Abonneer Log in

Solidariteit in tijden van crisis

Wim Vermeersch
26 oktober 2012

Het blijkt, hier en elders, niet eenvoudig om te bezuinigen en tegelijkertijd de solidariteit die de verzorgingsstaat belichaamt in stand te houden. Delen is simpel in tijden van overvloed, maar in tijden van schaarste komt steeds meer argwaan in de plaats. De overtuiging dat mensen graag iets voor elkaar over hebben, valt steeds meer samen met de idee dat uitvreters overal op de loer liggen. Het is bon ton om negatief te doen over de tanende solidariteit in onze maatschappij. Het zal zaak zijn de verzorgingsstaat, in woord en daad, te blijven verdedigen om haar te beschermen.

Met wie willen we solidair zijn?

De steun voor de verzorgingsstaat wordt steeds minder vanzelfsprekend. Met de trend van de individualisering erodeert onze verbondenheid met anderen en daarmee onze verbondenheid met collectieve voorzieningen. Onderzoek toont aan dat bereidheid tot solidariteit het grootst is wanneer het gaat om mensen die buiten hun schuld behoeftig worden - ouderen, zieken, werknemers van Ford Genk - en dat die het kleinst is wanneer het gaat om mensen die in culturele zin het verst van ons af staan. Die laatsten moeten zich steeds meer verantwoorden voor hun hulpbehoevendheid. Waarom geld geven aan de bedelaar op de parking van Delhaize? Er bestaan sociale voorzieningen. Waarom uitkeringen verstrekken aan nieuwkomers? Ze beroepen zich op het solidariteitsstelsel nog voor ze er zelf aan hebben bijgedragen. Dat we minder bereid zijn te delen met mensen waar we niet op lijken, is ergens logisch. Toch houdt het, zeker in tijden van crisis, een gevaar in: wie tot onze ‘ingroup’ behoort, staat niet van te voren vast; het is in hoge mate geconstrueerd en kan gemakkelijk worden gemanipuleerd.

Eigenbelang

Om de legitimiteit van onze verzorgingsstaat terug op te krikken moet misschien de vraag verschuiven van ‘zullen zij er beter van worden?’ naar ‘zullen wij er niet slechter van worden?’. Een soort van welbegrepen eigenbelang als basis voor solidariteit. Dat lijkt een contradictie, maar dat is het niet.

De omslag naar activering klinkt in tijden van crisis luid en lijkt op het eerste zicht zeer aantrekkelijk. Voor die luie uitkeringstrekkers is geen geld. Iemand die zijn kansen in het leven niet grijpt, mag daarvoor niet worden ‘beloond’ met een financiële hangmat. Wat we goed moeten beseffen is dat, eens de sociale afbraak compleet, het gedaan is met passieve solidariteit (het betalen van belastingen voor goed werkende overheidsdiensten) en dat steeds meer actieve solidariteit zal worden verwacht. Te beginnen bij uzelf. U zal zelf harder moeten sparen voor de oude dag, voor de studies van uw kinderen, u zal zelf moeten zorgen voor uw zieke of (erger) stervende ouder. U zal, met andere woorden, zelf moeten investeren in uw sociale netwerk want de publieke voorzieningen worden onbetaalbaar. Dat raakt in de eerste plaats diegenen die daartoe de middelen niet hebben. Gedaan met de door de overheid gewaarborgde rechten. Je dreigt in bedeltoestanden te belanden waarbij armen rijken dankbaar moeten zijn voor hun giften. Maar ook voor diegenen die dit wel zouden kunnen betalen, is actieve solidariteit misschien niet zo’n prettig vooruitzicht. Dan toch liever passieve solidariteit, via een systeem van taxatie?

Two way street

De doodsteek van ons sociale zekerheidsstelsel is dat het, in haar ontmantelde vorm, enkel nog zal voorzien in steun aan de allerarmsten. Het betekent het einde van ons sociaal model, en wel om twee redenen.

Een. Het leidt tot een ‘war against the poor’, tot een pleidooi waar men zich in steeds scherpere bewoordingen zal buigen over de vraag wie er nu eigenlijk arm is (is iemand met een iphone en een flat screen arm?) en welk inkomen minimaal is om te overleven (de huidige 785 euro leefloon voor een alleenstaande, of misschien toch eerder 100 euro minder?).

Twee. Als ons stelsel er enkel is voor de allerarmsten verliest het alle steun van de tweeverdieners die het systeem draaiende houden. Zodra die middengroep voelt zelf geen baat te hebben bij de sociale zekerheid, valt het als een kaartenspel ineen. Het vooruitzicht dat men zelf kan ontvangen, is essentieel. En dat is wel degelijk nog steeds het geval: laagverdieners met kinderen in het beroepsonderwijs betalen mee aan de universitaire studies van de betere verdieners, huurders betalen mee aan de belastingaftrek van hypothecaire kredieten van eigenaars, enzovoort. Wetenschappers spreken van het Mattheüseffect, het fenomeen dat in de hoogontwikkelde welvaartsstaat de middenklasse de meeste vruchten plukt van sociale voordelen en services (zelfs wanneer deze diensten expliciet bedoeld zijn om de sociaal zwakkeren en armen te helpen).

De verzorgingsstaat in 2020

Als we moeten kiezen tussen hogere belastingen of lagere uitkeringen, kiest ons buikgevoel instinctief misschien eerder voor dat laatste. Zeker in tijden van crisis: het geld moet van ergens komen. Toch blijft het de taak van de politiek om daar nuances te leggen. Ze moet sterk inzetten op het verspreiden van meer kennis over individuele risico’s. Als het inzicht groeit wat actieve solidariteit echt betekent, groeit ongetwijfeld terug het verlangen naar de huidige verzorgingsstaat. Te weinig politici laten blijken wat die voor ieder van ons betekent.

Ook moeten politici beseffen dat de verzorgingsstaat geen statisch object is, maar onderhevig aan veranderingen. De verzorgingsstaat van 2000 is niet die van 2010, laat staan die van 2020. Als we de bereidheid tot solidariteit in stand willen houden, moeten we er constant aan sleutelen, de effectiviteit van overheidsinterventies goed onderzoeken, misbruiken aanpakken, nieuwe vormen van transfers inroepen in functie van nieuwe noden. Dus, betrokken politici, wees niet bang van het debat over transfers, over wie wel of niet recht heeft op steun. Als de beleidskeuzes fair zijn, duidelijk gecommuniceerd worden en wederkerig blijven, dan zal de kiezer u op lange termijn altijd volgen. Want mensen willen nog steeds solidair zijn, alleen willen ze er steeds meer voor terugzien.