meer werken. Meer uren per week graag, minder onderbrekingsperiodes en verlof, en liefst ook meer voltijds en minder deeltijds. Het lijkt wel de titel van de South Park film uit 1999. Uw loopbaan, voortaan bigger, longer & uncut?

Ledigheid is des duivels oorkussen dus. Dit in onbruik geraakte spreekwoord vat zeer mooi de onderhuidse trend samen van een hele reeks ballonnetjes die in het afgelopen jaar werden opgelaten in het kader van hervorming van onze arbeidsmarkt en economische relance. Het lijdt geen twijfel dat het de bedoeling is van sommigen om de boodschap van ‘meer werken’ in de nabije toekomst tot het nieuwe dogma te maken in de berichtgeving over werk en economie.

Een rits voorstellen wordt door een aantal werkgeversorganisaties en politieke verantwoordelijken klaargestoomd en in positie gebracht om dit te bewerkstellingen.

Meer uren werken.
Een eis van de werkgevers die al jaren wordt herhaald, crisis of niet, als recept voor zowat alle kwalen van de arbeidsmarkt. Een recent voorbeeld is het persbericht van UNIZO in juli 2012 dat stelt dat arbeidsduurverlenging een noodzakelijke piste is voor relancebeleid en dat de meerderheid (55%) van de werkgevers dit ook expliciet wenst. De boodschap werd nog eens herhaald in de relancevoorstellen die UNIZO aanbracht in september en zal ongetwijfeld ook opnieuw opduiken bij de 50 Quick Wins waarvoor Kris Peeters zijn oor (blijkbaar exclusief?) te luisteren wil gaan leggen bij het Vlaamse patronaat.

Minder onderbrekingen.
Tijdskrediet opnemen lijkt wel des duivels. Er is het federaal regeerakkoord dat de mogelijkheden om de loopbaan te onderbreken nu al beperkt. Maar nog steeds ligt het systeem volop onder vuur. In maart van dit jaar lanceerde VOKA nog, onder het mom van een ‘nieuw loopbaanmodel’, de piste om het recht op tijdskrediet zo veel mogelijk af te schaffen in ruil voor een individueel systeem (de ‘rugzak’) waarbij het onderbreken van de loopbaan vooral een zaak wordt van zelf opsparen (en dus ook zelf financieren) van verlofdagen. Op Vlaams niveau lonkt de Minister van Werk dan weer gretig naar de aanmoedigingspremies die Vlaanderen in het kader van tijdskrediet verstrekt, om de volgende golf van besparingshonger te stillen.

Voltijds in plaats van deeltijds.
Ook wie deeltijds werkt, wordt geviseerd. In het kader van het relancebeleid wordt er onder politici druk gediscussieerd over pistes om wie deeltijds werkt vaker door de RVA op het matje te laten roepen en om de inkomensgarantie-uitkeringen waar men in sommige gevallen recht op heeft, te verminderen. Met andere woorden: strenger optreden tegen wie niet voltijds werkt en deeltijds werk ook financieel ontmoedigen.

De boodschap dat we meer moeten werken, wordt dus al volop geoperationaliseerd in de achterkamertjes. De ideologische kapstok om deze visie verkocht te krijgen, is net als bij ‘langer werken’ opnieuw eenvoudig en tweeërlei: 1) het is crisis en 2) men moet de verantwoordelijkheid opnemen voor individuele keuzes. De eerlijkheid gebiedt de nuance dat voor de pistes rond het deeltijds werken ook andere motieven spelen, zoals gelijkheid tussen man en vrouw op de arbeidsmarkt. Maar dat neemt niet weg dat men ook om daaraan iets te doen, in de eerste plaats een beroep doet op de individuele verantwoordelijkheid van wie deeltijds werkt en dus vooral de werknemers in kwestie viseert.
De terminologie van niet of te weinig werken ‘op kosten van de maatschappij’ tiert welig. Vroeger werd de oneerbiedige metafoor van de hangmat voorbehouden voor de werkzoekenden, vandaag wordt ze ook gebruikt voor die dekselse, verlofzieke werknemer. Wij, werknemers, hebben dus met z’n allen een attitudeprobleem. Meer werken verdorie, ten dienste van de welvaart en de concurrentiekracht, om zo uit de crisis te komen.

Het behoeft geen betoog dat de verpakking van deze boodschap veel mensen als niet geheel onlogisch in de oren klinkt. Moeten we immers niet zelf meer de gevolgen dragen, als we ervoor kiezen om minder te werken? Want meer werken is immers goed voor de economie en die kan wel een steuntje in de rug gebruiken. Om tegen die stroom in te gaan, wil ik kort drie bedenkingen meegeven.

DE GRENZEN VAN DE EIGEN KEUZE

Zelf verantwoordelijk zijn voor je keuzes, dat klinkt misschien goed, maar gelooft er iemand echt dat werknemers alles in hun loopbaan, in hun leven, zelf kunnen kiezen? Zorgtaken moeten opnemen voor een ouder, een kind of partner, weggesaneerd worden bij een herstructurering, beperkte carrièremogelijkheden omwille van je huidskleur, zelf ziek vallen… heeft dat iets te maken met keuzes? En wat met de genderverschillen op de arbeidsmarkt: is het als enige aan de werknemer, man én vrouw, om onderling de juiste keuzes te maken en zelf de loopbaan te sturen? Alsof dat zomaar vanzelfsprekend is. Zolang mannen meer verdienen voor hetzelfde werk, zolang vrouwen binnen bepaalde sectoren en in bepaalde beroepen niet welkom zijn, zolang een bedrijfscultuur van over-presteren op inefficiënte laatavondvergaderingen schering en inslag blijft in heel wat ondernemingen, … kan het met dat zelfsturend vermogen wel eens tegenvallen. En wat deeltijds werk betreft: ook dat is vaak verre van een vrijwillige keuze. Je zal maar in een beroep werken waar voltijdse jobs bijzonder moeilijk te vinden zijn (distributie, schoonmaak, kleinhandel).

Er zijn dus heel wat grenzen aan de eigen keuzemogelijkheid. En zelfs in zaken die wél een eigen keuze kunnen inhouden, is het niet altijd logisch dat daar ook een individuele verantwoordelijkheid uit moet volgen. Is er bijvoorbeeld iemand die zou durven suggereren dat werkgevers voortaan vrouwen zomaar mogen ontslaan wanneer ze ervoor kiezen om zwanger te worden?
Er blijft naast individuele verantwoordelijkheid, dus ook een verpletterende maatschappelijke verantwoordelijkheid, waarvan we niet zomaar een abstractie kunnen of mogen maken. En laten we meteen ook komaf maken met de boutade dat het louter ondernemers (en hun concurrentiekracht) zijn die de welvaart creëren. Welvaart wordt gecreëerd in de reële economie en door het samenwerken van werkgevers en hun werknemers. Beiden moeten daarbij behoorlijk beloond worden voor de gedane inspanningen en de gecreëerde welvaart moet worden aangewend om maatschappelijke noden en doelstellingen te vervullen.

DE LUCHTSPIEGELING VAN INDIVIDUELE FORMULES

Het individueel opsparen en naar eigen voorkeur opgebruiken van allerhande verlof klinkt natuurlijk wel aantrekkelijk. Er wordt je immers een grote vrijheid voorgespiegeld om dit op te nemen (later in de loopbaan bijvoorbeeld, of net als de kinderen nog klein zijn). Maar hoe realistisch is die vrijheid? Dit idee komt er eigenlijk op neer dat de druk om te presteren nog meer zal worden opgedreven. En wel nu, want het verlof is voor later. Het zorgt er ook voor dat werknemers tegen elkaar worden opgezet. Want laten we eerlijk zijn: wie weinig verlof opneemt zal goede punten krijgen, wie dat niet doet mag zijn biezen pakken. En op je ouwe dag, met een flink bijeen gespaard verlofkaartje om het rustiger aan te gaan doen: wie zal je dan nog aanwerven? Kortom, nog meer stress dus in de jonge jaren, nog meer werkdruk, nog meer jongleren tussen je job en je gezin en later nog minder kans om nog aan een job te geraken.

Collectieve rechten en formules zoals tijdskrediet zijn gebaseerd op de premisse dat iedereen die er nood aan heeft er gebruik van kan maken op het moment dat men er nood aan heeft, en dat gefinancierd via een gedeelde verantwoordelijkheid en solidariteit. Formules als het rugzakmodel zijn gebaseerd op de premisse van individuele keuzes die alles bepalen, een op-is-op sociale zekerheid, in de eerste plaats gefinancierd door de werknemer zelf.

NIET HET PROBLEEM MAAR DE OPLOSSING

Het probleem met onze loopbanen vandaag is niet dat we te veel verlofregelingen kennen, maar wel dat de prestatiedruk alsmaar blijft stijgen. En dat zorgt trouwens ook meteen voor één van de voornaamste redenen waarom het vraagstuk van langer werken niet zo eenvoudig op te lossen valt. In maart 2012 nog was er het zoveelste onderzoek daarover (van SD Worx) waarbij bleek dat het langdurig ziekteverzuim toeneemt. Oorzaken daarvoor zijn volgens de onderzoekers vooral te zoeken bij een toenemend probleem van stress, arbeidsomstandigheden, weinig aangepast werk voor ouderen en de daarbij horende motivatieproblemen. Met andere woorden: de zogenaamde citroenloopbaan, toenemende werkdruk en een tekort aan werkbaar werk.

Systemen die het mogelijk maken om de loopbaan te onderbreken en/of de combinatie tussen arbeid en gezin te vergemakkelijken, zijn net een manier om daarop een antwoord te bieden. Maak de loopbaan meer doenbaar en men zal langer actief blijven. Natuurlijk is verlof niet de enige determinant in die vergelijking. Het is ook een verhaal van inzetten op innovatiegedreven groei, op een andere bedrijfscultuur, op billijke verdeling van de lasten om onze sociale zekerheid gaaf te houden, en op een loopbaanmodel waarin naast werkgevers ook werknemers hun verantwoordelijkheid moeten nemen, maar zonder dat dit neerkomt op een eigen-schuld-dikke-bult-beleid en dus mét aandacht voor gemeenschappelijke en maatschappelijke behoeften.

CIRCA 1770

Tot slot nog een kleine uitsmijter. Een wettelijk minimum aantal verlofdagen, zwangerschapsverlof, ouderschapsverlof, tijdskrediet, … het zijn allemaal rechten die over decennia heen zijn opgebouwd en die een decente loopbaan mogelijk maken, die een verbetering van de kwaliteit van leven en werken hebben bewerkstelligd. Bij de introductie van al die rechten is er in het verleden elke keer, zonder uitzondering, een golf aan tegenstand geweest van werkgevers die ze als onbetaalbaar, nefast voor de economie, een bedreiging voor de welvaart, onmogelijk in de praktijk te brengen, enzovoort, hebben bestempeld. Wie er het werk van de historicus Duplessis1 en aanverwanten op naleest, zal zelfs ontdekken dat werkgevers al van in het midden van de 18e eeuw, toen het werken in loondienst nog maar pas aan een schuchtere opgang begon, hetzelfde discours ten toon spreiden als het gaat over verlofregelingen, te weinig werken en de gebrekkige attitudes van werknemers.

Twee kleine voorbeeldjes wil ik u niet onthouden:
‘Great earnings have a strong effect on all who remain even the least inclined to idleness, by causing them to work but for four or five days to maintain themselves for seven days.’ (Arthur Young, Northern Tour, 1770)
‘Lange ervaring leert dat wanneer gewone mensen samenkomen bij publieke gelegenheden zich allerlei onregelmatigheden voordoen: aangelokt door onwettig tijdverdrijf of zelfs alleen maar door vulgair amusement verspillen zij onbeheerst hun tijd en geld, dat alles tot hun eigen groot verlies en dat van hun werkgevers.’ (Henry Zouch, 1786)

De vakbonden worden er wel eens van beschuldigd dat zij recepten uit de 20ste eeuw blijven voorstaan. Bij deze stel ik vast dat sommige recente uitspraken van werkgevers al in de 18e eeuw bon ton waren. Laat u dus vooral niet in de luren leggen, wanneer binnenkort de roep om meer te werken steeds luider zal weerklinken. Het gaat om wel heel oude wijn, ongetwijfeld al wat verzuurd, ondanks de fonkelnieuwe crisisverpakking.

Philippe Diepvents
Adviseur Vlaams ABVV

Noot
1/ R.S.Duplessis, Transitions to Capitalism in Early Modern Europe, Cambridge University Press, 1997.

arbeid - financiële crisis - werkgelegenheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 8 (oktober), pagina 17 tot 21