Log in

Is ons belastingstelsel fair?

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 8 (oktober), pagina 46 tot 57

Het is bon ton om te zeggen dat een hoge belastingdruk een hypotheek legt op de economische groei en dat overheden ontvet moeten worden. Met deze bijdrage willen we het huidige debat over fiscaliteit verruimen. Het overheidsbeslag in België is inderdaad hoog, maar anderzijds - en dat is niet toevallig - heeft ons land een prominente plaats op lijsten van landen met een hoge levensstandaard en een uitgebouwde sociale welvaartsstaat. Dragen de sterkste schouders in België de zwaarste lasten? Nee, zo blijkt. De gezinsbelastingen dragen veel meer bij dan de ondernemings- en vermogensbijdragen, die bovendien nauwelijks progressief zijn. Er is in ons belastingsysteem nog veel ruimte voor meer draagkracht en gelijkheid. We doen realistische voorstellen om, via een verschuiving van de belastingdruk, te komen tot een meer faire en efficiënte fiscaliteit.

DE PRIJS VAN DE BESCHAVING

1

Stel je een wereld zonder belastingen en sociale bijdragen voor waar onderwijs, gezondheidszorg, openbaar vervoer, enzovoort worden aangeboden tegen kostprijs. Het resultaat zou een fundamenteel ongelijke samenleving zijn waar een groot deel van de bevolking uitgesloten is van basisdiensten. Twee derden van onze fiscale en sociale bijdragen gaan naar onderwijs, gezondheid en sociale zekerheid. De rest gaat naar politie, rechters, gevangenissen, brandweer, openbaar vervoer, infrastructuur, cultuur, milieubescherming, etcetera. En ook de (vrije) markt is gebaat bij belastingen. Zo beschermt het rechtssysteem eigendom tegen contractbreuk en diefstal.2 Verder zorgt de overheid voor een level playing field en stimuleert zij innovatie.
Ondanks de vaststelling dat ‘belastingen’ bij veel mensen een negatieve bijklank hebben, bestaat er een consensus dat de meeste burgers en ondernemingen bereid zijn om hun ‘fair share’ te betalen mits zij de indruk hebben dat de besteding van de belastinggelden door de overheid efficiënt gebeurt en dat alle inkomens naar draagkracht bijdragen.

KRACHTLIJNEN EN UITDAGINGEN VOOR EEN EERLIJKE FISCALITEIT

Een faire fiscaliteit moet meer doen dan de financiering van de welvaartstaat garanderen. Er bestaat een maatschappelijke consensus dat het belastingstelsel ook de inkomensongelijkheid moet terugdringen.3 Onderzoek heeft aangetoond dat een grotere inkomensgelijkheid sociale en gezondheidsproblemen vermindert. Het is zelfs zo dat mensen uit de hogere inkomenscategorieën in landen met een meer gelijke inkomensverdeling er beter aan toe zijn dan hun inkomensgenoten in ‘ongelijke’ landen. Met andere woorden, het welzijn van een samenleving wordt niet bepaald door het absolute niveau van de welvaart, maar door de mate waarin de welvaart is verdeeld.4
Herverdelende belastingen vereisen een doorgedreven combinatie van het gelijkheidsbeginsel (gelijk inkomen gelijke bijdrage, ongeacht de bron van het inkomen) met het draagkrachtbeginsel (de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten). Hoe groter iemands financiële draagkracht is, hoe meer die kan en moet bijdragen. Dat zorgt voor de noodzakelijke herverdeling. Het draagkrachtbeginsel vereist dat in het fiscaal bijdragesysteem ‘progressiviteit’ ingebouwd is. Voor de bepaling van iemands financiële draagkracht is niet enkel het inkomen van belang - ongeacht de bron van dat inkomen - maar ook het bestedingspatroon en het vermogensbezit.
Daarnaast hebben belastingen een belangrijke rol te vervullen in de bijsturing van de vrije markt. Het gedrag van consumenten en producenten wordt sterk beïnvloed door prijsprikkels. Belastingen kunnen worden ingezet zodat, hetzij de externe kosten zoveel mogelijk geïnternaliseerd worden in de economische processen die deze externe kosten veroorzaken (bijvoorbeeld ecotaksen), hetzij maatschappelijk gewenst gedrag wordt beloond (bijvoorbeeld de belastingvermindering voor energiebesparende investeringen of de talrijke fiscale R&D-incentives).
Ten slotte worden de huidige fiscale beleidsmakers geconfronteerd met een aantal uitdagingen die de beleidsmarge beperken. Vooreerst moet een kleine open economie als België rekening houden met de mobiliteit van mensen en kapitaal in een geglobaliseerde wereld.5 Landen concurreren met elkaar om fiscale oases aan te bieden met betrekking tot zeer mobiele belastinggrondslagen zoals ondernemingswinsten en beleggingen.6 Voor deze inkomstenbronnen ontstaat een race to the bottom waardoor een belasting naar draagkracht meer en meer onder druk komt. De Europese Commissie spreekt van een fiscale degradatie om een proces aan te duiden waarin de lidstaten elkaar verhinderen kapitaal effectief te belasten. Als gevolg daarvan schuift de lastendruk naar immobiele grondslagen, zoals arbeid (met werkloosheid tot gevolg).7
Ook producenten en consumenten worden steeds mobieler. Stel dat de Belgische regering in het kader anti-rookbeleid naar het voorbeeld van Nieuw-Zeeland8 zou beslissen om via de accijnzen de prijs van een pakje sigaretten over een periode van vier jaar met veertig procent te verhogen. Consumenten zouden hun aankopen onmiddellijk verleggen naar de buurlanden waardoor het gewenste effect zich niet voordoet. Een ander voorbeeld is de belasting op vliegtuigtickets - een compensatie voor het feit dat kerosine is vrijgesteld van indirecte belastingen - die zowel in Nederland als Duitsland geleid heeft tot het vertrek van luchtvaartmaatschappijen.
De vaststelling is dat economische mondialisering onvermijdelijk leidt tot verlies van wetgevende soevereiniteit.9 Sommige heffingen kunnen enkel nog op een multilaterale of supranationale basis effectief worden ingevoerd, gereguleerd of geïnd. Het voorbeeld bij uitstek is de taks op financiële transacties.
Respect voor het gelijkheidsbeginsel vereist ook dat we ons niet blindstaren op de juridische werkelijkheid die pro-formaconstructies en fiscale schijnvertoningen toelaat waarvan het realiteitsgehalte voor de niet fiscaal geschoolde belastingplichtige niet of nauwelijks onder woorden is te brengen. Een voorbeeld zijn de successierechten met progressieve tarieven in de drie regio’s. Toch is dit de facto wellicht de meest regressieve onder de Belgische belastingen: een combinatie van hand- en bankgiften, inbreng in maatschappen en schenkingen voor een buitenlandse notaris leidt ertoe dat toekomstige successierechten tot een fractie worden herleid. Dat twee belastingplichtigen die zich socio-economisch in een (quasi) identieke situatie bevinden fiscaal verschillend zouden worden behandeld omdat de ene zijn situatie juridisch anders heeft ingekleed, valt niet te rijmen met een fair fiscaal systeem. Een effectieve algemene antimisbruikmaatregel verhindert dergelijke agressieve belastingontwijking.
Ten slotte wordt een coherente uitwerking van de belasting naar draagkracht ook bemoeilijkt door de toenemende regionalisering van de belasting met de daarbij horende verkaveling van de fiscale bevoegdheden over diverse fiscale wetgevers.

Hierna gaan we na in welke mate het Belgisch belastingstelsel beantwoordt aan deze krachtlijnen.

HOE HERVERDELEND ZIJN DE BELGISCHE BELASTINGEN?

Een visie over belastingen is fundamenteel verbonden met een visie op de samenleving en over welke rol de overheid daarin te spelen heeft. In een zuivere markteconomie - waarbij de overheid niet ingrijpt - wordt de inkomensverdeling bepaald door de vergoeding die we ontvangen voor het ter beschikking stellen van arbeid en kapitaal (respectievelijk lonen, huur, interesten en dividenden). Deze primaire inkomensverdeling leidt tot grote inkomensverschillen, onder meer omwille van het ongelijke vermogensbezit. Als we een samenleving willen waarin iedereen gelijke kansen krijgt, dan is een strategische en actieve overheid nodig die de primaire inkomensongelijkheid reduceert.
Een belangrijke opmerking vooraf is dat het terugdringen van ongelijkheid in mindere mate het resultaat is van de ontvangsten10, maar in grote mate afhangt van wat je vervolgens met die ontvangsten doet, hoe je ze bestemt. De herverdeling via de bestemming van de overheidsuitgaven wint overigens aan belang omdat ook de bronnen van inkomensongelijkheid aan het veranderen zijn. In een open en ontwikkelde samenleving zal tastbare rijkdom in afnemende mate de inkomensverdeling sturen. Die rol zal meer en meer worden overgenomen door de factor menselijk kapitaal. Wie de inkomensongelijkheid in de toekomst wil aanpakken, moet daarom zorgen dat de verwerving van menselijk kapitaal (in de eerste plaats via het onderwijs) voor iedereen toegankelijk is.
Internationaal vergeleken slaagt België er goed in om de inkomensongelijkheid na herverdeling te beperken. De meest recente OESO-cijfers wijzen uit dat slechts drie landen een meer gelijke inkomensverdeling kennen en dat België een van de weinige landen is waar de inkomensongelijkheid sinds de jaren 1980 niet is toegenomen.11 Tabel 1 geeft per inkomensdeciel goed weer hoe de personenbelasting, uitkeringen en consumptieheffingen de inkomensverdeling beïnvloeden. 12

Tabel 1: Sociale bijdragen, sociale uitkeringen, personenbelasting en indirecte belastingen (in euro) per deciel van equivalent beschikbaar inkomen (2003).

Tot en met het vijfde deciel is een gezin netto-ontvanger. Het is ook duidelijk dat voor gezinnen die bijna uitsluitend van uitkeringen leven (laagste decielen) de indirecte belastingen heel zwaar doorwegen. Opmerkelijk is dat de sociale bijdragen de verdeling nauwelijks veranderen. De sociale uitkeringen daarentegen, brengen - niet onverwacht - de ongelijkheid spectaculair terug. Ook de personenbelasting is een sterk herverdelend systeem, terwijl de indirecte belastingen regressief zijn. Het herverdelend effect van wat we de nettobelasting zouden kunnen noemen (alle betaalde belastingen minus de ontvangen uitkeringen) is ontegensprekelijk herverdelend. De ongelijkheid wordt ongeveer gehalveerd.
Dit mag echter geen aanleiding geven tot (zelf)genoegzaamheid. In de eerste plaats omdat geen enkel land immuun is voor de drijvende krachten achter toenemende ongelijkheid. Periodes van budgettaire consolidatie houden een extra risico op toenemende ongelijkheid in. Bovendien is de marge om het globale bijdrageniveau nog te verhogen, met het oog op meer herverdeling, beperkt: de fiscale en sociale bijdragen als percentage van het BBP schommelt sinds 2003 rond de 44% en ze zijn enkel hoger in Zweden en Denemarken. Is dergelijk hoog bijdrageniveau per se nefast voor de economische groei en de competitiviteit van een land? Neen, hiervoor blijkt geen empirisch bewijs te zijn.13 De Grauwe en Polan stellen zelfs vast dat ‘the rich countries that spend most on social needs rank highest, on average, in terms of competitiveness. Thus, social spending does not seem to hinder countries in their continuous battle for competitiveness. On the contrary, high social spending goes together with strong competitiveness’.14
De herverdelingskracht van het bijdragesysteem is de resultante van twee factoren: het globale bijdrageniveau (de totale fiscale en parafiscale ontvangsten) en de progressiviteit (de manier waarop die lasten verdeeld zijn over de bevolking). Het herverdelende aspect zit in het feit dat niet iedereen in dezelfde mate moet bijdragen. Een inkomstenbelasting is progressief indien een stijging van het inkomen een meer dan proportionele stijging van de belasting met zich meebrengt (dus indien het gemiddeld tarief stijgt met het inkomen). Hetzelfde geldt voor consumptie- of vermogensbelastingen, met dit verschil dat in de plaats van het inkomen het uitgavenpatroon of de vermogenssituatie als indicator van welvaart wordt gebruikt. Een zeer progressieve belasting met een erg beperkte totale opbrengst zal bijgevolg maar weinig effect hebben op de inkomensongelijkheid. Omgekeerd zal een veel minder progressieve belasting met een belangrijke totale opbrengst een groter herverdelingseffect hebben. Het voorgaande impliceert ook dat een belastingverlaging leidt tot minder herverdeling, tenzij men tegelijk de progressiviteit opvoert.

In het hoofdstuk hierna gaan we na of de belastingdruk in België fair en evenwichtig is verdeeld. Hoe is de lastendruk verdeeld over de productiefactoren arbeid en kapitaal? Belasten we eerder inkomsten dan bestedingen? Worden personen die zich in dezelfde situatie bevinden op dezelfde manier behandeld (principe van horizontale billijkheid)? En, worden de belastingen gevestigd volgens de draagkracht of de welvaart (principe van verticale billijkheid)?

Tabel 2: Benchmarking belastingdruk en belastingmix in EU-verband (jaar 2010).15

DRAAGKRACHT ONDER DRUK. INKOMSTEN UIT ARBEID BETALEN HET GELAG

Belastingdruk in EU-perspectief

Ongeveer de helft van het nationaal inkomen kwam in 2010 ten goede aan de productiefactor arbeid in de vorm van lonen en salarissen. Maar de gezinnen wiens belangrijkste bron van inkomen arbeid is, draaien wel op voor 80 procent van alle fiscale en sociale bijdragen die de overheid int (namelijk sociale bijdragen, bedrijfsvoorheffing en consumptiebelasting).

In haar rapport ‘Belasting op arbeid, werkgelegenheid en concurrentievermogen’ stelt de Hoge Raad van Financiën:
‘Welke indicator ook gebruikt wordt, de internationale vergelijking toont een belasting van loonarbeid aan die hoger is dan in het merendeel van de andere landen, zowel wanneer als referentiezone de Europese Unie als de OESO gehanteerd wordt. Deze vaststelling geldt ook ten opzichte van onze meest nabije buurlanden (Duitsland, Frankrijk, Nederland). Deze belasting op arbeid is ongunstig voor de werkgelegenheid’.16
Met andere woorden, België prijst zich uit de (arbeids)markt. Er is eensgezindheid dat een verlaging van de bijdragedruk op arbeidsinkomsten aangewezen is. Daarmee kunnen meerdere doelstellingen worden bereikt die op zich staan maar daarenboven ongelijkheid verminderen, zoals de verhoging van de werkzaamheidsgraad en de vermindering van het verschil tussen de belasting op inkomens uit arbeid en inkomens uit kapitaal.

Progressiviteit van de heffingen

Globaal beschouwd kunnen we stellen dat het bijdragesysteem progressief is. Het globale gemiddelde tarief - de som van de gemiddelde aanslagvoeten van de personenbelasting, de sociale bijdragen en de indirecte belasting - loopt op van 13,4% in het eerste deciel tot 46,7% in het tiende deciel. In de eerste plaats is de personenbelasting daar verantwoordelijk voor via de belastingvrije som, de progressieve marginale belastingtarieven (25% tot 50%) en de belastingverminderingen voor vervangingsinkomens zoals pensioenen, ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en werkloosheidsuitkeringen.17 Ondanks proportionele tarieven zijn ook de sociale zekerheidsbijdragen in beperkte mate progressief, hoofdzakelijk omdat de uitkeringen zelf nagenoeg niet onderworpen zijn. De indirecte belastingen, met name de btw en accijnzen, zijn regressief in verhouding tot de beschikbare inkomens van de gezinnen (doordat de spaarquote toeneemt over de inkomensdecielen).18

Tabel 3: Gemiddelde belastingvoet voor sociale bijdragen, personenbelasting en indirecte belastingen (in %).19

Een belangrijke kanttekening bij Tabel 3 is wat zij niet kan tonen. Het vermogensinkomen dat opduikt in de aangiften personenbelasting is verwaarloosbaar. Nochtans was een belasting naar draagkracht het uitgangspunt van de belastinghervorming in 1962 die werd geconcretiseerd via een globalisering van alle inkomsten - inclusief inkomsten uit vermogen - die onderworpen worden aan een progressief tarief met een belastingvrije som als milderende factor. Goed 50 jaar later worden roerende inkomsten en meerwaarden ofwel onbelast (bijvoorbeeld beleggingsverzekeringen en deelbewijzen van beleggingsinstellingen) ofwel onderworpen aan een bevrijdende roerende voorheffing van maximaal 25%. De progressiviteit speelt enkel nog voor activiteitsinkomsten en … voor onroerende inkomsten, met die nuancering dat de inkomsten uit privé-verhuur onderbelast zijn (omdat enkel het kadastraal inkomen wordt aangegeven).20De vaststelling is dat de helft van de roerende inkomsten geen progressieve heffing ondergaan en dat de andere helft niet aan roerende voorheffing zijn onderworpen.21 We weten ook dat de uitstaande financiële activa van de gezinnen een totale waarde hebben van meer dan twee keer het BBP. Bovendien is de verdeling van het roerend en onroerend vermogen (en de inkomsten daaruit) ongelijker dan het inkomen uit arbeid. Volgens onderzoek van professor Vuchelen bezitten de 10 procent rijkste mensen 50 procent van het totale vermogen. De drie hoogste decielen bezitten samen ruim 70 procent van het vermogen tegenover 53 procent van het inkomen uit arbeid (na belastingen). Wat het financieel vermogen betreft is de concentratie nog groter: de 10 procent rijksten zijn goed voor 53 procent, en voor 62 procent van het financieel vermogen met marktwaarde.22 Dit terwijl de jaarlijkse ontvangsten van de roerende voorheffing amper 2,5 miljard euro bedragen. Dit is nog geen 1% van het BBP.
Het verbaast dan ook niet dat het impliciet tarief voor fiscale bijdragen op vermogensinkomsten meer dan de helft lager ligt dan het impliciet bijdragetarief op arbeidsinkomsten (zie Tabel 4). Dat we daarmee respectievelijk onder en boven het gemiddelde van de landen van de eurozone zitten, geeft aan dat er ruimte is voor een verschuiving zonder dat het gemiddelde inzake bijdragen op vermogensinkomsten te moeten overtreffen.

Tabel 4

Inzake vermogensfiscaliteit is er in België nog veel ruimte voor meer horizontale billijkheid waarbij alle inkomens uit kapitaal op een gelijke manier in de belastingheffing worden betrokken. De in 2012 ingevoerde ‘rijkentaks’ van 4% voor interesten hoger dan de eerste schijf van 20.020 euro zal aan het hiervoor geschetste onevenwicht zo goed als niets veranderen. Daarvoor zijn ingrijpender maatregelen nodig.
Een ander belangrijk lek in de progressiviteit van ons systeem is het fenomeen van de ‘vervennootschappelijking’, waarbij arbeidsinkomsten maximaal worden omgezet in vennootschapswinsten. Het fenomeen van de vervennootschappelijking is geen marginale problematiek. Volgens een recente studie van de EC is ongeveer 1/5de van de inkomsten van de vennootschapsbelasting het gevolg van dergelijke ‘income shifting’.23 Het is één van de verklaringen voor de zogenaamde ‘corporate income tax rate-revenue paradox’ waarbij dalende tarieven in de vennootschapsbelasting zich niet vertalen in dalende inkomsten uit de vennootschapsbelasting.

Vennootschapsbelasting in België: meehuilen met de wolven in het bos

Als belasting op winst, en niet op de economische activiteit als zodanig, is de vennootschapsbelasting een fair fiscaal instrument. Als een onderneming winst maakt, is het logisch dat daar een deel van terugvloeit naar de gemeenschap. Bedrijven maken winst mede dankzij voldoende opgeleide en gezonde werknemers, noodzakelijke infrastructuur, rechtszekerheid, en nog veel meer zaken die via overheidsgeld tot stand komen. Ondernemingen beseffen dat ook zelf. Uit een recente studie van de EC blijkt dat ‘[E]ffective tax rates do not seem to be a determinant of investment directed to high quality economies. (…) [H]igh taxes do not seem to be a deterrent to investing into advanced economies as commonly feared, while at the same time a low…fiscal burden on corporations might prove insufficient to attract productive capital in the absence of market-supporting institutions’.24
Tot zover de theorie. De praktijk is anders, ook in België. Ondernemingen maken allang gebruik van de mobiliteit van hun winsten. Zij maken gebruik van belastingparadijzen in min of meer obscure ministaatjes.25 Ofwel laten zij zich lokken door gunstige fiscale regelingen in industrielanden. België laat zich daarin niet onbetuigd in de wetenschap dat schadelijke belastingconcurrentie een halt toeroepen enkel op internationaal of supranationaal niveau kan gebeuren.
Het wettelijke (nominale) tarief van de vennootschapsbelasting in België bedraagt 33,99%, het impliciet tarief 16%. Daaruit blijkt dat België een relatief groot aantal fiscale niches heeft. Er is de notionele interestaftrek en de octrooiaftrek die onder meer intragroepsfinancieringsactiviteiten en R&D-centra naar België lokt. En multinationale ondernemingen rekenen in België niet zelden kunstmatig hoge prijzen aan voor diensten of goederen van dochtervennootschappen in landen met lage belastingtarieven (transfer pricing).26 Zo houden zij de winst in landen met lage tarieven hoog, en in landen met hoge tarieven (in casu België) laag, en betalen als groep minder belasting. De Belgische rulingdienst speelt hierin mee met de zogenaamde ‘excess profit rulings’, die toelaten om een deel van de boekhoudkundig in België gerapporteerde winst buiten de belastbare grondslag te houden, met als gevolg dat die doorgaans onbelast blijft.27 In de Belgische handhaving blijft het risico van grondslagerosie via ‘transfer pricing’ overigens schromelijk onderbelicht, dit in tegenstelling tot andere landen.28
KMO’s zonder grensoverschrijdende activiteiten kunnen veel minder gebruik maken van deze fiscale incentives waardoor voor deze KMO’s het effectief tarief dichter bij het nominaal tarief van de vennootschapsbelasting komt te liggen. ‘Waarom schaffen we de notionele interest niet af en gebruiken we het bedrag van de corresponderende fiscale uitgave niet om het tarief gevoelig te verlagen (tot beneden de 25%)?’, is een veelgehoorde boutade. Dat zou een ernstige misrekening zijn. Immers, nog voor de afschaffing een feit is, is een groot deel van de Belgische financieringsactiviteiten - en hiermee ook de belastbare winst - gedelokaliseerd naar bijvoorbeeld Luxemburg of Zwitserland. De tariefverlaging zal bijgevolg een gat in de begroting slaan.
Overigens is niet zozeer de notionele interestaftrek een probleem, maar wel de aftrek van reële interest. Mede omwille van de afwezigheid van (verplichte) fiscale consolidatie van verbonden ondernemingen is het mogelijk om binnen de groep voor eenzelfde bedrag een reële en een notionele interestaftrek te bekomen (de zogenaamde ‘double dip’).

Consumptie- en milieubelastingen

Om in plaats van inkomsten de bestedingen te belasten, zijn er drie mogelijkheden: de btw, de accijnzen en enkele andere heffingen, zoals de verkeersbelastingen. De impliciete belastingdruk op consumptie bedraagt in ons land 21,4 procent. Het aandeel van de verbruiksbelastingen in de totale belastinginkomsten is voor België lager dan in de ons omringende landen: 24,7 procent tegenover 34,4 procent gemiddeld in de EU.29 Ondanks het relatief hoge btw-tarief van 21% zijn er 17 lidstaten die een hogere btw-ontvangst uitgedrukt in percentage BBP hebben. Op het gebied van de accijnzen zijn er slechts twee lidstaten die een lagere opbrengst halen.
Het verwondert daarom niet dat internationale instellingen (IMF, OESO,..) aanbevelen dat België dringend werk moet maken van een shift van de lasten op arbeid naar consumptie om de tewerkstelling.30 Inzake btw, die in essentie een Europese belasting is, is de bewegingsruimte voor de lidstaten in deze hypothese echter beperkt tot een tariefverhoging, de afschaffing van het verlaagd tarief of het afschaffing van een vrijstelling.
De verschuiving van lasten op arbeid naar lasten op milieuvervuiling en andere externe kosten (congestie) wordt bepleit sinds de Club van Rome met haar rapport over de eindigheid van ons grondstoffengebruik kwam. België kent echter weinig echte milieubelastingen. De accijnzen op brandstof, tabak en alcohol komen het dichtst in de buurt van gedragsturende belastingen ten voordele van milieu en gezondheid. De inkomsten uit dergelijke belastingen bedragen alles bij elkaar zo’n 4,5 miljard euro of ongeveer 1,5 procent van het BNP. Opmerkelijk: de belastingen op energie zijn nergens in de EU lager dan in België.

FRAMEWORK

VOOR EEN EERLIJKE, EENVOUDIGE EN EFFICIËNTE FISCALITEIT

Bovenstaande analyse toont aan dat ons belastingsysteem op gespannen voet staat met zowel het draagkracht- als het gelijkheidsbeginsel. De bijdrage aan de financiering van de welvaartstaat is ongelijk verdeeld. Er bestaat eensgezindheid over dat de belastingdruk op arbeid significant naar omlaag moet teneinde zowel het aanbod als de vraag op de arbeidsmarkt te stimuleren.
Gezien de budgettaire situatie is dergelijke lastenverlaging op korte termijn niet aan de orde tenzij mits een drastische verschuiving. Onderzoek wijst uit dat een verlaging van de sociale bijdragen op de lagere lonen voor de meeste jobs zorgt. Het verhogen van de belastingvrije som zorgt dan weer voor meer koopkracht. We verkiezen een gezonde mix van beide. Een verlaging van de sociale bijdragen op lonen moet worden gecompenseerd door een verhoging van de alternatieve financiering van de sociale zekerheid via belasting op grondslagen die niet aan in België gepresteerde arbeid gebonden zijn: inkomsten uit kapitaal en bestedingen.
Met betrekking tot de inkomsten uit kapitaal is er nood aan herstel van ‘level playing field’ en verhoging van de transparantie. Het huidige arbitragegevoelige amalgaam van tarieven en vrijstellingen wordt best vervangen door een ‘forfaitaire rendementsheffing’ (presumptive capital income tax) naar Nederlands model.31 De fiscale bijdrage op de vermogensinkomsten wordt berekend op basis van een forfaitair rendement op het vermogen van 4% waarbij een eerste schijf van het vermogen is vrijgesteld. Aan een algemeen tarief van 25% zou dergelijk systeem bijkomende opbrengst genereren van ongeveer 1% BBP.32 En als we meer progressiviteit willen invoeren, kan naast de belastingvrije som gekozen worden voor oplopende tarieven. De grondslag is zeer ruim: het ganse roerend en onroerend vermogen, maar met uitzondering van de eigen woning, pensioenvoorzieningen en bezittingen voor persoonlijk gebruik (auto, inboedel). Het Nederlandse model is eenvoudig en eenvormig, met een ruime stabiele grondslag en minimale arbitragemogelijkheden, dat relatief hoge en stabiele opbrengsten genereert en tegelijk de modale spaarder ontziet.
Het voorgaande impliceert dat het (forfaitair) rendement op onroerend vermogen niet meer is gebaseerd op het kadastraal inkomen, maar wordt berekend op de werkelijke waarde. Het impliceert ook dat de financiële instellingen de nodige informatie met betrekking tot roerend vermogen aan de fiscus bezorgen. Ten aanzien van de fiscus zou het bankgeheim - een van de grootste fiscale uitgaven in België - volledig verdwijnen. Vandaag wordt de correcte heffing van de belasting als prioritair aangevoeld op het anoniem vermogensbezit.
Met betrekking tot de vennootschapsbelasting pleiten we niet voor een ‘big bang’ waarbij fiscale niches sneuvelen of fors worden ingeperkt en een uitruil plaatsvindt met een tariefverlaging die België tot in het Europese middenpeloton zou brengen (d.w.z. een tarief tussen 22% en 25%). Dit mag conservatief lijken, maar dergelijke big bang in een context van internationale concurrentie en tussen fiscale niches shoppende ondernemingen houdt serieuze budgettaire risico’s in die bovendien niet zonder gevolgen zullen zijn voor de tewerkstelling. Voor een fundamentele herziening van de vennootschapsbelasting is het aangewezen om zich in te schrijven in het voorstel van de Europese Commissie om één Europese belastbare grondslag voor vennootschappen te creëren (Common Consolidated Corporate Tax Base).33 Ondertussen is een meer efficiënte en effectieve controle op winstverschuivingen naar laagbelaste landen of belastingparadijzen vereist (zogenaamde ‘transfer pricing’). België maakt hiervan onvoldoende prioriteit, dit in tegenstelling tot de overige OESO-lidstaten die hun wetgeving en sancties aanscherpen en voldoende gespecialiseerde controleteams inzetten. Ten slotte is de Belgische fiscus te gul met het vrijstellingsregime voor winsten gerealiseerd in buitenlandse filialen. Onbelaste winsten kunnen vanuit ‘tax havens’ en ‘free zones’ worden gerepatrieerd en worden vervolgens in België een tweede maal onbelast gelaten. Dit is een uitnodiging tot delokalisatie van winsten en arbeid.
België loopt ecologisch achter op het fiscale beginsel dat de vervuiler betaalt. België moet de stap zetten naar meer belasting op het verbruik van ongezonde, schaarse of vervuilende producten. Milieuheffingen mogen weliswaar niet als structurele financiering worden beschouwd. De voornaamste doelstelling is gedragswijziging. Daarbij is het cruciaal dat negatieve sociale effecten (fiscaal) worden gecompenseerd.34 Als argument voor een verschuiving verwijst men gemakkelijk naar de ‘dubbel dividend’: een milieubelasting, wanneer ze op de juiste manier wordt gerecycleerd, kan naast een verbetering in het milieu ook economische baten opleveren.
Wat de btw betreft zou een beperkte verhoging (bijvoorbeeld van 21% naar 22%) mogelijk zijn zonder dat de Belgische producten zich uit de markt prijzen. Meerontvangsten worden doorgeschoven om een lastenverlaging op arbeid te financieren. Met een lineaire btw-verhoging moet evenwel omzichtig worden omgesprongen. Er kan slechts een positief effect op werkgelegenheid zijn indien de impact op de loonindexatie wordt geneutraliseerd. Dit heeft ongetwijfeld negatieve effecten op de inkomensverdeling: mensen met lagere inkomens worden hierdoor zwaarder getroffen en een lastenverlaging op arbeid is wellicht onvoldoende gecibleerd om dit te compenseren.35
Ten slotte wordt algemeen aangenomen dat België een grote ‘tax gap’ heeft, veroorzaakt door fraude en ontwijking. De positieve keerzijde is dat hier een onbenut potentieel zit om de lasten op arbeid te verlagen.

Tom Jansen
Kabinetschef van de staatssecretaris voor de strijd tegen de fiscale en sociale fraude, John Crombez

Inti Ghysels
Kabinetsmedewerker van de staatssecretaris voor de strijd tegen de fiscale en sociale fraude, John Crombez

Noten
1/ ‘Taxes are the price we pay for civilization’, zo verwoordde Oliver Wendell Holmes, Jr, voormalig rechter in de US Supreme Court, in 1927 treffend hoe essentieel het belastingsysteem is voor het functioneren van een samenleving.
2/ L. Murphy en Th. Nagel, The Myth of Ownership, Taxes and Justice, Oxford, 2002.
3/ R. Musgrave, The theory of public finance: a study in the public economy, Mc Graw Hill, 1959.
4/ R. Wilkinson en K. Pickett, The Spirit Level: why more equal societies almost always do better, Penguin Books, 2009. Dit verband geldt enkel in landen waar het welvaartsniveau voldoende hoog is.
5/ H. Vording, ‘Dilemma’s van nationaal fiscaal beleid in een mondiale economie’, Echte Belastinghervorming, Kluwer, 1997, p. 43.
6/ V. Tanzi, Globalization, Technological Developments, and the Work of Fiscal Termites, 2000, IMF Working Paper 00/181.
7/ De zogenaamde Monti-paper (Discussion paper for the informal meeting of Ecofin Ministers, SEC(96) 487fin).
8/ ‘New Zealand announces 40% hike in tobacco taxes’, The Independent, 24 mei 2012.
9/ F. Vanistendael, ‘The European Tax Paradox: How Less Begets More’, Bulletin of International Fiscal Documentation, 1996, p. 531.
10/ Die zijn goed voor een kwart van de ongelijkheidsreductie: OECD, Growing Unequal? Income distribution and poverty in OECD countries, oktober 2008, p. 112.
11/ OECD, Divided we stand - Why income inequality keeps rising, december 2011, 400 p.
12/ Overgenomen van A. Decoster, ‘Zijn onze belastingen (nog) progressief?’, Armoede en sociale uitsluiting - Jaarboek 2009, Acco, pp. 145-162.
13/ G. Myles, Taxation and Economic Growth, Fiscal Studies, 2000, nr. 1, 157 (http://people.exeter.ac.uk/gdmyles/papers/pdfs/TaxGrow.pdf); F. Spagnoli, ‘There’s no There, There: Low Tax Rates and Economic Growth’, 2012 (http://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract\_id=1992918).
14/ P. De Grauwe en M. Polan, Globalisation and social spending, (2003), CESIFO Working Paper n° 885. Opmerkelijke vaststelling: in de competitiviteitsindex van World Economic Forum staan landen met hoge belastingdruk zoals Zweden en Finland respectievelijk 3de en 4de op 142 landen. België staat 15de, en wordt onder meer voorafgegaan door Denemarken en Duitsland.
15/ Eurostat, Taxation trends in the European Union, 2012, p. 60.
16/ Hoge Raad van Financiën, Afdeling ‘Fiscaliteit en Parafiscaliteit’, Belasting op arbeid, werkgelegenheid en concurrentievermogen, augustus 2007.
17/ A. Decoster, I. Standaert, C. Valenduc, en G. Van Camp, ‘What Makes Personal Income Taxes Progressive? The Case of Belgium’, Cahiers Economiques de Bruxelles/Brussels Economic Review 45 (3), 2002, pp. 91-112.
18/ K. Van Cauter en L. Van Meensel, ‘Het herverdelende karakter van de belastingen en de sociale bijdragen’, Economisch Tijdschrift NBB, 2006, 69. De btw, die het grootste gedeelte van de indirecte belastingen uitmaakt, is wel licht progressief ten opzichte van de bestedingen omdat het verlaagde tarief van 6% betrekking heeft op voedingsmiddelen die relatief meer door de gezinnen met lagere inkomens worden geconsumeerd.
19/ A. Decoster, K. De Swerdt en G. Verbist, ‘Indirect taxes and social policy: distributional impact of alternative financing of social security’, 2007, CES Discussion Paper 07.11.
20/ De belaste waarde van privaat verhuurde woningen is gemiddeld lager dan de helft van de werkelijke waarde, zo stelt de OESO vast: Hoj, How to reform the Belgian tax system to enhance economic growth, 2009.
21/ Particulieren hadden eind september 2011 voor meer dan 240 miljard euro financiële verzekeringen (tak 21 en tak 23- producten) uitstaan, bijna 100 miljard deelbewijzen van fondsen en 200 miljard op spaardeposito’s (Jaarverslag NBB 2011, p. 155).
22/ K. Rademaekers en J. Vuchelen, De verdeling van het Belgisch gezinsvermogen, CEMS-paper 335, 1998.
23/ R. De Mooij en G. Nicodème, Corporate Tax Policy and Incorporation in the EU, 2007, Taxation WP 11-2007.
24/ S. Fatica, Taxation and the quality of institutions: assymetric effects on FDI, 2009, Taxation WP 21-2009.
25/ J. Sharman, Havens in a Storm: The Struggle for Global Tax Regulation, Cornell University Press, 2006.
26/ P. Sikka en H. Wilmott. ‘The dark side of transfer pricing: Its role in tax avoidance and wealth retentiveness’, Critical Perspectives on Accounting, 2010, pp. 342-356.
27/ Ceteris, Guide to International Transfer Pricing: Law, Tax Planning and Compliance Strategies, Kluwer, 2010, p. 48.
28/ Voor een overzicht: Ernst & Young, Global transfer pricing tax authority survey. Perspectives, interpretations and regulatory change, 2012, 124 p.
29/ Europese Commissie, Tax Revenues in the EU: Recent trends and challenges ahead, 2007.
30/ IMF, ‘Addressing Fiscal Challenges to Reduce Economic Risks’, Fiscal Monitor, September 2011; R. De Mooij, en M. Keen, Fiscal Devaluation and Fiscal Consolidation: the VAT in Troubled Times, 2012, IMF WP/12/85.
31/ B. Brys, Tax arbitrage in the Netherlands, evaluation of the capital income tax reform of January 1, 2001, Tinbergen Institute Research Series, 2004, nr. 344.
32/ Hoge Raad van Financiën, Afdeling ‘Fiscaliteit en Parafiscaliteit’, Belasting op arbeid, werkgelegenheid en concurrentievermogen, augustus 2007.
33/ Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) COM(2011)121.
34/ Dat dit mogelijk is, bewijzen S. Dresner en P. Ekins, ‘Economic Instruments to Improve UK Home Energy Efficiency without Negative Social Impacts’, Fiscal Studies, 2006, nr. 1, pp. 47-74.
35/ A. Decoster, J. Loughrey, C. O’Donoghue en D. Verwerft, ‘How regressive are indirect taxes. A microsimulation analysis for five European countries’, Journal of Policy Analysis and Management, 2010, pp. 326-350.

belastingstelsel - belastingparadijzen - faire fiscaliteit - fiscaliteit

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 8 (oktober), pagina 46 tot 57