Log in

'Why Nations Fail. The Origins of Power, Prosperity, and Poverty'

Uitgelezen

Why Nations Fail. The Origins of Power, Prosperity, and Poverty

Daron Acemoglu en James Robinson
Crown Publications, New York, 2012

We leven in een wereld waar tegelijk economische voorspoed en zwarte armoede voorkomen. Hoe dit mogelijk is, is wellicht de belangrijkste en moeilijkste vraag die economen zich kunnen stellen. In hun boek wagen Daron Acemoglu en James Robinson zich aan een antwoord.

Mensen worden niet rijk of blijven niet arm omdat ze in een bepaald geografisch gebied wonen of omdat ze tot een bepaald ras of cultuur behoren. Noord-Koreanen en Zuid-Koreanen wonen niet ver van elkaar en delen dezelfde cultuur, maar Noord-Korea is straatarm terwijl Zuid-Korea bij de rijke landen wordt gerekend. Nogales is een stad die zich deels in de Verenigde Staten en deels in Mexico bevindt. Het Mexicaanse stadsdeel is economisch veel minder goed af dan het Amerikaanse. Dergelijke verschillen worden wel verklaard door ‘instituties’. De politieke instituties regelen de verdeling van de macht in de maatschappij, de economische instituties betreffen de vrijheid voor het inzetten en verwerven van productiemiddelen zoals arbeid, land en kapitaal. De feitelijke instituties bevinden zich op een continuüm tussen de polen inclusief en extractief. Inclusieve politieke instituties garanderen rechtszekerheid en bieden aan brede lagen van de bevolking mogelijkheid tot deelname aan de politieke macht. Inclusieve economische instituties geven aan de grote meerderheid van de bevolking prikkels om te werken, te investeren, zich te vormen, te ondernemen en te innoveren. Effectief beschermd privaat eigendomsrecht vormt hiervoor een belangrijke voorwaarde. Diametraal daar tegenover situeren zich de extractieve politieke en economische instituties. Ze concentreren de politieke macht en de beslissingsmacht over de inzet van productiefactoren in handen van een beperkte en ongecontroleerde elite.

Inclusieve instituties zorgen voor groei en ontwikkeling, extractieve instituties zijn de belangrijkste verklaring voor stagnatie en armoede, betogen Acemoglu en Robinsom. Ze maken een zeer indrukwekkende reis door tijd en ruimte om hun stelling te staven. Zowel de landbouwrevolutie van 10 millennia terug in Mesopotamië, de industriële revolutie in de 17e en 18e eeuw in Engeland als de spectaculaire Chinese economische groei passeren, onder zeer veel meer, de revue. Uit al dit historisch materiaal blijkt vooreerst het primaat van de politieke instituties. Groei en ontwikkeling is een proces van creatieve destructie. De opkomst van nieuwe productietechnieken en van nieuwe producten tast de macht en het inkomen van wie de bestaande producten met de bestaande technologie voortbracht aan. Deze gevestigde belangen proberen de vernieuwing tegen te gaan. Gaat het om de gevestigde belangen van de politieke elite, dan slaagt die er vaak in de technologische vooruitgang en de groei effectief af te remmen. De Engelse koningin Elisabeth I verbood de introductie van een breimachine, het drukken van boeken werd van hogerhand belemmerd in het Ottomaanse Rijk en zowel de Oostenrijkse keizer als de Russische tsaar verzetten zich met succes tegen de introductie en uitbreiding van de spoorwegen.

De wereldgeschiedenis levert veel meer voorbeelden van extractieve dan van inclusieve instituties. De duurzaamheid van de extractieve instituties wordt verklaard door een perverse wisselwerking tussen politieke en economische extractieve instituties. De machtsconcentratie leidt naar inkomensconcentratie waardoor er meer middelen beschikbaar zijn voor het kopen van de loyauteit van de kleine elite en voor de repressie van het volk. Deze vicieuze cirkel kan maar worden doorbroken door een politieke revolutie. Het gaat hier niet om een omwenteling waarin de ene oligarchie een andere aflost zoals wanneer de tsaar zijn macht verloor ten voordele van deze van de Communistische partijtop. ‘Het’ voorbeeld van dergelijke democratisering in de letterlijke zin van het woord vinden de auteurs in Engeland waar over de eeuwen heen - van de Magna Carta in 1215 over de Glorious Revolution in 1688 tot aan de verschillende progressieve hervormingen van het kiesstelsel in de 19de eeuw - een marginaal meer democratisch politiek stelsel uiteindelijk echt inclusief werd. Deze democratisering werd in de hand gewerkt door externe schokken. De Pestepidemie in de 14de eeuw zorgde voor arbeidsschaarste en meer vrijheid voor de bevolking om de eigen arbeid ten gelde te maken. Via de trans-Atlantische handel vanaf de 16de eeuw verwierf een klasse van niet adellijke nieuwe rijken meer inkomen maar ook meer politieke macht. In dergelijk politiek klimaat kregen deze ‘zakenlui’ de vrijheid om de systematische creatieve destructie op gang te brengen die we nu kennen als de Industriële Revolutie. De Zwarte Dood en de opening van transcontinentale handel zijn maar twee belangrijke voorbeelden van externe schokken. Ze vormen als het ware ‘kruispunten’ waarbij samenlevingen en economieën een andere weg kunnen opgaan. Waar de Zwarte Dood in West-Europa bevrijdend werkte voor de lijfeigenen, leidde arbeidsschaarste in Oost-Europa tot nog meer onderwerping van de landelijke bevolking. De overzeese handel creëerde en consolideerde de klasse van handelaars en stedelijke en rurale producenten in Engeland maar in Spanje werd de Kroon er nog dominanter door. De slavenhandel en de kolonisatie vormden een zeer apart soort kruispunt waarbij de evolutie naar meer inclusieve instituties in het Noorden ten koste ging van de langetermijnontwikkelingsperspectieven in het Zuiden.

Engeland gaf als het ware het goede voorbeeld dat onder meer door continentaal West-Europa, de Verenigde Staten en Australië werd nagevolgd. Inclusieve instituties vinden we echter niet alleen bij dominant blanke bevolkingen. Ook Japan en Botswana behoren bijvoorbeeld tot de groep van naties die de weg naar voorspoed insloegen. Toch blijven nog veel naties ‘mislukken’. En economische groei volstaat niet om te slagen. De Sovjet Unie kende decennialang een jaarlijkse economische groei boven de 5% en de Chinese economie van na Mao verplettert jaar na jaar dit groeirecord. In beide gevallen gaat het om economische groei onder extractieve politieke instituties. Dergelijke groei is niet duurzaam. De Sovjet groei was gebaseerd op geforceerde transfer van arbeid uit de inefficiënte landbouwsector naar de kapitaalintensieve industriële sector met als speerpunt de wapenindustrie. Eens die transfer voltooid, stokte de groei bleek onder Brejznev. De Chinese groei is van een ander type. Hij is te danken aan de economische liberalisering ingezet onder Deng Xiaoping. De almacht van de communistische partij en de daarmee samenhangende machtsstrijd zullen eerlang een rem zetten op de creatieve destructie nodig voor duurzame groei. Het staatskapitalisme als shortcut naar welvaart is met andere woorden een even grote illusie als de planeconomie dit was. Zonder machtswerving door brede lagen van de bevolking is er geen ontwikkeling mogelijk. Dit zet meteen aan tot nederigheid met betrekking tot wat we met ontwikkelingshulp kunnen bereiken. De generositeit en kennis van de rijke landen kunnen niet echt het verschil maken.

Why Nations Fail vind ik een absolute aanrader voor wie zich voor ontwikkeling en/of economische geschiedenis interesseert. Maar de auteurs hebben met hun boek het raadsel van de wereldgeschiedenis niet ontsluierd. Hoewel ze deze ambitie bij momenten lijken te hebben. In hun ijver het belang van instituties aan te tonen, wekken Acemoglu en Robinson het vermoeden die voorbeelden te kiezen die in hun kraam passen in plaats van uit een aselecte steekproef van gevallen tot een conclusie te komen. En zo worden alle niet institutionele factoren weggefilterd. Er is bijvoorbeeld geen enkele verwijzing naar de invloed van nieuwe gedachtestromingen of veranderende wereldopvattingen. De auteurs distantiëren zich van historisch determinisme door te wijzen op het belang van toeval. ‘Toevallig’ wordt daarbij impliciet gelijk gesteld aan ‘niet door instituties verklaarbaar’. Deze niet verklaarde rest blijkt geen onderzoek waard. Een ander fundamentele objectie tegen hun verhaal betreft hun defaitistische houding tegenover ontwikkelingssamenwerking. In hun boek Poor Economics: A Radical Rethinking of the Way to Fight Global Poverty_ _ (2011, Public Affairs, New York) betogen Esther Duflo en Abhijith Banerjee dat je wel op efficiënte wijze armoede kan bestrijden. Acemoglu en Robinsom hebben het enkel over INSTITUTIES in hoofdletters zoals absolutisme, democratie en eigendoms- en verbintenissenrecht. Ze zien de details, de instituties in kleine letters, grotendeels over het hoofd. Nochtans kan er aan die details mede dankzij ontwikkelingshulp gesleuteld worden met substantieel en duurzaam positief effect. Waar bij de verkiezingen de kieslijsten van foto’s van de kandidaten werden voorzien, kon ook wie niet kon lezen zijn voorkeur laten gelden en stelde men vast dat de samenstelling van het politiek personeel evolueerde naar een betere vertegenwoordiging van de armen. Het verrichten van audits van de werking van administraties, scholen en ziekenhuizen en het breed kenbaar maken van de resultaten vermindert significant het gesjoemel en de inefficiëntie. Met die voorbeelden naast vele andere, komen Duflo en Banerjee tot de conclusie dat ook binnen extractieve instituties ontwikkeling mogelijk is.

We moeten besluiten dat het geen slecht idee is om zowel van de ideeën van Acemoglu en Robinson als van deze van Duflo en Banerjee kennis te nemen. Het gaat om vier topeconomen die erin slagen inzichten die zij hebben verworven in het uitvoeren van gesofistikeerd economisch onderzoek voor een breed publiek toegankelijk te maken. Ze maken daarbij geen concessies wat de wetenschappelijkheid of diepgang van hun verhaal betreft. Wellicht inspireren en stimuleren ze daardoor mensen en instellingen om efficiënter de armoede te bestrijden. Wat paradoxalerwijze het pessimisme van Acemoglu en Robinson zou relativeren.

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 8 (oktober), pagina 69 tot 72