Abonneer Log in

Wat na de Derde Weg?

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 9 (november), pagina 62 tot 67

Wat na de Derde Weg?

After the Third Way. The Future of Social Democracy in Europe
Olaf Cramme en Patrick Diamond (reds.)\nI.B. Tauris, Londen/New York, 2012

Links verkeert in crisis - en dat op electoraal vlak en op het terrein van de ideeën. Sociaaldemocratische partijen liggen almaar minder goed ‘in de markt’. De meerderheid van de sociaaldemocratische partijen in Europa hangen vandaag in de touwen. Anno 2012 staan linkse partijen in de Europese Unie slechts in zes landen, waaronder België, aan het roer. In het recent verschenen boek After the Third Way. The Future of Social Democracy in Europe, samengesteld door Olaf Cramme en Patrick Diamond van de Britse centrumlinkse denktank Policy Network, reikt een rist intellectuelen met uiteenlopende achtergronden, in een vijftiental essays, analyses en ideeën aan om uit deze impasse te geraken.

DERDE WEG BLEEK DOODLOPENDE STRAAT

In de naoorlogse periode zijn sociaaldemocraten een belangrijke politieke factor geweest in Europa. De sociaaldemocratie heeft immers een flinke dosis politieke en intellectuele brandstof geleverd voor de wederopbouw van Europa en de uitbouw van de verzorgingstaat. Vanaf eind jaren 1970, begin jaren 1980 echter begon de curve van de politieke macht van sociaaldemocraten een neerwaarts verloop te vertonen. Het geloof dat links geen afdoend antwoord had op de nieuwe uitdagingen (afkalvende industrieën, structurele werkloosheid, een hoge belastingdruk, toenemende immigratie) nam gestaag toe onder de bevolking, inclusief de traditionele achterban. Het conservatisme à la Margaret Thatcher speelde hier handig op in en wisten een deel van de electorale basis van links te verleiden.

De val van de Muur en het einde van de Koude Oorlog luidden een nieuw tijdperk in. In de jaren 1990 omarmde de ene linkse partij na de andere in Europa de principes van de vrijemarkteconomie. In sociaaldemocratische kringen nam het geloof in de kracht van het globale kapitalisme, mits sociale correcties, toe. De Derde Weg was geboren. Deze afslag bleek nogal wat linkse partijen geen windeieren te leggen. Rond de eeuwwisseling waren sociaaldemocraten in maar liefst dertien van vijftien toenmalige EU-lidstaten aan de macht - waaronder alle grote lidstaten.

De terugkeer van centrumlinks was echter geen lang leven beschoren. De Derde Weg bleek een doodlopend straatje. Er waren grenzen aan de inzet van marktinstrumenten ter verwezenlijking van sociale doelstellingen. Ook was en is het allesbehalve evident voor sociaaldemocratische partijen om een steeds heterogener wordende achterban - die zich uitstrekt van (wat er overblijft van) de traditionele arbeidersklasse tot sociaalliberale, kosmopolitische yuppies - te bedienen. Marketing nam het over van ideeën. Geen wonder dat centrumlinks er recent met brio in geslaagd is om zelfs de historische opportuniteit die de financieel-economische crisis bood aan zich voorbij te laten gaan. Kortom, op Europese schaal lijkt de impasse compleet.

WAT NA DE DERDE WEG?

In het recent verschenen boek After the Third Way reikt een rist intellectuelen met uiteenlopende achtergronden, in een vijftiental essays, analyses en ideeën aan om uit deze impasse te geraken. De onderwerpen zijn gevarieerd: de financieel-economische crisis, Europa, ecologie, migratie/integratie, onderwijs, enzovoort. Het boek werd samengesteld door Olaf Cramme en Patrick Diamond van Policy Network - een Britse centrumlinkse denktank. De bijdragen in het boek zijn het resultaat van discussies die gedurende het jaar 2009 en 2010 gehouden werden onder academici, politici en waarnemers onder de vleugels van Policy Network. Laten we stilstaan bij vier bijdragen, die telkens een ander onderwerp behandelen, en die wat mij betreft op zijn minst prikkelend te noemen zijn.

John Kay

In The Mechanics of Markets: Politics, Economics and Finance geeft John Kay - een toonaangevend Brits econoom en columnist bij de Financial Times - aan hoe centrumlinks naar aanleiding van de bankencrisis een once-in-a-generation opportunity miste om het intellectuele en politieke leiderschap terug over te nemen van wat hij de ‘marktfundamentalisten’ noemt. Nochtans was de tijd rijp om deze marktfundamentalistische ideologie (eigenbelang en hebzucht als drijfveer; een minimalistische opvatting van de overheid) met de grond gelijk te maken. De auteur verwijt marktfundamentalisten wetenschappelijke onjuistheid. Er bestaat niet zoiets als ‘de vrije markt’. Markten kunnen enkel functioneren omdat, of wanneer, ze ingebed zijn in een sociale context - en dus gereguleerd zijn. Het begrip ‘vrije markt’ is bijgevolg een oxymoron (tegenstelling), aldus Kay.

Ook verwijt de auteur de marktfundamentalisten hypocrisie en rabiaat opportunisme. Decennialang verdedigden ze de idee dat falende bedrijven moesten verdwijnen. Toen de grootste en politiek machtigste financiële ondernemingen in Europa en de VS aan de beurt waren, waren ze plotsklaps de eersten die de eigen doctrine naast zich neerlegden. Ze vroegen hulp aan overheden en wentelden zo hun falen af op maatschappij en economie.

In één adem verkoopt Kay ook een dreun aan centrumlinkse partijen: ‘The political parties which had waited for a century for capitalism to collapse under its own contradictions congratulated themselves that the collapse had been staved off by the injection of simply incredible amounts - trillions of dollars - of taxpayer funds into the banking system.’ (p. 61) Bovendien werd de financiële sector niet verplicht om gedegen hervormingen door te voeren, wat de auteur ten zeerste betreurt. En toch hoor je hem niet zeggen dat het antwoord ligt in ‘meer overheid’ zonder meer. Hij heeft geen hoge pet op van dit mantra van links. Wat van primordiaal belang is, is eerder een beter begrip van markten - volgens hem nog steeds niet bepaald een sterk punt van centrumlinks.

Mark Elchardus en René Cuperus

Met het essay Social Cohesion, Culture Politics and the Impact of Migration werpen VUB-socioloog Mark Elchardus en René Cuperus (Wiardi Beckman Stichting, Nederland) de sociaaldemocratie de ‘falende integratie’ van migranten en hun nakomelingen voor de schenen. België en Nederland worden neergezet als voorbeelden van hoe het niet moet (‘bad practices’).

Vooral de situatie van Belgen van Marokkaanse en Turkse afkomst wordt in het vizier genomen. Ondanks het feit dat ze al verschillende generaties verankerd zijn in de Lage Landen blijven ze in grote getale in een maatschappelijk kwetsbare positie steken. Zowat alle relevante indicatoren staan op rood. Onderwijsprestaties? Zwak. Activiteitsgraad? Laag. Criminaliteit? Oververtegenwoordiging binnen de gevangenismuren. Bijstand? Chronisch afhankelijk. De oorzaken: onderwijssystemen die segregatie in de hand werken, arbeidsmarkten die gesloten zijn, maar ook verzorgingsstaten die te open zijn. De auteurs wijzen culturele verklaringsgronden (en dus vooroordelen en racisme) die leven bij een deel van de samenleving resoluut van de hand, hoewel ze begrip opbrengen voor de vervreemding van datzelfde deel ‘in de eigen wijk en stad’ (‘autochtonous homesickness’). Heel wat van deze mensen vrezen dat de sociale zekerheid wordt uitgehold door ‘the rising problem of diversity’. Elchardus en Cuperus zien hier een taak weggelegd voor de sociaaldemocratie. ‘The longing for a return to a time without diversity can be dismissed, but the longing for effective politics, a more potent state, and a vigorous defence of the welfare state certainly cannot be. These are crucial social democratic responsabilities.’ (p. 134)

De auteurs schrijven het verlies van de arbeidersklasse aan extreemrechtse en populistische partijen toe aan de evolutie van de meeste sociaaldemocratische partijen naar een sociaal-liberale positie op economisch vlak en een multiculturele en kosmopolitische positie op sociaal-cultureel vlak. Het klassieke electoraat echter is door de band genomen eerder traditioneel links op economisch vlak en conservatief op sociaal-cultureel vlak. Dit deel van de analyse is al vaker gemaakt. Wel nieuw is de kritiek die de auteurs hebben op de strategie die linkse partijen gevolgd hebben. Vallen hier onder: contraproductieve politieke correctheid en ‘selectieve blindheid’ die resulteerde uit de strijd tegen racistische partijen (VB, FPÖ, FN) - hoewel de auteurs de legitimiteit van deze strijd ontkennen noch minimaliseren; de eenzijdige focus op het verlenen van basisrechten aan nieuwkomers en het blind blijven voor de tekortkomingen van de multiculturele filosofie. ‘But, however, lofty the intentions and principles were, the outcome has been close to disastrous. Looking back, it is now clear that the signals sent out by the traditional social democratic electorate have been ignored, and also that the guiding values of social democracy have been either forgotten or unimaginatively applied. The result: a segregated society with migrant ghettos of poverty, deprivation and welfare dependency, as well as mutual distrust between newcomers and the autochthonous population. This can only be viewed as social democratic progress by the most blinkered optimists.’ (p. 137)

In de beleidsaanbevelingen doen de auteurs een vertrouwd in de oren klinkende oproep voor flinks beleid, en voor de voor-wat-hoort-wat-idee. Maar daar blijft het niet bij: de auteurs breken duidelijk een lans voor een inperking van de migratie. Ze roepen zelfs op voor een herziening van het Schengenverdrag zodat controles op de nationale grenzen kunnen worden heringevoerd. Dit voorstel lijkt recht uit de lade van een rechtse partij te komen. Het zou een echo kunnen zijn van een van de stokpaardjes van Nicolas Sarkozy tijdens de laatste presidentsverkiezingen, of van een beleidsmaatregel van de voormalige Deense minderheidregering (het essay is allicht in die periode geschreven).

Men hoeft het helemaal niet eens te zijn met de analyse, laat staan met de conclusies of beleidsaanbevelingen van Elchardus en Cuperus. Toch kan men er niet omheen dat hun bijdrage de verdienste heeft dat deze het debat tracht te herijken - zonder taboes - wat noodzakelijk is gezien de maatschappelijke en politieke evoluties.

Peter Taylor-Gooby

Een derde opmerkelijk essay is Social Democracy at the End of the Welfare State van Peter Taylor-Gooby (University of Kent). Taylor-Gooby opent met de stelling dat de grootste uitdaging voor de welvaartstaat niet zozeer voortkomt uit ‘technical problems’, als gevolg van de vergrijzing of werkonzekerheid, maar eerder uit ‘systemic problems’: de moeilijkheid om politieke consensus te behouden, of te construeren, voor de instandhouding van de welvaartstaat.

De auteur stelt een afname van het politiek draagvlak voor de verzorgingsstaat vast. Hij wijst dit toe aan het afkalven van de klassenconsensus - vooral die tussen de middenklasse en de onderste lagen van de bevolking - door toenemende ongelijkheid en globalisering. ‘It is thus much harder to forge alliances between middle and bottom as the incomes and interests of social groups fragment. A more globalised world is perceived primarily as the threat of migrant competition at the bottom, but more as the opportunities of a freer world market at the middle and top. The fact that incomes have diverged sharply in recent years confirms the reality that lies behind these perceptions.’ (p. 81)

De crisis van de welvaartstaat vindt zijn meest opmerkelijke politieke uitdrukking in het succes van (extreem)rechtse partijen, aldus Taylor-Gooby. Anti-migrantenpartijen stellen vaak dat de verzorgingsstaat de belangen van het ‘eigen volk’ niet doet primeren waardoor de steun ervoor afneemt. Deze ruk naar rechts voedt nieuwe conflicten tussen groepen op de laagste treden van de maatschappelijke ladder - tussen nieuwkomers en de gevestigde arbeidersklasse.

De sociaaldemocratie moet de alliantie tussen de laagste klasse(n) en de middenklasse herstellen en versterken, aldus de auteur. Meer investeren, meer gelijkheid, meer kansen. Ook moeten vrouwen een grotere rol spelen en hoort er een Noord-Zuid internationalisme inzake handel en hulp vorm te krijgen. Door dat laatste kan ook meer worden ingespeeld op de oorzaken van migratie. De analyse van Taylor-Gooby houdt steek maar het essay mist hier en daar toch enige scherpte.

Olaf Cramme

Een vierde en laatste bijdrage die we willen aanhalen is The Power of European Integration: Choice and Purpose for Centre-Left Politics van Olaf Cramme (Policy Network, London School of Economics). Lange tijd was de EU voor veel mensen eerder een ver-van-mijn-bed-show, ‘technocratic, too remote and too irrelevant’. Daar heeft de Eurocrisis verandering in gebracht.

De auteur stelt vast dat sociaaldemocraten gedurende lange tijd een ambivalente houding hebben aangenomen tegenover het groeiende, Europese project. Links stond achter de idee van een interdependent Europa maar had moeite met de centrale plaats die de markt kreeg in dit project. Resultaat: links bleef een eerder passieve toeschouwer, die af en toe kritiek uitte, maar het project nooit in de kern uitdaagde. Met het aantreden van de socialist François Mitterand als president in Frankrijk, en de aanstelling van zijn partijgenoot Jaques Delors aan het hoofd van de Europese Commissie, begon die ambivalente houding te wijzigen. Mitterand en Delors - en dan Delors nog meer dan Mitterand - zagen geen heil meer in het recept van ‘socialisme in één land’. Europeanisering werd stilaan gezien als het middel om het hoofd te kunnen bieden aan neoliberale globalisering. Hiermee wijzigde ook de houding van andere Europese sociaaldemocraten tegenover de Europese Gemeenschap. Voortaan stond ‘een sociaal Europa’ op de agenda.

Enkele jaren geleden, toen de financieel-economische wereldwijd uitbrak, bleken sociaaldemocraten het publiek niet meer te kunnen bekoren met het verhaal van een sociaal Europa: ‘Social democracy got stuck in a lonely fight against global developments whose actual implications were often ill-understood or not appreciated by the European public, let alone shared by other global players. To many, the processes of Europeanisation and globalization looked almost identical, making the task of pitching the former against the latter all the more difficult. Moreover, the policy solutions presented by the centre-left, from a ‘Robin Hood tax’ to a ‘Green New Deal’, meant little to citizens concerned about stagnant wages, job insecurity and migration.’ (p. 162) Anders gezegd, centrumlinks formuleerde sterke ideeën op het metaniveau maar kon deze maar moeilijk hertalen in overtuigende antwoorden op de bekommernissen die leefden op het microniveau, bij Jan Modaal. Ook euroscepticisme - dat onder meer voortspruit uit het gekende ‘democratisch deficit’ van de EU - zal ongetwijfeld een vervreemdende rol gespeeld hebben t.o.v. de boodschap van pro-Europese stemmen.

Verder hakt de auteur in op de bewering dat Europa niet sociaal zou zijn. Ten eerste heeft de jarenlange economische groei, die onder impuls van het Europese project tot stand kwam, sinds de jaren 1980 heel wat nationale welvaartsstaten de ruimte geboden om de sociale uitgaven te verhogen (in relatieve en absolute termen). Ten tweede wijst hij op het groeiende corpus van ‘progressief flankerend beleid’ van de EU (consumentenrechten, antidiscriminatiewetgeving). Toegegeven, hoewel er nog een lange weg af te leggen valt om het sociale aspect in het DNA van de EU te verankeren maakt Cramme hier toch een belangrijk punt. In dit verband pleit hij ervoor om voorbij het ‘futiele antagonisme’ van een ‘Market Europa’ versus een ‘Social Europe’ te gaan. Voortaan moet voor hem een democratisch, economisch en sociaal duurzaam Europa centraal staan.
Tot slot worden er drie beleidsideeën mee gegeven: een ‘EU Social Investment Pact’, een versterkt macro-economisch coördinatiemechanisme en een gedeeltelijke Europeanisering van het belastingsbeleid. Samengevat, het essay van Cramme is op sommige plaatsen wat drammerig, zijn aanbevelingen behoeven verdere uitwerking, maar zijn oproep aan de sociaaldemocratie om de Europese integratie een warm hart te blijven toedragen, is actueler en urgenter dan ooit.

DUBBEL GEVOEL

Het boek After the Third Way loopt over van de ideeën om de sociaaldemocratie terug op de sporen te zetten. ‘Zonder ideeën, geen hoop’, aldus de samenstellers van de bundel, Cramme en Diamond. Wie echter een coherent of op elkaar afgestemd geheel van ideeën verwachtte is eraan voor de moeite. Het boek is een bundeling van erg goede en minder goede essays, die uiteenlopende onderwerpen behandelen, al dan niet op gedetailleerde wijze. De lezer kan met een dubbel gevoel achterblijven. Er is enerzijds het déjà vu: nogal wat standpunten heeft de betrokken lezer al eens eerder gehoord. Anderzijds zijn sommige kritieken en voorstellen fris, goed uitgebalanceerd en pertinent verwoord. Maar wat er na de Derde Weg zou moeten komen, blijft wat onduidelijk. Alvast geen neoliberalisme noch het traditionele linkse gedachtegoed van na de Tweede Wereldoorlog, klinkt het. De samenstellers van het boek houden het bij ‘a more just, humane and efficient conception of a market capitalist economy’. (p. 253) Kortom, dit boek is samengesteld en geschreven door realisten, geen idealisten, laat staan visionairen. En dat is tegelijkertijd de sterkte maar ook zwakte ervan.

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 9 (november), pagina 62 tot 67